

Vliegveld
De volgende morgen liep de wekker van Tambor al vroeg af. Snel douchte hij zich en poetste zijn tanden. In de spiegel zag hij ze wit en glanzend. Ze waren mooi scherp, zoals dat bij een vosje hoort. Hij at snel het ontbijt dat hij de vorige avond had klaar gezet en pakte zijn koffer. Voor de zekerheid haalde hij er toch maar een paar tekeningen uit en stopte er de hoogst nodige spullen in. Zoals zijn zwembroek, een borstel en schoon ondergoed.
Omdat de koffer niet zo heel erg vol was kon Tambor hem makkelijk dragen. Hij verliet het Fluisterbos, nagekeken door zijn beste vriendjes. Klopper, de specht. Deze zat hoog in de boom en roffelde met zijn scherpe snavel tegen het harde hout als teken van afscheid. Dirk de das zwaaide met zijn grote wit-zwarte staart en met zijn pootje pinkte hij een traantje weg. Tambor zwaaide terug met zijn rode staart met witte pluim fier omhoog, maar ook hij slikte een paar keer. Het zou best moeilijk zijn om zo lang zonder zijn vriendjes te zijn.
Twee automatische glazen schuifdeuren schoven open en Tambor stapte de grote vertrekhal van het vliegveld binnen. Het was hier vol met mensen die haastig langs hem heen liepen alsof ze hem niet zagen. Een meneer met grote koffer, deftig pak en gekrulde snor struikelde bijna over zijn koffer en keek hem even boos aan. ‘Oppassen, ventje’, zei hij, ‘bij je papa en mama blijven, hoor.’ Dan liep hij snel door zonder te luisteren naar wat Tambor te zeggen had. Tambor keek de man hoofdschuddend na en haalde dan zijn vliegtuigticket te voorschijn.
Gelukkig stond er geen lange rij voor de incheckbalie, de plaats waar Tambor zich moest melden. De vriendelijke juffrouw achter haar computer scherm pakte Tambors koffer aan en zette deze op een lopende band. Dan plakte ze er een sticker op. Tambor keek haar vragend aan. ‘Op die sticker staat waar de koffer naar toe moet, zodat hij in het goede vliegtuig terecht komt.’ Ze scheurde een velletje uit Tambors ticket en stopte dit een hoesje. Dat hoesje gaf ze aan Tambor. ‘Dat is je instapkaart. Hier staat op in welk vliegtuig je moet instappen.’ Tambor bedankte de juffrouw en liep verder.
Een grote man in een blauw douane uniform met stekeltjeshaar zat achter een balie en keek Tambor streng aan. ‘Laat je paspoort maar eens even zien.’ Tambor gaf de man zijn paspoort en de man vergeleek Tambor met de foto die op het paspoort zat. Hij keek nog eens heel goed en fronsde zijn wenkbrauwen. Dan krabte hij zich achter zijn oor. ‘Dat is moeilijk, hoor’, zei hij, terwijl hij begon te glimlachen. ‘Al die vosjes lijken op elkaar.’ Hij gaf Tambor zijn paspoort terug en wenste hem een goede reis. Tambor knikte vriendelijk naar de man en liep door.
In de hal waar hij nu was waren allemaal winkeltjes. Het ene winkeltje had nog mooiere spullen dan het andere en Tambor keek zijn ogen uit. Hij vergat helemaal de tijd. Opeens hoorde hij zijn naam. Hij keek om zich heen, maar zag niemand die naar hem keek. ‘Wil Tambor de Vos zich naar Gate 21 begeven. Het vliegtuig naar Perth staat op hem te wachten.’ Opeens besefte Tambor zich dat het de stem van de omroepster was die hij hoorde. Zo snel als zijn kleine pootjes hem konden dragen holde hij tussen de mensen door naar het vliegtuig. De stewardess stond hem al op te wachten. ‘Kom snel, Tambor’, zei ze, terwijl ze vriendelijk naar hem lachtte. En met een hand op Tambors schouder liepen ze het vliegtuig in.