Amsterdamse
Beeldhouwkunst (II)
Frits Sieger
(1893-1990)
Frederik ( Frits)
Sieger werd op 5 mei 1893 geboren te Amsterdam. Hij groeide op in de
Kinkerbuurt, als zoon van een stukadoor. In die tijd was een stukadoor half
ambachtsman half kunstenaar, een artisan die direct met de hand de ornamenten
in gips aanbracht. Vader Sieger was een kunstzinnig man. In zijn vrije tijd
sneed hij figuren en portretten uit hout en tekende hij ook graag. Als actief
lid van de emanciperende arbeidersbeweging koesterde hij grote bewondering voor
Marx en Domela Nieuwenhuis. Van eerstgenoemde maakte hij een portret in
mahoniehout, gesneden uit een pleedeksel.
Ambachtelijke
vaardigheid, liefde voor de kunst en politiek engagement gingen over van vader
op zoon, want Frits gaf al op de lagere school te kennen ‘in de kunst’ te
willen. Aan het geloof der kameraden is hij zijn leven lang trouw gebleven.
Frits keuze voor een artistieke loopbaan werd mede bepaald door zijn fascinatie
voor een bohémien-achtige verschijning die hij dagelijks tegenkwam op weg naar
school. Dit baardig personage met een reusachtige map onder de arm bleek de
schilder Jan Sluijters te zijn, toen al een bekendheid in Amsterdam.
De wensen van het
jongetje strookten echter niet met het milieu waaruit hij voortkwam. Na de
lagere school was het direct aanpakken geblazen, eerst als slagersloopjongen,
vervolgens als stukadoor en tenslotte als restaurator van etalagepoppen in
was. De artistieke vorming bleef beperkt tot de avonduren. Sieger kreeg
achtereenvolgens les van de Oude Raedecker –de vader van John- op de ambachtsschool aan de Vijzelgracht en
van Kees Oosschot op de Avondschool voor Kunstambachten in de Da Costastraat.
Rond 1920 leerde hij zijn toekomstige echtgenote kennen die hem inspireerde tot
zijn eerste vrije plastieken.
In 1912 meldde Sieger
zich aan voor de Rijksacademie van Beeldende Kunsten en belandde in de
beeldhouwklas van prof. Jan Bonner. Daar bleef hij tot 1928, in het gezelschap
van klasgenoten als o.a. Chris Hassoldt, Gerarda Rueter (zie Binnenstad 120
(1990), pag. 22-23), Bertus Sondaar, Ton Dobbelman en Kees Schrikker. Onder
leiding van Bronner bekwaamde Sieger zich in de inhoudelijke en technische
aspecten van het vak en werd hij gesterkt in zijn opvattingen over de
verantwoordelijke rol van de kunstenaar in de moderne samenleving, Sieger, en
in die tijd vele collega’s met hem, vertaalde de idealen van Bronners
gemeenschapskunst op politieke wijze. De kunstenaar diende met zijn werk een
bijdrage te leveren aan de strijd van de arbeidersbeweging. Met het oog op de
massa moest dit met duidelijke middelen –b.v. door middel van de symbooltaal-
en op herkenbare, dus naturalistische, wijze geschieden.
Door zijn politieke
stellingname –hij werd lid van de CPN- raakte Sieger spoedig in contact met
gelijkgerichte kunstenaars als Peter Alma, Harry van Kruiningen, Charley Toorop
en Hildo Krop. Uit zijn werk dat in de jaren ’20 en ’30 ontstond, blijkt de
invloed die hij had ondergaan van het expressionisme dat in die jaren werd
beleden door toonaangevende collega’s en geestverwanten als Krop, John Raedecker
en Johan Polet. Ook de sociaal en politiek bepaalde onderwerpskeuze en de
uitvoering direct in harde materialen als natuursteen en hout getuigen van deze
invloed. Sieger ging behoren tot het groepje beeldhouwers dat, meestal in
opdracht van de gemeente Amsterdam, zijn bijdrage leverde aan de sculpturale
versiering van de volkswoningbouw in de nieuwe wijken. Om in zijn
levensonderhoud te voorzien –de opdrachten waren schaars in deze crisisjaren-
stichtte hij een werkplaats voor de restauratie van etalagepoppen. Woonhuis,
bedrijf en atelier kwamen onder één kap, toen Sieger in 1938 aan de
Keizersgracht 50 ging wonen. Het gezin was inmiddels uitgebreid met een dochter
en een zoon.
Gedurende de 2e wereldoorlog was Sieger actief in het
verzet. Tot tweemaal toe werd hij voor langere tijd door de Duitsers in
hechtenis genomen, maar gebrek aan bewijsmateriaal voorkwam erger. Na de oorlog
verruilde hij de etalagepoppen voor portretreliëfs (plaquettes), waarvan de productie
hem een basisinkomen verschafte. Vele van de ongesigneerde plaquettes die men
in de fabrieks- en andere bedrijfshallen aantreft, zijn van de hand van Sieger.
Meer inspirerend waren de opdrachten voor oorlogsmonumenten en ander openbaar
beeldhouwwerk die hij nu meer ging krijgen. Zijn bekende beeld is misschien wel
de grote verzetsstrijder op de Leusderhei bij Amersfoort (1952).
Amsterdammers kennen
ongetwijfeld het parmantige borstbeeld van P.C. Hooft op de Stadhouderskade
(1947, 300ste sterfjaar van Hooft), de noeste kop van Wibout aan een
woningcomplex van De Dageraad op het Henriëtte Ronnerplein (1950) en het
anekdotische eerste Multatuli-monument van de stad: het standbeeldje van
Woutertje Pieterse en Femke op de Noordermarkt (1971).
Vergeleken met het vooroorlogse
werk, heeft Sieger in zijn naoorlogse plastiek de naturalistische lijn, nu
ontdaan van de expressionistische beklemtoning, voortgezet. De architectonische
stilering van zijn toegepaste werk uit de jaren ’30, kenmerkt ook de
vrijstaande plastiek uit de latere periode. In de onderwerpskeuze van zijn
naoorlogse oeuvre geeft Sieger blijk van zijn onverbiddelijke trouw aan zijn
politiek geloof. Tot zijn meest recente werken behoren knap gemaakte portretten
in natuursteen van Marx en Lenin, waarvan er enkele hun weg hebben gevonden
naar musea in oost-Europa. Afgezien van de eretentoonstelling die Sieger in
1978 ten deel viel in zijn geboortestad –in het Stedelijk Museum- is hij als
‘proletarisch-revolutionair beeldhouwer’ vooral geëerd in de landen van zijn
politieke keuze. In 1973 verscheen in Moskou een Russischtalige publicatie over
zijn werk, in 1982 gevolgd door een overzichtstentoonstelling ) met
monografie/catalogus) in de Nationalgalerie te oost-Berlijn ter gelegenheid van
zijn 90ste verjaardag.
In Amsterdam is deze,
toch betrekkelijk onbekende kunstenaar op 28 april 1990 overleden. Daarmee is
een opmerkelijk, en waarschijnlijk de laatste, vertegenwoordiger van de groep
der Amsterdamse School-beeldhouwers heengegaan.
Jan Teeuwisse.
(gepubliceerd in "Binnenstad" juni 1990)