Queg

Queg ontstond als 'natie' toen het Keizerrijk Groot Kesh haar troepen uit BosaniŽ terugtrok tijdens het conflict met de Keshische Confederatie. De gouverneur van Queg kwam toen in opstand. Hij stichtte het keizerrijk Queg, dat werd bevolkt door voormalige KeshiŽrs wier bloed zich mengde met dat van de plaatselijke eilandbewoners. Dat Queg zich kon handhaven was te danken aan het feit dat het eiland vulkanisch is en daardoor gezegend met zeer vruchtbaar akkerland. Tevens is het klimaat op Queg zacht als gevolg van de ongewone stromingen rondom het eiland.

Een andere belangrijke factor is de zeemacht van Queg, die de grootste is in de Bitterzee. Dat wordt geregeld duidelijk bij aanvallen op Koninkrijkse, Keshische en Vrijsteedse schepen. Queg maakt dan ook aanspraak op de territoriale rechten van de hele Bitterzee, overigens een erfenis uit de tijd toen de zee nog aan Kesh toebehoorde. De Quegse piraten zijn zeer berucht. Deze piraten overvielen in vroeger tijden, varend op galeien zonder vlag, de Koninkrijkse en Vrijsteedse kusten, waarbij de keizer en senaat steeds elke betrokkenheid ontkenden. De bekendste uitspraak van de Queganen is dan ook: 'Wij zijn een arm land, aan alle kanten door vijanden omringd.' Ze beschouwen zich als de ware vertegenwoordigers van de ware Keshische cultuur, en ze zijn derhalve bevreesd voor 'besmetting' van deze cultuur van buitenaf, vandaar de vrees voor buitenstaanders, in Quegse ogen onveranderlijk barbaren.

Queg is vooral een handelsnatie. De hoofdstad Queg heeft een grote en drukke haven. Een van de belangrijkste exportproducten is marmer van hoge kwaliteit, dat wordt gewonnen in de mijnen midden op het eiland, en dat heel populair is bij de rijken in het Koninkrijk, Groot Kesh en de Vrijsteden. Buitenstaanders komen niet zomaar aan wal in Queg. Eerst moet er een uitnodiging van een Quegaan worden overlegd, anders wordt hij of zij pardoes opgepakt en rechtstreeks naar de galeien gevoerd om daar minstens twintig jaar als slaaf aan de riemen door te brengen. Overigens staan de Quegse slavenhandelaren, samen met die van het Keshische Durbin, zeer slecht bekend in de kuststreken van de Bitterzee. Ze hebben de gewoonte om onoplettende mensen in de dunner bevolkte streken van het Koninkrijk en Groot Kesh gevangen te nemen en als slaaf te verkopen.


De Vrijsteden

De Vrijsteden, die in het zuiden van Yabon liggen, in de schaduw van de Grijze Torens, ontstonden, net als Queg, toen de KeshiŽrs zich terugtrokken uit BosaniŽ. De Vrijsteden weerstonden de westwaartse kolonisatie van het Koninkrijk der Eilanden, waardoor de steden onafhankelijk bleven.

Tot de Vrijsteden behoren Natal, Natal Haven, Bordon, Markgraafshaven, Lan, Huesh en Walinor. Het zijn vooral handelssteden, vrijwel allemaal gelegen aan de Bitterzee. Verder is er weinig over bekend. Wel worden de Vrijschutters van Natal, die verwantschap vertonen met de Keshische Gidsen en de Krondoriaanse Padvinders, geroemd vanwege hun grote vaardigheden bij het verkennen van (vijandelijk) terrein.