De elfen

In tegenstelling tot mensen, dwergen en goblins zijn de elfen wél een ras dat oorspronkelijk op Midkemia voorkwam. Ze werden tot slavernij gedwongen door de Valheru, een tweede oorspronkelijk Midkemiaans ras. Na het verdwijnen van de Valheru ontstonden er vijf sub-rassen van de elfen: de eledhel, de moredhel, de glamredhel, de ocedhel en de eldar. Het onderscheid is bepaald door de wijze - oftewel het niveau - waarop de verschillende elfenslaven dienden onder de Valheru.

Elfen zijn onveranderlijk langleven, allemaal, waardoor ze een andere filosofie en een andere kijk op de wereld hebben dan mensen, die in de ogen van de elfen een gehaast en kortstondig leven leiden. Elfen geloven dat ze na hun dood naar de Gezegende Eilanden gaan. De naam van een overleden elf wordt nooit meer uitgesproken, en komt de betreffende ter sprake, dan alleen via een beschrijving.

De eledhel zijn, vrij vertaald, de elfen van het licht. Ze stonden tamelijk ver van de Valheru af en werden niet gecorrumpeerd tijdens de Chaosoorlogen, die tot de val van de Valheru leidden. De eledhel - door de mens min of meer beschouwd als 'echte' elfen - wonen in Elvandar, alwaar koningin Aglaranna de scepter zwaait. Elvandar ligt in de uitgestrekte wouden ten noorden van het Groene Hart, in de buurt van Schreiborg. Het is een oude, tijdloze plaats, met allerwegen magie in lucht en aarde. Het hart van Elvandar wordt gevormd door een stad met opvallend grote bomen die door hangbruggen met elkaar zijn verbonden. Het gebladerte heeft verschillende kleuren, van groen en zilver tot goud en wit. In de boomstammen zijn trappen uitgehouwen waarmee de elfen tot grote hoogte kunnen klimmen. Eenieder de Elvandar voor het eerst in zijn leven aanschouwt, raakt onder de indruk van de pracht en neem alles ademloos in zich op. Bezoekers van Elvandar moeten wel uitgenodigd zijn. Degenen die niet officieel toegang hebben gevraagd, verdwalen in het woud door toedoen van uiteenlopende magische middelen, wat uiteindelijk leidt tot hun dood; ze geraken in een eeuwige slaap of komen om van honger.

De moredhel zijn de zwarte elfen en worden door mensen het Broederschap van het Onzalige Pad genoemd. Dat is niet voor niets zo: de moredhel kwamen op het Onzalige Pad door hun lust naar de artefacten van de Valheru. Ze leven voornamelijk in het Noordland en in het Groene Hart. Ze zijn onderverdeeld in verschillende stammen. Tussen de stammen onderling breken vaak twisten uit en in hun eigen geschiedenis zijn er slechts enkele perioden geweest waarin alle stammen verenigd waren onder één leider, bijvoorbeeld gedurende de heerschappij van Murmandamus. De moredhel gaan vaak een verbond aan met gnomen en trollen om invallen te plegen in het Koninkrijk der Eilanden. Daarom beschikt het Koninkrijk over een sterke grensbewaking, met als bolwerken Hoogstein, IJzerpas en Noordwacht, die alle bij de toegang tot de belanrijkste passen van de Tanden van de Wereld te vinden zijn.

De glamredhel zijn, opnieuw vrij vertaald, de gekke elfen. Tijdens de Chaosoorlogen werden ze 'gek', en na deze oorlogen werden ze bijna volledig uitgeroeid door de moredhel. De enclave van koning Roodboom in het Edderwoud wordt, naa verluidt, bewoond door de laatste overgebleven glamredhel - na hun 'herontdekking' zouden ze een plek hebben gevonden in Elvandar. In het verre verleden bouwden de glamredhel, om zich te beschermen tegen de moredhel, twee steden: Sar-Sargoth en Sar-Isbandia, waarvan de laatste na het nagenoeg verdwijnen van de glamredhel werd bevolkt door mensen en werd omgedoopt tot Armengar. Ze werden gebouwd met behulp van werktuigen die de Valheru bij hun verdwijning achterlieten. De bouwprestatie is nog altijd ongeëvenaard op Midkemia.

De ocedhel zijn de 'elfen van over de zee'. Ze leven op Novindus, en werden tijdens de Chaosoorlogen afgesneden van hun soortgenoten op Triagia. Ze kennen wel legenden van ee prachtige elfenstad, maar doen die af als folklore. Onder de Jeshandi bevindt zich de grootste concentratie ocedhel.

De eldar zijn de 'wijze elfen'. Zij zijn de houders van de kennis van de Valheru, maar kwamen tijdens de Chaosoorlogen terecht op Kelewan, in een zusterstad van Elvandar genaamd Elvardein. Nadat ze door Puc waren ontdekt, keerden ze terug naar Elvandar.

De dwergen

Dwergen zijn, evenals elfen, langlevend. Ze worden niet langer dan anderhalve meter, en zijn bijzonder stevig gebouwd. De mannen dragen vrijwel allen, en altijd, een volle baard. Ze hebben een groot uithoudingsvermogen, waardoor ze vijanden heel lang al rennend op de hielen kunnen blijven zitten.

Op Midkemia zijn, voor zover bekend, drie dwergenkoninkrijken. Op Triagia zijn er twee: de westelijke dwergen van Stenenberg en de Grijze Torens, en de oostelijke dwergen van Dorgin. De westelijke dwergen zijn voor de lezers het meest bekend, want geregeld komt Dolgan in beeld. Op Novindus bevinden zich dwergen in de Ratn'gari, maar over hen is heel weinig bekend, behalve dat de bijna legendarische Obar, Prins der Dwergen, uit deze streek afkomstig is.

Over het leven van de dwergen van Stenenberg en de Grijze Torens is het meest bekend. Ze worden geroemd vanwege hun bier, dat naar alle uithoeken van de wereld wordt geëxporteerd. Ook werken de dwergen er in mijnen, waarbij ze verschillende metalen, waaronder goud en zilver, en edelstenen winnen. In de zomertijd laten ze hun vee grazen in de hooglanden, terwijl in de wintertijd de haard wordt opgezocht en de tijd wordt doorgebracht met eten, bier drinken en het zingen van ruwe, soms zelfs schuine liederen.

De dwergen zijn uitstekende vechtjassen, en meermalen betonen ze zich (goedmoedig) kwaad als ze 'niet zijn uitgenodigd voor een gevecht'. Ze strijden vooral tegen de gnomen en de zwarte elfen, omdat beide door de dwerg intens worden gehaat. Zodra ze er een in het oog krijgen, zullen ze die gnoom of zwarte elf zo snel mogelijk van het leven proberen te beroven. De dwergen staan geregeld het Koninkrijk der Eilanden bij, vooral als de toekomst van Midkemia op het spel staat. Daarbij werken ze meetal samen met de elfen van Elvandar.