Piet Paaltjens

Aan Rika
Aan Jacoba
De Zelfmoordenaar
Immortelle C
Immortelle XVI
Immortelle LXXXIII
Immortelle LXXXIV


Aan Rika

Slechts nmaal heb ik u gezien. Gij waart
Gezeten in een sneltrein, die de trein
Waar ik mee reed, passeerde in volle vaart.
De kennismaking kon niet korter zijn.

En toch, zij duurde lang genoeg om mij,
Het eindloos levenspad met fletse lach
Te doen vervolgen. Ach! geen enkel blij
Glimlachje liet ik meer, sinds ik u zag

Waarom hebt gij van dat blonde haar,
Daar de englen aan te kennen zijn? En dan,
Waarom blauwe ogen, wonderdiep en klaar?
Gij wist toch, dat ik daar niet tegen kan!

En waarom mij dan zo voorbijgesneld,
En niet, als 't weerlicht, 't rijtuig opgerukt,
En om mijn hals uw armen vastgekneld,
En op mijn mond uw lippen vastgedrukt?

Gij vreesdet mooglijk voor een spoorwegramp?
Maar, Rika, wat kon zaalger voor mij zijn,
Dan, onder hels geratel en gestamp,
Met u verplet te worden door n trein?

Aan Jacoba

In uw groote bruine blikken
Schuilt een wondre toovermacht
Nu eens troosten zij mij zacht;
Dan weer doen ze mij verschrikken.

Praat ik rustig met u over
Iets van algemeen gewicht,
Vriendlijk straalt dan uw gezicht,
Als de maan door lenteloover.

Maar nauw waag ik het, te kikken
Van mijn hard potenlot,
Of meedoogelooze spot
Vuurspuwt uit uw donkre blikken.

Is het dan zoo iets bespotlijks,
Steeds te plassen in een zee
Van het onverklaarbaarst wee?
Is dat niet iets gruwzaam-godlijks?

Hoe? Reeds fonklen weer uw blikken?
Engel, och, genade! Ik zweer:
'k Spreek nooit van mijn lijden weer!
Stom hoop ik mij dood te snikken


De Zelfmoordenaar

In het diepst van het woud
- 't Was al herfst en erg koud -
Liep een heer in zijn eentje te dwalen.
Och, zijn oog zag zoo dof!
En zijn goed zat zoo slof!
En hij tandknerste, als was hij aan 't malen.

"Ha!" dus riep hij verwoed,
"'k Heb een adder gebroed,
Neen, erger, een draak aan mijn borst hier!"
En hij sloeg op zijn jas,
En hij trapte in een plas;
't Spattend slik had zijn boordjes bemorst schier.

En meteen zocht zijn blik
Naar een eiketak, dik
Genoeg om zijn lichaam te torschen.
Daarna haalde hij een strop
Uit zijn zak, hing zich op,
En toen kon hij zich niet meer bemorsen.

Het werd stil in het woud
En wel tienmaal zo koud,
Want de wintertijd kwam. En intusschen
Hing maar steeds aan zijn tak,
Op zijn doode gemak,
Die mijnheer, tot verbazing der musschen.

En de winter vlood heen,
Want de lente verscheen,
Om opnieuw voor den zomer te wijken.
Toen dan zwierf - 't was erg warm -
Er een paar arm in arm
Door het woud. Maar wat stond dt te kijken!

Want, terwijl het, zoo zacht
Koozend, voortliep en dacht:
Hier onder deez' eik is 't goed vrijen,
Kwam een laars van den man,
Die daar boven hing, van
Zijn reeds lang verteerd linkerbeen glijen.

"Al mijn leven! van waar
Komt die laars?" riep het paar,
En werktuigelijk keek het naar boven.
En daar zag het met schrik
Dien mijnheer, eens zo dik
En nu tot een geraamte afgekloven.

Op zijn grijnzende kop
Stond zijn hoed nog rechtop,
Maar de rand was er af. Al zijn linnen
Was gerafeld en grauw.
Door een gat in zijn mouw
Blikten mieren en wurmen en spinnen.

Zijn horloge stond stil,
En n glas van zijn bril
Was kapot en het ander beslagen.
Op den rand van een zak
Van zijn vest zat een slak,
Een erg slijmrige slak, stil te knagen.

In een wip was de lust
Om te vrijen gebluscht
Bij het paar. Zelfs geen woord dorst het te spreken
't Zag van schrik z spierwit
Als een laken, wen dit
Reeds een dag op het gras ligt te bleeken.

Immortelle C

Zooals ik eenmaal beminde,
Zoo minde er op aarde nooit een,
Maar 'k vond, tot wien ik mij wendde,
Slechts harten van ijs en van steen.

Toen stierf mijn geloof aan de vriendschap,
Mijn hoop en mijn liefde verdween,
En zooals mijn hart toen haatte,
Zoo haatte er op aarde nooit een.

En sombere, bittere liedren
Zijn aan mijn lippen ontgeleen;
Zoo somber en bitter als ik zong,
Zoo zong er op aarde nooit een.
Verveeld heeft mij eindlijk dat haten,

Dat eeuwig gezang en geween.
Ik zweeg, en zooals ik nu zwijg,
Zoo zweeg er op aarde nooit een.

Immortelle XVI

Zijn goudblonde lokken en knevel,
Zijn geestvolle neus en mond,
Zijn vergeetmijnietblik, zijn tenorstem
En zijn New-Foundlandsche hond,

Ik moet er gedurig aan denken;
Zelfs adem ik soms nog flauw
Den geur in van zijn sigaren.
Hij kocht ze gewoonlijk bij Blaauw.

Ruik ik opnieuw die sigaren,
Dan wordt is eensklaps zoo raar.
Is 't, omdat hij ze rookte,
Of was de tabak mij te zwaar?


Immortelle LXXXIII

Hem die mij grof beleedigt,
Mij overlaadt met schand
En openlijk mij belastert,
Hem reik ik de broederhand.

Maar die mij voorkomend bejegent,
Die mij aan zich verplicht
En zich mijn vriend durft te noemen,
Dien spuw ik in 't gezicht.

Immortelle LXXXIV

O, spreek mij niet van liefde,
Van vriendschap en van trouw;
Die zijn al sinds lang overleden,
'k Ben lang er al van in den rouw.

Neen, spreek mij van 's menschen ellende,
Van al zijn kommer en nood,
En hoe hij zijn broeders leven
Verbittert, - dan lach ik mij dood!