Filosofie

In Griekenland ligt de oorsprong en het begin van de
filosofie (= wijsheidsliefde, wijsbegeerte).
Filosofie ontstaat, als mensen zich gaan verwonderen over de wereld,
waarin ze leven. In de oudste tijden
werden allerlei 'wonderlijke' verschijnselen in de wereld verklaard door
mythen. Deze werden van het ene aan het
andere geslacht doorverteld en verhaalden over de rol van de goden bij het
ontstaan van de wereld en allerlei 'vreemde dingen' in de natuur. In de mythen vond men de verklaring voor
natuurverschijnselen als jaargetijden, onweer, aardbevingen,
zonsverduistering enz. Maar op den duur
nam men met deze verklaringen geen genoegen meer. Men begon te twijfelen aan de rol van de goden en ging op zoek
naar meer natuurlijke oorzaken en logische verklaringen.
De oudste Griekse denkers,'natuurfilosofen genoemd,
zagen dat in de natuur allerlei 'dingen'-bomen, planten, mensen, dieren enz - tot
ontwikkeling komen, groeien, verouderen, sterven en weer vergaan. De hele wereld waarin we leven is aan
allerlei veranderingen onderhevig. Maar
- zo redeneerden ze - als er zoveel veranderingen plaats vinden, is er ook
iets, dat al die veranderingen ondergaat en zelf dus niet verandert. Ze dachten hierbij aan een soort 'basisstof,
die ze h arch(=
het begin, de oorsprong) noemden.
De eerste, die hierop een antwoord heeft gegeven, was
Thales, afkomstig uit Milete, een havenstad op de kust van Klein-Azië, waar
hij omstreeks 600 v.C. leefde en werkte.
De h archwas volgens hem het water. In zijn tijd beschouwde men het water
nog niet als een dode, maar als een levende materie. Water 'leeft', is steeds in beweging en brengt uit zichzelf
voortdurend allerlei veranderingen teweeg.
Een jongere tijd- en plaatsgenoot van hem beschouwde de lucht als
h arch. Hij had ook één
verklaring voor de de veranderingen.
Als lucht wordt 'verdund', dus ijler wordt, ontstaat er vuur; als lucht
wordt 'verdicht', ontstaat er eerst wind, dan wolken, vervolgens water en
tenslotte aarde. In de loop van de 6de
en 5de eeuw v.C. komen bij latere denkers nog andere opvattingen over h arch. naar voren: het
getal, het vuur, het'onveranderlijk zijnde', de atomen. Maar tegelijk zien we dat de belangstelling
voor de natuur bij de meeste Griekse filosofen langzaam begint af te nemen.

Sofisten
Na de overwinning op de Perzen (479
v.C.) vindt er in Athene op allerlei terreinen een ongekende ontwikkeling plaats. Als gevolg van de uitgebreide zeehandel
beleeft de stad een periode van een grote economische
vooruitgang. De invloed van het volk
op de politieke besluitvorming wordt steeds groter, zodat er een 'volwaardige'
democratie ontstaat. En er is onder de
burgers een toenemende interesse voor het politieke en maatschappelijke leven
en men wil er ook graag veel van afweten.
Daardoor ontstaat er steeds meer behoefte aan onderwijs en scholing. Want wil je wat betekenen in het politieke
en sociale leven van de stad, dan moet je verstand van zaken hebben en goed je
woordje kunnen doen.
Degenen nu, bij wie de Atheners
terecht kunnen om deze kennis en welsprekendheid te verwerven, zijn de sofisten:
de geleerden, die van de ene Griekse stad naar de andere reizen en daar hun
wetenschap te koop aanbieden.
Tweehonderd jaar had de filosofie
zich beziggehouden met de natuur en nagedacht over h arch. De resultaten van dit denkwerk waren zeer verschillend en
de meningen liepen erg uiteen. Filosofen,
die over deze voortdurende onenigheid nadachten, vroegen zich op den duur af,
of de mens wel in staat is de natuur te leren kennen. Was het überhaupt wel mogelijk ware uitspraken te doen? Is er wel objectieve (voor iedereen
geldende) kennis en waarheid, of alleen subjectieve (voor een bepaald individu
geldende) kennis en waarheid? Kun je
wel zeggen: 'Dit is zo' of alleen maar: 'Volgens mij is het zo'?
De mens centraal 
Door deze nieuwe problematiek verschoof
de interesse van de filosofie steeds meer van de natuur naar de mens, het
individu. En het is de verdienste van
de sofisten, dat zij aan de hiermee samenhangende vragen niet voorbij zijn
gegaan en zich er intensief mee hebben beziggehouden.
Ondanks deze verdienste heeft het woord 'sofist' later
een vrij ongunstige klank gekregen. Dit
komt doordat de sofisten vragen als: 'Bestaat er objectieve kennis en waarheid? Of is al ons kennen subjectief?'niet alleen
in verband met de natuur, maar ook op andere terreinen van het leven
stelden. Bijvoorbeeld met betrekking
tot het bestaan van de goden, het wezen van goed en slecht,
rechtvaardig en onrechtvaardig. Ook hier is volgens hen alleen maar sprake van een subjectieve
mening. Iedereen kan er over denken
zoals hij wil. De latere sofisten
gingen hierin heel ver: Goed is, watje fijn vindt! Recht is, wat de sterkste wil! Het is beter onrecht te doen dan onrecht te lijden!
Deze zienswijze leidde ertoe, dat de sofisten ook een
andere kijk kregen op het doel van de welsprekendheid. Indien al ons kennen en weten subjectief is,
is het zinloos je nog langer in te spannen om objectieve kennis te vinden. Je hoeft geen gelijk te hebben, als je het
maar krijgt! Daarom oefenden zij hun
leerlingen in het op slimme wijze discussiëren, in het hanteren van
schijnargumenten en spitsvondigheden en in de kunst 'het kromme recht te
praten'. Het is begrijpelijk, dat veel
Atheners en andere Grieken hiervan niets moesten hebben en dat het woord sofist
een slechte klank kreeg.
De belangrijkste onder de eerste en gematigde sofisten
was Protagoras (480-410 v.C.) uit Abdera in Thracië. Het subjectieve karakter van onze kennis ten
aanzien van de goden formuleert hij als volgt: 'Van de goden weet ik
niets, noch dat ze bestaan, noch dat ze niet bestaan.'Een andere heel
bekende uitspraak van hem is: 'De mens is de maat van alle dingen.'Al
onze waarnemingen zijn subjectief, dus onze kennis ook. Stapt iemand uit een koud in een lauw bad,
dan zegt hij: Het water is warm. Kwam
hij uit een warm bad, dan zou hij van datzelfde water gezegd hebben: Het is
koud. Beide uitspraken spreken elkaar tegen,
maar beide zijn ze waar!
Zijn opvattingen werden door de
meeste Atheners niet gedeeld en hij werd op last van de volksvergadering de
stad uitgezet. Twee andere bekende
sofisten uit de 5de eeuw v.C. zijn Gorgias uit Leontinoi op Sicilië, die
een groot redenaar was en Hippias uit Elis in de Peloponnesos, een
wiskundige en astroloog met een fabelachtig geheugen.
Sokrates en zijn leerling Plato
hebben de sofisten en hun opvattingen fel bestreden. Het is op het eerste gezicht dan ook merkwaardig, dat ook
Sokrates door zijn tijdgenoten vaak voor een sofist werd aangezien. Toch is dit wel te begrijpen. Net als de solisten discussieert hij
dagelijks met iedereen, die hem maar wil horen. En evenals de sofisten is hij niet bereid iets zomaar te geloven
of voor waar aan te nemen. Maar deze
dingen betreffen alleen de buitenkant.
In tegenstelling tot de sofisten is Sokrates voortdurend op zoek naar
objectieve kennis. En hij is ervan
overtuigd, dat deze bestaat en te vinden is.
Zoals uit De Wolken van Aristophanes
blijkt, werd Sokrates door zijn tijdgenoten ook voor een natuurfilosoof
gehouden. Dit komt doordat bij in zijn
jeugd zich enige tijd hiermee heeft beziggehouden. Later heeft hij om het subjectieve karakter ervan deze tak van
de wijsbegeerte de rug toegekeerd om zich geheel aan zijn levenstaak te wijden.