Title:

Wie Is Mark Molendijk?

Author:

3D Master

Feedback:

3d.master@chello.nl

Website:

http://members.chello.nl/~jg.temolder1/

Rating:

13+V

Keywords:

Spangen/Highlander; een beetje geweld.

Summery:

Voordat Nicky detective wordt, komt ze iemand tegen.

Disclaimer:

Highlander is van David/Panzer Productions, en Spangen is van... tja, niet van mij in ieder geval.


Wie Is Mark Molendijk?

Home
Back to Stories


door 3D Master (3d.master@chello.nl)


Een Spangen/Highlander Crossover

Rating: 16 jaar en ouder voor geweld


Rotterdam

September, 1997


Mark Molenwijk -- beter bekend als Adam Pierson, milde ‘Watcher’ en bij sommigen bekend als Methos, de oudste Onsterfelijke -- stapte van de boot. Terwijl hij zijn voeten van de loopplank en op de bodem zette keek hij nog een keer op zijn splinternieuwe paspoort, om alles nog eens dubbel checken. Methos’ paranoide hersenen werkten overtijd, alles moest kloppen, je werd nou eenmaal niet 5000 jaar oud zonder een gezonde dosis achterdocht. Maar net als de vorige keren klopte alles, en ook de details van ‘Mark’s leven’ kende hij allemaal nog.

*Op naar mijn nieuwe, vooruit besproken appartement,* dacht Methos, en voegde er met een glimlach aan toe, *Dat Internet is toch verdomde handig.*


*****


1 week later


Methos nam nog een slok van zijn bier en bekeek zijn spiegelbeeld, gereflecteerd in de spiegel achter de bar, eens goed. Zijn haar zat redelijk, zijn kleren zagen er aardig uit, behalve zijn niet Nederlandse gezicht uiterlijk was er niks dat hem anders leek dan ieder ander, na een paar dagen weer Nederlands spreken was zelfs zijn accent weg.

Het café was schemerig, een paar pool tafels en wat normale stonden in het midden van het café, de houten bar met de spiegel erachter stond naar de achterkant van het gebouw. Inclusief hem zelf waren er vier mensen, waarvan er drie klanten waren.

Hij hoorde de deur open gaan, iets zij hem dat ie om moest kijken, en hij was blij dat hij het deed. Een prachtige, jonge, blonde vrouw liep naar binnen. Ze was tegen de dertig, of net iets erboven, dat kon hij niet zien, maar hij wist wel dat hij met haar moest praten. Hij stond op, liep in haar richting en zag hoe ze heel alert de hele bar door keek. Ze plaatste zichzelf om een kruk en bestelde een biertje. Methos ging op een krukje links naast haar zitten.

Toen de barkeeper een biertje voor haar neerzette, dumpte Methos een tientje op de bar en zei: “Die betaal ik.”

De vrouw keek hem penetrerend aan. Methos gaaf haar een van zijn meest onschuldige glimlachen. “Dank je,” zei ze tegen hem met een klein beetje achterdocht in haar stem; blijkbaar overtuigt dat hij geen psychopathische moordenaar was, maar dat was dan ook alles.

Methos graaide het wisselgeld van de bar, terwijl hij zei: “Zo, jij bent een inspecteur?”

“Hoe weet jij dat?” vroeg ze verbaasd, waarna ze een slok van haar bier nam.

“Zoals je de hele bar in je opnam, alsof je constant op zoek ben naar een crimineel,” antwoordde Methos met een grijns.

“Ik ben eigenlijk alleen nog maar aan het trainen voor inspecteur, ik ben nu nog een gewone politieagente,” legde ze uit.

“Oh,” zei Methos, terwijl hij zijn hand uitstak, en terwijl zij zijn hand met haar eigen aanpakte, stelde hij zichzelf voor, “Mark Molendijk.”

“Nikki Spoor.”

“Nikki Speurhond? Hoorde ik dat goed?” zei Methos met een overdreven onwetend gezicht. Nikki schoot bijna in de lach, maar hield het maar net bij een proest en een glimlach.

“Dus jij bent een grappenmaker, hè?” vroeg ze, met een brede glimlach op haar gezicht.

“Ik? Neu, alleen als ik praat,” antwoordde Methos, met een nieuwe grijns op zijn gezicht.

Nikki lachte luid.


*****


Twee maanden later


Nikki reed op de motor langs de haven. Het was november en het was al koud. Haar uniform was lang niet warm genoeg volgens haar. Ze bibberde en dacht terug aan een nacht geleden, een veel betere dan deze eerste nacht van een maand durende nachtdiensten. Het was de eerste keer dat ze sex had gehad met Mark. Ze droomde weg bij de herinneringen, het zou haar niet verbazen als hij de schrijver van de Kamasutra zou zijn, ze was nog nooit zo verwend tijdens sex. Het was maar goed, dat hij haar gedwongen had zo veel mogelijk te slapen vandaag, anders zou ze nu geheid in slaap vallen op de motor.

De echo van haar motor door de containers irriteerde haar. Het geluid van een kraan in de verte iets minder. Plotseling was er een lichtflits en een geluid als donder. Meer lichtflitsen volgden vlug. Nikki versnelde haar motor en reed in de richting van de containers waar ze vandaan kwamen.

Ze pakte haar draagbare radio van haar riem, kneep de knop in en zei: “Motor Vier aan centrale. Ik heb een elektrische verstoring, ik ga op onderzoek uit.”

“Begrepen Motor Vier, elektrische verstoring onderzoeken.”

Nikki stapte van haar motor, deed de draagbare radio weer terug, haalde haar zaklamp te voorschijn en begon de rode containers to navigeren in de richting van de lichtflitsen. Na ongeveer twintig seconden, dacht ze dat ze er zeer dichtbij zat. Na nog een seconde verdwenen de lichtflitsen net zo vlug als dat ze gekomen waren. Nikki draaide nog een keer naar links en weer naar rechts, nog een paar meter en ze draaide naar links... en zag een schokkend tafereel. Links van haar, tegen de container stond een man, met de rug naar haar toe. Hij had zwart haar en droeg een lange beige regenjas. Aan haar voeten lag een lichaam, een meter verder lag het hoofd wat er bij paste.

Een seconde lang stond Nikki geschokt aan de grond genageld, dan pakte ze haar pistool uit de holster en richtte het op de nog levende man.

“Staan blijven, je staat onder arrest!” commandeerde Nikki.

De man lachte een gemene lach die door merg en been ging. Rillingen gingen liepen langs Nikki’s rug en kippenvel vormde zich op haar lichaam. “En wat ga je doen als ik niet blijf staan, meisje... ga je me neerschieten,” zei de man met een vreemde mix van accenten en een lage gevaarlijke stem, die al net zo door merg een been ging, terwijl hij haar over zijn schouder aankeek. Haar zaklamp viel op een gedeelte van zijn gezicht. Hij had een relatief grote neus, zijn bruine ogen beloofden niets dan slechts, zijn mond was vertrokken in een kwaadaardige grimas.

“Dat dacht ik wel ja,” antwoordde Nikki.

De man lachte luid en begon richting het water te lopen. “Staan blijven!” schreeuwde Nikki, terwijl ze over het onthoofde lichaam stapte. Toen hij niet bleef staan, schoot hij hem in zijn been. Hij gaf een schreeuw en greep zijn pijnlijke been.

“Memo aan zelf, alleen in Engeland lopen ze rond zonder pistolen, hier niet,” zei de man hoorbaar onbezorgd. Nikki rilde, nog nooit had ze iemand zo onbezorgd over een schotwond horen praten, en hij bleef nog steeds niet staan, sterker nog hij begon sneller te lopen. Het leek wel of hij met iedere stap, makkelijker kon lopen.

“Blijf staan, zei ik! Ik schiet weer!” riep Nikki opnieuw.

“Fout! Je zei: ‘Staan blijven’ niet ‘Blijf staan,’” antwoordde hij lacherig terug, waarna hij met een sinistere stem er aan toevoegde, “Ik zal je een waarschuwing geven, meisje. Houd je hier buiten.” Nikki luisterde niet en haalde de trekker over. “Aah!” schreeuwde hij toen hij een tweede kogel, dit keer in zijn rechter bovenbeen, voelde binnendringen. Daarna dook hij de rivier in.

Nikki stopte bij de kade en probeerde hem te vinden, maar kon het niet.


*****


1 uur later


“Nikki!” riep haar chef.

Nikki keek naar de witte, krijt vorm die de plaats van het lichaam en het hoofd aangaven, terwijl ze richting haar chef liep. Bloed besmeurde alles. De brancard met de dode man werd afgevoerd door een paar mannen met witte jassen. Een hele groep andere mannen en vrouwen, waren bezig bewijsmateriaal te vinden. Een uur lang hadden ze van alles en nog wat aan haar gevraagd en ze had alles beantwoord.

“Ja, meneer,” zei Nikki, toen ze bij haar chef aankwam.

“Morgen bij je om 2 uur bij mij in het kantoor,” zei chef Bleumink.

“Maar mijn nachtdienst...” begon Nikki.

“Die heb je niet meer,” onderbrak Bleumink haar. “Nou, naar huis, je hebt je slaap wel nodig.”

“Ja, meneer,” antwoordde Nikki en liep richting haar motor.

Nadat ze opstapte en wegreed, reed ze maar wat doelloos rond. Alles nog eens op een rijtje zetten in haar hoofd. Na ongeveer een half uur zo dolend rondrijden, nam ze een beslissing.


*****


Na de eerste rinkel van de bel was hij wakker geworden. Na de tweede dacht hij dat ze wel weg zouden gaan.

Na de vijfde stond hij op en greep zijn zwaard vanonder zijn bed. “Ik kom!” schreeuwde Methos. *Wie er de durf heeft om mij om 2 uur in de nacht wakker te maken, verliest zijn hoofd, en het maakt me niet wie het is, Amanda, MacLeod -- ook al zit hij in de knoop, omdat hij Richie heeft vermoord -- of wie dan ook,* dacht hij er achter aan terwijl een grijns op zijn gezicht verscheen, waarvan hij de reflectie in het koude staal van zijn zwaard bekeek. Half slapend strompelde hij de wentel trap af. Beneden aankomend, merkte hij nog steeds geen Onsterfelijke dichtbij, en besloot hij om zijn zwaard maar achter de trap tegen de muur aan te zetten.

Hij opende de deur, en elke gedachte met dodelijke afloop verliet meteen zijn hoofd, toen hij een bijna huilende Nikki zag staan. “Kom binnen, ga zitten,” zei hij bezorgd. Hij sloot de deur en deed het licht aan.

“Iets te drinken?” vroeg Methos. Nikki schudde haar hoofd en dus plaatste hij zichzelf naast haar op de bank. Ze viel meteen in zijn armen en begon te huilen. Methos liet haar.

Na zo’n tien minuten vroeg hij: “Wat is er gebeurd, Nikki?”

Schokkend begon Nikki haar relaas. En Methos dacht, *Nee, niet nu, niet hier. Waarom?! Kloten! Wegwezen, zo ver mogelijk en minstens veertig jaar wegblijven!* Hij keek naar Nikki en voelde pijn in zijn hart, *Nee, zij is te belangrijk. Met een beetje geluk blijft het van mij vandaan.*

“Hij wil dat ik morgenmiddag bij hem kom, om twee uur. Wat denk je dat ie van me wil?” vroeg Nikki, de huilbui over, en plaats gemaakt voor bezorgdheid.

“Je bent al bezig met inspecteurstraining en je bent de enigste die hem gezien heeft; waarschijnlijk wordt je op de zaak gezet,” zei Methos logisch.

“Denk je dat?” vroeg Nikki met een hoopvolle toon, dit kon haar kans betekenen.

“Ja, dat denk ik,” antwoordde Methos, glimlachend.

“Wat een creep, was dat. Dat er zulke mensen rondlopen, ik denk niet dat ik ooit iemand persoonlijk zal kennen, dat zo’n koudbloedige moordenaar is,” zei Nikki.

*Je moest eens weten, Nikki. Je moest eens weten,* dacht Methos, terwijl hij met een glimlach een andere tijd herinnerde.


~~O~~


Ongeveer 2000 v. Chr.


“Methos! Caspian! Silas! Kom dit zien!” riep Kronos, zijn ogen glansden met dodelijk vermaak, het litteken op de rechterkant van zijn gezicht vibreerde met spanning. De zwarte tekens die op zijn gezicht geverfd zonden gaven hem een uiterlijk van uiterste dodelijkheid. Caspian en Silas, hun gezichten op de zelfde manier beverft, kwamen links en rechts van hem staan. Methos, de helft van zijn gezicht met blauwe tekens versierd, plaatste zich rechts van Kronos en links van Caspian. Kronos wees naar beneden.

Ze keken allemaal en zagen een leger, zo’n duizend man sterk de heuvel op komen. Blijkbaar kwamen ze niet om hun te bevechten, het waren er simpelweg te veel daarvoor, en ze kwamen ook niet snel -- om te zorgen dat ze niet weg konden komen -- de heuvel op, maar langzaam. De generaal of koning voorop stond in een kar, gespannen achter twee paarden, de rest was allemaal te voet.

De paarden van de Vier Ruiters, vastgebonden bij hun tenten een paar meter achter hen, hinnikte. Blijkbaar wilden ze weten wat er aan de hand was.

Eindelijk tien minuten later kwam de kar tot stilstand, vlak voor Kronos, Methos, Caspian en Silas. De man op de kar deed zijn vuist op zijn borst, waarna hij het voor zich uit hield.

“Heil!” riep de man. Kronos en Methos keken elkaar eens aan en haalden hun schouders op, waarna ze weer naar de man keken.

“Ook goeiendag,” zei Silas met een simpele, onschuldige toon, terwijl zijn ogen glinsterden van genot.

Caspian bekeek de man eens goed, waarna zijn blik ging over zijn leger. Zijn ogen bleven steken op een jonger exemplaar van een soldaat. Hij zag er mals uit. Caspian likte zijn lippen af, want hij had zojuist het diner voor die avond gevonden.

“Wil je wat van ons?” vroeg Kronos zonder enige teken van spanning.

“En wie ben jij eigenlijk?” voegde Methos met een koude toon er aan toe.

“Ik ben Arman, Koning van Armanië,” de man wilde verder gaan, maar Methos onderbrak hem.

“Er is geen Armanië,” zei Methos droogjes.

“Nog niet, nee,” antwoordde Arman met arrogantie. “Maar binnenkort wel, en daar komt wat ik van jullie wil. Ik heb van jullie reputatie gehoord, jullie hebben al een paar karavanen aangevallen, een paar dorpen in as gelegd, en ze zeiden dat is gedaan door maar vier mannen. Het ziet er naar uit dat het klopt, en ik dacht dat vier mannen met zulke vaardigheden een waardige toevoeging aan mijn leger zouden zijn. Als jullie besluiten mij te volgen zullen jullie flink beloond worden, een eigen stuk land om te regeren, onder mij natuurlijk. Wat zeggen jullie?”

Kronos en Methos keken elkaar aan, glinsteringen van pure kwaadaardigheid schoten tussen de twee. “Kronos, denk jij wat ik denk?” vroeg Methos met een dodelijke stem.

“Ik denk het wel,” antwoordde Kronos, met een ijzig koude stem. Methos en Kronos keken beide eens naar Caspian en Silas, de communicatie was woordloos. Ze trokken hun zwaarden en hielden ze hoog in de lucht, de punten van de zwaarden raakten elkaar in het midden.

Arman, arrogant als ie was, dacht dat hij compleet veilig was met zijn duizend soldaten. Hij dacht ook dat de vier criminelen hem met plezier zouden volgen, zwaarden werden vaker zo getrokken om loyaliteit te zweren. Echter toen hij hun woorden hoorde brak zijn fantasie in duizend stukjes en wist hij opeens zeker dat hij zonsondergang niet zou halen.

“Tot de dood!” riep Kronos.

“Voor elkaar!” riepen Methos, Caspian en Silas in antwoord.

“Maak ze allemaal af!” schreeuwde Methos en hij rende voorwaarts, sprong op en hakte Arman’s hoofd eraf. Naast hem kwamen schreeuwen van pijn en verrassing, uitgeschreeuwd door de soldaten, en schreeuwen van triomf en plezier, uitgeschreeuwd door zijn onsterfelijke compagnons, tot zijn oren.

Drie uur duurde de slachting, hoofden vielen op de grond, ingewanden spetterden over de bodem, ledematen werden afgehakt. Aan het eind lagen bijna achthonderd lijken -- verminkt op de meest verschrikkelijke manieren -- verspreid over de grond -- was een levende jonge soldaat vastgebonden aan een boom -- het diner -- en stonden vier mannen druipend van het bloed -- een beetje hun eigen, niet dat ze nu nog bloedden -- luid lachend op het slagveld. De andere twee honderd soldaten hadden geluk, ze hadden het voor elkaar gekregen te vluchten.

Welkom bij de dageraad van de Apocalyps.


~~O~~


Rotterdam

November, 1997

14:00 (De volgende dag)


Nikki liep het kantoor van Bleumink in burger binnen en keek van haar chef naar de vreemde vrouw links van haar.

“Inspecteur Nikki Spoor. Inspecteur Melanie Reuters, Amsterdamse moordzaken,” zei Bleumink.

Nikki keek eventjes verrast, maar schudde daarna Melanie’s hand en plaatste zichzelf in een stoel. “Wat doet Amsterdamse politie hier, als ik vragen mag?” vroeg Nikki aan niemand in bijzonder.

“Dit is niet zomaar een moordenaar, maar een serie-moordenaar,” antwoordde Reuters. Ze knikte naar Bleumink, die de bruine klapper op zijn bureau opende en aan Nikki gaf. Wat Nikki zag toen ze door het bestand bladerde was geen leuk gezicht.

“Drie maal in Amsterdam, een maal in Delft en twee maal in Den Haag. Allemaal in de laatste anderhalve maand,” legde Melanie uit. “Jij bent de eerste die hem gezien heeft.”

“Jullie twee werken van nu af aan samen, dit komt ook van Amsterdam, als hij hier niet meer is volgen jullie hem beiden waar hij heen is. Begrepen?” commandeerde Bleumink.

Ze knikten beiden.

“Goed, vang mij deze klootzak,” zei Bleumink en Nikki en Melanie stonden op en begonnen uit zijn kantoor te lopen.

“Euh, meneer. Inspecteur?” vroeg Nikki vanuit de deur.

“Inspecteur ja, je training zit er toch bijna op? Nou, dan, ik denk niet dat je bevordering na deze zaak weer zal wegnemen, en om je niet te bevorderen en je met een superieur als partner op pad te sturen is ook zo wat,” antwoordde Bleumink.

“Dank u, meneer.”

“Bedank mij niet, ik bedank jou wel, wanneer die klootzak achter slot en grendel zit,” zei Bleumink. “Oh, en Nikki, je nieuwe ID ligt op je nieuwe bureau.”

“Ik vind het wel,” zei Nikki glimlachend.


*****


“Er is iets wat ik nog steeds niet begrijp,” zei Melanie. Ze zat in de passagier’s stoel van de auto. Nikki was net vertroken naar de plaats van het misdrijf, waar Melanie naar had gevraagd.

“Wat niet?” vroeg Nikki.

“Hoe hij zijn slachtoffers uitzoekt, het lijkt alsof het hem helemaal niet uitmaakt wie hij vermoord; zijn slachtoffers zijn van iedere laag uit de bevolking, jong oud, man vrouw, het maakt hem niets uit. Maar het feit dat hij maar heel weinig mensen in een stad vermoord en dan verder trekt laat zien dat hij heel kieskeurig is in zijn slachtoffers. Maar wat is het dat hij zoekt in een slachtoffer?” legde Melanie uit.

“Zwaarden,” zei Nikki, na een korte pauze om te denken.

“Wat?”

“Zwaarden, de man die hij gisteren heeft vermoord, had nog een zwaard in zijn rechterhand, misschien zoekt hij iemand met een zwaard, misschien wil hij een duel, waarin hij iedere keer als een held en winnaar uit komt,” probeerde Nikki.

“Waarom heb ik dan geen enkel zwaard gevonden, bij de eerdere moorden?” vroeg Melanie aan Nikki.

Dat had Nikki niet verwacht. Ze dacht een minuutje en zei toen: “Misschien neemt hij ze mee als soortement van trofee. En deze keer was ik er, dus kon hij het niet meenemen.”

“Dat zou kunnen betekenen dat hij alsnog het zwaard komt halen. Omdraaien!” zei Melanie, terwijl ze de microfoon pakte.

“Denk je echt dat hij nu al komt, hij heeft twee kogelgaten in zijn benen zitten,” zei Nikki.

“Die vent is compleet geflipt, van je eigen rapport denk ik, dat hij geen moer geeft om die kogelgaten. Omdraaien!” antwoordde Melanie.

Met gierende banden gooide Nikki de auto om en gaf vol gas de andere kant op.

“Centrale, dit is Wagen Acht, zendt extra bewaking naar bewijsmaterialen. We denken dat de seriemoordenaar nog wel eens terug zou komen voor het zwaard van zijn slachtoffer,” zei Melanie door de microfoon.

“Wagen Acht, hier Centrale, daar ben je te laat mee. Bewijsmaterialen vroeg zojuist om assistentie.”

“Shit!” vloekte Melanie, “Vlugger.”

Toen ze bij het bureau aankwamen, kwam de moordenaar zojuist dood leuk, zonder enig aanstalten te maken zich te haasten het bureau uit lopen. Terwijl chaos binnenin uitbrak.

“Dat is hem!” riep Nikki, terwijl ze de auto vlak voor hem liet stoppen. “En hij loopt niet eens mank!"

“Zei ik toch.”

Nikki sprong uit de auto en riep, “Staan blijven.”

“Jij weer!” kwam zijn antwoord, terwijl hij zijn zwaard vanuit zijn lange jas te voorschijn haalde. “Ik had je gewaarschuwd, meisje. Nu ga je eraan.” Hij liep opeens vlug op haar af, mensen in de buurt schreeuwden en renden weg. Melanie zag het gebeuren terwijl ze nog half in de auto zat, ze kon nooit op tijd zijn.

Nikki graaide ze snel mogelijk haar pistool uit de holster rond haar schouder. Net voor het moment dat het zwaard van de man door haar lichaam zo gaan, schoot ze hem neer. Op pure adrenaline haalde ze de trekker zes maal over, en zes maal gingen de kogels door zijn lichaam heen, twee door zijn buik, een door zijn haart en twee door een long. Hij viel dood op de grond neer.


*****


Die avond

Nikki’s huis


“...en toen schoot ik hem zes keer in zijn borst. Morsdood!” zei Nikki, een glimlach op haar gezicht terwijl ze de naakte Methos naast haar een kus op zijn wang gaf. Methos gaf haar een kus terug. Toen zij de deur opendeed, en hij daar stond, had ze hem rechtstreeks naar haar bed gesleurd en heerlijk uitputtende sex met hem gehad, puur op de adrenalinestoot die ze een paar uur eerder had gekregen. “En nu ben ik Inspecteur, permanent!” voegde Nikki eraan toe. “Hmm!” smoesde Nikki, terwijl ze hem nog een kus gaf, “Ik kom er net achter, dat wat we net gedaan hebben alleen maar was om me te kalmeren. Ik denk dat we mijn promotie maar eens moesten vieren.”

Methos gleed snel het bed uit en zei: “Ja, maar niet meteen, zie je, ik ben uitgeput.”

Nikki’s ogen gleden eens over zijn naakte lichaam en zag het probleem, ze sloeg de dekens terug om hem haar naakte lichaam te tonen, terwijl ze zei: “En je weet zeker dat ik daar niks aan kan doen.”

“Ik heb een idee,” antwoordde Methos, “ik ga naar beneden, open een fles wijn om de promotie te vieren en kom snel weer terug, tegen de tijd dat we een gedeelte van de wijn op hebben, heb ik lang genoeg gerust om je promotie /echt/ te vieren. Wat vind je ervan?”

“Dat je moet opschieten!” antwoordde ze, lacherig.

“Ben zo terug,” zei Methos en liep de kamer uit.

*Mooi zo, nou als ie enig hersencel in z’n hoofd heeft verdwijnt hij gewoon en kan ik van mijn rust en van mijn Nikki genieten,* dacht Methos, terwijl hij terugdacht aan de laatste anderhalf uur en grinnikte. Hij begon te merken dat hij misschien wel heel wat korter rust nodig had dan hij had gedacht en stormde het laatste stukje van de trap af. Hij rende naar de keuken, greep een fles uit de wandkast en opende het vlug, waarna hij snel weer terug naar de trap liep.

Halverwege de trap voelde hij iets wat hij niet wilde voelen, iets dat hij had gehoopt niet te hoeven voelen en iets wat hij had gevreesd te voelen; het zoemende gevoel van een van zijn soort dichtbij... en het kwam van boven. Angst greep zijn hart, angst voor Nikki. Een moment later klonk haar gil in zijn oren. Zonder er bij na te denken gooide hij de fles achter zich de trap af en stormde zo snel hij kon de trap op.

Hij gooide de deur open en zag de Onsterfelijke, zonder twijfel de moordenaar, aan het voeteneind van Nikki’s bed, een zwaard hoog boven hem, klaar om Nikki er mee tweeën te klieven. Herkenning schoot door zijn hoofd toen hij het gezicht van de Onsterfelijke zag. Blijkbaar schoot het ook door het hoofd van de moordenaar.

“Jij!” schreeuwde hij. Methos gaf hem geen tijd om nog meer te doen, hij rende op de man af en gebruikte zijn snelheid en gewicht om de Onsterfelijke achteruit door het raam naar buiten te gooien.

Methos keek hem na, en Nikki voegde zich bij hem, met een bibberende stem zei ze: “Dat is de moordenaar. Hoe kan hij nog leven?”

“Weet ik niet,” loog Methos, terwijl hij zag hoe de man zich uit de bosjes beneden wurmde.

De man keek op en schreeuwde, “Wij zien elkaar gauw terug, Romein! En dan ga je d’r aan!” Hij verdween daarna vlug.

“Waarom noemde hij jouw, Romein?” vroeg Nikki.

“Geen idee,” loog Methos opnieuw, terwijl hij een cirkelende beweging maakte naast zijn slaap met zij wijsvinger. “Die vent z’n hersens moeten volledig geklutst zijn.”


~~O~~


Israël, vlak buiten Jeruzalem

26 n. Chr., Vrijdagavond


Methos en Kronos reden op hun paarden over het pad. Links en rechts van hun waren bossen, een bergketen aan hun linkerkant. Ze droegen Romeinse kleren. De zon was alleen nog maar een oranje gloed aan de horizon, de maan begon op te stijgen.

“Denk je dat ze ons hier zullen zoeken?” vroeg Kronos.

“Neu, waarschijnlijk niet, het liefst willen de Romeinen de blamage zo snel mogelijk vergeten,” antwoordde Methos.

“Wie zijn dat?” vroeg Kronos, terwijl hij in de verte naar een groepje mensen wees, met iemand op een brancard tussen hen in.

“Geen idee, zullen we gaan vragen?” antwoordde Methos.

“Goed idee, ik heb honger, als ik ze niet leuk vind, kunnen we er altijd nog eentje koken,” grinnikte Kronos.

“Jij hebt veel te lang rond Caspian gehangen,” zei Methos.

“Waarschijnlijk, maar jij hebt net zo lang als ik rond hem gehangen,” antwoordde Kronos.

“Dat is waar. Yah,” zei Methos terwijl hij zijn paard aanspoorde. Kronos volgde meteen.

Toen Methos vlak bij de kleine processie kwam, hield hij zijn paard in en liet het voor effect even op zijn achterbenen staan.

Het groepje had zich defensief rond de brancard opgesteld en een vroeg zwangere vrouw vroeg: “Wat moeten jullie, Romeinen?”

“Niet als te vriendelijk, Methos,” zei Kronos met een grijns op zijn gezicht en een onheilige schittering in zijn ogen.

“Rustig, Kronos. Jullie zagen eruit alsof jullie hulp nodig hadden,” zei Methos met een vriendelijke stem.

“Niet van Romeinen,” antwoordde een man.

Kronos lachte en vroeg: “Zien wij eruit als Romeinen?” De man keek hem alleen maar aan. “Behalve de kleren dan?”

De man keek eens beter en zei: “Niet echt.”

“Tot voor kort waren we nog slaven,” legde Methos uit.

“Maar niet voor lang,” grijnsde Kronos, waarop hij een blik van Methos kreeg. Hij haalde zijn schouders op.

“Daarna waren we gladiatoren,” legde Methos verder uit.

“Dat zelfs korter,” grijnsde Kronos weer.

Het gezicht van de man lichte op en merkte op: “Jullie zijn die twee gladiatoren, die de senator in het Colosseum hebben vermoord, waarna jullie, op jullie ontsnappingsroute door Rome iedere Romeinse soldaat die jullie tegenkwamen vermoord hebben!”

“Ach, het was niks,” zei Kronos, blij dat iemand zijn en Methos werk waardeerde. “Methos, ik denk dat ik hun leuk begin te vinden.”

“Wie is dat op de brancard?” vroeg Methos, “Aan zijn verwondingen te beoordelen, is hij aan het Kruis gespijkerd geweest... en een speer door zijn zijde.”

“Dat is Jezus van Nazareth,” zei de man, “Mijn naam is Hazdai.” De zwangere vrouw keek hem waarschuwend aan. Zijn blik zei: ‘vertrouw me, zei kunnen worden vertrouwd’.

“Jezus van Nazareth?” zei Methos, “Ik heb van hem gehoord, hij is toch afstammeling van David, en leider van een sekte, die verzet tegen de Romeinen aanspoort. Hoe heet die sekte ook al weer...”

“De Zonen van God,” zei Hazdai. “Ja, Hij zal het gevecht tegen de Romeinen leiden. Het zal glorieus zijn, al hen die tegen ons zijn zullen worden vernietigd, en God zal een nieuw paradijs op aarde stichten.”

“Hij is nog niet dood,” zei Kronos.

“Nee,” zei de zwangere vrouw, “het klooster waar we hem heen brengen zal hem verzorgen, de broeders daar hebben hem de helende trans geleerd, dat heeft hem gered. Maar ik ben bang, dat we hem niet op tijd bij het klooster kunnen krijgen.”

“Ik denk dat ik daarmee kan helpen,” zei Methos, terwijl hij van zijn paard stapte. “Mijn naam is Lucius en hij is Marcus,” voegde hij eraan toe, en schudde de zwangere vrouw’s hand.

“Maria Magdalena,” antwoordde de zwangere vrouw, en wees daarna op Jezus. “Ik ben zijn vrouw.”

Methos begon de speer wond te bekijken, paarden voetstappen begon hij te horen. De groep ‘Zonen van God’-aanhangers, behalve Maria, ging in de richting staan van het geluid. Methos keek maar even, net genoeg om twee paarden niet al te ver van hun rond de bocht zien komen, een Romeinse wachter en zo te zien een grof figuur. Dat was niet zo goed, maar hij besloot het aan Kronos over te laten, aan het getrokken zwaard te zien, zag hij al naar een goed gevecht uit.

“Hij heeft geluk gehad,” zei Methos, en voelde de nieuwe aanwezigheid van een Onsterfelijke. Hij stond op, keek naar de twee paarden, nu duidelijk voelbaar, twee Onsterfelijken en zei tegen Maria: “Het heeft geen enkele vitale orgaan geraakt.”

“Niks geluk,” zei de Romeinse onsterfelijke wachter, “daar hebben ze mij voor ingehuurd, geen enkel vitaal orgaan raken. En nu wil ik mijn geld.”

“Hij is stervende, dan heb je je werk niet goed gedaan,” zei een van de Jezus aanhangers.

“Precies, ik denk niet dat je nog betaald wordt,” zei Hazdai.

De Romein stapte van zijn paard en greep Hazdai in de nek. “Nou moet je even goed luisteren, ventje. Ik zou geen enkel vitaal orgaan raken, dat heb ik gedaan. Jullie wilden zo graag dat niemand nog geloofde dat hij nog leefde, niet ik. Het kan mij geen sodemieter schelen of hij leeft of niet, maar ik krijg mijn geld. Zo niet, dan vermoord ik jullie allemaal, één voor één, inclusief jullie geliefde Messias. Ik ga zelfs helemaal naar Qumran om ze daar uit te moorden. Heb je dat begrepen?”

Hazdai knikte en antwoordde: “Het geld is in het klooster. En waarom heb je hem eigenlijk van het kruis gehaald?”

“Lucius, ik hou van zijn stijl,” fluisterde Kronos naar Methos.

“Dat dacht ik al,” zei Methos.

“Omdat hij anders voor de rest van de eeuwigheid aan het kruis vast zou zijn gebonden,” antwoordde de Romein.

“Hij is als jouw,” vroeg in van de andere sekte-leden.

“Ja, ik ben als hem. Dus die klootzak leeft nog steeds, hè?” zei de recentelijk onsterfelijk geworden crimineel.

“Dit is allemaal leuk een aardig,” zei Methos, “maar we kunnen deze conversatie denk ik beter in de bossen verder hebben, aangezien iedereen die hier langs komt, ons kan zien. En ik denk dat iedereen drie Romeinen, een crimineel en een groepje Israëlieten nogal verdacht zal vinden.”

Iedereen keek hem voor een seconde aan, waarna Maria zei: “Hij heeft gelijk, pak hem op, we gaan de bossen in.”

Een paar minuten later en diep genoeg in de bossen ging Methos verder met de taak om Jezus’ leven te redden. Kronos hurkte naast hem en fluisterde, “Zeg Lucius, deze sterfelijken weten van ons, dat vind ik niet leuk. Misschien moesten we ze maar uitroeien.”

“En de mogelijkheid om de Romeinen echt problemen te geven laten gaan, als hij leeft kan dat nog wel eens een revolutie teweegbrengen, en je weet hoe sterk geloof een man kan maken, misschien winnen ze wel,” legde Methos uit, terwijl hij met zojuist zacht en dun gemaakt stro, waarop Jezus lag, wonden begon dicht te naaien.

Kronos glimlachte en zei, terwijl hij Methos een klap op de schouder gaf: “Ik heb altijd al van jouw denkprocessen gehouden, Lucius.”

Kronos liep naar de Romeinse wachter, die tegen een boom geleund stond en een stuk fruit met zijn mes opat. “Ik ben Marcus. Wat maakt hem zo speciaal dat ze in hem een bevrijder zien?”

De Romein lachte en zei, “Ik ben Longinus. Als eerste is hij de afstammeling van hun eerste koning, David. Ten tweede heeft een van ons, Callis genaamd, hem in vertrouwen genomen, hij weet nu wel beter.”

“Met wat heeft hij hem in vertrouwen genomen, dat iedereen nu een bevrijder in hem ziet?” vroeg Kronos zich af.

“Met een Voor-Onsterfelijke, Lazarus genaamd. Jezus moest Callis een bericht sturen zodra Lazarus stierf, zodat hij Lazarus kon trainen,” legde Longinus uit. “Echter Jezus zond dat bericht aan Callis niet meteen, eerst ging hij voor Lazarus’ graf staan en zei hij: ‘Lazarus kom naar buiten, ik beveel het je.’ Lazarus zojuist wakker geworden deed dat en nu denken al die sterfelijke sukkels dat Jezus mensen terug tot leven kan roepen met een woord, zoals een van hun profetieën over hun lieftallige Messias zegt.”

“Heel leuk,” zei Kronos sarcastisch.

“Dat dacht ik ook, ja,” voegde Longinus er verveeld aan toe.


*****


Het klooster

De volgende dag


“Hartelijk dank voor het redden van het leven van mijn man,” zei Maria Magdalena tegen Methos.

“Ach, geen dank, als ik de Romeinen dwars kan zitten heb ik dank genoeg,” zei Methos met een glimlach. “Hoe ben je eigenlijk van plan om de wetenschap van Jezus doorgaande leven tegen te gaan?”

“Dat doen we niet, we vertellen iedereen juist dat hij uit de dood is opgestaan, er zijn genoeg legendes en mythes over wraakzuchtige, onstopbare uit de dood opgestane mensen dat de Romeinen niet meteen achter hem aankomen. Er zijn al twee mensen die op hem lijken naar het oosten gegaan, ze zullen vertellen dat zij Jezus zijn, de Romeinen zullen achter hen aan gaan, terwijl wij naar het westen gaan. Ze zullen nooit verwachten dat we ons recht onder hun neuzen zullen verstoppen,” vertelde ze enthousiast.

“En Jezus’ doorgaande bloedlijn?” vroeg Methos.

“Als Jezus’ vrouw ben ik in principe de receptief voor zijn bloed, en er hoeft maar een letter verschoven te worden om Adellijk Bloed in Heilige Graal te veranderen, iedereen zal naar een beker zoeken, niet naar mij. Daar bovenop komt dat nauwelijks iemand weet dat ik zijn vrouw ben, voor de meesten ben ik niet meer dan een bekeerde hoer,” legde Maria grinnikend uit.

“Gaan we nog? Ik begin me te vervelen!” riep Kronos.

“Ik kom al!” riep Methos terug.

“Waar gaan jullie eigenlijk naar toe?” vroeg Maria Magdalena.

“Naar Jeruzalem, daar zijn we al een tijdje niet geweest. Tot ziens,” zei Methos, terwijl hij zijn paard aanspoorde om Kronos in te halen.

“Tot ziens!” riep Maria hem na.


*****


Buitenwijken van Jeruzalem

1 uur later


Methos en Kronos lieten hun paarden rustig door Jeruzalem heen sjokken. Sommige van de Israëlieten keken hen kwaadaardig aan.

“Vind je ook niet dat de sfeer broeierig is, Lucius?” vroeg Kronos met een brede grijns op zijn gezicht, nu al hopend op een goed bloedbad.

“Dat kun je wel zeggen, Marcus,” antwoordde Methos.

“Oprotten, vieze Romeinen,” riep een Jood, er leken er steeds meer van te komen, de straat begon al druk te worden. Een steen vloog recht op Kronos af, hij ving het makkelijk.

“Zeer broeierig,” grijnsde Kronos en liet de steen vallen, zijn hand greep naar het gevest van zijn zwaard.

“Marcus, dit kon nog wel een het begin van een succesvolle revolutie worden, als wij deze hier vermoorden gebeurt het niet, en doen wij de Romeinen een plezier,” zei Methos.

“Kan me niets schelen... Je denkt toch niet om je zelf te laten vermoorden, hè broeder?” vroeg Kronos.

“Het is niet alsof ik dood blijf, Marcus,” antwoordde Methos.

“Kop eraf! Kop eraf van die Romeinen!” riep een Jood, meerdere anderen begonnen hetzelfde te roepen. De horde Joden begon op hun in te komen.

Kronos keek Methos aan. Methos greep zijn zwaard en zei: “Geen revolutie, dus!”

Kronos grijnsde en in een vloeiende beweging haalde hij zijn zwaard te voorschijn en hakte het hoofd van de dichtstbijzijnde Jood eraf. Methos zwaard zaaide net zo veel dood en verderf tussen de Joden. Joden vielen bloedend naar de vloer, wanneer ze te dicht bij de zwaarden van de Onsterfelijken kwamen.

Methos stak zijn zwaard dwars door het hart van een bruinogige Jood met een grote neus, het zorgde een zoemend gevoel in Methos’ en Kronos’ hoofden. Ze keken even en gingen daarna verder met zich een weg banen door de moordzuchtige menigte.

*Ik vraag me af, of en wanneer ik hem ooit nog zal weer zien,* dacht Methos.


~~O~~


Rotterdam, mortuarium

November 1997, de volgende dag


“Het kan gewoon niet!” zei Melanie voor de zoveelste keer, terwijl ze het mortuarium binnen gingen. “Je schoot zes kogels in hem, niemand overleefd dat. Misschien was gisteravond wel zijn tweelingbroer.”

“Nee, behalve als hij een precieze kloon was,” antwoordde Nikki hard.

“Jij kijkt te veel naar The X-Files,” antwoordde Melanie lacherig.

“Hier is niks om te lachen!” schoot Nikki haar toe.

“Rustig, maar,” zei Melanie.

“Niks rustig. Hé, jij!” riep Nikki naar een man in een witte jas, terwijl ze haar ID liet zien. “De serie-moordenaar, zes kogelwonden. Ik wil hem zien, nu!”

“Natuurlijk, agent,” zei de lijkschouwer en leidde hen naar het muurkastje. Hij opende het deurtje en trok het laatje eruit. “Hier...” begon hij en bleef steken, er lag alleen een lege lijkenzak.

“Godver!” vloekte Nikki kwaad. “Ik zei het toch, hij is of opgestaan en weggelopen, of iemand heeft zijn lijk gestolen!” Melanie keek alleen maar geschokt.


*****


De weg terug naar het bureau was stil, geen van beide zei wat.

Toen ze bij het bureau binnenliepen, zagen ze het meest schokkende tafereel in hun leven, bloed stroomde van de muren, politieagenten lagen overal opengehakt, ingewanden lagen over tafels, koppen lagen met een overduidelijk, aangebrachte glimlach op bureaus. Er waren zelfs een paar agenten die aan de muur waren genageld in een imitatie van Jezus Christus.

Melanie kotste haar lunch uit. Nikki pakte een granaat op.

“Gas granaat, ze waren bewusteloos voor ze ook maar een schot hadden kunnen lossen,” zei Nikki droog en analytisch.

“Mijn god, wie kan zoiets doen?” vroeg Melanie, “Dit is beestachtig.”

Nikki zei niks. Met trillende benen liep ze hoofd-inspecteur Bleumink’s kantoor binnen. Zijn hoofd lag met een overdreven grijns op zijn bureau, gedeeltes van ingewanden plakten nog aan de muur, zijn afgehakte hand was vastgespijkerd aan de muur met een mes. Een tweede mes zat vast in het hout van het bureau, er zat een brief aan.

Nikki scheurde het briefje los, dat met Bleumink’s eigen bloed geschreven bleek te zijn. Het was te veel en Nikki gaf haar lunch midden in het kantoor over. Daarna begon ze het briefje te lezen.


       ‘Ik had je gewaarschuwd, meisje. Je had er buiten

        moeten blijven, maar je kon gewoon niet luisteren,

        hè? Overigens je vriendje is de volgende, als je

        z’n leven nog wil proberen te redden -- en

        rechtstreeks naar je dood wil reizen -- kom dan

        naar de containers bij pier 28.’


“Kom op!” zei Nikki tegen Melanie.

“Waar gaan we heen?” vroeg Melanie.

Nikki gaf haar het briefje, terwijl ze het kantoor uit stormde. Melanie volgde haar net zo vlug, terwijl ze het briefje verfrommelde.

In de auto, met Nikki als een bezetene aan het stuur, riep Melanie via de microfoon de ambulance en lijkschouwers op.


*****


Containers, pier 28

Vijftien minuten later


Nikki had van alles verwacht, Mark dood, Mark vluchtend, een lachende moordenaar, alle scenario’s hadden door haar hoofd gespookt, terwijl ze vol gas hiernaar toe reed. Alles, maar niet dit.

Mark stond daar, nog geen tien meter verder en zij had haar pistool op hem gericht, puur instinct. Hij had een eigen zwaard en het was hoog in de lucht, klaar om naar beneden te vallen en de moordenaar’s hoofd eraf te hakken. Het zwaard van de seriemoordenaar laag een eindje verder, en hij lag op zijn knieën, bloedend uit meerdere wonden. Mark keek volledig verbaasd toen hij haar zag.

“Ik win,” lachte de seriemoordenaar kwaadaardig.

“Klootzak!” schreeuwde Methos, met een gezicht vol haat en vernietiging.

“Mark, je hoeft het niet te doen, we kunnen hem nu gewoon opsluiten,” probeerde Nikki, terwijl ze naar een kant van haar geliefde Mark Molendijk keek, die ze nog nooit gezien had.

“Nee, dat kun je niet en ik moet het doen, want zie je... Er kan er maar één

zijn!” Methos riep de mantra van de Onsterfelijken en liet zijn zwaard, verblindend snel naar beneden komen. Een seconde later lag het hoofd op de grond. Methos keek nog een keer naar een geschokte Nikki, en draaide haar zijn rug toe. Hij stapte over het lichaam heen en nam nog twee stappen.

Hij keek over zijn schouder en zei: “Blijf uit de buurt, als je leven je iets waard is.” Langzaam strekte hij zijn armen uit terwijl de wind toenam en elektrische stroompjes langs de seriemoordenaar’s nek begonnen te lopen.

Nikki keek geschokt toe, hoe een lichtgevende mist zich van het onthoofde lichaam losmaakte en richting Methos begon te bewegen. Plotseling, zonder enige waarschuwing, schoot een bliksemschicht van het dode lichaam in Methos, en er volgden meer. Methos schreeuwde van pijn en extase, terwijl de Quickening zich van hem meester maakte. Bliksemflitsen vlogen in de rondte, tegen de containers aan, naar Methos toe, van Methos af, naar het onthoofde lichaam en ervan af. Toen de mist eenmaal in Methos was stopte de elektrische storm net zo vlug als hij begon.

“Het spijt me,” zei Methos nog een laatste maal tegen Nikki, terwijl hij over zijn schouder keek. Daarna liep hij weg.

“Mark, wacht!” riep Nikki. Maar het was al te laat, Methos verdween onder de golven van de nabije rivier.


*****


Rotterdam, Bureau Spangen

Augustus 1998


Nikki dacht nog eens over wat er in het laatste jaar gebeurd was. Mark was verdwenen, zomaar, zijn appartement was dezelfde dag al leeg. Het rapport zei niets meer dan dat een van zijn slachtoffers zich succesvol had verdedigd, en dat hij daarna was verdwenen, dat het haar vriend was stond er niet in. Ook de beangstigende en tegelijkertijd prachtige bliksem storm stond er niet in. Dan was er nog de overplaatsing, ze kon daar echt niet meer blijven, iedere keer zag ze een bureau vol lijken. En nu wachtte ze op haar nieuwe partner, een één of ander vreemde vrouw.

Ze was er nu wel overheen, over de vele doden en het verlies van Mark, maar zelfs nu, waarschijnlijk tot de dag dat ze stierf zou één vraag door haar hoofd spoken: ‘Wie is Mark Molendijk?’


Einde