I TJING : Het boek der veranderingen
In de Chinese literatuur worden vier heiligen als auteurs van de I Tjing aangegeven: Foe
Si, koning Wen, de hertog van Tsjow en Confucius. Foe Si is een mythische figuur. Door hem
als eerste auteur te noemen, wil men aanduiden dat het boek ouder is dan de herinnering
reikt.
De I Tjing ("Het Boek der Veranderingen") heeft echter zijn vroegst bekende
wortels ten tijde van de Sjang-dynastie (ca. 1600-1100 voor Chr.)
Het was aanvankelijk een verzameling tekens voor orakel-doeleinden. In zijn eerste vorm
als zodanig was het slechts in staat met 'ja' of 'nee' te antwoorden. Hiervoor worden
resp. de enkelvoudige lijn en de gebroken lijn gehanteerd. Om een grotere differentiatie
te verkrijgen is men al spoedig overgegaan tot een systeem met drie lijnelementen. Zo
ontstonden de 8 (2^3) tekens of trigrammen.
Deze trigrammen werden beschouwd als beelden van al wat in de hemel en op aarde gebeurt.
Men ging daarbij uit van de voorstelling, dat deze beelden voortdurend in elkaar overgaan,
evenals in de wereld een voortdurende overgang van het ene verschijnsel in het andere
plaatsvindt.
Dit vormt het grondidee van het Boek der Veranderingen.
Reeds zeer vroeg werden de trigrammen met elkaar gecombineerd, zodat men in totaal 64
(8^2) hexagrammen verkreeg.
Algemeen wordt aangenomen, dat de tegenwoordige verzameling afkomstig is van koning Wen,
stamvader van de Tsjow-dynastie (1100-221), die de 64 tekens van korte Oordelen voorzag.
De tekst bij de afzonderlijke lijnen is afkomstig van zijn zoon, de hertog van Tsjow.
Confucius (551-479) heeft zich er eveneens intensief mee bezig gehouden. De
"Commentaar op de Beslissing" is vrijwel zeker van zijn hand.
Nadien is het boek herhaaldelijk opnieuw ingedeeld, van nieuwe commentaren voorzien en
misbruikt, eerst al toverboek, later als leerboek voor de staatsfilosofie.
Gelukkig kwam onder K'ang-Si (1662-1722) een zuivere uitgave tot stand, waarop Richard
Wilhelm zijn vertaling kon baseren: enerzijds orakelboek, anderzijds wijsheidsboek.
I TJING: HET ORAKELBOEK
In zijn voorwoord bij de uitgave van Wilhelm legt C.G. Jung uit hoe het boek zijn werking
als orakel kan hebben. Zijn betoog concentreert zich op de tegenstelling tussen het
(westerse) causaliteitsidee en het (oosterse) synchroniciteitsprincipe.
De synchroniciteitsgedachte gaat er vanuit dat er altijd een betekenisvolle samenhang
bestaat, zowel tussen objectieve gebeurtenissen onderling als tussen deze en subjectieve
(psychische) situaties.
Wanneer iemand op een bepaald moment het orakel raadpleegt middels het werpen van munten,
ontstaat derhalve een hexagram, dat niet alleen in tijd, maar ook in hoedanigheid hiermee
samenhangt.
De zes lijnen van het hexagram worden bepaald door even zoveel achtereenvolgende worpen.
Elke worp geeft niet alleen aan of een lijn enkelvoudig of gebroken is, maar ook of de
lijn in beweging of in rust is. Een "negen" geeft een enkelvoudige, bewegende
lijn aan, een "zes" een gebroken lijn, bewegende lijn. De teksten bij de
afzonderlijke (bewegende) lijnen zijn vaak uitgangspunt geworden voor de uiteindelijke
tekening.
I TJING : HET WIJSHEIDSBOEK
Wie de veranderingen in de zichtbare wereld, als afspiegeling van de veranderingen in de
onzichtbare wereld, beziet en begrijpt, richt zijn blik op de onveranderlijke, eeuwige
wet, die aan alle veranderingen ten grondslag ligt.
Deze wet is Tao, het ene in het vele, weer te geven als een in licht en donker verdeelde
cirkel, het Jin-Jang-teken. Jin betekent oorspronkelijk "het bewolkte" - het
sombere, later ook rust, materie en het vrouwelijke. Jang staat eigenlijk voor "in de
zon waaiende banieren" - het heldere, licht, beweging, leven en uiteindelijk het
mannelijke.
Deze krachten zijn in hun verandering en overgang in elkaar oorzaak van het ontstaan van
de zichtbare wereld, zoals dag en nacht en de seizoenen.
De twee oerprincipes zijn pas later overgebracht op het Boek der Veranderingen. De
enkelvoudige lijnen werden gezien als vast, positief, mannelijk, de gebroken lijnen als
week, negatief, vrouwelijk.
Karakter en plaats van de lijnen in het hexagram maken nu een groot aantal combinaties
mogelijk, die in meer of mindere mate evenwichtig zijn.
I TJING : HET TEKENINGENBOEK
Bij het uitbeelden van de 64 tekens ben ik uitgegaan van het Eerste Boek van de I Tjing,
"De Tekst".
In sommige gevallen heb ik me strikt aan de beschrijving van het hexagram gehouden, in
andere gevallen heb ik gekozen voor een meer westerse, subjectieve dan wel symbolische
verbeelding.
Bij het bekijken van de tekeningen dient men echter het volgende in gedachten te houden:
"De I Tjing ... bevat de vormen en oogmerken van al wat in de hemel en op aarde is,
zodat niet één ervan ontbreekt. Daarom kan men met zijn hulp het Tao van dag en nacht
doordringen en begrijpen. Daarom is de geest een geen plaats gebonden en het Boek der
Veranderingen aan vorm." (Tweede Bok, Ta Tsjwan, Eerste Afdeling, III, 4, p. 206)
1 TJ'IÉN / HET SCHEPPENDE

Negen op de vijfde plaats betekent:
vliegende draak aan de hemel.
Het is bevorderlijke de grote man te zien.
De draak is in China het symbool van de beweeglijk-elektrische, sterke en stimulerende
kracht, die in het onweer tevoorschijn komt.
Hier is te zien hoe de draak zich als een bliksemschicht naar de aarde slingert en haar
vormt.
De gelijkenis met zaad- en eicel is, hoewel niet bedoeld, zeker niet toevallig.
september 1974
2 K'OEN / HET ONTVANGENDE

Zes op de tweede plaats betekent:
Recht, rechthoekig, groot...
De hemel heeft als symbool de cirkel, de aarde het vierkant met zijn rechte hoeken.
Bovenaan een zes betekent:
Draken vechten op het veld.
Hun bloed is zwart en geel.
De draak, het symbool van de hemel (zie 1.) komt naderbij en bestrijdt de (valse) aardse
draak, die zich heeft opgewerkt tot een plaats, die hem niet toekomt.
Zwartblauw is de kleur van de hemel, geel de kleur van de aarde (zie 1.). Als er dus zwart
en geel bloed vloeit, dan is dat een teken, dat door deze onnatuurlijke strijd de
oerkrachten beide schade lijden.
Deze symbolen zijn terug te vinden in het gele vierkant (de aarde), waarop de twee
stilistische draken hun gevecht leveren. De groene kleur van de achtergrond is ontstaan
door het mengen van gele en zwarte verf (geel en zwart bloed!).
april 1978
3 TSJOEN / DE AANVANGSMOEILIJKHEID

De naam van het teken, Tsjoen, stelt eigenlijk
een gras voor dat bij zijn ontspruiten uit de aarde op een hindernis stoot.
Dit beeld heb ik overgebracht op de aanvangsmoeilijkheden die ik bij de doctoraalfase van
mijn psychologiestudie kende. Na het kandidaatsexamen eerst een semester
bedrijfspsychologie, uiteindelijk toch ontwikkelingspsychologie gekozen.
De Griekse letter 'psi', symbool voor de psychologie, is grasgroen weergegeven, met op
twee van de drie uitlopers een steen. Pas de derde is in staat langs deze hindernis verder
te groeien...
juli 1979
4 MENG / DE JEUGDDWAASHEID

Zes op de derde plaats betekent:
Neem geen meisje,
dat zich niet weet te beheersen
als zij een man ziet van ijzer en staal.
Niets is gunstig.
Een zwak onervaren mens, die naar hoge dingen streeft, verliest licht zijn persoonlijke
karakter wanneer hij, opziend naar een krachtige persoonlijkheid, deze slaafs imiteert.
Hij gelijkt op een meisje, dat zich vergooit als zij een sterke man ontmoet.. Tegenover
zulk een onvrije toenadering past geen toegevendheid. Daarmee zou noch de jongeling noch
de opvoeder gebaat zijn.
Een meisje is het aan haar waardigheid verschuldigd, een aanzoek af te wachten. In beide
gevallen is net onwaardig, zichzelf aan te bieden, en het is niet goed zulk een aanbod aan
te nemen.
Verder geen commentaar.
juni 1980
5 SIU / HET WACHTEN
Wolken stijgen op aan de hemel: het beeld
van het wachten.
In de afzonderlijke lijnen worden de verschillende stadia van het wachten geschetst. Door
de kleuren van de spiralen heb ik getracht deze weer te geven:
Groen: Wachten op het veld;
Geel: Wachten in het zand;
Bruin: Wachten in de modder;
Rood: Wachten in het bloed;
Blauw: Wachten bij wijn en spijs;
Zwart: Men komt in het gat terecht.
mei 1975
6 SOENG / DE STRIJD

Het bovenste oerteken, welks beeld de hemel is,
heeft de bewegingsrichting naar boven, het onderste oerteken, "water", is
overeenkomstig zijn natuur naar beneden gericht.
De bewegingsrichtingen van de beide helften gaan uit elkaar, dat wekt de gedachte aan
verwijdering, aan strijd op.
Geen commentaar, zeker niet op de kleurkeuze!
december 1979
7 SJE / HET LEGER

Binnen in de aarde is het water: het beeld van
het Leger.
Het grondwater is onzichtbaar in de schoot van de aarde aanwezig. Zo is ook de krijgsmacht
van een volk onzichtbaar in zijn massa's aanwezig.
Wanneer er gevaar dreigt, wordt elke boer soldaat en na het einde van de oorlog keert hij
terug achter zijn ploeg.
De tekening laat een volk van swastika's zien, in aardse schutkleuren. De vier zilveren
kruisen zijn de erkende militaire macht, als zilverachtig grondwater verborgen in de
grond. Maar ieder staat als het war al in het gelid voor een te voeren oorlog.
januari 1980
8 PI / DE AANEENGESLOTENHEID

Op de aarde is water: het beeld van de
aaneengeslotenheid.
Zo hebben de koningen van de voortijd de afzonderlijke staten als leengoederen vergeven,
en met de leenvorsten vriendschappelijke betrekkingen onderhouden.
Het water op aarde vult alle leemten op en blijft er hecht mee verbonden. De sociale
organisatie van de oudheid was gebaseerd op dit principe van nauwe verbondenheid tussen
ondergeschikten en heerser. Het water vloeit vanzelf samen omdat het in al zijn delen
onderhevig is aan dezelfde wetten.
De hiernaast afgebeelde opname is gemaakt met een onderwatercamera, met de lens half in
het samenvloeiende water.
Het merk van de camera? Pentagon!
juni 1978
9 SIAU TSJ'OE / DE TEMMENDE KRACHT VAN HET KLEINE

De wind jaagt langs de hemel:
het beeld van de Temmende Kracht van het Kleine.
Zo verfijnt de edele de uiterlijke vorm van zijn wezen.
De wind drijft de wolken aan de hemel weliswaar voort, maar daar hij slechts lucht is,
zonder vast lichaam, heeft hij geen grote, duurzame uitwerking.
Ook de mens kan in tijden, dat een grote activiteit naar buiten niet mogelijk is, niets
anders doen dan in het kleine zijn wezen verfijnen in zijn uitingen.
De groene ring duidt een belemmering aan, die de geest tot rustige beschouwing dwingt. Als
door een lens beziet de wijze de honingraatachtige ordening in de macrokosmos en brengt
zijn geest daarmee in overeenstemming.
Zie ook nr. 20.
september 1976
10 LU / HET OPTREDEN

Treden op de staart van de tijger.
Hij bijt de mens niet. Welsagen.
De situatie is eigenlijk moeilijk. Het sterkste en het zwakste zijn vlak bij elkaar. Het
zwakke gaat achter het sterke aan, en bezorgt het last. Maar het sterke laat het zich
welgevallen en doet het zwakke geen kwaad, want het contact is blijmoedig en niet
kwetsend.
Er doen zich in het leven situaties voor, waarin men te maken krijgt met mensen uit een
nader milieu. In zo'n geval is het gewenst in zijn eigen optreden de goede toon te
bewaren. Goede, aangename omgangsvormen hebben succes, ook tegenover prikkelbare mensen.
Negen op de tweede plaats betekent:
Optreden op eenvoudige, effen baan.
De standvastigheid van een donkere man brengt heil.
Hier wordt de situatie van een eenzame wijze geschilderd. Hij houdt zich van alle wereldse
gedoe afzijdig, zoekt niets, verlangt van niemand iets en laat zich niet verblinden door
verleidelijke mogelijkheden. Hij is trouw aan zichzelf en gaat aldus op een effen weg
onaangevochten door het leven. Omdat hij met weinig tevreden is en het noodlot niet tart,
blijft hij vrij van onaangename verwikkelingen.
De sterke voegt zich op zo'n manier bij het zwakke, dat er een harmonieus geheel ontstaat,
waarin desondanks Tao herkenbaar blijft.
mei 1987
11 T'AI / DE VREDE

Hemel en aarde verenigen zich: het beeld van de
Vrede.
Zo verdeelt en voltooit de heerser
de loop van hemel en aarde;
hij bestuurt en ordent de gaven van hemel
en aarde en staat zo het volk bij.
De hemel (onder, maar opstijgend) en de aarde (boven, maar neerwaartsgericht) verkeren met
elkaar en verenigen hun werkingen. Dat geeft een periode van algemene bloei en voorspoed.
Deze krachtstroom moet door de opperheer der mensen worden geregeld. Dat geschiedt door
indeling. Zo wordt de eenvormige tijd overeenkomstig de verschijnselen, die hij
teweegbrengt, door de mensen in jaargetijden ingedeeld, en de ongedifferentieerde ruimte
door menselijke bepalingen in windstreken onderscheiden.
Tegen een achtergrond van grasgroen boven hemelsblauw zijn vier stadia van Tao getekend:
de vier jaargetijden, de vier windstreken, maar ook morgen, middag, avond en nacht.
december 1974
12 P'I / DE STILSTAND

Dit teken is precies het tegenovergestelde van
het vorige.
De hemel boven trekt zich steeds verder terug, de aarde beneden zinkt steeds verder in de
diepte. De scheppende krachten hebben geen contact. het is een tijd van stilstand en
verval.
Deze tekening is daarom qua vorm en kleur de tegenhanger van nr. 11 geworden.
Geel en rood, complementair aan het blauw en groen van de vorige, de golfbeweging is
verstard in stijve pieken, het donkere bevindt zich in het midden. Van de vier
Jin-Jang-tekens resteren slechts drie brokstukken, die op geen enkele wijze meer bij
elkaar passen.
februari 1978
13 TÓENG ZJÈN / GEMEENSCHAP MET MENSEN

Negen op de vijfde plaats betekent:
De gemeenschapsleden wenen eerst en klagen,
maar later lachen zij.
Na grote strijd gelukte het hun, elkaar te ontmoeten.
Twee mensen zijn uiterlijk gescheiden, maar in hun harten zijn ze één. Vele hindernissen
en obstakels staan hun geluk in de weg, en dat maakt hen treurig. Maar ze laten zich door
niets scheiden, ze blijven elkaar trouw.
De tweede lijn is het , die door haar centraal wezen de vijf sterken om zich heen
verzamelt. Het teken is het tegenstuk van nr. 7, het leger. Daar: binnen gevaar, buiten
gehoorzaamheid als wezen van het krijgsleger, dat voor zijn cohesie de éne sterke onder
de vele zwakken nodig heeft. Hier: binnen klaarheid, buiten kracht, als wezen van de
vreedzame vereniging van mensen, die daarvoor de éne zwakke onder de vele sterken nodig
heeft.
De geboorte van Marit, die hier is te zien als lieflijk
familie-tafereeltje, met op de achtergrond het ontwerp van het geboortekaartje, hield
beide bovengenoemde aspecten in. Enerzijds scheidend, anderzijds bindend...
juni 1983
14 TA JOE / HET BEZIT VAN HET GROTE

Het vuur hoog aan de hemel:
het beeld van het Bezit van het Grote.
Zo beteugelt de edele het boze en bevordert hij het goede, aldus gehoorzamend aan de goede
wil van de hemel.
De zon aan de hemel, die al het aardse beschijnt, is het beeld van het bezit van het
grote. De zon brengt het boze én het goede aan de dag.
In mijn versie is het een ondergaande zon geworden...
februari 1977
15 TJ'IÈN / DE BESCHEIDENHEID

Bovenaan een zes betekent:
Zich uitende in bescheidenheid.
Bevorderlijk is het, legers te laten oprukken
om de eigen stad en het eigen land te tuchtigen.
Als het iemand werkelijk ernst is met zijn bescheidenheid, dan moet hij er voor zorgen,
dat deze in de realiteit tot uiting komt. Daarbij moet hij zeer energiek te werk gaan.
Wanner er vijandschap ontstaat, is niets gemakkelijker dan de schuld bij anderen te
zoeken. Een zwakke persoonlijkheid trekt zich dan misschien beledigd in zich zelf terug,
heeft medelijden met zichzelf en houdt het voor bescheidenheid, dat hij zich niet
verweert.
werkelijke bescheidenheid echter uit zich daarin, dat ze zich energiek opmaakt om orde te
scheppen, en met tuchtiging begint bij zichzelf en eigen enge kring. Men kan alleen iets
waardevols verwachten indien men de moed heeft, zijn legers tegen zichzelf te laten
optrekken.
De paperclip is derhalve een tweeledig bescheiden uitvinding:
gemaakt om orde te scheppen en bovendien simpel van vorm.
De vrouw houdt zich decoratief doch bescheiden op de achtergrond.
januari 1981
16 JU / DE GEESTDRIFT

De donder komt uit de aarde opklinken:
het beeld van de Geestdrift.
Zo maakten oude koningen muziek
om de verdiensten te eren;
zij wijdden haar als een heerlijke offerande
aan de hoogste god,
terwijl zij hun voorvaderen daarbij uitnodigen.
Als de donder, de elektrische kracht, in het begin van de zomer weer uit de aarde
tevoorschijn komt ruisen en het eerste onweer de natuur verfrist, lost zich een lange
spanning op.
Verlichting en vreugde zijn er het gevolg van. Zo bezit ook
de muziek de macht om de spanning in het hart, de kracht der sombere gevoelens te
verbreken. De geestdrift van het hart uit zich onwillekeurig in gezang, in dans en in
ritmische bewegingen van het lichaam. Van oudsher werd de bezielende werking van de
onzichtbare klank, die de harten der mensen beweegt en verenigd, als een raadsel gevoeld.
De heersers maakten gebruik van deze natuurlijke neiging voor de muziek. Ze gaven haar een
eervolle plaats en stelden er regels voor vast. De muziek gold als iets ernstigs en
heiligs, ze moest de gevoelens der mensen reinigen. Ze moest de deugden der helden
prijzen, en zo een brug slaan naar de bovenzinnelijke wereld. In de tempel naderde men de
Godheid met muziek en gebarenspel (waaruit zich later het theater heeft ontwikkeld). De
religieuze gevoelens ten opzichte van de Schepper der wereld werden verenigd met de
heiligste menselijke aandoeningen: de gevoelens van eerbied jegens de voorvaderen. Deze
laatsten werden tot bijwoning dezer godsdienstoefeningen uitgenodigd als gasten van de
Heer des Hemels en als vertegenwoordigers der mensheid in die hogere regionen. Terwijl zo
het eigen verleden met de Godheid werd verweven in plechtige momenten van religieuze
extase, werd de band tussen Godheid en mensheid geconsolideerd. De heerser, die in zijn
voorouders de Godheid vereerde, was daardoor de Zoon des Hemels, in wie de hemelse en
aardse wereld in mystiek contact met elkaar kwamen. Deze gedachten zijn de laatste en
hoogste samenvatting van de Chinese cultuur. Confucius zelf zei van het grote offer,
waarbij het grote ritueel deze gebruiken in ere hield: "Wie dit offer volkomen
begreep, zou de wereld kunnen regeren, als wentelde die om zijn hand."
Vandaar.
mei 1986
17 SWÉI / HET NAVOLGEN

Zes op de derde plaats betekent:
hangt men de sterke man aan,
dan verliest men de kleine knaap.
Door na te volgen vindt men wat hij zoekt,
bevorderlijk is het, standvastig te blijven.
Als men de juiste aansluiting bij mensen van betekenis heeft gevonden, dan is daarmee
uiteraard een verlies verbonden:
men moet zich distantiëren van het lagere, oppervlakkige. Toch zal men zich innerlijk
bevredigd voelen, doordat men vindt wat men zoekt en nodig heeft voor de ontwikkeling van
zijn persoonlijkheid. Men moet weten wat men wil en zich niet van de wijs laten brengen
door verlangens van het ogenblik.
De cirkel kan gezien worden als een keuzeschijf:
Aan de rand kan je nog alle kanten op, men is veelomvattend, gemiddeld en oppervlakkig
bezig. Meer naar het midden echter beginnen de kleuren op vergelijkbare plaatsen meer en
meer te verschillen. Met opzet heb ik de tekening zo gemaakt, dat de uiterste
"standpunten" elkaar niet raken: hier is de keuze misschien wel juist, maar te
extreem, te polariserend, waardoor men geïsoleerd komt te staan: in tegenstelling tot de
I Tjing ben ik niet zo enthousiast over de standvastigheid tot het uiterste.
november 1979
18 KOE / HET WERK AAN HET BEDORVENE

Het bederf is ontstaan doordat de zachtmoedige
onverschilligheid van het onderste trigram (Soen, de wind) is samengekomen met de starre
traagheid van het bovenste ( Ken, de berg).
Het resultaat is lauwheid, verwaarlozing.
Het starre computerportret (zie ook nr. 32) wordt verstoord door een vloeiende
naaktfiguur. Een groot stuk is slechts licht aangetast, maar aan de rechterkant is het
portret al bijna helemaal weggevaagd.
En het bederf woekert voort...
september 1982
19 LIN / DE TOENADERING

De Toenadering heeft verheven welslagen.
Bevorderlijk is standvastigheid.
Komt de achtste maand, dan betekent dat onheil.
Het teken als geheel wijst op een tijd van vooruitgang vol blije verwachtingen. De lente
nadert. Vreugde en inschikkelijkheid brengen hoog en laag nader tot elkaar. Het succes is
verzekerd.
Negen op de tweede plaats betekent:
Gemeenschappelijke toenadering. Heil! Alles is bevorderlijk.
Daar men zich in een situatie bevindt waarin men van bovenaf aangespoord wordt, naderbij
te komen, en men in zichzelf de kracht en de consequentie bezit, waarvoor geen
waarschuwing nodig is, heeft men succes. Ook voor de toekomst behoeft men zich niet
bezorgd te maken. Men is zich ervan bewust, dat alle aardse vergankelijk is en dat op elke
stijging een daling volgt: maar men laat zich door dit universele lot van de mensheid niet
uit het lood slaan. Alle aspecten zijn gunstig. Daarom zal men snel, flink en dapper zijn
levensweg vervolgen.
Het meisje zoekt toenadering: hoe dichterbij
de kern, hoe contrastrijker en helderder het beeld.
december 1990
20 KWAN / DE BESCHOUWING (DE AANBLIK)
Negen op de vijfde plaats betekent:
beschouwing van mijn leven.
De edele treft geen blaam.
Een man in een verantwoordelijke positie, naar wie de anderen opzien, moet altijd bereid
zijn tot zelf onderzoek. De juiste manier van zelfonderzoek bestaat echter niet in een
werkeloos mijmeren over zichzelf; het is nodig dat we letten op de invloed die van ons
uitgaat.
Bovenaan een negen betekent:
beschouwing van zijn leven.
De edele treft geen blaam.
Hier is een wijze getekend, die buiten de wereldse dingen staat. Bevrijd van zijn
ik-zucht, beschouwt hij de wetten van zijn leven en zodoende komt hij tot de erkenning,
dat het hoogste goed bestaat in het weten, hoe we ons van alle smetten kunnen bevrijden.
Denken en Zijn zijn bij deze man in harmonie.
oktober 1978
21 SJE HE / HET DOORBIJTEN
Bovenaan een negen betekent:
steekt met de hals in de houten kraag,
zodat de oren verdwijnen.
Onheil!
Confucius merkt hierbij op:
Wanneer het goede zich niet opstapelt, is het niet genoeg om iemand beroemd te maken.
Wanneer het kwade zich niet opstapelt, is het niet sterk genoeg om iemand te vernietigen.
Dus denkt de gemene: goed zijn in het klein heeft geen waarde; daarom laat hij het na. Hij
denkt: kleine zonden doen geen kwaad; daarom leert hij ze niet af. Zo vermeerderen zich
zijn zonden tot ze niet meer te bedekken zijn, en zijn schuld wordt zo groot, dat ze zich
niet meer laat delgen.
Te laat komt men zichzelf tegen: de houten kraag, als straf bedoeld, maar toch nog een
laatste bescherming biedend, versplinterd weliswaar, maar de oren zullen rood blijken van
schaamte.
oktober 1979
22 PI / DE BEKOORLIJKHEID

Het teken toont een vuur, dat uit de geheime
diepten van de aarde tevoorschijn breekt en oplaaiend de berg, de hemelse hoogte, verlicht
en verfraaid. De bekoorlijkheid, de schone vorm is onmisbaar bij elke vereniging, opdat ze
ordelijk en aantrekkelijk wordt, niet chaotisch en rommelig.
Bekoorlijkheid heeft welslagen.
In het klein is het bevorderlijk, iets te ondernemen.
De bekoorlijkheid brengt succes. Zij is echter niet het wezenlijke, de grondslag, ze vormt
slechts het ornament. Daarom mag ze slechts spaarzaam, in het klein worden aangewend.
Het teken toont de rustende schoonheid: binnen klaarheid en buiten stilte. Dat is de rust
van de reine contemplatie. Als de begeerte zwijgt, de wil tot rust komt, dan manifesteert
zich de wereld als voorstelling. Als zodanig is ze schoon en aan de strijd om het bestaan
ontrukt. Dat is de wereld van de kunst. Maar door louter contemplatie wordt de wil niet
definitief tot rust gebracht. Hij zal weer ontwaken, en al het schone blijkt dan slechts
een voorbijgaand verheffend moment geweest te zijn. Daarom is dit nog niet de eigenlijke
weg naar de verlossing.
Zes op de vierde plaats betekent:
Bekoorlijkheid of eenvoud?
Een wit paard komt als gevlogen:
Geen rover is hij.
Hij wil een aanzoek doen op de juiste tijd.
Men geraakt in een situatie waarin men twijfelt, of men nog langer de bekoring van
uiterlijke glans mag zoeken, of dat het misschien beter zou zijn terug te keren tot de
eenvoud. In die vraag ligt het antwoord reeds opgesloten. Van buitenaf wordt men in die
langzaam groeiende overtuiging gesterkt. Het is alsof er iets als een wit gevleugeld paard
naderbij komt. De witte kleur wijst op eenvoud. Het vliegende paard is het symbool voor de
gedachten, die alle grenzen van ruimte en tijd overschrijden.
Zes op de vijfde plaats betekent:
Bekoorlijkheid op heuvels en in tuinen.
Het zijden bundeltje is armelijk en klein.
Beschaming, doch tenslotte heil!
Men trekt zich uit de omgang met mensen van laag allooi, die slechts pracht en luxe
zoeken, terug in de eenzaamheid der hoogten. Daar vindt men een mens tegen wie men opziet
en die men tot zijn vriend zou willen maken. Maar de gastgeschenken, die men te bieden
heeft, zijn zo gering en armoedig, dat men zich ervoor schaamt. Het komt echter niet aan
op de uiterlijke gave, maar op de innerlijke gezindheid; daarom gaat tenslotte alles goed.
Bovenaan een negen betekent:
Eenvoudige bekoorlijkheid.
Geen blaam.
Hier op de hoogste trap van ontwikkeling wordt elke opsmuk afgelegd. De vorm verbergt niet
langer de inhoud, maar doet deze volmaakt tot zijn recht komen. De hoogste schoonheid
bestaat niet in een uiterlijke versiering van het materiaal, maar in een eenvoudige,
doeltreffende vormgeving.
Het was in eerste instantie vooral de titel van dit teken, die mij inspireerde tot deze
hommage aan "het meisje van mijn dansles", Bianca. Bianca is in mijn herinnering
het meest bekoorlijke meisje, dat ooit verliefd op mij is geweest. Bij nadere lezing bleek
een aantal passages bovendien enkele aspecten van deze kortste maar tevens ook langste
liefde te belichten: de twijfel tussen bekoorlijkheid en eenvoud, een mens tegen wie men
opziet, de schaamte voor de geringe uiterlijke gave. Inderdaad beschaming en daardoor
tenslotte geen heil.
En juist die andere afloop brengt ons terug naar de reine contemplatie, de beschouwing
waarbij de wereld zich manifesteert als voorstelling, in dit geval een foto van dansles.
De twee silhouetten in het midden, Bianca en ik, zijn met opzet wit gelaten. Wit (blanca,
Bianca) is de kleur van de eenvoud, maar bovenal laat het alle ruimte voor eigen
invulling, fantasieën en projecties: een vuur uit de geheime diepten van, in dit geval,
de menselijke geest.
maart 1986
23 PO / DE VERSPLINTERING
De Versplintering.
Het is niet bevorderlijk waar ook heen te gaan.
Geen I Tjing-uitleg, maar direct mijn interpretatie:
Komend uit Alkmaar, studerend in Amsterdam, met een meisje in Arnhem, reisde ik in die
tijd erg veel, zonder me ergens thuis te voelen. Dat gaf mij het gevoel versplinterd te
zijn tussen deze drie steden, die elk met een A beginnen. Deze drie A's zijn terug te
vinden in de driehoek links. Het gespleten karakter van de situatie komt tot uiting in de
twee koppen aan de rechterkant.
september 1978
24 FOE / DE TERUGKEER (HET KEERPUNT)

De Terugkeer. Welslagen.
Feilloos uitgaan en ingaan.
Vrienden komen zonder blaam.
Her en der gaat de weg.
Op de zevende dag komt de terugkeer.
Het is bevorderlijk een plaats te hebben, waar men heen kan gaan.
De terugkeer ligt in de loop van de natuur. De beweging is kringvormig, de weg is in
zichzelf besloten. Alles komt vanzelf, als het de tijd ervoor is. Dat is de zin van hemel
en aarde.
De kringvormige beweging, die volgens de I Tjing in zes etappes verloopt, is hier
geplaatst tegen een enigszins parodistische achtergrond: de tekst, als terugkerend element
in mijn tekeningen. (zie ook nr.42).
mei 1979
25 WOE WANG / DE ONSCHULD (HET ONVERWACHTE)

De Onschuld. Verheven welslagen.
Bevorderlijk is standvastigheid.
Als iemand niet is zoals hij behoorde te zijn,
dan heeft hij ongeluk.
En het is voor hem niet bevorderlijk
wat dan ook te ondernemen.
De mens heeft van de hemel zijn oorspronkelijk goede natuur gekregen als leidster bij
alles wat hij doet. Door zich over te geven aan het goddelijke in hem, verkrijgt de mens
een loutere onschuld, die, zonder te speculeren op beloning en persoonlijk voordeel,
eenvoudig met instinctieve zekerheid het juiste doet.
Als gij niet wordt als kinderen
maart 1979
26 TA TSJ'OE / DE TEMMENDE KRACHT VAN HET GROTE

De hemel is temidden van de berg:
het beeld van de Temmende kracht van het Grote.
Zo leert de edele vele woorden uit vroeger tijd en daden uit het verleden kennen, om
daardoor zijn karakter te stalen.
De hemel temidden van de berg wijst op verborgen schatten. Zo ligt in de woorden en daden
van verleden een schat verborgen, die men gebruiken kan om zijn eigen karakter te stalen
en te versterken. Dit is de juiste wijze van studeren: zich niet beperken tot historische
kennis, maar het historische door het toe te passen steeds weer actueel maken.
Hier is een man te zien die ons de weg naar de verborgen schatten wijst.
maart 1976
27 I / DE MONDHOEKEN

Beneden aan de berg is de donder:
het beeld van de Voeding.
Zo slaat de edele acht op zijn woorden en is hij matig in eten en dringen.
Pas op enige afstand wordt deze afbeelding duidelijk.
april 1976
28 TA KWO / HET OVERWICHT VAN HET GROTE

Dit is de grote broer van nr. 62.
oktober 1981
29 K'AN / HET ONPEILBARE

Dit hexagram bestaat uit de herhaling van het
trigram K'an. Het is één der acht dubbeltekens. Het teken K'an betekent het naar binnen
storten. Een Jang-lijn is tussen twee Jin-lijnen naar binnen gestort en wordt door hen
ingesloten als het water in een ravijn. Het Ontvangende heeft de middelste lijn van het
Scheppende gekregen, en zo ontstaat K'an. Als beeld is het het water, en wel het water dat
van boven komt, zich op aarde voortbeweegt in rivieren en stromen, en dat alle leven op
aarde wekt.
Daarmee is gelijk het dubbel karakter van het water geschetst: het heeft het in zich om de
dingen op aarde tot leven te wekken, maar in grote hoeveelheden is het daarentegen ook in
staat alles te vernietigen.
De vrouw is al net zo onpeilbaar.
september 1980
30 LI / HET ZICH-HECHTENDE, HET VUUR

Het Zich-hechtende. Bevorderlijk is
standvastigheid.
Die brengt succes.
Zorg voor de koe brengt heil.
Het donkere hecht zich aan het lichte en vervolmaakt zo de helderheid ervan. Doordat het
lichtende licht uitstraalt, heeft het van binnen iets nodig, dat standvastig is, opdat het
niet geheel opbrandt, maar voortdurend licht kan geven. Al het lichtende in de wereld is
afhankelijk van iets waaraan het zich gehecht heeft om te kunnen blijven schijnen.
oktober 1986
31 SIÈN / DE INWERKING (HET HOFMAKEN)

Met dit teken begint de Tweede Afdeling van het eerste Boek. En zoals het eerste
deel begint met de tekens voor Hemel en Aarde als de grondslagen van al het bestaande,
begint het tweede deel met de tekens voor Hofmaken en Huwelijk, als de grondslagen van
alle sociale verhoudingen.
De Inwerking. Welslagen.
Bevorderlijk is
standvastigheid.
Een meisje nemen brengt heil.
Het zwakke is boven, het sterke onder; daardoor trekken hun krachten elkaar aan, zodat ze
zich verenigen. Dat brengt welslagen. Want alle welslagen berust op de werking van de
wederkerige aantrekking.
Innerlijk stilhouden bij uiterlijke vreugde bewerkt dat de vreugde niet de maat te buiten
gaat, maar binnen de grenszen van het behoorlijke blijft. Dat is de zin van de bijgevoegde
vermaning: "bevorderlijk is standvastigheid".
Want daardoor onderscheidt de hofmakerij, waarbij de sterke man zich onder het zwakke
meisje plaatst en haar respecteert, zich van de verleiding.
Deze tegenstelling heeft vorm gekregen door een verleidelijke kleurendia op een
"hoffelijke " zwart-wit-foto te projecteren.
december 1981
32 HENG / DE DUURZAAMHEID

Met het sterke teken Tsjen boven en het zwakke
Soen beneden, is dit hexagram het tegenstuk van het vorige: daar de inwerking, hier de
vereniging als duurzame toestand. De beelden zijn donder en wind, die eveneens duurzaam
verbonden verschijningen zijn. Het onderste trigram wijst op zachtmoedigheid van binnen,
het bovenste op beweging van buiten.
Overgedragen op de maatschappelijke verhoudingen, hebben wij hier de instelling van het
huwelijk als duurzame verbinding der geslachten. terwijl bij het hofmaken de jonge man
zich onder het meisje plaatst, is bij het huwelijk de man naar buiten leidend en bewegend,
de vrouw naar binnen zachtmoedig en gehoorzaam.
Mijn eigen trouwfoto, opgeroepen uit het "duurzame" geheugen van een computer.
mei 1982
33 T'OEN / DE TERUGTOCHT

Negen op de vijfde plaats betekent:
vriendelijke terugtocht.
Standvastigheid brengt heil.
Het is de taak van de edele, tijdig in te zien, wanneer hij zich moet terugtrekken. Als
hij het juiste moment voor zijn terugtocht kiest, kan deze in volkomen vriendschappelijke
vormen en zonder onaangename uiteenzettingen voltrekken. Maar ondanks alle hoffelijkheid
in de uiterlijk vorm is het noodzakelijk, dat men onwrikbaar vast staat in het eenmaal
genomen besluit, opdat men zich niet door andere overwegingen in de war laat brengen.
Wanneer de lippen van een vrouw zó rood en haar tanden zó wit zijn, kan men beter een
andere weg inslaan
december 1980
34 TA TSJWANG / DE MACHT VAN HET GROTE
De donder is boven aan de hemel:
het beeld van de macht van het grote.
Zo treedt de edele niet op wegen,
die niet in overeenstemming zijn met de orde.
Bovenaan een zes betekent:
een bok stoot tegen een heg.
Hij kan niet terug, hij kan niet vooruit.
Niets is bevorderlijk.
Merkt men de moeilijkheid, dan brengt dat heil.
De tegenstelling tussen de wijze man en de domme bok, die op zijn kracht vertrouwt, is
hier wat stilistisch weergegeven: onder de onweersachtige lucht is de edele te zien, die
zijn inspiratie haalt uit de hemelse krachten, uit de bliksemschicht, die gelijkt op de
draak uit nr. 1. Rechts is, dat moet u maar van me aannemen, de bok verstrikt geraakt in
de heg.
De I Tjing bedoelt hier te zeggen:
"Hoe minder men zijn macht naar buiten toe aanwendt,
des te sterker is de werking ervan.
februari 1975
35 TJIN / DE VOORUITGANG
De I Tjing is vrij positief in haar mening over de Vooruitgang. Het waarschuwt
echter wel tegen misbruik en stelt dan ook, dat "een verlicht heerser en een gehoorzaam
dienaar de noodzakelijke voorwaarden voor een grote vooruitgang zijn".
Dat deze collage het karakter van een horrorfilm kreeg, is te wijten aan het feit dat
tegenwoordig nauwelijks wordt voldaan aan de twee gestelde voorwaarden!
december 1978
36 MING I / DE VERDUISTERING VAN HET LICHT

Zes op de vierde plaats betekent:
Hij dringt binnen in de linker buikholte.
Men verkrijgt het hart
van de verduistering van het licht
En verlaat poort en hof.
Men bevindt zich in de onmiddellijke nabijheid van het hoofd der duisternis en wordt zijn
geheimste gedachten gewaar. Op deze wijze inziende, dat er geen hoop op beterschap meer
is, krijgt men de mogelijkheid, de plaats des onheils te verlaten voordat de storm zich
ontketent.
Deze tekening had als opzet de kleurschakering van een stedelijke zonsondergang te
treffen: de verduistering van het licht! Maar wat zien we nu toevallig, zo toeval al
bestaat? Het hoofd der duisternis en zijn geheimste gedachten
februari 1985
37 TJIA ZJÈN / HET GEZIN (DE CLAN)

Het Gezin.
Bevorderlijk is de standvastigheid van de vrouw. De band die het gezin bijeenhoudt, ligt
in de trouw en de standvastigheid van de vrouw. Haar plaats is binnen (de tweede lijn), de
plaats van de man buiten (de vijfde lijn). Dat man en vrouw hun juiste plaats innemen, is
in overeenstemming met de grote natuurwetten.
Na dit behartenswaardige citaat kan ik over de tekening zelf kort zijn. Het dubbele
Tao-symbool geeft de evenwichtige verhoudingen aan. De ouders in het lichte deel, de
kinderen in het donker; de mannen in het blauw, de vrouwen in rood. Bij elk staat (vanuit
het centrum gezien) het corresponderende trigram: vader, moeder, de 1e dochter
en de 1e zoon.
april 1986
38 KW'ÉI / DE TEGENSTELLING
in voorbereiding
39 TJIÈN / DE HINDERNIS

Zes op de vierde plaats betekent:
gaan leidt in hindernissen,
komen leidt tot vereniging.
Hier is een situatie getekend, waartegen men alleen niet is opgewassen. In zulk een geval
is de rechte weg niet de kortste. Als men op eigen kracht vooruit zou willen komen, zonder
de noodzakelijke voorbereidingen te treffen, zou men de hulp, die men nodig heeft, niet
vinden; te laat zou men inzien, dat berekeningen niet uitkomen, doordat de factoren,
waarop men meende te kunnen rekenen, ontoereikend blijken te zijn. Daarom is het in dit
geval juister zich voorlopig te bedwingen en eerst betrouwbare kameraden om zich heen te
verzamelen, waarop men kan steunen om de hindernissen te overwinnen.
De hindernis op de afgebeelde midgetgolf-gravelbaan is zo ongebruikelijk, dat enige
omzichtigheid zeker geboden is. De rechte weg geenszins de kortste.
maart 1981
40 SIÈ / DE BEVRIJDING

Negen op de vierde plaats betekent:
bevrijd je van je grote teen,
dan komt de kameraad
en hem kun je vertrouwen.
In tijden van stilstand komt het voor, dat zich bij een hoogstaand man gewone mensen
aansluiten, die door de macht der gewoonte met hem meegroeien en even onontbeerlijk worden
voor hem, als de grote teen voor de voet bij het lopen. Maar als de tijd van bevrijding
nadert en tot daden roept, moet men zich vrijmaken van zulke gelegenheidskennissen, met
wie men toch geen innerlijk contact heeft. Anders blijven de gelijkgezinde vrienden, op
wie men werkelijk kan vertrouwen en met wie gezamenlijk iets zou kunnen bereiken, vol
wantrouwen weg.
Slechts wanneer men aanneemt dat de afgebeelde vissen piranha's zijn, is het verband
tussen de tekening en de tekst te leggen (kwijtraken van de grote teen. Ieder moet er maar
inzien wat hij of zij erin wil zien.
Een vingerwijzing: de vissen zwemmen uit de donkere diepten omhoog naar de zon aan de
oppervlakte.
Voor astrologen: de onderste twee golflijnen stellen Aquarius voor, de bovenste twee zijn
het symbool voor Libra. De Pisces laten de een in de steek voor de ander. De latinisten
moeten dan maar uitvechten of de klankovereenkomst tussen Libra en libera op toeval berust
of niet
februari 1981
41 SOEN / DE VERMINDERING

Onder aan de berg is het meer:
Het beeld van de vermindering.
Zo bedwingt de edele zijn toorn en beteugelt hij zijn driften.
Het meer onderaan de berg verdampt. Daardoor vermindert het ten gunste van de berg, die
door zijn vochtigheid wordt verrijkt. De berg is het beeld van eigenzinnige kracht, welke
zich tot toorn kan verdichten; het meer is het beeld van de uitgelaten vrolijkheid, die in
hartstochtelijke driften kan ontaarden, wanneer zij zich koste der levenkrachten
ontwikkelt. daarom is vermindering noodzakelijk: de toorn moet door het stilhouden worden
verminderd, de instincten door vermindering worden beheerst. Door een zodanige besnoeiing
van de lagere zielskrachten worden de hoge aanzichten van de ziel verrijkt.
Het is alsof we hier Freud horen over de strijd tussen Id en Superego, waardoor het Ego
zijn definitieve gestalte krijgt. De oude Sigmund (als gewetensvolle berg) kijkt met
duidelijke afkeuring is zijn blik neer op het vrolijke meisje .
mei 1996
42 I / DE VERMEERDERING

Wind en donder: het beeld van de Vermeerdering.
Alzo de edele: ziet hij iets goeds, dan doet hij het na;
heeft hij gebreken, dan legt hij ze af.
Door gade te slaan hoe donder en wind
wederkerig elkaars groei bevorderen en versterken, leert men hoe men zijn eigen groei en
vervolmaking kan bevorderen. Als men bij anderen iets goeds ontdekt, moet men het nadoen
om zich zo al het goede op aarde eigen te maken. Als men bij zichzelf iets verkeerds
ontdekt, moet men dat afleggen. Op die manier bevrijdt men zich van het kwade.
De beschreven vermeerdering is hier voorgesteld als een speelkaart, die door
spiegeling/verdubbeling is ontstaan. De figuur in het midden heeft op dit moment bijna een
celdeling achter de rug: de universele wet van de vermeerdering. Beide helften laten zich
echter beïnvloeden door hun toevallige achtergrond. Om zich te bevrijden van het kwade,
moet tot slot de foute helft afgescheurd worden.
augustus 1979
43 KWAI / DE DOORBRAAK (DE VASTBERADENHEID)
Noch als Tangram-ontwerp, noch als tekening bijzonder geslaagd.
september 1977
44 KOW / HET TEGEMOETKOMEN

Het Tegemoetkomen. Het meisje is machtig.
Met zulk een meisje moet men niet trouwen.
Het hexagram geeft weer, hoe het donkere principe zich heimelijk en onverwacht van onderaf
weer indringt, nadat het reeds verdreven was. Het omhoogkomen van het gemene wordt hier
getekend in het beeld van een brutaal meisje, dat zich lichtzinnig prijsgeeft en daardoor
de macht in handen krijgt. Dat zou niet mogelijk zijn, als het sterke en lichte het van
zijn kant niet eveneens tegemoet kwam. Het gemene ziet er zo onschuldig en zo vleiend uit,
dat men er plezier in heeft. Het lijkt zo klein en zo zwak, dat men meent er onbezorgd mee
te kunnen schertsen.
In het Jin-Jang-teken is het meisje, dat hierboven wordt beschreven, duidelijk te
herkennen. De beschrijving riep bij echter ook het beeld op van een rat: een schattig
beestje (aldus Maarten 't Hart), maar doordat de samenleving dit dier met weggegooide
etensresten al te zeer tegemoet komt, heeft het zich kunnen uitbreiden tot een
verschijnsel van gevaarlijke omvang.
januari 1982
45 TSW'ÉI / HET VERZAMELEN

Het verzamelen is hier in dubbele zin afgebeeld:
te zien is een verzameling geometrische figuren. Elk figuur is ontstaan doordat er telkens
een raakpunt met een denkbeeldige cirtkel bijkomt, totdat uit de driehoek een volmaakte
cirkel is ontstaan en de verzameling raakpunten compleet is.
februari 1979
46 SJENG / HET OMHOOGDRINGEN

Het onderste trigram, Soen, heeft als
beeld het hout, het bovenste, K'oen, betekent de aarde. Daarmee is de gedachte verbonden,
dat het hout in de aarde omhooggroeit. Dit Omhoogdringen is in tegenstelling met "De
Vooruitgang" (nr. 35) met inspanning verbonden, gelijk de plant kracht nodig heeft
door de aarde omhoog te dringen.
Daarom staat dit teken, hoewel met succes verbonden, in verband met de inspanning van de
wil. De vooruitgang vertoont meer expansie, het omhoogdringen meer het verticale opklimmen
tot macht en invloed uit onbekendheid en onaanzienlijkheid.
Van alle planten symboliseert de klimop het omhoogdringen wel het meest. Vandaar.
De cirkels zijn luchtbellen in kokend water die bij het opstijgen steeds groter worden.
Bemerk tot slot bij uzelf hoe uw blik bij deze tekening onwillekeurig omhoogdringt.
april 1982
47 K'OEN / DE BENAUWENIS (DE UITPUTTING)

Zes op de derde plaats betekent:
men laat zich benauwen door steen
en steunt men op doornen en distels.
Men gaat in zijn huis en ziet niet zijn vrouw. Onheil!
De vrouw is ingebakken in de huismuur.
De man, die in paniek thuiskomt, breekt door diezelfde muur naar binnen en staart in een
zwart gat.
oktober 1980
48 TJING / DE WATERPUT

Zes op de vierde plaats betekent:
De Waterput wordt met metselwerk bekleed. Geen blaam.
Als de waterput met metselwerk wordt bekleed, kan men hem intussen niet gebruiken, maar
het werk is niet tevergeefs: het heeft ten gevolge, dat het water helder blijft.
Zo zijn er ook in het leven perioden dat men aan zichzelf moet werken. Gedurende die tijd
kan men weliswaar niets voor anderen doen, maar het voordeel is, dat men door innerlijke
ontwikkeling zijn kracht en bekwaamheid vergroot en zodoende later des te meer presteert.
Men kan een put van twee kanten bekijken: van boven naar beneden en andersom. Beide visies
zijn in de tekening terug te vinden: in het eerste geval ziet men slechts een zwart gat,
in het andere geval het witte zonlicht.
Het in de put zitten kan een bron van inspiratie zijn
december 1982
49 KE / DE OMWENTELING (HET RUIEN)

De beide figuren waaruit het hexagram is samengesteld zijn de twee jongste dochters
Li en Twéi. De jongste bevindt zich bovenaan: de werkingen gaan tegen elkaar in, de
krachten bestrijden elkaar als vuur (Li) en water (Twéi = het meer)., die wederkerig
trachten elkaar te vernietigen. Vandaar het idee van de Omwenteling.
Bovenaan een zes betekent:
De edele verandert als een panter.
De geringe man ruit in zijn gezicht.
Opbreken brengt onheil.
Verwijlen in standvastigheid brengt heil.
In het gezicht van het meisje voltrekt zich een omwenteling, maar verandert er nou echt
iets? Ze blijft de personificatie van een ideaalbeeld, als resultaat van een onbewuste
projectie
februari 1987
50 TING / DE SPIJSPOT

Boven Li, het Zich-Hechtende, het vuur
Onder Soen, het zachtmoedige, de wind, het hout
De Spijspot, Verheven heil. Welslagen.
Terwijl de waterput (nr. 48) de sociale grondslag van de maatschappij behandelt, -gelijk
het water, dat het hout tot voedsel dient- wordt hier de culturele bovenbouw van de
maatschappij aangeduid. Hier dient het hout de vlam (het geestelijke) tot voedsel. Al het
zichtbare moet boven zichzelf uitgroeien en zich voortzetten tot in de regionen van het
onzichtbare. Daardoor krijgt het de ware wijding en de ware klaarheid, en geraakt het vast
verankerd in de kosmos.
Hier wordt dus de cultuur geschetst, die haar hoogtepunt vindt in de religie. De spijspot
dient voor het aanbieden van offers aan de God. Het hoogste aardse moet aan het goddelijke
worden geofferd. Maar het ware goddelijke vertoont zich nooit los van het menselijke. Gods
hoogste openbaring komt tot ons door profeten en heiligen. Hen vereren is de ware
godsverering.
En aan hen moet kennelijke het laagste aardse (het slijk der aarde) worden geofferd: de
mens leeft niet van brood alleen
Vandaar in de cirkel: panis et pecunia!
januari 1983
51 TSJEN / HET OPWINDENDE (DE SCHOK, DE DONDER)
De Schok brengt welslagen.
De Schok komt: Hu, hu!
Lachende woorden: Ha, ha!
De Schok maakt honderd mijl aan het schrikken
en hij laat niet offerlepel en kelk vallen.
Het gaat hier om een diepe innerlijke ernst, waartegen alle uiterlijke verschrikkingen
afstuiten.
Zelfs tijdens de hier geschilderde vulkanische uitbarsting blijft de man in meditatie
verzonken (om vele eeuwen later als afgietsel opgegraven te worden).
juni 1979
52 KEN / HET STILHOUDEN

16 november 1979:
Het Stilhouden op de brug bij Vianen.
maart 1981
53 TJIÈN / DE ONTWIKKELING (GELEIDELIJKE VOORUITGANG)

450 voor Christus: Discuswerper van Myron;
1981 na Christus: Wereldrecord van 71.16 meter.
oktober 1981
54 KWÉI MÉI / HET HUWENDE MEISJE

Opmerking vooraf:
In China heerst formeel de monogamie. Elke man heeft slechts één officiële vrouw. Deze
verbintenis, die minder de beide huwelijkspartners dan hun families aangaat, wordt onder
strikte inachtneming der vormen gesloten. Doch de man behoudt het recht ook aan zijn
persoonlijke neigingen gevolg te geven. Ja, het is zelfs de schoonste plicht van een goede
echtgenote, hem daarbij behulpzaam te zijn. Op deze wijze krijgt hun verhouding iets moois
en opens. Het meisje, dat overeenkomstig de keus van de man haar intrede in de familie
doet, neemt bescheiden haar plaats in onder de huisvrouw, als een jongere zuster.
Natuurlijk gaat het hier om zeer précaire en tere vragen, die van de kant van alle
partijen veel tact vragen. Doch als de omstandigheden meewerken, vindt men hier de
oplossing van een probleem, waar de Europese cultuur geen weg mee weet. Het spreekt
vanzelf, dat de Chinese vrouw in het algemeen evenmin aan het ideaal beantwoordt als et
gemiddelde Europese huwelijk het Europese huwelijksideaal nabij komt.
Het Huwende Meisje. Ondernemingen brengen onheil.
Niets, dat bevorderlijk is.
Een meisje, dat in de familie wordt opgenomen zonder hoofdvrouw te zijn, moet zich heel
voorzichtig en ingetogen gedragen. Zij mag uit zichzelf geen enkele poging in het werk
stellen om de vrouw des huizes te verdringen; dat zou maar wanorde scheppen en men zou in
een onhoudbare toestand geraken.
Dit is van toepassing op alle vrij omgang tussen de mensen onderling. Terwijl bij de
wettelijk geregelde verhoudingen een vaste samenhang tussen plichten en rechten bestaat,
berust de duur van de op genegenheid gebaseerde verhoudingen uitsluitend op tactvolle
reserve.
De toegenegenheid, als grondslag der verhoudingen, is van essentieel belang bij elke
vereniging, want uit de vereniging van hemel en aarde komt de gehele natuur voort, en
evenzo is onder de mensen de spontane genegenheid het alomvattende principe der
vereniging.
Boven het meer is de donder.
Het beeld van het Huwende Meisje.
Zo krijgt de edele door de eeuwigheid van het einde
Begrip van het vergankelijk.
De donder brengt het water van het meer in beweging, dat hem in glinsterende golven volgt.
Dat is het beeld van het meisje dat de man van haar keuze volgt. Elke menselijke binding
sluit echter het gevaar in dat er afdwalingen binnensluipen, die tot eindeloze
misverstanden en onaangenaamheden leiden. Daarom is het gewenst, voortdurend rekening te
houden met het einde. Als men zich laat gaan, komt men samen en gaat men weer uit elkaar,
zoals de dag het meebrengt. Als men daarentegen zijn aandacht richt op een einde, dat
duurt, zal men de klippen kunnen omzeilen, die een bedreiging vormen voor de intiemere
bindingen der mensen onder elkaar.
Het gehuwde meisje houdt zich schuil achter de trouwring
augustus 1992
55 FENG / DE VOLHEID

Het oordeel:
De volheid heeft welslagen.
De koning bereikt haar.
Wees niet treurig: wees als de zon op het middaguur.
Het is niet voor iedere sterveling weggelegd, een periode van opperste grootheid en
volheid in het leven te roepen. Het moet een geboren leider der mensen zijn, die zoiets
vermag, daar zijn wil op iets groots gericht is.
Zes op de tweede plaats betekent:
Het gordijn is van zulk een volheid,
Dat men op het middaguur de sterren van de pool ziet.
Door heengaan wekt men wantrouwen en haat.
Als men hem door waarheid opwekt, komt heil.
Het komt vaak voor, dat zich tussen de heerser, die het grote wil, en de man die het grote
zou kunnen uitvoeren, intriges en partijcomplotten dringen, die het effect hebben van een
zonsverduistering. dan ziet men in plaats van de zon de sterren aan de hemel.
Negen op de derde plaats betekent:
het struikgewas is van zulk een volheid,
Dat men op het middaguur de kleine sterren ziet.
Hij breekt zijn rechterarm. Geen blaam.
Hier wordt als beeld de voortschrijdende verduistering van de zon geschilderd. Op dit punt
is de totaliteit bereikt, daarom ziet men op het middaguur zelfs de kleine sterren. De
vorst is hier verduisterd en ook zijn bekwame helper, zijn rechterhand kan onmogelijk iets
ondernemen.
Negen op de vierde plaats betekent:
Het gordijn is van zulk een volheid,
Dat men op het middaguur d sterren van de pool ziet.
Hij ontmoet zijn heer, die hem verwant is. heil!
Hier is de verduistering reeds aan het afnemen, daardoor ontmoeten degene die bij elkaar
passen elkaar. ook hier moet de aanvulling worden gevonden: de impulsieve drang tot
handelen moet samengaan met de nodige wijsheid. dan zal alles goed gaan.
De hier bedoelde aanvulling is het omgekeerde van die bij de eerste lijn. Daar moest de
wijsheid door energie worden aangevuld, hier de energie door wijsheid.
De kop van Albert Einstein (een groot man die iets groots heeft verricht) is in vier
vlakken verdeeld, achtereenvolgens de vier stadia van de in de tekst beschreven eclips,
voorstellende: geel, de volle zon, oranje, de poolster en rood, de kleine sterren, die
slechts in de donkerste tijden te zien zijn.
Alles is relatief!
mei 1985
56 LU / DE ZWERVER

De Zwerver. Door kleinheid welslagen.
Standvastigheid brengt de zwerver heil.
Als zwerver en vreemdeling mag men niet ruw optreden en niet te veel pretenties hebben.
Men heeft geen grote kennissenkring, dus mag men geen hoge borst opzetten. Men moet
voorzichtig en gereserveerd zijn, dan beschermt men zich tegen het kwaad.
De achtergrond verloopt van licht naar donker, maar de figuur verkleurt systematisch mee
en valt daardoor niet op. Door enkele details kan men toch zien dat ik het ben. Daarmee
wil aangegeven zijn dat men ook zonder op te vallen, zichzelf kan zijn.
januari 1982
57 SOEN / HET ZACHTMOEDIGE, HET INDRINGENDE, DE WIND

Het Zachtmoedige. Welslagen door kleine dingen.
Bevorderlijk is het, een plaats te hebben.
Waar men heen kan gaan.
Bevorderlijk is het de grote man te zien.
Het indringen brengt geleidelijk en weinig opvallende werkingen te weeg. Er wordt niets
geforceerd, de onafgebroken zachte druk moet het doen. Hiermee bereikt men minder
opvallend effect dan wanneer men met overrompeling werkt, maar het is duurzamer en
volkomener.
Om op deze wijze te kunnen werken, moet men een vastomlijnd doel hebben. Want men bereikt
alleen iets, wanneer de beïnvloeding steeds in dezelfde richting werkt.
Het kleine kan slechts dan iets bereiken, wanneer het zich overgeeft aan de leiding van
een bekwaam man, die de capaciteit bezit tot het scheppen van orde.
Een vergelijking is te trekken met het schaakspel. De zachtmoedige, witte dame zet de
gelederen van de zwarte koning onopvallend onder druk. Langzaam wordt de positionele
voorsprong opgebouwd. Dit kan zij slechts onder leiding van eengrootmeester. Maar:
Negen op de derde plaats betekent:
Herhaald indringen. Beschaming.
Het borende nadenken mag niet te ver worden gedreven; anders belemmert het de kracht tot
het nemen van een resoluut besluit. Als een zaak van alle kanten grondig is bekeken, dan
moet men tot een besluit komen en daar naar handelen. Door al dat nadenken komt men steeds
opnieuw in twijfel en vervolgens in beschaming, omdat men blijk geeft niet in staat te
zijn tot een handelend optreden.
november 1982
58 TWÉI / HET BLIJMOEDIGE, HET MEER
in voorbereiding
59 HWAN / DE OPLOSSING

Hier is vrij geassocieerd naar aanleiding van de
naam van het teken.
Het teken heeft in zijn tekst enige overeenkomst met nr. 45 "Het Verzamelen".
Daar zagen we hoe, in mijn uitwerking een driehoek tot cirkel kon worden. Hier zijn die
elementen terug te vinden in een gezichtbedriegend grapje.
Citaat: "Wie het waagt afstand te doen van het naastbije, zal het verderaf-liggende
veroveren".
augustus 1980
60 TJIÈ / DE BEPERKING

Beperking: Welslagen.
Bittere beperking mag men niet blijvend beoefenen.
Ook in de beperking moet men echter maat weten te houden. Als men zijn eigen natuur al te
bittere beperkingen zou willen opleggen, zou zij daaronder lijden. Als men de beperking
van anderen te ver zou willen drijven, zouden ze ertegen in opstand komen. Daarom moet men
zelfs de beperking beperken.
Hier is het logo te zien van Novell, de fabrikant van netwerk-software. Sinds enkele jaren
heb ik als netwerkbeheerder en systeembeheerder te maken met het beperken van de rechten
van medewerkers. Ook daarbij moet een compromis gezocht worden tussen veiligheid en
werkbaarheid.
maart 1993
61 TSJOENG FOE / INNERLIJKE WAARHEID
Zes op de derde plaats betekent:
Hij vindt een kameraad.
Nu eens trommelt hij, dan houdt hij op.
Nu eens zucht hij, dan zingt hij weer.
Hier ligt de krachtbron niet in het eigen ik, maar in de verhouding tot nadere mensen. Al
staan die ons ook nog zo na - wanneer ons innerlijk evenwicht van hen afhangt, is het niet
te vermijden dat wij heen en weer worden geslingerd tussen vreugde en leed. 'Himmelhoch
jauchzend, zum Tode betrübt' - dat is het lot van degenen die afhankelijk zijn van de
innerlijke harmonie met geliefde personen.
Hier wordt alleen de wet uitgesproken, dat het zo is. Of deze toestand als lastig of als
het hoogste liefdesgeluk wordt gevoeld, blijft ter beoordeling van de betrokkene.
De innerlijke waarheid komt pas tot klaarheid wanneer de situatie van beide kanten
beschouwd wordt. Slechts wanneer beide invalshoeken gecombineerd worden, ontstaat een
volledig en af beeld.
maart 1998
62 SIAU KWO / HET OVERWICHT VAN HET KLEINE

Wie hem kent, vraagt geen verdere uitleg; waarmee
dan tevens nr. 28 is verklaard.
februari 1980
63 TJI TJI / NA DE VOLEINDING

Dit hexagram is de evolutie van nr. 11: T'ai,
Vrede. De overgang uit de verwarring naar de orde is voltooid, en nu is ook elk detail op
zijn plaats. De sterke lijnen bevinden zich op de sterke, de zwakke lijnen op de zwakke
plaatsen. Dat is een zeer gunstig aspect. Toch geeft het te denken. Juist wanneer het
volkomen evenwicht is bereikt, kan elke beweging ertoe leiden, dat de toestand van orde
omslaat in wanorde. Overeenkomstig hun aard volgen de overige sterke lijnen de éne sterke
lijn die naar boven is gegaan en de orde in de details volkomen heeft gemaakt: zo ontstaat
plotseling weer het teken P'I, de Stilstand (nr. 12). Het teken wijst dus op de
verhoudingen van een hoogtepunt, die de uiterste voorzichtigheid noodzakelijk maken.
Na de voleinding van de taak die ik mij gesteld heb, het maken van tekeningen bij de I
Tjing, zal de puzzel van 64 stukjes zijn opgelost, elk detail is op zijn plaats. En wat te
zien zal zijn, is niet alleen een beeld van de I Tjing, maar bovenal een beeld van mij
zelf.
oktober 1985
64 WÉI TJI / VÓÓR DE VOLEINDING

Het hexagram "Na de voleinding" schets
de geleidelijke overgang van een tijd van opbloei via een cultureel hoogtepunt naar een
tijd van stilstand.
Het hexagram "Vóór de voleinding" daarentegen schetst de overgang van chaos
naar orde. Het staat aan het einde van het Boek der Veranderingen, als een teken, dat in
elk einde een nieuw begin ligt besloten. Zo geeft het mensen hoop.
Het Boek der Veranderingen is een boek van de toekomst.
In de grijze eenvormige chaos begint weer tekening te komen. Licht en donker beginnen
opnieuw hun spel waaraan mijn tekeningen hun ontstaan te danken hebben.
september 1980