|
|
| A. Reformatie
|
|
| Het
oudste schriftelijke stuk voor belang van de Pingjumer Halsband is het op |
|
| Bij een parochiekerk hoort in de middeleeuwen een pastoor; Pingjum heeft er ook één, maar bovendien een vicaris en volgens sommige schrijvers zelfs twee met twee tot vier prebendarissen. Aan geestelijken geen gebrek. Nu telt de 75.000 grote Friesche bevolking in 1521 dan ook méér dan 2.000 reguliere geestelijken en ca. 50 kloosterinstellingen; dat is een groter aantal dan elders in de Noordelijke Nederlanden. Eén van de vicarissen, die in 1524 aantreedt, is de in Witmarsum geboren Menno Simons (1496-1561), wiens vader uit Pingjum afkomstig is ("myns Vaders dorp Pinningum genaemt"). | |
| "De Registers van den Aanbreng IV uit 1546 vermelden een Joucke en Lieuwe Sijmonzoon, naast een Jan, een Jacob, een Ysbrandt en een Gercke Sijmenzoon. Er wordt steeds verondersteld, dat Menno Simons 'út boerelaech' was. Dat kon ook bijna moeilijk anders in die tijd, al woonden er in Pingjum ook enkele ambachtslieden. Maar er is meer. Gaan we namelijk de Pingjumer Sijmonzoons uit 1546 na, dan zijn dat allen landgebruikers. Lieuwe Sijmonzoon staat zelfs voor 105 pondemaat genoteerd, Jacob voor ruim 47, terwijl Jan Sijmonzoon samen met een ander ruim 135 'beboert'. Het is natuurlijk niet gezegd, dat zij allen broers waren van Menno; er kunnen ook neven onder schuilen. Maar als Menno Pingjum het dorp van zijn vader noemt, kan het niet anders, of deze moet van bovengenoemde landerijen er meer of minder hebben bezeten. En dan is er nog iets. Waarom wordt Menno eerst vicaris in Pingjum en later pastoor in Witmarsum? Spelen hier oude dorpsrelaties een rol? In 1546 heeft Jan Sijmonzoon land 'de Vicarie te Pingjum toecomende' in huur. Natuurlijk vormt het bovenstaande geen bewijs, maar het geeft wel aanleiding tot de veronderstelling, dat de vader van Menno Simons een Pingjumer boer was. Waarom Menno toch in Witmarsum geboren is? Hiervoor zou men kunnen wijzen op de oorlogsellende, die juist omstreeks 1496 ook Pingjum zo teisterde. 1 | |
| Als in december 1524 een plakkaat aan de Pingjumer kerk het bevel uitvaardigt dat alle ketterse geschriften moeten worden ingeleverd, weigert de "aangaande de leer van de mis" ('Mij viel een gedachte voor, soo menichmaal ick met den Broode en den Wijn in der Missen handelde, dat het niet des Heren vleesch en bloedt ware') en "aan de kinderdoop" (Ick ondersocht de Schrift met vlijdt ... maar konde van den Kinderdoop geen bericht vinden') twijfelende Menno, die via een colporteur reeds in het bezit is van een Nieuw Testament en een boekje van Luther. | |
| afb. 4 | Over de aanvaarding van zijn ambt zal hij later schrijven: het is geschiet anno 1524 mijns ouderdom 28 jaaren, dat ick mij in mijn Vaders dorp Peeninghum in der Papen dienst begeven hadde. 2 Menno heeft het in Pingjum niet zwaar. De geestelijken kunnen het er wel af en nu en dan gaat het er in de pastorie heel vrolijk toe. De pastoor is een man die niet tilt oan it swiere ein fan de balke 3, Menno Simons is gezien en zijn preken vallen er wel in. Zelf schreef hij: Ik was een prins in Babel, ieder zocht en begeerde mij, de wereld beminde mij en ik de wereld. Eerbiedig was mij alle man. Mijn woord triumfeerde in alle zaken. 4 Over zijn uiterlijk wordt gezegd (zie afbeelding 4): Hij was een dyck, vet, swaer man, briecht van aengesicht und eynen bruyen baerdt, konde niet waell gaen. Hij tekende zich later: Menno Symons de Creupele. 5 In 1531 vinden we hem terug als pastoor in het nabije Witmarsum, waar het op 31 jan 1536 tot de breuk komt en hij ongedrongen uit het pausdom uittreedt uit de kerk. |
| Eerst na 1540 komt hij met zijn hervormingsideeën meer op de voorgrond met o.a.het belangrijke Fundament des christelijcken Leers. 6 De reactie van de roomse Habsburgse overheid op de veranderingen in de geloofsbeleving laten niet op zich wachten, door het instellen van de Inquisitie: boekverbranding, ketterplakkaten, vervolging en executie van geloofsafvalligen. | |
| We hebben weinig aanknopingspunten uit de eerste helft van de 16e eeuw over de aanblik van Pingjum –of zoals het in die dagen nog vaak wordt genoemd,PENJUM en Pingum-,want uit de zestiende eeuw zijn geen kaarten en geen dorpsgezichten en –beschrijvingen bekend. Slechts enkele aanknopingspunten leveren de Beneficiaalboeken (1543) en het Register van den Aanbreng (hier 1546)op, aangevuld met wat gegevens uit een enkele kroniek. Naar de kerk heten de huizen in de kern “die kerckbueren” en een weg naar het godshuis wordt “de kerckwech” genoemd. En er zijn meer wegen: op zijn oud-Friesch wordt er een de “ghaelaen” genoemd, een andere keer verduidelijkt tot “gae- ofte dorpslaan.” Verder wordt er gesproken van “die riedwech” of “de olde rijdwech”, waarop dus blijkbaar gereden kan worden, in tegenstelling tot “de wech ofte cleen drifte nae Beckumma fennen”: een reed, waarlangs de koeien worden gedreven. Met de omringende dorpen is het verkeer mogelijk door “die heerenwech”.De boeren rond Pingjum hebben een gemengd bedrijf, want er is sprake van hooiland en bouw. Ook de pastoor gebruikt in 1543 een complex landerijen,waarvan vermeld wordt, dat “sommige koegangen in den Groote fenne ende sommige stucken zaedtlandt”(bouwland) wel bij de pastorie behoren, maar een andere huurder hebben. | |
| De kleine middeleeuwse samenleving PINGJUM bestaat uit boeren in het veld (Repckama,Aggama, Hiddama, Siouckama, Hanije, Andla, Waltinga, Brijontsma, Gratinga, Bonga) naast velen, die zich eenvoudig Tiaerdt Sipkes noemen of hun woonplaats vermelden:Pieter in den Nes, Johan Dicxherne en enkele dorpelingen(Jacob Smit,Albert Coster,Jan Cremer,Maaerten Scroer) in een nog weinig gedifferentieerde dorpskern rond kerk-en-toren,als middelpunt van alles, voorts ook de stinsen Hania, Aggema, Hiddema en Adelen.In 1546 vinden we in Pingjum bovendien een punt dat veelbetekenend een “old bolwerck” wordt genoemd. Over dat bolwerck lichten zowel Worp als Petrus van Thabor ons in en zo weten wij, dat het hier gaat om een wal van zoden met een gracht, die het huis omringt van Seerp(Sywrd) Lywazoon “hou(v)elinc te Peningum opt bolwerck”,welke stinsbewoner de familienaam Beyem draagt. Dit bolwerk is herhaaldelijk het middelpunt geweest van felle gevechten, zoals Pingjum als geheel van de tachtiger jaren der 15e eeuw tot 1515 bij herhaling oorlogstoneel is geweest. 7 | |
| Een beklemmende reportage van zo’n stuk burgerkrijg geeft Worp van Thabor. Begin maart 1498 - dus vlak voor hertog Albrecht hier zijn gezag weet te vestigen in Friesland - belegeren de 'knechten' of soldaten van de Vetkoper hoofdeling Tierck Walta uit Tjerkwerd de stins van de Schieringer edelman Sybeth Taedez (Thadema) in Pingjum. Veel van de rijkste boeren uit de omgeving hebben zich daarop teruggetrokken, uit angst voor de knechten. De knechten worden hierdoor zo boos, dat zij de stins bestormen. Hoewel de gracht droog is, lukt het hen aanvankelijk niet het huis in te nemen. Want, de stins heeft dikke muren en ijzeren deuren. Bovendien worden er vanaf de stins stenen naar beneden geworpen. De knechten plaatsen nu een houten afdak tegen het huis, waar zij onder kunnen schuilen. Hierdoor zijn zij in staat een gat in een dichtgemetseld venster te slaan. Daarachter is een bedstee. Door het daarin aanwezige stro in brand te steken, zetten zij het hele huis in vuur en vlam. De mensen in de stins willen zich nu overgeven, maar het is al te laat. Worp schrijft: “Als sy dan saegen, dat sy steru(v)en mosten, ende datter gheen genaede noch barmherticheit was, soe lieten sy die kynderen bou(v)en vant huys met touu(w)en ende bonden huer veel silu(v)eren riemen off gordelen om, op dat die knechten(soldaten) dat silu(v)er solden nemen, ende laeten die kynderen leu(v)en;als sy deeden ... de volwassenen verbranden voor een part, terwijl anderen op de vlucht voor het vuur naar beneden springen. De knechten vangen hun op met hun hellebaarden en spiezen en slaan hen voor de stins dood, voor zover ze dat nog niet zijn." 8 | |
| De roomse priester Johannes Jetzes moet vanwege zijn hervormde gevoelens Pingjum in 1567 ontvluchten. 9 Er ontstaat onrust onder de lagere en middelgrote adel, die in november 1565 het initiatief nemen tot het Verbond der Edelen. 10 Het is een beweging van protestanse en crypto-protestanse edelen, die godsdienstvrede nastreven. Het verbond wordt getekend door de Pingjumer Alef van Aggema, de bewoner van het - door grootvader Alef in het begin van de 15e eeuw gebouwde en in 1715 63 pondemaat en 10 einzen bemeten - Aggema-slot. Het komt hem duur te staan. Hij wordt verbannen met verbeurdverklaring van zijn goederen. | |
| Op 5
april 1566 komen zon 200 edelen uit vele delen van de Lage Landen onder leiding van
Hendrik van Brederode bijeen, verschaffen zich toegang tot de landvoogdes Margaretha van
Parma -een onwettige halfzuster van koning Filips II- en bieden haar het Smeekschrift
der Edelen aan, dat een felle afwijzing bevat van de Inquisitie en een verhulde
dreiging met gewapende opstand als dit geweigerd wordt.
|
|
| B. Watersnood
|
|
| Op 1 november 1570 steekt een orkaan op uit het noordwesten, gevolgd door springtij bij nieuwe maan. In het kustgebied tussen Vlaanderen en Duitsland breken op talrijke plaatsen de zeedijken door. De Allerheiligenvloed maakt van Friesland één woeste zee. Men kan zonder bezwaar rechtuit, rechtaan van Lemmer naar Sneek varen. Er staat 10 tot 12 voet water op het land, reikend tot de poorten van Leeuwarden en Sneek. Schepen slaan met lading en bemanning over de zeedijk, in Sneek drijft een wieg aan met levend kind en een kat. Er verdrinken in Friesland 2892 mensen. Er is enorm materieel verlies aan boerderijen, huizen, vee, graan en levensmiddelen. Het gevolg is schaarste, stijgende prijzen en hongersnood. De Vijfdeelendijk -lopend van het Bildt langs Harlingen tot aan Makkum- verwaarloosd en vervallen, is het zwaarst getroffen. Door de talloze gaten ligt het land open voor de zee; een nieuwe overstroming in 1573 is het gevolg. Opnieuw gaan veel veldgewassen verloren, in de winter die hierop volgt is het water in de grachten van Leeuwarden nóg zout. Na deze laatste vloed vormt de Spaanse Stadhouder Caspar di Robles een commissie. | |
| Op 7 augustus 1573 wordt bij besluit gesteld, dat de zeedijk tussen Dijkshoek en Makkum gemaakt en onderhouden zal worden door zowel de buiten- als de binnen(Slachte)dijkers. De eersten het vak beneden Harlingen, de tweeden het vak daarboven. Deze uitspraak wordt door Alva in naam des Konings op 4 september goedgekeurd en afgekondigd. Friesland en Groningen worden tegelijkertijd ontslagen van schattingen voor de legering van Spaanse troepen gedurende één jaar. De verzwaarde en plaatselijk nieuwe dijk van vijf uur gaans krijgt een hoogte van 12 voet met een kruin van 6 voet.Het beloop aan de zeezijde is 5 roede, aan de landzijde 3 roede. Het werk is verdeeld in 11 percelen, met 300 man per perceel-waaronder de naaste bewoners- onder opzicht van een kapitein, een opzichter of schrijver en 12 rotmeesters. Er wordt hard gewerkt van s morgens 5 tot s avonds 6 uur met 2½ uur door het uitsteken van een vaandel uit de toren van Harlingen aangegeven schaft. Ter bevordering van orde en gezag zijn er strenge bepalingen van toepassing. Ten zuiden van Harlingen is een galg op de dijk geplaatst, onwilligen worden met geweld tot uitvoering aangezet. In de zomer van 1575 is het imposante werk voltooid. 11 | |
| Een gedenkteken met een Januskop van di Robles (Stenen Man) verrijst ten zuiden van Harlingen, als grenspaal tussen de beide perken van onderhoud. De halsbân is als zeewering voorlopig in de tweede linie komen te liggen. In 1580 wordt de katholieke eredienst verboden, het Pausdom wordt afgeschaft. De eerste die in Pingjum het ambt predikant gaat bekleden is Durandus Piërii en nog geruime tijd ook, want hij staat er in het jaar 1600 nog, eer hem pas wegens hoogen ouderdom en onbekwaamheid in 1609 emeritaat wordt verleend. 12 | |
| In 1583 wordt de toren vernield en de kerk zwaar beschadigd door onweer. In 1588 worden voor de herbouw een paar stukken land verkocht. 13 Aan het einde van de 16e eeuw bestaat de Friesche bevolking voor 20-25% uit mennonieten en zal de geest van de in het begin van deze eeuw in Pingjum predikende vicaris voorgoed rond blijven waren. Zijn talrijke volgelingen uit vele windstreken en van alle continenten brengen nog steeds een bezoek aan het achter een onopvallende gevel schuilgaande doopsgezinde kerkje, dat in 1600 is gebouwd. De stichting van de doopsgezinde gebouwen dateert in het algemeen van ná 1580. De principes van de mennisten zijn eenvoud, vermijding van pracht en praal en geen deelname aan bestuur van stad en land. De wetgeving staat de bouw van kerkgebouwen toe, mits de kerkjes niet vanuit de publieke straten en stegen te zien en slechts via een smalle steeg bereikbaar zijn. Het achter-af-bouwen en het eenvoudige interieur is kenmerkend. Soms verschuilt zich een vermaning achter de façade van een woning. Pingjum is hiervan een goed voorbeeld. 14 | |
| Eind
16e eeuw heeft het dorp ook een eigen dorpsschool: 1597- ongeveer 1610: meester Sybe Fransz. 1660-1680: meester Meilis Epkeszoon 1681-1694: meester Joannes Antoniï Boeckholt, tevens secretaris gouden halsband
|
| Noten: | 1 | LC Sneon & Snein, d.d. 21.01.1961, Pingjum-Witmarsum, allebei "Menno-dorp" |
| 2 | Spahr v/d Hoek, J.J., Geakunde fan Wûnseradiel, side 447 | |
| 3 | Harlinger Courant d.d. 8-10-1965, Vj 34, Pingjum: dorpje met n rijke geschiedenis | |
| 4 | Algra, A., De historie gaat door het eigen dorp VI, 1960, pag. 134 | |
| 5 | Algra, A., De historie gaat door het eigen dorp VI, 1960, pag. 135 | |
| 6 | Brouwer, J.H.e.a., Encyclopedie van Friesland, MCMLVIII, pag. 469 | |
| 7 | Sneon & Snein, Pingjum-Witmarsum, allebei "Menno-dorp", LC 21 januari 1961 | |
| 8 | Noomen, P., Vete in middeleeuws Friesland, FRYSLAN (1998), nr. 1, pag. 10 | |
| 9 | Aa, A.J. v/d, Aardrijkskundige woordenboek, 1848, pag. 187 | |
| 10 | Israel, Jonathan I., De Republiek 1477-1806, 1996, pag. 154 | |
| 11 |
Eekhoff, W., Beknopte geschiedenis van Friesland, 1851, pag. 184-189 Ook op andere terreinen van Waterstaat
laat di Robles zijn sporen na. In dezelfde jaren dat het dijkenstelsel
in Friesland stevig wordt aangepakt, laat hij een kanaal graven tussen
het Bergumermeer en de Lauwers, een verbetering van de waterverbinding
tussen Leeuwarden en Groningen. Dit 'Kolonelsdiep' of Caspar di Roblesdiep
- zo als nog altijd wordt genoemd - maakt tegenwoordig onderdeel uit
van een doorgaande vaarverbinding die gevormd wordt door het Prinses
Margrietkanaal en het Van Starkenborghkanaal. |
|
| 12 | Algra, A., De historie gaat door het eigen dorp VI, 1960, pag. 136 | |
| 13 | Spahr v/d Hoek, J.J., Geakunde fan Wûnseradiel, side 446 | |
| 14 | Hoeve, S. ten, e.a., Kerken in Friesland, gebouwen, inrichting en gebruik, 1985, pag. 150/151 |
Voor meer informatie: siesmed@hotmail.com |