“ De Vijfhoek, het Pentagram
& de Gulden Snede ” , © Hans Bär,
2004 - 2005

De
regelmatige vijfhoek - of pentagonaal - is een figuur met vijf even lange
zijden en even grote hoeken.
De
2e vorm - het pentagram - bestaat uit een gesloten lijn die je in
één doorlopende beweging kunt tekenen.
Door
in een vijfhoek de tegenoverliggende hoekpunten langs zogenaamde diagonalen met
elkaar te verbinden
krijg
je zoals je ziet exact hetzelfde pentagram. Wel, over déze twee figuurtjes valt
een hoop te vertellen.
De
belangrijkste eigenschap is, dat er precies vijf lijnen zijn, ten opzichte
waarvan je deze twee
figuurtjes
kunt spiegelen. Teken bijvoorbeeld maar eens een verticale lijn door het
bovenste hoekpunt.
Je
ziet dan dat deze lijn beide figuren in twee delen snijdt die exact elkaars
spiegelbeeld zijn. Deze lijn
staat
loodrecht op de tegenoverliggende zijde van de vijfhoek én loodrecht op een van
de diagonalen.
Men
noemt dit spiegelsymmetrie. Met als direct gevolg dus dat elke diagonaal in
deze vijfhoek evenwijdig
verloopt
aan de tegenoverliggende zijde. En met dit gegeven zijn nu heel veel
eigenschappen af te leiden.
Behalve
van spiegelsymmetrie is er bovendien ook nog sprake van draaisymmetrie, d.w.z.
: als je deze
twee
figuren kantelt over een hoek van 72 graden, dan levert ook dat weer precies
hetzelfde beeld op.

A.g.v.
spiegelsymmetrie kun je in een vijfhoek met zijn diagonalen een vijftal ruiten
onderscheiden.
Ik
heb er hier als voorbeeld eentje getekend. Kijk nu eens goed naar de lengte van
de vier zijden hiervan.
Omdat
de tegenoverliggende zijden van het grijs gekleurde vlak evenwijdig lopen aan
elkaar, en omdat twee
naburige
zijden van dit vlak dezelfde lengte hebben - de zijden die behoren tot de
omtrek van de vijfhoek -
zijn
alle zijden van het grijs gekleurde vlak dan vanzelf even lang. Een dergelijke
figuur noemt men een ruit.
Gevolg
hiervan is, dat dan óók de twee lange zijden van de lichtgroen gekleurde
driehoek even lang zijn.
Deze
driehoek is dus gelijkbenig. En ook de twee basishoeken van deze driehoek zijn
dan even groot.

In
de eerste twee figuurtjes zie je nu een aantal driehoeken, die een en ander met
elkaar gemeen hebben.
Omdat de getekende vijfhoek spiegelsymmetrisch is t.o.v. de verticale lijn door het bovenste hoekpunt,
zijn
ook de kleine en grote lichtgroen gekleurde driehoek allebei symmetrisch en
eveneens gelijkbenig,
precies
zoals de middelgrote driehoek links. Kijk nu eens goed naar de twee rood
gemerkte hoeken
in
de linker en middelste figuur. Deze hoeken zijn namelijk even groot, en ook dat
is weer het gevolg
van
het gegeven dat diagonalen en hun tegenoverliggende zijden evenwijdig aan
elkaar verlopen.
Omdat
al deze driehoeken blijkbaar gelijkbenig zijn én een even grote tophoek hebben,
zijn ook de
oranje
gemerkte hoeken dan vanzelf even groot. De drie driehoeken hebben dus exact
dezelfde vorm,
en
men spreekt dan van ‘congruentie’.
Bovendien zie je in de rechter figuur nog iets bijzonders:
Blijkbaar
delen de twee diagonalen vanuit een hoekpunt naar de tegenover liggende
hoekpunten de
bijbehorende
hoek in precies drie even grote hoeken van elk 36 o, zoals ik zo
dadelijk nog laat zien.
Wel,
als driehoeken congruent zijn, dan houdt dat in dat de lengtes van de drie
zijden zich in al deze
driehoeken
op eenzelfde wijze tot elkaar verhouden ( hier: lengte korte zijde : lengte lange zijde )

Ik
teken de drie driehoekjes even apart met verschillende kleurtjes voor de
verschillende lengten.
Omdat deze driehoeken alle dezelfde vorm hebben, geldt dan voor de onderlinge lengteverhouding:
:
=
:
=
: ![]()
Deze
lijnstukken hebben echter nog meer met elkaar gemeen. Ik gaf in het begin al
aan, dat je
in
de vijfhoek links een ruit kunt herkennen, en als je de zijden hiervan nu met
elkaar vergelijkt
dan zie je dat de rood aangegeven zijde kan worden opgedeeld in een geel en oranje lijnstuk:
º
+ ![]()
Ook de diagonaal – met paars merkje - is op te splitsen in een oranje en rood stuk, dus is ook:
º
+ ![]()
Als
je dit nu met elkaar combineert, dan zie je dat de lengtes van de zijden van al
deze
driehoeken
zich blijkbaar tot elkaar verhouden volgens de ‘Gulden Snede’ , en wel
als volgt:
:
=
:
[
+
]
= ½ ( wortel(5) – 1 )
:
=
:
[
+
]
= ½ ( wortel(5) – 1 )
“
Het kleinste deel verhoudt zich tot het grootste deel als het grootste deel
tot het geheel ”
Eigenlijk
zie je hier nu twee keer eenzelfde vergelijking. Het is niet zo moeilijk om
m.b.v. wat
algebra
af te leiden dat de enige mogelijke waarde, waarvoor hieraan wordt voldaan,
gelijk is aan:
½ ( wortel(5) – 1 ) » 0,618034,
het getal van de Gulden Snede, aangegeven met het symbool j (phi).
Het
omgekeerde - de verhouding “grootste deel staat tot kleinste deel” - is dan
exact gelijk aan:
½
( wortel(5) + 1 ) » 1,618034, en dit getal wordt aangegeven met de
Griekse hoofdletter F (Phi).
Wat
hierbij opvalt is, dat deze getallen twee bijzondere eigenschappen vertonen,
namelijk:
F º 1 /
j en
tevens: F º
1 + j en dus is ook: j 2 + j º 1
en
dan volgt hieruit de verhouding : j 2 : j = j :
1 = j : ( j 2 + j )
overeenkomstig
de definitie van de Gulden Snede, die ik zojuist heb gegeven.
Als
je al de lengtes hierboven nu voor de aardigheid eens achter elkaar zet in een
‘reeks’, dan zie je
dat
opeenvolgende elementen in deze reeks zich steeds tot elkaar verhouden volgens
de Gulden Snede,
en
bovendien is élk element in deze reeks dan ook steeds de som van de twee
voorafgaande elementen.
-
- - - ,
,
,
,
, -
- - -
Vooral dit laatste is wiskundig gezien erg interessant,
het is namelijk een eigenschap die ook
tot uiting komt in de zogenaamde getallenreeksen van Fibonacci ( 0, 1, 1, 2, 3,
5, 8, 13 … ) en van
Lucas ( 2, 1, 3, 4, 7, 11, 18, 29 … ). Maar dit even terzijde, elders op deze site wordt uitgebreid
ingegaan op de betekenis hiervan, m.n. voor allerlei vormen in de natuur, zoals o.a. de zonnebloem.
In vervolg hierop het een en ander over de verschillende hoeken in de vijfhoek & het pentagram.

De
twee gestippelde hoeken in dit plaatje zijn allebei even groot omdat ook hier
weer
een
diagonaal evenwijdig verloopt met de tegenoverliggende zijde van de vijfhoek.
Zoals
je ziet is deze hoek hier precies twee keer zo groot als een rood gemerkte
hoek.
Als
gevolg van spiegelsymmetrie geldt dit dan natuurijk ook voor de hoek aan de
linkerzijde.
Je
ziet nu, dat vijf rood gemerkte hoeken samen een hoek van 180 o
vormen, en dat houdt in
dat
elke hoek afzonderlijk dan automatisch gelijk is aan 36 o. De oranje aangegeven hoeken
in
de figuur hieronder zijn dan alle gelijk aan 72 o en de violet
gemerkte hoeken aan 108 o,
immers
zijn de drie hoeken van een driehoek samen gelijk aan 180 o, De som
van de
vijf
hoeken waar een vijfhoek uit is opgebouwd is dus exact gelijk aan 540 o.

Wel, hoe zit het nu precies met de hoogtelijn in een vijfhoek,
en hoe vind je hiervan het middelpunt ?
Als
je vanuit het bovenste hoekpunt een loodlijn tekent loodrecht op de
tegenoverliggende zijde,
dan
kan ook deze hoogtelijn in twee ongelijke lijnstukken worden opgedeeld volgens
de ‘Gulden Snede’.
Dit
volgt uit het gegeven dat de twee rechthoekige driehoeken in de figuur
hieronder congruent zijn:

:
[
+
]
=
:
[
+
]
:
=
:
[
+
]
è
:
=
:
[
+
]
Teken
je nog een extra hoogtelijn in, dan zie je dat het snijpunt van de twee
hoogtelijnen
het
middelpunt is van de vijfhoek en dus ook van het pentagram. De vraag is dan,
hoe groot de
afstand
is van dit middelpunt tot elk van de vijf zijden van de vijfhoek en de vijf
hoekpunten.
Dit
is iets lastiger, maar ik zal het wederom illustreren aan de hand van een paar
tekeningetjes.
Om
verwarring te voorkomen: ik gebruik hier nu wat andere kleurtjes dan in de
figuren hierboven.

De
driehoeken in het eerste plaatje zijn a.g.v. symmetrie exact elkaars
spiegelbeeld.
De
twee hoogtelijnen snijden elkaar zoals je ziet in twee delen, en wel als volgt:
is de afstand van het middelpunt tot elk
van de vijf hoekpunten
is de afstand van het middelpunt tot elk
van de vijf zijden
is hier de halve lengte van een
zijde van de vijfhoek
De verticale lijn in het middelste plaatje deelt de bovenste hoek in precies twee even grote hoeken.
Behalve
dat de getekende driehoeken alle rechthoekig zijn hebben ze dus ook nog eens
eenzelfde
tophoek
met elkaar gemeen en dat houdt kortom in dat al deze driehoeken congruent zijn.
Nu
gaf ik zojuist al aan, dat dat inhoudt dat de lengtes van de zijden van deze
driehoeken zich
dan
op eenzelfde wijze tot elkaar verhouden. En dat is nog eens getekend in het
rechter plaatje.
Van
elk van de twee driehoeken verhoudt de schuine zijde zich tot de lange rechte
zijde als :
:
=
:
= [ wortel(5) – 1 ]
is de lengte van de zijde van de vijfhoek
is de lengte van een halve diagonaal
Deze
verhouding is dus blijkbaar twee keer zo groot als de Gulden Snede
verhouding.
Dat
volgt direct uit het voorafgaande. Wel, als je dit nu verder uitwerkt, dan vind
je dat :
=
[
+
] / wortel(5)
Omdat
beide driehoeken ook nog eens rechthoekig zijn geldt hiervoor de stelling
van Pythagoras :
x
=
x
+
x ![]()
Als
je de laatste twee vergelijkingen nu met elkaar combineert, dan is hieruit de
lengte
van
de hoogtelijn te berekenen voor een gegeven lengte van de zijde van de
vijfhoek, en
tevens
de afstand van het middelpunt tot de vijf hoekpunten en de zijden hiervan.
Onderstaand
zie je hoe de vijfhoek is op te delen in tien even grote driehoekjes. Het
totale
oppervlak ervan is kortom precies gelijk aan tien maal dat van elk driehoekje afzonderlijk :

Oppervlak
= 10 x ( ½
x
x
)
= 5 x
x
<
< - - - - - - - - - - > >
Hoe construeer je precies een vijfhoek of pentagram? Wel, dat
gaat heel eenvoudig in zijn werk.
Teken
namelijk een vierkant ABCD met punt M
midden tussen de punten A en B. Teken vervolgens
een
cirkelboog om het punt M vanuit hoekpunt C naar punt E in het verlengde van de
zijde AB.
De lijnstukken BE, AB en AE blijken zich dan netjes te verhouden volgens de Gulden Snede :
BE :
AB = AB : AE
= AB : ( BE + AB ) =
½ ( wortel(5) – 1 ) = j
» 0,618034
" Het kleinste deel verhoudt zich tot het grootste deel als het grootste deel tot het geheel "
De lijnstukken AB en AE kun je direct gebruiken om een vijfhoek & pentagram te construeren,
met lengte AB als de lengte van de zijde van de vijfhoek en lengte AE als die van de diagonaal.

Wellicht
vraag je je af, waarom de lijnstukken in de linker figuur voldoen aan de Gulden
Snede.
Wanneer
je dit plaatje nog eens tekent in ietwat aangepaste vorm dan zie je dat dat
inderdaad
het
geval is. Getekend is hier een halve cirkelboog met een daarin exact passend
vierkant.

Omdat
FE de middellijn is van de cirkel, geldt voor élk willekeurig punt X op de
cirkelboog, dat
hoek
FXE een rechte hoek is, of iets anders geformuleerd: de cirkel, waarvan FE de
middellijn
is,
is de verzameling van precies ál die punten X, waarvoor hoek FXE een rechte
hoek is.
Dan
is dus ook driehoek FCE hierboven een rechthoekige driehoek.
Het
is niet zo moeilijk om te zien dat álle driehoeken in deze figuur dan
gelijkvormig zijn.
Bovendien
is de zijde AD = AG + GD van het vierkant even lang als elk van de andere
zijden.
Voor alle te onderscheiden driehoeken ( te weten: FAG, CDG, CBE, FBC, FCE ), geldt dan
dat de lengtes van de zijden ervan zich tot elkaar verhouden volgens de Gulden Snede :
:
=
:
[
+
]
:
=
:
[
+
]
:
=
: [
+
]
Aardige
is, dat deze tekening direct de mogelijkheid biedt om het zijvlak te
construeren
van de Piramide van Cheops,
een bouwwerk vol wiskundige eigenaardigheden.
Of
de Egyptenaren werkelijk bekend waren met de Gulden Snede, is nog maar de
vraag,
maar
frappant is het wel, dat deze verhouding zo duidelijk herkenbaar is in de
piramiden.
Onderstaand toon ik nog een aantal alternatieven om de Gulden
Snede te construeren:
Hierin
is : j 2
+ j º 1 è j 2 : j = j :
1 = j : ( j 2 + j )



<
< - - - - - - - - - - > >
Door
in een vijfhoek alle diagonalen in te tekenen, kun je deze opdelen in een
zestal
kleinere
vijfhoeken, en ook deze kun je vervolgens weer verder opdelen in nog kleinere
vijfhoekjes,
zoals ik hieronder laat zien. Je kunt eventueel ook gewoon vijfhoekjes
stapelen,
dat
komt in feite op hetzelfde neer. Het levert in ieder geval wel erg mooie plaatjes
op.
Voor
meer gevorderden op wiskundig gebied nog een aardige hint m.b.t. dit soort
tekeningen :
Wanneer
je de hoekpunten van al deze kleine vijfhoekjes projecteert op de vijf assen
van
symmetrie,
dan zul je ontdekken dat daar dankzij de Gulden Snede een bepaald systeem in
zit.
Ik
verwijs hiervoor naar een pagina op deze site over vijf- en tienvoudige
symmetrie >>>> !


Tot
slot is het mogelijk om met behulp van vijfhoeken een regelmatig veelvlak te maken.
Dit
veelvlak bestaat uit precies twaalf pentagonalen en men noemt dit een
dodecaëder.
Ook
dodecaëders kun je stapelen, net zoals je vijfhoekjes kunt stapelen in het
platte vlak.
In
verschillende aanzichten in 3D levert ook dat erg leuke en interessante
plaatjes op:

Wil
je dit stukje graag een keer afdrukken, gebruik hiervoor dan een aangepaste
versie.
Je
kunt dit Word 2000 document direct downloaden, opslaan en afdrukken >>>> !
Vorige pagina :
Naar boven :
E-mail : ![]()