Het Keizerrijk Groot Kesh
Het zuidelijk deel van Triagia, waar het
Keizerrijk Groot Kesh zich bevindt, is een lastige plek om te vertoeven, laat staan te
bewonen. De Grijze Rug en de Pieken van Stilte zijn twee bergketens die dicht tegen de Koninkrijkszee aan liggen. Ze lopen tot ver in
het zuidoosten door. In het westen bevindt zich het Groene Rijk, een uitgestrekt woud dat de streek tussen de Moeder der Wateren en
de Grijze Rug bedekt. Verder naar het westen ligt de Woestijn van Jal-Pur, bestaande uit ee niets en niemand ontziend landschap dat
alleen onderbroken wordt door de Bitterzee, in het noorden, en door de Trollenbergen bij de westelijke grens. Verder naar het zuiden
treft men de Kruinen van Licht en het Overnse Diep, een binnenzee. Nog verder zuidwaarts vinden we de Gordel van Kesh en Laag Kesh.
Het Keizerrijk van Groot Kesh vormt een van de zeldzame echte bedreigingen voor de veiligheid van
het Koninkrijk der Eilanden. Het
uitgestrekte oppervlak van het Keizerrijk is symbolisch voor de macht die het rijk heeft. Het strekt zich uit van Durbin, aan de kust
van de Bitterzee, via de kuststad Faráfra, voorbij de Gordelbergen en de Gespbergen tot aan exotische zuidelijke steden zoals Tao
Zi en, westwaarts, tot aan Taroom, gelegen op het uiteinde van het Keshisch schiereiland. Vroeger maakte ook wat tegenwoordig het
westelijk deel van het
Koninkrijk is onder de naam Bosanië deel uit van het Keizerrijk. Een opstand van de Keshische Confederatie
-Laag Kesh- zorgde er echter voor dat het Keizerrijk de troepen die in Bosanië gelegerd waren naar het zuiden verplaatste, waardoor
het Koninkrijk het vrijwel onbeschermde terrein kon veroveren. In die periode ontstonden ook de Vrijsteden en Queg.
In het hart van het Keizerrijk, aan de oevers van het Overnse Diep, ligt
Kesh, de eeuwenoude Keizerlijke Stad. Kesh weerspiegelt de
ouderdom en de rijke geschiedenis van het Keizerrijk. Het is een prachtige stad vol met sterke contrasten: van smalle, donkere en
bijzonder drukbevolkte straten tot en met de uitgestrektheid van het keizerlijk paleis, dat het plateau in het centrum van de stad
geheel inneemt.
Het Keizerrijk wordt geregeerd door een elite van rasbloeds, onder gezag van de Keizer of Keizerin. Ze leven in de Keizerlijke Stad,
gescheiden van hen die het zonder een 'zuivere' afkomst moeten stellen. Ze kleden zich ook anders -of liever gezegd, ze kleden zich
nauwelijks- en leven volgens andere sociale codes en morele normen. Het Keizerlijke Hof wordt volledig beheerst door intriges en
kuiperijen, die schuilgaan achter een eeuwenoud protocol en groot vertoon van rijkdom.
Het land en de stad tonen beide het karakter van het volk. Het rijk wordt grotendeels bevolkt door onderworpen volkeren, mensen met
een donkere huid die zich goed hebben aangepast aan het wrede klimaat van de woestijn die hun streek beheerst. Mensen die afkomstig
zijn uit
Durbin voelen zich zeer ongemakkelijk onder het keizerlijk juk. Het zijn onafhankelijke en cynische mensen, van oorsprong
handelaren en zeelui, en ze zijn gewend hun zaakjes op hun manier te regelen. Durbin kent ook een Slavenhandelarengilde, en derhalve
valt het bestuur van raszuivere Keshiërs vanuit de verafgelegen Keizerlijke Stad niet in goede aarde; men beschouwt de inmenging
van deze vreemdelingen als bijzonder hinderlijk.
De militaire macht van het Keizerrijk is onovertroffen op Midkemia. Er is een broze relatie met het
Koninkrijk en
Queg, terwijl die
met de
Vrijsteden opvallend gespannen en afstandelijk is.