|
Slechts éénmaal heb ik u gezien. Gij waart Gezeten in een sneltrein, die de trein Waar ik mee reed, passeerde in volle vaart. De kennismaking kon niet korter zijn. En toch, zij duurde lang genoeg om mij, Het eindloos levenspad met fletse lach Te doen vervolgen. Ach! geen enkel blij Glimlachje liet ik meer, sinds ik u zag Waarom hebt gij van dat blonde haar, Daar de englen aan te kennen zijn? En dan, Waarom blauwe ogen, wonderdiep en klaar? Gij wist toch, dat ik daar niet tegen kan! En waarom mij dan zo voorbijgesneld, En niet, als 't weerlicht, 't rijtuig opgerukt, En om mijn hals uw armen vastgekneld, En op mijn mond uw lippen vastgedrukt? Gij vreesdet mooglijk voor een spoorwegramp? Maar, Rika, wat kon zaalger voor mij zijn, Dan, onder hels geratel en gestamp, Met u verplet te worden door één trein? |
In uw groote bruine blikken Schuilt een wondre toovermacht Nu eens troosten zij mij zacht; Dan weer doen ze mij verschrikken. Praat ik rustig met u over Iets van algemeen gewicht, Vriendlijk straalt dan uw gezicht, Als de maan door lenteloover. Maar nauw waag ik het, te kikken Van mijn hard poëtenlot, Of meedoogelooze spot Vuurspuwt uit uw donkre blikken. Is het dan zoo iets bespotlijks, Steeds te plassen in een zee Van het onverklaarbaarst wee? Is dat niet iets gruwzaam-godlijks? Hoe? Reeds fonklen weer uw blikken? Engel, och, genade! Ik zweer: 'k Spreek nooit van mijn lijden weer! Stom hoop ik mij dood te snikken |
|
In het diepst van het woud - 't Was al herfst en erg koud - Liep een heer in zijn eentje te dwalen. Och, zijn oog zag zoo dof! En zijn goed zat zoo slof! En hij tandknerste, als was hij aan 't malen. "Ha!" dus riep hij verwoed, "'k Heb een adder gebroed, Neen, erger, een draak aan mijn borst hier!" En hij sloeg op zijn jas, En hij trapte in een plas; 't Spattend slik had zijn boordjes bemorst schier. En meteen zocht zijn blik Naar een eiketak, dik Genoeg om zijn lichaam te torschen. Daarna haalde hij een strop Uit zijn zak, hing zich op, En toen kon hij zich niet meer bemorsen. Het werd stil in het woud En wel tienmaal zo koud, Want de wintertijd kwam. En intusschen Hing maar steeds aan zijn tak, Op zijn doode gemak, Die mijnheer, tot verbazing der musschen. En de winter vlood heen, Want de lente verscheen, Om opnieuw voor den zomer te wijken. Toen dan zwierf - 't was erg warm - Er een paar arm in arm Door het woud. Maar wat stond dát te kijken! Want, terwijl het, zoo zacht Koozend, voortliep en dacht: Hier onder deez' eik is 't goed vrijen, Kwam een laars van den man, Die daar boven hing, van Zijn reeds lang verteerd linkerbeen glijen. "Al mijn leven! van waar Komt die laars?" riep het paar, En werktuigelijk keek het naar boven. En daar zag het met schrik Dien mijnheer, eens zo dik En nu tot een geraamte afgekloven. Op zijn grijnzende kop Stond zijn hoed nog rechtop, Maar de rand was er af. Al zijn linnen Was gerafeld en grauw. Door een gat in zijn mouw Blikten mieren en wurmen en spinnen. Zijn horloge stond stil, En één glas van zijn bril Was kapot en het ander beslagen. Op den rand van een zak Van zijn vest zat een slak, Een erg slijmrige slak, stil te knagen. In een wip was de lust Om te vrijen gebluscht Bij het paar. Zelfs geen woord dorst het te spreken 't Zag van schrik zóó spierwit Als een laken, wen dit Reeds een dag op het gras ligt te bleeken. |
|
Zooals ik eenmaal beminde, Zoo minde er op aarde nooit een, Maar 'k vond, tot wien ik mij wendde, Slechts harten van ijs en van steen. Toen stierf mijn geloof aan de vriendschap, Mijn hoop en mijn liefde verdween, En zooals mijn hart toen haatte, Zoo haatte er op aarde nooit een. En sombere, bittere liedren Zijn aan mijn lippen ontgeleen; Zoo somber en bitter als ik zong, Zoo zong er op aarde nooit een. Verveeld heeft mij eindlijk dat haten, Dat eeuwig gezang en geween. Ik zweeg, en zooals ik nu zwijg, Zoo zweeg er op aarde nooit een. |
Zijn goudblonde lokken en knevel, Zijn geestvolle neus en mond, Zijn vergeetmijnietblik, zijn tenorstem En zijn New-Foundlandsche hond, Ik moet er gedurig aan denken; Zelfs adem ik soms nog flauw Den geur in van zijn sigaren. Hij kocht ze gewoonlijk bij Blaauw. Ruik ik opnieuw die sigaren, Dan wordt is eensklaps zoo raar. Is 't, omdat hij ze rookte, Of was de tabak mij te zwaar? |
|
Hem die mij grof beleedigt, Mij overlaadt met schand En openlijk mij belastert, Hem reik ik de broederhand. Maar die mij voorkomend bejegent, Die mij aan zich verplicht En zich mijn vriend durft te noemen, Dien spuw ik in 't gezicht. |
O, spreek mij niet van liefde, Van vriendschap en van trouw; Die zijn al sinds lang overleden, 'k Ben lang er al van in den rouw. Neen, spreek mij van 's menschen ellende, Van al zijn kommer en nood, En hoe hij zijn broeders leven Verbittert, - dan lach ik mij dood! |