Bostulp (Tulipa Sylvestris)
De Bostulp heeft een hoge presentie in stinsemilieus. De Bostulp met zijn fraaie, voor de bloei knikkende gele bloemen is waarschijnlijk alleen in het Middellandse Zee-gebied oorspronkelijk wild. In de 16e eeuw is ze als sierplant door een groot deel van Europa verspreid en op veel plaatsen ingeburgerd. Zij komt thans vooral in wijngaarden en graslanden voor. In ons land is de Bostulp behalve op oude buitenplaatsen ook wel buiten het bos op dergelijke plaatsen gevonden, zoals in akkers, langs wegbermen en in uiterwaarden. Deze milieus komen meer overeen met het oorspronkelijke milieu van de soort in het Middellandse Zee-gebied dan de groeiplaatsen in onze parkbossen.
Stinseplanten
In Friesland komen nogal wat versterkte adellijke hofsteden voor, die stins of state genoemd worden. Reeds lang zijn de stinsen bekend om hun rijke voorjaarsflora, waarbij bol- en knolgewassen een belangrijke plaats innemen. Bij zacht weer bloeien in februari reeds het Sneeuwklokje, het Lenteklokje en de Winteraconiet. In maart volgen enkele Crocus-soorten, terwijl de bloei eind april haar hoogtepunt bereikt wanneer Holwortel, Voorjaarshelmbloem en Gele Anemoon massaal kunnen bloeien. Ook Bostulp, Breed Longkruid, Knikkende Vogelmelk, Gevlekte en Italiaanse Aronskelk voegen zich daarbij. In Friesland zijn tientallen vindplaatsen van deze soorten. Jongerna State te Rauwerd en het Coehoornbos bij Wyckel zijn mede vanwege hun rijke stinseflora als natuurreservaat aangekocht door 'It Fryske Gea'. Ook Martena State te Cornjum en Dekama State te Jelsum zijn bekend in dit opzicht. Nadien zijn stinseplanten ook buiten Friesland en de aangrenzende delen van Groningen en Drenthe aangetroffen en wel aan de binnenduinrand in Noord- en Zuid-Holland en Zeeland (o.a. in de Alkmaarder Hout, Elswout bij Overveen, Olaertsduin op Voorne en Oranjezon op Walcheren), langs de Utrechtse Vecht (o.a. op Over-Holland bij Nieuwersluis, eigendom van de Stichting Het Utrechts Landschap) en in de Betuwe (o.a. bij kasteel Rossum in de Bommelerwaard, dat thans in gebruik is als gemeentehuis). Behalve op de Friese stinsen komen deze planten ook voor op oude buitenplaatsen, in oude stads- en slotparken, op stadswallen en kerkhoven, bij pastorieŽn, oude kasteelboerderijen, e.d. De stinsepIanten vormen een heterogene groep. Sinds de dertiger jaren is hierover een stroom publicaties verschenen. Er schuilen verscheidene soorten onder die in ons land niet inheems zijn en in vroeger jaren van elders moeten zijn aangevoerd. In de meeste publicaties wordt dan ook het uitplanten centraal gesteld en wordt getracht een historische verklaring te geven. Men kan het probleem echter ook oecologisch benaderen en het milieu centraal stellen. Tot dusverre werden de stinseplanten doorgaans beschouwd als soorten die oorspronkelijk door de mens op buitenplaatsen e.d. zijn uitgeplant en die daar stand hebben gehouden ofschoon zij daar oecologisch en plantengeografisch niet thuis horen. Tot de stinsepIanten behoren inderdaad een aantal exoten, d.w.z. soorten die in ons land niet inheems zijn en vroeger moeten zijn uitgeplant. Het voorkomen van deze soorten in ons land is dus een resultaat van tuinieren in het verleden. Tot uitheemse soorten wier voorkomen in ons land zonder twijfel het resultaat is van 'wildgardening' behoren o.a. de uit Zuid-Europa afkomstige Blauwe Anemoon (Anemone apennina), Italiaanse Aronskelk en Knikkende Vogelmelk, alsmede de in Midden- en Zuid-Europa inheemse Winteraconiet en de uit Rusland en Klein-AziŽ stammende Oosterse Sterhyacint (Scilla siberica). Ook allerlei cultuurvariŽteiten zijn geplant, zoals Stengelloze Sleutelbloem met afwijkende bloemkleuren en Bosanemonen met dubbele bloemen. Van de Knolsteenbreek, die in het zuiden van ons land in het wild voorkomt, groeit een vorm
met gevulde bloemen op de Friese stinsen en op buitenplaatsen aan de binnenduinrand, speciaal in de omgeving van Haarlem. Deze vorm heeft bloemenliefhebbers vroeger zo aangesproken dat ze een eigen Nederlandse naam heeft gekregen, nl. Haarlems Klokkenspel. Door een Haarlemse kwekerij wordt ze nog steeds als tuinplant aangeboden. Het bekende Sneeuwklokje is waarschijnlijk steeds verwilderd, doch thans volkomen ingeburgerd. Historische gegevens zijn zeer schaars. Bij toeval is in enkele gevallen iets uit het verleden bekend geworden. De Kijfhoek, een vallei in de Haagse waterleidingduinen, is thans vrijwel Geheel begroeid met berkenbos. In dit gebied hebben twee huisjes gestaan die in 1865 zijn afgebroken. De plaats waar deze huisjes meer dan een eeuw geleden gestaan hebben is nauwelijks meer zichtbaar in het terrein. Met behulp van een oude kaart kon de plaats waar de huisjes gestaan hebben nauwkeurig bepaald worden. Hier bleken toen ook potscherven en stukjes baksteen in de grond te zitten. Juist naast de plek waar een van de huisjes gestaan moet hebben groeien Sneeuwklokjes. Een ander voorbeeld is te vinden bij Warmond waar Sneeuwklokjes ieder jaar rijk bloeien op een met struikgewas begroeide ringwal. Op deze plaats is in de Middeleeuwen een klooster gebouwd, dat tijdens het beleg van Leiden werd verwoest. Deze plek is bij de plaatselijke bevolking nog steeds bekend als 'de kloostertuin'. Een ander interessant geval is de Z. Ag. 'wilde boerencrocussen', die op enkele plaatsen in weilanden in Friesland voorkomen. Deze eertijds als sierplant gekweekte Crocussen zijn waarschijnlijk aangevoerd met terp-aarde, die werd gebruikt om de weilanden op te hogen en te bemesten. Op een plaats is zelfs een door Crocuspolletjes gemarkeerd spoor te zien dat leidt van een vroegere losplaats van terp-aarde recht door twee weilanden en over een sloot naar het weiland waar de terp-aarde is uitgestrooid en waar de Crocussen meer verspreid groeien. Deze kleinbloemige Crocussen hebben spitse bloemdekbladen die bij zonneschijn stervormig uitstaan. Ze worden geregeld uitgestoken en overgeplant in boerentuintjes. In bovengenoemde gevallen is duidelijk sprake van uitheemse soorten die oorspronkelijk zijn geplant als sierplant. Van andere stinsepIanten vermoedt men dat ze oorspronkelijk als geneeskruid of als keukenkruid zijn geplant. Oude geneeskruiden zijn o.a. de volgende in stinsemilieus voorkomende soorten: Gevlekte Aronskelk, Breed Longkruid, Gele Anemoon, Holwortel en Voorjaarshelmbloem. In Friesland is nagegaan of de stinseflora een overblijfsel kan zijn van vroegere kruidentuinen bij kloosters. Er bleek geen directe samenhang tussen kloosters en vindplaatsen van stinseplanten te bestaan; evenmin met de tuinen van apothekers en plattelandsartsen. Ook is er een verhaal dat de stinseplanten tijdens de Kruistochten uit Palestina zouden zijn meegebracht naar Martena State te Cornjum. Een andere lezing wil dat ze in de 16e eeuw meegebracht zouden zijn door edellieden uit Zuid-Duitsland die gehuwd waren met drie dochters uit het geslacht Martena.
(uit: "Wilde Planten", dl. 1, uitg. De Lange/van Leer n.v. Deventer, Eerste druk 1970)
<< begin