Over het leven van Osho

Osho

Rajneesh Chandra Mohan werd geboren in het kleine dorpje Kuchwara in Centraal India op 11 december 1931. Als de oudste zoon van een gezin waarin later nog vijf zusters en zes broers bet leven zagen. De religieuze achtergrond van het gezin was die van de Jains, een religieuze groep die afstamde van de Verlichte Meester Mahavira, een tijdgenoot van Boeddha. Zijn vroege jeugd bracht hij door in bet huis van de grootouders van zijn moeder. Zijn moeder was hun enig kind, en omdat haar ouders zich eenzaam voelden, wilden zij het oudste kind van hun dochter graag grootbrengen. Het waren rijke mensen. Vooral de relatie tot zijn grootvader was diep. Vanaf zijn geboorte waren er nogal wat zorgen dat hij niet lang zou leven, want een geconsulteerd astroloog - in India is het een gewoonte zo iemand te raadplegen - weigerde zijn horoscoop te maken, en beloofde dat pas te doen als het kind de eerste zeven jaar had overleefd.

Hoewel deze voorspelling niet uitkwam, gebeurde er wel iets anders. Rond zijn zevende jaar overleed zijn grootvader, en het kind maakte dit stervensproces van minuut tot minuut mee. Hij reisde mee toen zijn grootvader in een ossenwagen naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis werd gebracht, en gedurende de lange reis was hij getuige van het langzame en pijnlijke stervensproces. Het was het eerste sterven dat hij meemaakte. Omdat de relatie tot zijn grootvader voor hem de diepste relatie was geweest, heeft hij later verklaard sinds het aanschouwen van diens dood niet meer in staat te zijn geweest zich aan wie dan ook te binden. De grootvader was deel van hem, in zijn liefde was hij opgegroeid, en toen de grootvader was overleden wilde het kind zelfs niet meer verder leven. Vanaf dat moment was er alleen nog de feitelijkheid van zijn alleenzijn. De dood bevrijdde hem vanaf dat moment van alle relaties in de vorm van gebondenheden. ledere intieme relatie bracht onmiddellijk de associatie met de dood, liefde werd op de een of andere manier met de dood verbonden. Tot al zijn latere vriendschappen nam hij nooit zelf bet initatief; nooit zou dit tot enige vorm van binding of afhankelijkheid aanleiding hebben gegeven. Hij zocht voor zijn grootvader ook geen vervangende figuren, werd veeleer voor anderen een vreemdeling, innerlijk geheel gescheiden en op grote afstand van en maatschappij waar hij zich buiten voelde staan. Men heeft bet kind beschreven als een eiland dat later nog maar in èèn ding geïnteresseerd was: de reis naar het diepste innerlijke Zelf

Deze jonge buitenstaander bracht de volgende zeven jaar van zijn leven door bij zijn ouders in bet kleine plaatsje Gadarwarra, gelegen aan de oevers van de rivier de Shakar. Die rivier werd bet centrum van zijn leven. In alle seizoenen had hij haar lief en een van zijn latere uitspraken geeft deze liefde duidelijk: aan: 'lk placht naar de verre uithoeken van de rivier te gaan, alleen om er te zitten, alleen om er te zijn." Het was helemaal niet nodig iets te doen. Alleen er te zijn was genoeg. Het was een schitterende ervaring. lk nam een bad, ik zwom, en als de zon opkwam ging ik naar de andere oever, naar een uitgestrekt zandstrand, en daar liet ik mezelf in de zon opdrogen en lag daar, soms om er te slapen. Als ik thuis kwam vroeg mijn moeder meestal: "Wat heb je de hele ochtend gedaan?" Ik zei dan: "Niets", want in feite had ik niets gedaan. En zij placht dan te zeggen: "Hoe is dat mogelijk? Je bent vier uur van huis geweest; hoe is het dan mogelijk dat je niets hebt gedaan? Je moet iets hebben gedaan." En ze had gelijk, maar ik had ook gelijk; ik had niets gedaan. Ik was alleen bij de rivier geweest, zonder iets te doen, liet de dingen gewoon gebeuren. Als er een gevoel kwam om te zwemmen - denk aan wat ik zeg - als het voelde alsof er gezwommen moest worden, ging ik zwemmen. Maar dat was niet een vorm van doen waar het mij betrof; ik forceerde niets. Als bet voelde om te gaan slapen, ging ik slapen. De dingen gebeurden gewoon. Er was niemand die iets deed. Mijn eerste satori (= Verlichting)-ervaring was bij die rivier. Zonder er iets te doen, eenvoudig door er te zijn, gebeurden er miljoenen dingen. Maar mijn moeder stond er op dat ik toch iets moest hebben gedaan, en daarom zei ik: "Goed, ik nam een bad en ik droogde mijzelf in de zon", en dan was ze tevreden. Maar ik was met die uitspraak niet tevreden, want wat er bij die rivier gebeurde kon met de woorden "ik nam een bad" niet worden uitgedrukt.

Rajneesh at the age of 13Hoewel hij als een magneet andere jongens aantrok en een natuurlijke leider van een groep werd, bleef het kind een universum op zichzelf. Hij was gelukkig als mensen naar hem toekwamen, maar voelde zich in het geheel niet ongelukkig als hij niemand ontmoette. Permanent op zichzelf teruggeworpen was er een geworteldheid in zichzelf van waaruit hij nooit meer in staat was terug te keren naar de gemeenschap. Als vreemdeling en buitenstaander gaf de eenzaamheid hem een vreugdevolle pijn, bet voelde als een grote rijpheid en ouderdom. Vanuit deze zijnswijze was hij ook nauwelijks in staat om leraren te accepteren. Rivieren en bergen kon hij respecteren, zelfs steden, maar mensen niet. Nooit ontmoette hij een leraar die hem echt iets had te zeggen. Nooit had hij de behoefte zich onder iemands bescherming en leiding te stellen en altijd keerde hij, na een bezoek aan mensen, met lege handen terug. Zo leek het er aan de buitenkant op dat hij zeer egoïstisch was, een uitgesproken rebel, die daarbij voortdurend aan alles twijfelde. Hij had nooit bet gevoel dit een waarheid van anderen geleerd kon worden.: niemand, zo voelde hij, kon ooit zijn goeroe zijn. Hij was zijn eigen goeroe en tegelijkertijd zijn eigen discipel.

Uit alle verhalen over hem wordt duidelijk dat hij in de kring van jongens in het dorp een oosterse Tijl Uilenspiegel was, en hoewel er geen kwaadaardigheid in zijn jongensstreken zat, haalde hij toch de gekste dingen uit. Daarnaast was het opvallend dat hij gefacineerd bleef door de dood. Wanneer er iemand overleden was een verbrand werd, wilde hij alles meemaken. Zoals hij eens zei: 'lk observeerde de mensen bij de verbrandingen.Ze discussieerden over allerlei zaken, filosofische problemen zoaks: "Wat is de dood?" iemand zei dan: "Niemand sterft. Het innerlijkste Zelf is onsterfelijk". Ze discussieerden dan over de Upanishads, de Bhagavad Gita, en haalden de uitspraken van allerlei (geestelijke) gezagsdragers aan. Dan voelde ik "ze ontlopen iets". Dooralleen maar te discussiëren vermijden ze het fenomeen dat nu gebeurt. Ze kijken niet naar die dode mens. En die dood is er! Die is hier en ze praten erover. Wat gek!' De dood maakte hij voor de tweede keer mee hij het overlijden van een zuster en gedurende een lange periode zou hij toen geweigerd hebben voedsel tot zich te nemen. De liefde tot de rivier bij zijn dorp verdiepte zich, langzaam stromend in de zomer en woest gedurende het regenseizoen.Rond zijn veertiende jaar was er opnieuw een grote vrees dat hij zou sterven, dit naar aanleiding van de uitspraak van de astroloog. Daarom ging hij gedurende zeven dagen naar een oude verlaten en vervallen tempel om de dood daar zelf te ontmoeten. Op alle mogelijke manieren probeerde hij dood te zijn. Hij beschreef het later als een experiment in de aanvaarding van de dood, noemde het ' mijn meest bewuste ontmoeting met de dood'. Het werd een diepe ervaring voor hem. Een slang kroop de tempel binnen, maar hij was er niet bang voor. Het enige dat hij dacht was: 'Als de dood komt, kan hij komen door een slang, waarom zou ik bang zijn? Ik wachtte. De slang kroop over me been en ging verder. Er was geen angst meer. Als je de dood aanvaardt, is er geen angst meer. Als je je aan het leven vastklampt, zijn er allerlei vormen van angst.' Zijn aanvaarding van de dood in deze tempel bracht hem dieper in contact met iets dat onsterfelijk was, iets waarvan hij zich nu zelfs duidelijk bewust begon te worden

De voorspelling van de astroloog omtrent de mogelijkheid van zijn dood droeg mede hij tot zijn vroege pogingen alles omtrent de dood te onderzoeken. Een van de manieren om zichzelf met de dood te confronteren was ook de rivier, en veel vrienden en familieleden hebben later verteld hoe hij op de meest gevaarlijke plekken in deze woest stromende rivier sprong, en soms vanaf een hoge brug naar beneden dook. Een van de meest angstwekkende experimenten die hij daarbij uitvoerde was om in draaikolken te duiken. Hij heeft zijn ervaringen daarmee eens op de volgende wijze onder woorden gebracht: 'Als tijdens het regenseizoen de rivieren overstromen, komen er vele draaikolken tot stand die heel prachtig en sterk zijn. Het water draait als een schroef rond. Als je erin gevangen raakt word je naar de bodem getrokken, en des te dieper je komt, des te sterker wordt die draaiende beweging. De natuurlijke neiging van bet ego is om daartegen te vechten, want het ziet er naar uit dat je dood gaat, en het ego is heel bang voor de dood. Het ego probeert met de draaikolk te vechten en als je er mee vecht, in een stromende rivier of bij een waterval waar veel draaikolken zijn, verlies je het omdat de draaiende beweging van het water zeer krachtig is. Je kunt er niet mee vechten. Aan de oppervlakte is de draaikolk groot, en des te dieper je gaat, des te kleiner wordt de draaikolk. Hij wordt sterker maar kleiner, en vlakbij de bodem is hij zo klein dat je er uit kunt komen zonder enige strijd. In feite is het zo dat bij de bodem de draaikolk je er zelf uitgooit. Maar je moet wachten totdat je de bodem hebt bereikt. Als je aan de oppervlakte gaat vechten heb je het gehad, je kunt het niet overleven. Ik heb dat met vele draaikolken geprobeerd, en de ervaring is schitterend.' Het is duidelijk dat deze beschrijving zijn vroege inzichten in de problemen van ego en dood goed illustreert. ' Des te meer men met de dood vecht, des te meer men haar weerstreeft, des te meer men er in verstrikt raakt. Maar als men de dood tegemoet treedt op een meditatieve wijze, kan men haar mysterie doordringen en tot op de bodem gaan.`

Bhagwan Shree Rajneesh Rajneesh was als aanvoeder een natuurlijke leider van een grote groep jongens, die hem respecteerde om zijn moed en rebbelie. Opvallend was zijn opstandigheid tegen iedere vorm van scheinheiligheid, zinloseregels en vormen van onnodige discipline. Zo leidde hij vele protestbewegingen op school, en werd steeds duidelijker dat hij daarmee nooit personen op het oog had, maar bepaalde bevroren gedrags patronen. Wat hij in deze kleine groep vrienden in zijn geboorteplaats deed, had dezelfde kwaliteit als wat hij later deed tijdens zijn lezingen vol velle aanvallen op priesters, pausen, geleerden en politici. Een voorbeeld werd later door èèn van zijn vrienden vertelt: er was eens een arts in het dorp, die een uithang bord had waarin hij zijn naam en en een lange lijst van zijn academische graden had geplaatst. Rajneesh en zijn vrienden besloten dat, als de dokter aanwezig was, zij langs zijn huis zouden lopen en met luide stem zijn naam zouden oplezen en zijn verschillende universitaire graden. Dit gebeurde, en niemand kon daar veel tegen doen. Het verhaal verspreidde zich over het stadje en uiteindelijk herkende de dokter zijn opgeblazenheid en egocentriciteit die op het uithangbord tot uitdrukking kwamen.

Politiek raakte hij nooit bij betrokken, maar als eenling sprak hij zich voordurend uit tegen allen onderdrukking, onrechtvaardigheid en schijnheiligheid. Hij was sterk gekant tegn de Britse overheersing, maar werd nooit een vrijheidsvechter voor de Congrespartij of enig andere politieke partij. Wel werd hij al op jeudige leeftijd gevraagd om een jeugdafdeling van het Indiase nationale leger te leiden, en ook was hij gedurende enige tijd lid van een nationalistische beweging. Toch stapte hij er snel weer uit omdat hij iedere uitwendige dicipline, ideologie of systeem afwees.

Alles is deze jeugdperiode was verder een experimenteren met bewust zijn. Hij sliep en at op ongewone uren, vastte, mediteerde, terwijl hij in de rivier of in het oerwoud in de regen stond en experimenteerde ook met occulte en yoga-achtige wijzen van adembeheersing en met hypnose. Een voorbeeld van dit experimenteren werd door een vriend gegeven: `Hij (Rajneesh) nam ons soms midden in een donkere nacht mee voor een wandeling langs de rivier. Dan nodigde hij ons uit om tegen de hoge heuvels te klimmen en langs de rotsachtige klippen te lopen. Het was een bijzonder angstwekkende ervaring en we waren doodsbang. Honderden meters onder ons was de diepe vallei èèn misstap en we zouden te pletter zijn gevallen. Maar als hij ons op zulke avonturen meenam wisten we altijd dat zijn werkelijke bedoeling was om ons te laten experimenteren met vrijheid van angst. Zijn belangrijkste doelwit was om ons meer en meer bewust, alert en moediger te maken. Later (als Bhagwan) heeft hij daar zelf eens in een lezing over verteld: 'In mijn jeugd nam ik mijn vrienden vaak mee naar de rivier. Er was een smal pad aan de kant van de rivier. Op dat smalle pad lopen was heel gevaarlijk: èèn stap in de verkeerde richting, onbewust, en je zou de rivier in vallen, en dat was de plaats waar de rivier het diepst was. Niemand placht daarnaar toe te gaan, maar het was mijn meest geliefde plek. Ik nam al mijn vrienden mee en spoorde ze aan met mij op dat smalle pad te lopen. Weinigen waren bereid om met mij mee te gaan, maar voor de paar mensen die het deden was het een prachtige ervaring. Ze zeiden allemaal: "Dit is vreemd. Mijn geest stopt". Zo nam ik mijn vrienden ook mee naar een spoorbrug om er vanaf te springen, de rivier in. Het was gevaarlijk, het was ook verboden en er stond altijd een politieagent bij de spoorbrug omdat bet de plaats was waar mensen meestal zelfmoord pleegden. We moesten de politieagent omkopen om ons toe te staan er vanaf te springen, en geleidelijk aan merkte hij dat dit steeds dezelfde mensen waren. Maar ze stierven niet en waren ook niet in zelfmoord geïnteresseerd. Hij begon meer van ons te houden en nam later zelfs geen geld meer aan. Hij zei: "Je kunt er van af springen. Ik zal niet die kant opkijken. Als je wilt, kun je hier komen". De brug was heel hoog en voordat je in de rivier viel verliep er een tijd, tijdens de val tussen brug en rivier, waarin de geest totaal tot stilstand kwam. Dit waren mijn eerste flitsen van meditatie. Zo raakte ik ook meer en meer in meditatie geïnteresseerd. Ik begon te onderzoeken hoe die momenten binnen bereik konden worden gebracht zonder dit je naar bergen, rivieren of naar een brug zou moeten gaan; hoe je in staat zou zijn om je in die (innerlijke) ruimte te begeven zonder dat je ergens naar toe ging, maar alleen door het feit dat je je ogen sloot. Als je bet eenmaal geproefd hebt is het niet moeilijk meer.'

Een indrukwekkend verhaal over zijn experimenteren met bewustzijn is ook het volgende: een van de onderwijzers, van wie Rajneesh veel hield en die hij bewonderde, stond er op dat zijn leerlingen, als hun namen werden afgeroepen, 'present meneer' riepen en niet 'ja meneer'. Daarover heeft hij later gezegd: "dit was een willekeurige liefhebberij. Het doet er natuurlijk niet toe of je "ja meneer" of "present meneer" zegt. Maar ik begon te voelen dat het heel nuttig was, en ik begon er op te mediteren. Als hij mijn naam afriep placht ik te zeggen, present meneer, en dan zei ik het niet alleen maar, ik voelde ook: "lk ben gewoon present, bewust, alert"; en ik had mooi momenten gedurende een halve minuut. Ik werd zo present dat het hele klaslokaal en zelfs de onderwijzer verdween.'

Reeds op vroege leeftijd begon hij ook zijn hele religieuze conditionering, de Jain-traditie waarin hij was opgevoed, in zichzelf af te breken. Verder oefende hij zich voortdurend in het debat, waarin hij iedere opponent versloeg. Eens kreeg hij zelfs de eerste prijs in een debat waarin hij sprak ter ondersteuning van Nehru's buitenlandse politiek van niet-gebondenheid. Ook gaf hij eens een serie lezingen over religie en spiritualiteit en als adolescent werd hij soms uitgenodigd om in open discussie te treden met bekende geleerden en priesters. Het waren voor deze opponenten angstwekkende ervaringen, want hij was altijd open en onbevooroordeeld in zijn zoeken naar de waarheid. Ter illustratie een stuk van een redevoering die hij gaf op wat de 'Teachersday' wordt genoemd, de geboorte van de vroegere president van India, de professor en filosoof Radhakrishna. Hij zei hij die gelegenheid: 'Dit is de moest ongelukkige dag voor onderwijzers. Dit is de dag waarop wij herdenken dat Radhakrishna eens onderwijzer was en nu president is. Het werkelijke eerbewijs aan onderwijzers zou zijn dat de president zijn baan eraan gaf en weer een onderwijzer werd.'

OshoIn zijn niet te stuiten behoefte op allerlei levensvragen een antwoord te vinden, begon hij de inhoud van iedere bibliotheek die hij kon vinden te lezen. Boeken over politieke wetenschappen, filosofie en religie, de heilige schriften zoals de koran, de Bbagavad Gita en de bijbel, de uitspraken van de grote Verlichten zoals Jezus, Boeddha en Mahavira. Twijfel bleef er steeds. De jaren van zijn puberteit werden gekenmerkt door een twijfel die letterlijk alles doortrok. Niemand wilde hij navolgen, bij geen enkele religie voelde hij zich thuis. Zo bleef hij op zichzelf, zonder enig antwoord te vinden.

Rond deze tijd was hij ook hartstochtelijk bezig met socialisme en communisme, en soms werd hij voor communist uitgemaakt omdat hij uitgebreid Marx en Engels en andere communistische literatuur bestudeerde. Zijn belangstelling voor het communisme gedurende die dagen kwam vooral voort uit zijn diepe zorg voor de armen. Zijn belangstelling en betrokkenheid met arme mensen voerde zelfs tot fantasieën dat hij een soort Robin Hood zou worden. Er zijn verhalen dat hij met een groep jongeren wapens wilde kopen, waarvoor toestemming van de politie werd gevraagd, om zo de rijken te dwingen hun rijkdom aan de armen af te staan. Uiteraard ging dit plan niet door. In deze groep besprak Rajneesh regelmatig de communistische ideologie en zijn oppositie tegen alle religie. Op de muur van hun ontmoetingsplaats stond zelfs de uitspraak van Marx 'godsdienst is opium voor het volk' geschreven. Toch ging zijn belangstelling meer in de richting van het socialisme, omdat hij en zijn vrienden toen geloofden dat dit het antwoord was op de economische problemen van India. Hij was in deze periode een atheïst en zeer kritisch ten aanzien van alle religieuze rituelen en blind geloof in heilige schriften. De Hindoe- sannyasin zoals hij die kende was voor hem niemand anders dan een mens die de wereld ontvluchtte. Overal zaaide hij twijfel. Hun 'God', hun 'ziel' en 'verlossing' werden alle voorwerp van zijn bijtende humor en spot. De ernst waarmee mensen hun religie beleden scheen hem kinderlijk toe. 'Als ik ze zo zag zitten met hun gevouwen handen voor hun God, moest ik altijd lachen en hen storen. Het leek me allemaal zo kinderlijk, en zij zouden zich wel nooit hebben kunnen voorstellen dat van al die mensen, ik ooit religieus zou worden.'

(Binnenkort de rest van het verhaal.)

Terug naar hoofdmenu