Het pakwerkersonderzoek 1984 bijdeKLu

In de zomer van 1984 werd, na een voorbereidingsperiode van ongeveer een half jaar, een inspanningsonderzoek verricht bij pakwerkers van de Koninklijke Luchtmacht door Luitenant ter-Zee-arts M. J. W. Crosleld en ondergetekende. Het onderzoek vond plaats In het Duik Medisch Centrum te Den Helder en op de Vliegbasis Leeuwarden. Het onderzoek werd verricht in opdracht van de Inspecteur Geneeskundige Dienst Koninklijke Luchtmacht. de initiatiefnemer was Luitenant Kolonel Vlieger-artS B. Voorsluis, hoofd van de afdeling Bedrijfskunde.

De reden om dit onderzoek te verrichten was de onbekendheid met de exacte zwaarte van het pakwerk, terwijl uit de praktijk bleek dat dit werk io zwaar was dat binnen de hondensecties van de KLu secties een deel van het personeel dit werk verrichtte. Eerst werd een enquête gehouden onder de totale groep pakwerkers binnen de KLu (circa 245 personen), om een indruk te krijgen over de hoeveelheid sport en training, die door de totale groep beoefend werd. Hierna werden proefpersonen uitgenodigd aan het onderzoek mee te doen, met als enige voorwaarde dat zij technisch in staat waren pakwerk te verrichten. Uiteindelijk bestond plm. de helft van de achttien proefpersonen uit getrainde en de andere helft uit ongetrainde pakwerkers. De leeftijd varieerde binnen beide groepen ongeveer even sterk, van begin twintig tot in de vijftig.

Nadat de belasting, gevormd door het pakwerk in een laboratoriummeting van het zuurstof (lees: brandstof)-verbruik bij een bepaalde inspanning op een lopende band was vastgesteld, werd tijdens een ‘standaard veldtraining met honden de daargeleverde prestatie vergeleken met het laboratorium. Dit was mogelijk, omdat het energieverbruik in het laboratorium werd gemeten als zuurstofverbruik door een gezichtsmasker. een vrij exacte methode, die weer verband houdt met de hartfrequentie, die zowel in het laboratorium als in het veld gemeten werd. Inlet laboratorium en in het veld werden ook Iichaamstemperaturen gemeten via electrodes op de huid of in de anus. Uit het Iaboratoriumonderzoek bleek, dat door het werken in het bijtpak, er in het lichaam een op eenstapeling optreedt van warmte. Deze warmte is als het ware het afvalproduct, dat vrijkomt bij spierarbeid, zoals ook warmte vrijkomt bij andere verbrandingsprocessen (verbranding van zuurstof en suiker in de spieren geeft bewegingsenergie en warmte).

Normaal kan bij een zware inspanning de warmte via de huid afgevoerd worden, maar het bijtpak gaat dit tegen, waardoor de lichaamstemperatuur stijgt. De huid probeert met alle macht de warmte af te voeren, en de bloedvaten verwijden zich sterk. Als nu, bij pakwerk, de lichaamstemperatuur oploopt zoals hierboven omschreven, zullen door de verhoogde bloedstroming van de huid, de spieren van het lichaam minder bloed krijgen, waardoor de prestatie minder groot kan zijn. Tenzij het hart meer bloed verstuwt door sneller te gaan pompen. Dit hebben we in het laboratorium nu kunnen aantonen.

In de veldtesten hebben we kunnen aantonen dat de prestatie, geleverd tijdens een ‘standaard’ training van b.v. 5 steloefeningen met 5 honden, er van het lichaam een maximale prestatie wordt gevraagd, op het gebied van spier- en hartwerking. Voor wat betreft de warmtebelastinq. bleek zelfs. dat bij een buitentemperatuur van 17graden Celsius de warmtestuwing zodanig is, dat in de loop van 4 oefeningen met steeds 5 honden (totaal dus 20 honden) het maximum toeraatbare wordt bereikt, waarna het Iichaam in de problemen kan komen. De pakwerker ziet dan soms ook zwart voor de ogen, wordt licht in het hoofd en dreigt flauw te vallen. Bij herhaling werden inwendige temperaturen van boven de 39 graden Celsius en zelfs boven de 40 graden Celsius gemeten. De volgorde waarin de steloefeningen werden afgewerkt, bleek geen wezenlijke invloed te hebben op de grootte van de belasting. De luchtmacht heeft altijd de regel gehanteerd, dat het pakwerk slechts kon worden verricht door personen beneden de 45 jaar. Bij ons onderzoek bleek, dat de in het Laboratorium gemeten conditie noch de in het veld geleverde prestaties leeftijdsafhankefijk waren. Oudere personen met een goede conditie waren even goed in staat pakwerk te verrichten als jongere personen. Conditie en vaardigheid speelden een hoofdrol als voorwaarde hiervoor. Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten werden de volgende aanbevelingen gedaan:

a. Niet langer de leeftijd als criterium voor het verrichten van pakwerk hanteren.

b Een trainingsprogramma opzetten, in de vorm van een circuittraining, zoals in 1984 werd gedaan op de opleidingsschool van de KLu voor hondegeleiders in Princebosch. Sport dient voor personeel van de hondensecties dan ook een hoofdvak te worden.

c. Boven de 17 graden Celsius buiten temperatuur zal men niet meer en bij het stijgen van de temperatuur zelfs minder dan 20 honden per pakwerker achter elkaar kunnen inzetten.

d.         Bij het aanstellings- en periodiek geneeskundig onderzoek van pakwerkers zal met name gekeken worden of de pakwerker in staat is veilig zware arbeid met piekbelastingen te verrichten, dit bij voorkeur met behulp van een inspanningstest op een fietsergometer.

e.                 Voor de toekomst zal, omdat bet belangrijkste deel van de belasting wordt veroorzaakt door bet gewicht. de stugheid en de warmte isolerende werking van het bijtpak gezocht moeten worden naar een nieuw soort bijtpak. Hierbij kan gedacht worden aan bet in 1984 reeds op de Vliegbasis Deelen en VoIkeI gebruikte z.g. Franse pak’ met qua gewicht ideate eigenschappen. maar alleen qua warmte-isolatie niet ideaãl (nylonvoering, kunststof, warmte vasthoudend materiaal). De Dienst Materiële Zaken van de KLu zou de mogelijkheden van een hierop gebaseerd pak samen met TNO onderzoeken.

Voor meer informatie. A. van der Gatiên, reserve Eerste Luitenant-arts