naar het kwartetspelnaar foto's van het gezinnaar pagina over aspecten van de cultuur in Indonesiëfoto's uit familiealbum van het landschap rond 1910enige informatie over mijzelfvoor reactie: mailto a.vandenberg01@chello.nl

Tussen mijn oude schoolschriftjes e.d. vond ik onderstaand opstel dat ik in de eerste of tweede klas van het gymnasium geschreven heb. Ik had mijn moeder gevraagd hoe de oorlog in Indië begon. Haar verhaal heb ik toen weergegeven. Over de jaren die volgden – mijn vader was krijgsgevangene en mijn moeder en broers zaten in Japanse interneringskampen – spraken wij thuis zelden.

Bij het uitbreken van de oorlog in Nederlands-Indië waren mijn moeder en broers in Gombong in Midden-Java, waar mijn ouders toen woonden. Mijn vader was als officier van het KNIL niet thuis.

Op de foto: Gombong, 8 november 1941, de vijfde verjaardag van mijn broer Paul.

AVOND ZONDER LICHT

In december 1941 vielen de Japanners Pearl Harbor aan.

Op een dag een paar maanden later:

Gombong was maar een klein garnizoensplaatsje in Midden-Java. Er woonden een dertigtal gezinnen: onderwijzers, officieren en onderofficieren met hun vrouwen en kinderen.

Alle gezonde mannen waren weg. Zij moesten naar West-Java om militaire dienst te doen, ook de onderwijzers. In de loop van de dag waren ontelbare auto’s door Gombong gereden. Een enkele automobilist die stopte, vertelde het ontzettende nieuws: “De Japanners zijn geland in Oost-Java.”

De vrouwen en kinderen verzamelden zich in het huis van de garnizoenscommandant. Deze plek mocht niet ontdekt worden door de Japanners wanneer die langstrokken.

Het huis lag een eind van de weg af, maar toch: ze zouden stil moeten zijn en ’s avonds geen licht mogen aansteken. Terwijl één der vrouwen de kinderen voorlas om ze stil te houden, barricadeerden de anderen de ramen en deuren.

Aan het begin van de avond – het werd snel donker – maakten zij slaapplaatsen van tafels, stoelen, matrassen, kleren en allemogelijke andere dingen. De kinderen moesten maar zo vlug mogelijk gaan slapen, dan waren ze tenminste stil.

Telkens als een kind begon te huilen, probeerde de moeder het te sussen of hield ze haar hand op de mond van het kind. Voortdurend was er de angst om ontdekt te worden.

Eerst hadden de vrouwen hun handen vol met de kinderen, maar later zaten ze voor het merendeel stil voor zich uit te staren in het donker. Sommigen fluisterden samen wat. Enkelen luisterden naar de radio, die heel zacht aanstond.

Ze konden elkaar nauwelijks onderscheiden. Als er geen radioberichten waren en er geen kind om zijn moeder riep, was er een beklemmende stilte.

Soms doezelde een vrouw in, maar schrok dan weer wakker, omdat de radiostem weer flauw te horen was of ook wel zonder enige aanleiding.

De meesten wilden wakker zijn, wilden paraat zijn, als er gehandeld moest worden. De overigen sliepen liever om de duisternis en stilte te ontvluchten, hun angst te vergeten.

Tegen middernacht ontstond enige opschudding in die tot dan zo stille donkerte. De kleine kinderen werden onrustig: de wat grotere wilden van hun slaapplaatsen om wat beweging te krijgen.

Eén der vrouwen vertelde zacht aan een paar die echt niet meer konden slapen, lange verhalen. Maar wanneer ze al te veel in het verhaal opgingen en “Ah!” of “Oh!” riepen, werd hun gauw een hand op de mond gelegd.

Andere vrouwen namen  de kleineren, waarvan sommigen heel zachtjes huilden, op schoot, in de hoop, dat ze daar weer in slaap zouden vallen.

De volgende morgen kwam een djongos, de trouwe bediende van één der vrouwen, melden, dat de Japanse troepen voorbijgetrokken waren.

Loet van den Berg

Op de tweede foto: mijn broers Peter (rechts) en Paul, in Gombong 1942 vlak voor de oorlog, 7 en 5 jaar oud - vanwege hun leeftijd konden zij bij mijn moeder blijven tijdens de Japanse internering. Zie ook: foto voor mijn vader die in 1942 krijgsgevangen werd gemaakt.