Terug naar de thuispagina

© Jos Joosten Nijmegen 1999

TWEE LITERAIRE VRIENDEN
De relatie tussen Jan Walravens en Louis-Paul Boon

( Voordracht tijdens het Boonjaar 1999 in Aalst, 13 oktober 1999)
 

Op dit moment - letterlijk as we speak - is het op de dag af exact een halve eeuw geleden dat, hemelsbreed zo'n dertig kilometer hiervandaan, Louis-Paul Boon ten overstaan van zo'n 120 toehoorders een publiek optreden verzorgde. Op donderdag 13 oktober 1949 presenteerde het avant-garde tijdschrift Tijd en Mens tijdens een 'Voordrachtavond' in het Koninklijk Atheneum van Mechelen, zijn eerste nummer. Boon stond er niet alleen. Op het programma: poëzievoordrachten uit het werk van de jonge dichters Nic Van Beeck, Geo Bruggen, Hugo Claus - auteur van twee bescheiden bundeltjes Kleine Reeks en Registreren -, Gerard van Elden en Remy C. van de Kerckhove. Voorts werden composities gespeeld door de jonge componisten Louis Thienpont, Peter Cabus en Freddy de Vreese. En pièce de résistance op deze Mechelse presentatie waren twee lezingen: Louis-Paul Boon sprak over 'De Vlaamse Literatuur' en Jan Walravens over 'De Vlaamse Schilderkunst'. Hoe de avond feitelijk verliep is verder niet bekend. Een ooggetuigenverslag van de Mechelse dichter/journalist Jaak Brouwers meldt jaren later in een brief slechts dat 'in het Koninklijk Atheneum te Mechelen tijdens een woelige avond het tijdschrift Tijd en Mens werd voorgesteld' en hij bevestigt in elk geval dat Boon daarbij inderdaad aanwezig was.

Een mooier beginmoment voor het verhaal van de vooral literaire vriendschap tussen Jan Walravens en Louis-Paul Boon is eigenlijk niet te bedenken. Vaststaat dat beiden elkaar vóór de Tijd en Mens-periode al kenden - in eerste instantie elkaars teksten nadien ook persoonlijk; vaststaat evenzeer dat Boon Walravens' vroege dood, op vierenveertigjarige leeftijd in 1965, als grote klap ervoer en zag als het wegvallen van zowel een strijdmakker als vriend. Desondanks ligt het kernpunt van hun samengaan in de periode dat beide betrokken waren bij Tijd en Mens. Vandaar dat ook het zwaartepunt van mijn lezing hedenavond bij dat tijdschrift zal liggen.

13 oktober 1949 is voor zover na te gaan de eerste keer dat de twee hoofdpersonen van vanavond publiek gezamenlijk optraden: de toen 37-jarige Boon en zijn acht jaar jongere geestverwant Walravens. Voor Walravens betekende de Mechelse manifestatie de realisatie van een langgekoesterde maar ook - voor zover je dat kunt zeggen - hardbevochten droom. Voor het eerst presenteerden vernieuwingsgezinde jonge Vlaamse auteurs - schrijvers wier leeftijd twintig was toen de oorlog uitbrak - zich als groep met hun eigen tijdschrift: Tijd en Mens zou de beweging en het blad worden dat juist hen zou vertegenwoordigen.

Walravens zelf verdiende zijn brood als kunstjournalist bij Het Laatste Nieuws, maar was daarnaast vooral bekend als fervent promotor van nieuwe ideeën over maatschappij, kunst en literatuur. Al sinds de bevrijding had hij diverse mislukte pogingen achter de rug om jonge Vlaamse auteurs te groeperen en met een eigen podium naar buiten te doen treden. En het feit dat dat nu - vijf jaar later pas - uiteindelijk wél lukte moet voor een groot gedeelte op rekening van de doortastendheid van de Mechelse dichter Remy van de Kerckhove geschreven worden. Die hakte knopen door waar Walravens in een al te voorzichtig proces iedereen wilde gerieven en bij het blad betrekken.

Het beoogde nieuwe tijdschrift moest een jongerentijdschrift zijn, maar meteen ook een inhoudelijk andere kijk op literatuur vertegenwoordigen. Walravens en zijn kompanen wilden gedaan maken met de dominante stroming in het naoorlogse Vlaanderen, het zogenaamde neo-classicisme. In de periode van 1944 tot 1949 deed zich een merkwaardige paradox voor. Na het vertrek van de Duitse bezetters voelden talloze jonge Vlaamse schrijvers, meesurfend op de golven van hernieuwde vrijheid, de behoefte zich te uiten over poëticale kwesties. Het 'jongerendebat' was geboren: geen provinciestad in Vlaanderen waar niet één of meer tijdschrift getuigde van de nieuwe geest en zich met hoogdravende beginselverklaringen presenteerde. Nadere beschouwing van de polemieken die de jonge Vlamingen voerden in hun talloze tijdschriftjes leert echter dat men welbeschouwd vooral méér van hetzelfde wilde. De jongeren gingen het liefst verder zoals het al sinds 1930 in de Vlaamse poëzie was.

Neoclassicisme was de, vaak impliciet gelaten, noemer waaronder menig Vlaams dichter in de jaren '30 en '40 zijn tijdloze, aan God of de Liefde gewijde sonnetten de wereld instuurde. Een economische crisis noch een wereldoorlog, Auschwitz noch Hiroshima konden daar - een enkele uitzondering daargelaten - verandering in brengen. Die enkele uitzonderingen opereerden autonoom. Het waren schrijvers als Louis-Paul Boon die vanaf zijn debuut in 1942 functioneerde als de beroepsdissident van de Vlaamse letteren. Ook de Mechelse neo-expressionist Remy van de Kerckhove was zo iemand die een ander geluid liet horen. Hij keerde zich tegen het kleinburgerlijke en aangepaste, en pleitte al vroeg voor een avontuurlijkere, experimentele poëzie. Zijn grote voorbeeld was een andere eenling: Paul van Ostaijen. In Van de Kerckhoves somber getoonzette bundel Gebed voor de kraaien uit 1947, vinden we een hommage aan de jonggestorven, op dat moment tamelijk veronachtzaamde Van Ostaijen: 'Ik wou een smalle worm zijn om tot door Uw houten kist te graven/en U te vertellen hoeveel onnozele burgers er nog zijn'. Niet meteen mooie of hoogstaande regels, maar wel een dissident geluid binnen de aangepaste poëtica van die eerste naoorlogse jaren.

Degene die zich wellicht het meest luidruchtig maar hoe dan ook het meest expliciet verzette tegen de restauratieve dominantie in de Vlaamse literatuur was de Brusselse essayist en journalist Jan Walravens (1920-1965). Al voor de oorlog had hij kennisgemaakt met het surrealisme en tijdens zijn verblijf in Berlijn als dwangarbeider raakte hij gefascineerd door het existentialisme. In oktober 1945 trad Sartre op in Brussel, waar hij een voorproefje gaf van zijn tournee met de lezing 'L'existentialisme est un humanisme' die zijn publieke doorbraak zou betekenen in Frankrijk. Voor Walravens, die op dat moment zijn recente oorlogservaringen in het verwoeste Berlijn koppelde aan een grote individuele geloofscrisis, pasten in één klap alle geestelijke puzzelstukjes in elkaar. Dat uitte zich in een stroom van door existentialisme en surrealisme gekleurde kritieken, essays en voordrachten.

Duidelijk is bijvoorbeeld te zien hoe 'Nood', een spraakmakende lezing die Walravens in mei 1947 uitsprak op de Dagen van de Vlaamse Gids, doordrenkt is van het existentialisme: 'de mens [draagt] zijn lot in handen en torst er de verantwoordelijkheid van. Hij moet zelf beslissen welke toekomst hij het mensdom wenst. Hij dient op niets of niemand meer te rekenen om die wens te verwezenlijken. Hij is vrij en toch gebonden aan wat hem morgen overkomen zal. (...) Mogelijk ligt de zin van het leed, de angst en de ontreddering van deze tijd in de geleidelijke ontdekking van onze onmacht en onze totale nutteloosheid. Dan kan de dialoog met de dood...of met God opnieuw van vooraf aan begonnen'. Walravens schrijft vanuit een existentieel nulpunt; hij begint op dit moment geheel vrij in alle onbevangenheid, zonder de ballast van een vastomlijnde traditionele ideologie, de zoektocht naar een eventueel nieuw oriëntatiepunt dat recht doet aan de wereldomvattende problemen waarmee de denkende mens zich geconfronteerd ziet.

Walravens' propaganda voor het existentialisme leidde er zelfs toe dat Boon over hem opmerkte: 'hij heeft bijvoorbeeld bij ons het eerst over het existentialisme gesproken. En in Vlaanderen, waar men daarover nog niets had gehoord, begon men hem als de uitvinder van het existentialisme aan te zien, en verwarde men hem zelfs met Jean-Paul Sartre zelf.' Overigens lag het, bij nadere beschouwing, bepaald zo eenvoudig niet. In 1952, in de hoogtijdagen van het modieuze existentialisme, verdedigde Walravens zijn eigen roman Roerloos aan zee (naar aanleiding waarvan Boon de bovenstaande woorden overigens schreef) tegen het etiket existentialistisch: 'Nu zou het mij geenszins hinderen beschouwd te worden als een existentialist, indien ik dat inderdaad was. Maar ondanks de voordrachten die ik over het existentialisme gehouden heb, ben ik dat pertinent niet (...)'.

Duidelijk is in die eerste naoorlogse jaren de overeenkomst in literair denken tussen Boon en Walravens. Van de schrijver verwacht Walravens dat die zich bezighoudt met de problemen waarmee zijn eigen tijd hem als concreet individu confronteert: 'Ik meen, dat de kunstenaar in 1947 het recht niet heeft zich te plaatsen naast de weg waarop het tijdsgebeuren zich ontrolt. Hoe groot zijn talent ook wezen mag, de letterkundige is in eerste plaats een mens'. Nog voordat Lucebert in Nederland proclameerde dat 'schoonheid haar gezicht verband' had, stelde Walravens al: 'Er kan op dit moment geen sprake meer zijn van een etherische, levensvreemde, op het gevoel afgestemde kunst. Kunst betekent nog altijd schoonheid, maar schoonheid betekent niet langer zinnenstreling of opwekking van weemoedig-aandoende gevoelens'. Geen van de Vlaamse schrijvers van dat moment voldoen aan Walravens' eisenpakket. Op twee uitzonderingen na: alleen voor de romanciers Piet van Aken en Louis Paul Boon maakt hij een uitzondering, zij het met enig voorbehoud.

Walravens' bruuske optreden in de naoorlogse Vlaamse literaire wereld leverde veel weerstand op en hij opereerde tamelijk geïsoleerd. Slechts een beperkt aantal mensen kon zich vinden in zijn appèl op het literaire geweten van de schrijver in de naoorlogse tijd. Eén van die sympathisanten was Louis-Paul Boon. In oktober 1948 schreef hij bijvoorbeeld in het weekblad Front: 'In verscheidene opstellen over de Vlaamse letterkunde sprak [Walravens] onomwonden zijn mening uit, mening die niet steeds zonder stoot of stamp werd aanvaard, want het waren vooral de pijnlijkste fouten en tekortkomingen die hij heeft aangetoond. En daar wij veel meer te leren hebben bij iedere eerlijke critiek, hoe scherp ze ook mag wezen, en door welke andersdenkende ze ook werd geuit, wensen wij het standpunt van Jan Walravens nader te belichten. Standpunt dat wij, haast in zijn geheel, kunnen bijtreden.'

'Haast in zijn geheel', zegt Boon. Want ondanks de grote wederzijdse sympathie waren er wel degelijk ook kanttekeningen over en weer. Voor zover ik nu kan nagaan, kende Walravens Boons werk al tijdens de oorlog. Althans, in een brief van voorjaar 1944 duikt de naam van de dan juist gedebuteerde Aalstenaar voor het eerst op. Aan zijn vriend Florent Welles schrijft Walravens.

Zoo vertelde Willem Pelemans, die ik ten huize bezocht, over Louis Paul Boon, de winnaar van de Leo Krijnprijs 1942, waarvan Pelemans jurylid is. Een instructielooze facadeschilder, die zijn taal onvoldoende machtig is, amper dertig jaar oud en slechts socialistische middens bezocht, maar die een ontstellend boek schreef, 440 bladzijden dik, ruw het ruwe leven der volksmassa's samengeworpen, met oogenblikken van aangrijpende tragiek en andere van onoverkoombaar menschelijk leed. Het bekroonde boek is uiteraard Boons debuut De voorstad groeit. Of Walravens het boek direct las, is niet te achterhalen. Twee jaar later, echter, heeft hij in elk geval het tot dan verschenen werk van Boon gelezen - en formuleert hij direct een zeer opmerkelijk voorbehoud bij diens proza. Opnieuw aan Welles schrijft hij, in april 1946: 'Gij moet ook tot de realiteit gaan. Niet tot de schoonheid van een avondstond, van Chopin of van den glimlach der kinderen, naar tot de realiteit van nu. Gij moet u engageeren, zou de vriend Sartre zeggen. Daarom ben ik blij dat gij Malraux leest en van de Amerikanen houdt. Daarom zei ik, dat gij hem moet lezen. Daarom ook voldoen de twee boeken van Boon mij niet volledig. Niettegenstaande al hun menschelijkheid blijven ze decoratief. Het zijn varianten op het menselijk leed, het zijn geen gespannen torschingen van een noodlot.'

In de periode erna plaatst Walravens vaker kanttekeningen bij Boons werk. Zo werd tijdens het jongerendebat de literaire malaise primair gezien als een probleem dat binnen de Vlaamse poëzie speelde. Wat betreft het proza was Boon een van de mensen die tamelijk algemeen als voorbeeld gold dat het in dát genre allemaal wel in orde was. Uitgerekend baanbreker Walravens plaatste kanttekeningen bij deze vrij algemene positieve opinie. Toen hij in 'Nood' vroeg om literatuur die op tijd en mens betrokken was, waren Boon en Van Aken weliswaar de enige Vlamingen die hieraan voldeden, maar zelfs hen noemde hij met voorbehoud: 'Van Aken zat tot hiertoe te diep verstrikt in het vakmanschap en het woord, om het aangrijpend uit te drukken. En Boon, die de hedendaagse tragiek benauwend aanvoelt, is intellectueel niet sterk genoeg geschoold om ze op te lossen.' Voor Boon zelf was deze passage geen reden tot droefenis of verbolgenheid, integendeel, in de al aangehaalde reactie in Front spreekt hij toch vooral sympathie uit voor Walravens, en schrijft hij: 'Laat ons minachten wat wij tot nog toe hebben voortgebracht, en laat ons verbeten voortarbeiden, opdat ons werk opstandig en groot zou worden.'

Globaal gezegd kun je dan ook eenvoudigweg stellen dat de gelijklopendheid vooropstond. Neem dit citaat van Boon, uit de tijd dat hij nog in De Roode Vaan schreef: 'Een literatuur moet de spiegel van haar tijd zijn. Het ganse wezen van die tijd, de noden en de verlangens, de dromen en de politieke stromingen, godsdienst en sociale toestanden, dat alles heeft zij weer te geven. Een schrijver moet slaan desnoods snijden en terzelfdertijd troosten.'

Daar zien we die gelijklopendheid weer. En die heeft steeds het zwaarst gewogen. Ondanks de kritische bemerkingen zag Walravens Boon vóór alles als sympathisant en waardeerde hij hem als voortrekker en probeerde hij hem al vroeg te betrekken bij zijn tijdschriftinitiatieven. De eerste keer dat Boons naam in dit verband opduikt is in het vroege voorjaar van 1947. In maart noemt Walravens Boon in een aan Vlaamse auteurs rondgestuurde brief, bij een rijtje Vlaamse schrijvers 'die aangesproken werden, die allen bereid zijn mede te werken en waaruit een vaste redactie zal aangeduid worden'. Er zijn geen aanwijzingen dat dit ook betekent dat er al in maart 1947 contact is geweest. Maar Boon zelf verwees waarschijnlijk wel naar dit schriftelijke verzoek, toen hij achteraf memoreerde: 'Wanneer heeft Jan Walravens me de eerste brief geschreven waarin hij het over een tijdschrift had dat het tijdschrift moest worden? Iets, waar ik trouwens weinig zin in had, want elk tijdschrift is het tijdschrift. En bovendien had ik andere plannen...'. Er zal allicht een vorm van contact met Boon geweest zijn, omdat het natuurlijk onwaarschijnlijk is dat Walravens hem ongevraagd zou laten figureren in een publieke rondschrijfbrief. In de maanden die volgden blijft Boons naam opduiken bij de uiteenlopende tijdschriftinitiatieven die Walravens van de grond probeert te krijgen. Een eerste verslag van een persoonlijke ontmoeting vinden we in een brief van Walravens aan Hugo Claus, met wie hij op dat moment het jongerentijdschrift Janus van de grond probeert te krijgen. Eind september 1948 schreef hij aan Claus dat hij op zaterdag 2 oktober bij Boon in Aalst uitgenodigd was.

Dat moet uiteindelijk de daadwerkelijke eerste ontmoeting geweest zijn. Ook Boon herinnert zich achteraf inderdaad een eerste visite: 'Ik opende de straatdeur en keek op een jonge man, klein van gestalte, maar met een snor die ontzag inboezemde. Met haast verontschuldiging zei hij: 'Mijn naam is Jan Walravens, mag ik even drie minuten met U praten?' (...) Ik liet hem binnen en hij sprak geen drie minuten maar drie uren met mij. Hij had het in de eerste plaats over een tijdschrift dat hij wou stichten, waarvan hij de naam nog niet te best wist. Het zou Tijd en Mens heten, maar die naam werd pas achteraf bedacht door de veel te vroeg gestorven dichter Remy C. van de Kerckhove.' Boons opstelling bij alle plannen die Walravens in deze tijd ontplooide is te typeren als solidair maar zeer afwachtend.

Voor deze dubbele houding die hij aanvankelijk ook inzake Tijd en Mens heeft, lijken diverse verklaringen aannemelijk, die waarschijnlijk tegelijkertijd speelden.

Ten eerste had Boon moeite het hoofd financieel boven water te houden. In Memoires van Boontje noemt hij als belangrijkste reden tot aarzelen, dat meewerken aan een jongerentijdschrift financieel niets opleverde: alle andere groepsleden - behalve Claus - hadden naast de schrijverij een betaalde baan. Op dat financiële punt kom ik nog terug, net als op het tweede punt dat meespeelde: Boon was ondanks alles een oudere en in zekere zin gevestigder schrijver, en hij was van mening dat hij niet in een jongeren-tijdschrift paste. De in 1912 geboren Boon was geen jongere in strikte zin meer, en afgezien daarvan inmiddels een bekende naam in de naoorlogse Vlaamse letteren: bekroond, bejubeld, bespot maar in ieder geval besproken. Jaren later geeft Boon, tot slot naast financiën en leeftijd, nog een laatste argument om niet mee te willen doen: 'Ik droomde van een eigen tijdschrift dat ik helemaal alleen vullen zou en dat ik Boon-apart dacht te noemen. Want als er een Mal-aparte was, dan mocht er ten compensatie ook een Bon-aparte zijn.' Het is trouwens de vraag of dit laatste ten tijde van Tijd en Mens zo'n belangrijke rol speelde bij Boons overwegingen. Onder de naam Boontjes reservaat verschenen er pas vanaf 1953 vijf afleveringen van zo'n blad.

Los van deze overwegingen zette hij echter so wie so vraagtekens bij wat hij zag als kunstmatige groepsvorming. In de reeks 'Boontjes Bittere Bedenkingen' in Vooruit schreef hij op 26 mei 1949 het artikel 'De principiële toezegging'. Daarin verwoordt hij deze solistisch gekleurde reserves naar aanleiding van een actueel initiatief van 'een vriend' om een jongerentijdschrift op te richten. Die plannen spelen in een zeer recent verleden, dus het is waarschijnlijk dat het over Janus gaat. Dat de genoemde 'vriend' in de passage Jan Walravens is, lijkt me allerminst uitgesloten:

Een vriend vroeg u een tijd geleden om tot een soort letterkundig genootschap toe te treden... en ge verondersteldet dat hij een soort van nieuwe pleiade uit de grond wenste te stampen, iets dat een nieuwe bladzijde zou omslaan in onze literaire geschiedenis. En uw vriend deelde u tevens mee dat verscheidene jongere schrijvers en dichters reeds principieel hadden toegezegd. Zie, en juist in die principiële toezegging ligt het hem. Zij is het knooppunt, de struikelsteen, de verraderlijke spiegel van onze tijd, de grijnzende leegte, de onmacht, de radeloosheid, de angst en de vertwijfeling van onze eeuw. Boon heeft grote problemen met het 'principiële', omdat hij dat ziet als synoniem voor halfslachtigheid en lafheid: 'Zij wilden hun toestemming geven, voor het geval dat zij daarmede positieve voordelen gingen behalen, maar hun toestemming bleef principieel als zij daar negatieve last en hinder gingen door krijgen'. Híj zou slechts overwegen toe te treden tot een schrijversgroep met als enig doel belangenbehartiging: 'En als er nu één reden te zoeken is om tot een genootschap toe te treden, dan is dat niet om een nieuwe richting, een nieuwe vorm, een nieuwe inhoud...niet om gezamenlijk aan existentialisme of surrealisme te doen (...) maar wel integendeel, zoals ik het dikwijls heb gezegd, om ons syndicaal te verenigen.' Zijn ideaal is een soort schrijversvakbond op anarchistische grondslag.

Ondanks het ook weer mislukken van de plannen die Walravens met Claus had om Janus op te richten, bleef hij na zijn eerste persoonlijke ontmoeting in oktober 1948 in contact met Boon. Op 8 maart 1949 neemt Walravens in een brief aan Claus even allerlei lopende zaken door: 'Van de vrienden weet ik zeer weinig. Boon heeft zijn 30-jarige zuster verloren en dat heeft hem groot verdriet gedaan'. Dat is het begin van een opsomming met overige faits divers uit het dagelijks leven van een clubje schrijvers. Dat wijst weliswaar niet op zeer intieme omgang, maar toch ook op meer dan een onpersoonlijke band.

Wat hoe dan ook vaststaat, is dat er met Boon kort vóór verschijning van Tijd en Mens opnieuw overleg moet zijn geweest over - op zijn minst - medewerking aan dat nieuwe plan en dat Boon toezegde. De circulaire die vóór het eerste nummer de deur uitging, kondigde immers een bijdrage van hem aan die in het tweede nummer van Tijd en Mens verscheen. Bovendien sprak Boon bij de officiële presentatie in Mechelen.

Na eerder geweifel, deed Boon nu dus min of meer mee. Op dit punt kan niet voorbijgegaan worden aan een buitenliteraire reden die bij hem meegespeeld moet hebben in zijn besluit om ineens ja te zeggen. Ik noemde Boons moeilijke financiële situatie al. De financiën hebben mogelijk ook een rol gespeeld met betrekking tot deelname aan Tijd en Mens. Boon kon als voltijds schrijver slechts met grote moeite aan de kost komen. Achteraf erkent hijzelf dan ook slechts één reactie te hebben gehad op het verzoek om medewerking:

De goden mogen mij vervloeken, maar het allereerste wat ik aan Jan Walravens antwoordde was: 'Hoeveel kan ik daaraan verdienen?' Denk nu niet dat ik een laag-bij-de-grondse materialist was. Maar vanaf mijn zeventiende jaar had ik meegewerkt aan allerlei extreem-linkse bladen, en daar nooit een cent voor ontvangen. En nu naderde ik stilaan de veertig jaar en dacht ik: een metselaar of een loodgieter, of een fabrieksarbeider verdienen zoveel per uur, en als dit niet voldoende is om hun huisgezin te redden, gaan ze in staking en willen ze opslag. Ik stond aan hun zijde en gaf ze gelijk. Maar hoe moest dat dan met mezelf? Moest ik dan verdomme mijn leven lang voor nietsniemendal werken? Wat Boon aan het in eigen beheer te verschijnen Tijd en Mens kon verdienen was simpel, dat was niets. Integendeel, normaal werd zelfs verwacht dat groepsleden betaalden. Een verzoek dat aan de Aalsterse schrijver niet gedaan zal zijn. Walravens probeerde juist door hem zo zeer gewenste medewerking voor Boon ook financieel aantrekkelijk te maken.

Zo werd een constructie gevonden waardoor meewerken aan Tijd en Mens Boon uiteindelijk - indirect - ook inkomsten opleverde. Walravens had het plan bedacht om Boon als feuilletonschrijver aan een inkomen te helpen. De liberaal Julius Hoste, eigenaar van Uitgeverij Het Laatste Nieuws, was Walravens' hoogste baas, zowel bij de krant als bij het populaire weekblad De Zweep, dat door Walravens geredigeerd werd. Het was Boon eerder al duidelijk gemaakt dat de liberale uitgever absoluut niet genegen was een - weliswaar voormalig maar toch - communist in de kolommen van zijn bladen te tolereren. De positie van feuilletonschrijver zou echter financieel en qua werk aantrekkelijk zijn. Dat was bij de liberale pers dus uitgesloten, maar Walravens was in de praktijk de enige redacteur van De Zweep. Hij kon Boon zo onder allerlei schuilnamen pulpverhalen laten bijdragen, zonder dat directie of loonadministratie van Het Laatste Nieuws daarvan weet hadden.

Boon is dus door Walravens gevraagd mee te doen, maar is niet feitelijk betrokken als oprichter van Tijd en Mens. Zijn eerste bijdrage verscheen in Tijd en Mens 2 en redacteur werd hij pas vanaf de vierde aflevering, ergens in het voorjaar van 1950. Achteraf heeft hijzelf zijn deelname dan ook behoorlijk gerelativeerd: 'Het was een gelegenheid om eens samen te komen: we vergaderden bij Geert van Bruaene in La fleur au papier doré, we praatten en we dronken een pintje. Dat was zalig. Het tijdschrift zelf heeft weinig betekenis gehad en ik heb er weinig aan meegewerkt.' Een telling van Boons bijdragen aan vijf jaargangen Tijd en Mens bedraagt echter een twaalftal, waaronder fragmenten uit Zomer te Ter-Muren en Wapenbroeders, het 45 pagina's lange gedicht De kleine Eva uit de Kromme Bijlstraat en enkele niet onbelangrijke polemische stukken. Dat wijst toch niet op totale indifferentie.

Maar ook zijn feitelijke betrokkenheid bij het blad was groter dan hij hier suggereert. Hij werd officieel pas vanaf de vierde Tijd en Mens redacteur, na lange aarzeling. Daar staat tegenover dat hij enige tijd later, als opvolger van Van de Kerckhove, wél het redactiesecretariaat op zich nam. Hij deed dat kort, maar het was - zo blijkt uit brieven van Walravens - beslist bedoeld als meer dan een louter ornamentele functie. Vanaf april 1953 vormde hij tenslotte met Claus en Walravens de redactie van Tijd en Mens, die zonder overleg met de groep gedrieën (Boon net als Claus per brief) de laatste zeven nummers samenstelde. De voltallige groep kwam na 1953 nog maar één keer bijeen: toen Tijd en Mens op zaterdag 16 april 1955 ten huize van Boon in Erembodegem opgeheven werd.

Er zijn ook uit de beginperiode aanwijzingen dat Boon zich wel degelijk betrokken voelde bij Tijd en Mens. Zo vertrok direct na het eerste nummer de jonge proza-schrijver Hans van Acker uit de groep, met een zeer stevige brief aan de mede-redactieleden. Boon, op dat moment nog geen redacteur en ook geen groepslid, heeft van die ruzie gehoord en werpt zich per brief meteen op als bemiddelaar. Hij schreef Hans van Acker meteen de dag na de vergadering in Brussel waar zijn vertrek aangekondigd was. Hij had over Van Ackers ontslagname dus bijzonder snel gehoord, 'langs een paar vrienden om' zoals hij schreef, zonder twijfel Ben Cami en Marcel Wauters, die hem direct na hun eerste vergadering zaterdagsmiddags (of op hun traditionele zaterdagavond?) in Aalst verslag moeten hebben uitgebracht van hun ervaringen met de Tijd-en-Mensers.

Eerst en vooral: ik las in het eerste nummer van Tijd en Mens uw bijdrage: laat u niets wijsmaken door de critiek, als zou het iets van uw mindere werk zijn, want naar mijn bescheiden mening was u integendeel het glanspunt.

Het verwonderde mij dan ook, langs een paar vrienden om te vernemen dat u precies weinig of niets meer met Tijd en Mens wilt te maken hebben. Er was sprake van een brief die ge zoudt hebben geschreven, die brief werd niet voorgelezen. Gaarne vernam ik van uzelf de reden - en dit niet uit onbescheidenheid, doch veel meer omdat het een zaak is die mij ter harte gaat: graag zag ik de jongeren - de werkelijke jongeren, die wat in de geestelijke pap hebben te brokken - verenigd rond elkander staan. Heeft men vergissingen begaan met sommigen als redactieleden te aanvaarden, die werkelijk een hinderpaal, een struikelsteen of een steen des aanstoots in uw ogen zijn, zeg het mij dan: uit de begane vergissingen kunnen wij de les trekken opnieuw, en beter, van wal te steken.

Voor alles onthult hij hier weer een mogelijke verklaring waarom hij zich zo ambivalent opstelt ten aanzien van Tijd en Mens: hij beschouwt het blad duidelijk als een jongeren-aangelegenheid, en wilde kennelijk dat de nieuwe generatie het onder elkaar uitzocht. Hij lijkt de voorkeur te geven aan de rol van peetvader of liever nog peetoom: op afstand betrokken. Dat laat één opmerkelijke zin onverklaard: 'uit de begane vergissingen kunnen wij de les trekken opnieuw, en beter, van wal te steken'. Vanwaar die eerste persoon meervoud? En vanwaar die collectieve draagkracht? Pas vanaf het vierde nummer trad hijzelf openlijk toe. Het heeft er alle schijn van dat hij voordien al achter de schermen zijn partijtje meeblies. Overigens liet Van Acker liet zich niet overtuigen door Boons briefje en was hij al in Tijd en Mens 2 vertrokken.

Toch deed Boon pas officieel mee in het vierde nummer van Tijd en Mens. Hij werd toen voor het eerst vermeld onder het 'Beheer' van de groep. Op 18 februari 1950 was het voor Walravens kennelijk nog nieuws genoeg om speciaal in een brief te melden dat de Aalstenaar écht mee ging doen: 'Nu heeft Louis Paul Boon ons zijn herwerking van 'Reinaert de Vos' gegeven. Het stuk verschijnt in nummer vier. Het is een waar meesterwerk. Het zal, geloof ik, een plof geven. Wij zijn er allen ongelofelijk gelukkig mee. Louis Paul Boon heeft tevens toegestemd lid te worden van de redactie.'

De redactionele praktijk bewijst dat Boon zich serieuzer bemoeide met de zaken dan hij achteraf vaak zegt. Een voorbeeld hiervan bieden de conflicten met Remy van de Kerckhove die binnen de redactionele groep van Tijd en Mens plaatsvonden over de te volgen koers. De tegenstelling culmineerde in het ontslaan van alle andere redacteuren, en het eigenmachtig samenstellen van een nieuw nummer door Van de Kerckhove en enkele Mechelse geestverwanten.

Achteraf bagatelliseert Boon de ruzie die daarop ontstond tussen de groepsleden. In de Memoires van Boontje blikt hij op goedmoedige terug op Van de Kerckhoves gedrag: 'Op zekere dag kreeg ik ruzie met hem - God en Marx mogen nog weten waarom - en schreef hij mij een brief... Al zijn vroegere brieven begonnen met 'Beste Boontje', maar na de ruzie schreef hij een brief die begon met 'Boon'... We waren verplicht een nieuwe vergadering te beleggen om aan die ruzie een eind te maken. Want wat had Remy gedaan? Gewoon een ander nummer van Tijd en Mens samengesteld, waarin hij de hele redactie buitenwierp en een andere redactie er voor in de plaats bracht. Wat mezelf betrof, heb ik me daar tranen om gelachen, maar de anderen waren woest.'

In werkelijkheid was ook Boon naar aanleiding van Van de Kerkchoves eigenmachtige optreden het lachen bepaald vergaan, zo bewijst de kladversie van zijn antwoord op Van de Kerckhoves handelwijze. Het staat niet vast dat die brief daadwerkelijk verstuurd is - het lijkt mij overigens zeer waarschijnlijk - maar het laat hoe dan ook ondubbelzinnig zien wat Boons mening over de Mechelse actie was. Hij eindigt zijn brief aldus.

Ik protesteer dan ook, waarde vriend, tegen zulk een brutaal en eigenmachtig optreden, en vraag beleefd doch dringend om dit optreden ongedaan te maken, het vroegere beheer in zijn rechten te herstellen en de nieuwe ietwat [...] redactie te laten aftreden, om dit antwoord in het volgend nummer van dit tijdschrift te publiceren. Wanneer ik hierop binnen de veertien dagen geen bevestigend antwoord mocht ontvangen... of wanneer, zelfs bij ontvangst van een bevestigend antwoord, geen volgend nummer mocht verschijnen... zal ik mij verplicht zien zélf deze dingen uit hun scheef daglicht te halen.

Met vriendelijke groeten,

L.P. Boon
 

Een onverholen machtswoord. Boon heeft zich er dus helemaal geen 'tranen om gelachen'. Verder bevestigt zij terloops feiten die eerder al zeer waarschijnlijk geacht konden worden: Boon had een hele dikke vinger in de pap. Uiteindelijk resultaat van deze ruzie was dat Van de Kerckhove vertrok en Boon redactie-secretaris van Tijd en Mens werd. Een weinig succesvolle keuze, zo bleek al snel - zodat uiteindelijk Walravens de officiële functie op zich nam, met naast zich alleen Boon en Claus, volgens allen de belangrijkste redacteuren.

De laatste jaren van Tijd en Mens waren op zich niet de slechtste wat betreft gepubliceerd werk. Maar de dynamiek van een groep had het blad niet meer. Na het tumultueuze afscheid van Van de Kerckhove en de zijnen was er nog één vergadering geweest waarop besloten werd aan het driemanschap alle macht te geven en de overige leden (waaronder trouwens al snel weer Van de Kerckhove) als 'groep' in het tijdschrift te vermelden. Die groep kwam echter tot aan de opheffingsvergadering nooit meer bijeen. Ook het driemanschap vergaderde nooit echt. In de praktijk verrichtte Walravens het redactiewerk dat moest gebeuren en correspondeerde hij met Boon in Erembodegem en Claus in Italië over plaatsing van ingezonden werk.

Ook binnen het driemanschap was men niet altijd unaniem - zelfs niet over elkaars bijdragen. Zo stelde Claus zich in een brief van februari 1954 zeer kritisch op ten aanzien van Boons lange gedicht 'De kleine Eva uit de Kromme Bijlstraat', dat uiteindelijk wél in Tijd en Mens zou verschijnen.

Het gedicht van Boon is zeer ongelijk en ik vind het als geheel mislukt. Dat is heel jammer want er staan prachtige gedeeltes in. Nu heb ik het niet over minder-goede passages daartegenover, maar over de verzameling van leemtes, flauwheden die over de 50 bladzijden gezaaid liggen. Dit is te wijten ook aan het opzet van het filmscenario-achtige relaas in kleine flitsjes. Dat mij persoonlijk als vervelend-gedemodeerd aandoet. 1927-28. Frank van de Wijngaert en anderen. Dit pointillisme is onverdragelijk geworden. Dit en de woordspelingen die écht niet grappig of interessant zijn rekken op zulke wijze de spanning van het verhalende uit, dat ik mij erger. Claus stond niet alleen met zijn reserves. Ook Walravens zag Boons ontwikkeling in de laatste Tijd en Mens-jaren af en toe met lede ogen aan. Najaar 1953 al sprak hij tegenover Claus een negatief oordeel uit over het meest recente geschrift dat hij onder ogen had gehad. 'Ik heb het manuscript ontvangen van zijn nieuwe roman Niets gaat ten onder, een affreus slecht geschreven boek, met misschien de vérstgaande inhoud die ik ooit in het Nederlands gelezen heb. Een ontstellende inhoud (in één woord: Assassins d'eau douce). Maar 'normaal' geschreven en ongelofelijk stuntelig.' Nu moet de laatste opmerking misschien gezien worden in het licht van de zeer verrassende stijl en vorm van het toen recent verschenen De Kapellekensbaan, maar evengoed liegt de kritiek er niet om.

Op Claus' zojuist geciteerde bezwaren tegen 'De kleine Eva' reageerde Walravens ook met instemming: 'Met je beoordeling van de ingezonden teksten ben ik het helemaal eens en vooral met wat je schrijft over Boon. Hij gaat niet meer vooruit, onze Boon. Hij trappelt ter plaatse en maakt grapjes. Ondertussen zal wel niemand in Vlaanderen het hem nadoen. Maar toch... ik zal dus nogmaals aandringen opdat hij zijn tekst zou herwerken, wat ik al gedaan heb maar hij schijnt er zo tegen op te zien om zijn handen te zetten aan iets waarvan hijzelf meent dat het af is...' Of Boon nog iets veranderde aan de tekst is onduidelijk: 'De kleine Eva' vulde uiteindelijk 35 pagina's.

Intern was de vaart er wel zo'n beetje uit bij Tijd en Mens. Walravens begon eind 1954 in te zien dat op zijn minst een nieuwe inhoudelijke wijziging gewenst was, maar de eerste reacties op een concreet voorstel in die richting waren niet hoopgevend. Boon bleek duidelijk urgenter problemen te hebben dan de voortgang van Tijd en Mens.

'Verandering'... mij best! Ik wou dat ik een vaste djob had (dat inspecteurschap lijkt me net geknipt) en dan doe ik mee met al wat ge wilt. Ondertussen moet ik, wat weemoedig, u alleen zien vechten. Doe verder iedere avond een schietgebed - schiet desnoods als bidden niet voldoende is. Eenmaal die djob in handen, 'veranderen' wij tot het hen allen geel en groen voor ogen wordt.

Uw Louis

Het was natuurlijk niet nieuw dat Boon zich gereserveerd opstelde ten opzichte van het blad en ook Claus had in de loop van het bestaan van Tijd en Mens al meermalen met opstappen gedreigd. Walravens was dan steeds de montere verzoener geweest. Nieuw is dat hij op de valreep van 1954 zelf ineens alle enthousiasme kwijt was. Met de huidige instelling van zijn beide mederedacteuren was het blad niet meer levensvatbaar, zo schrijft hij Claus. Vooral het praktische werk werd hem te veel, hoewel hij ook merkt dat zijn medestrijders van het vroegste uur ook tekenen van aanpassing en verburgerlijking leken te vertonen, zo schreef hij op tweede kerstdag 1954. [Ik] voel (...) er niet veel voor om het nog voort te doen als secretaris. Wel als redacteur met jou en Boon. Maar Boon is nu op de redactie van Vooruit (heb ik je dat al geschreven?), rijdt per auto, is Ridder in de Kroonorde geworden en lid van de Leidse Maatschappij. Wat niets belet, maar toch zijn geestdrift voor Tijd en Mens gevoelig zal bekoelen, denk ik. Eigenlijk weet ik het niet. Ik word het hele spelletje wat moe, goede vriend Claus, en dat komt toch niet helemaal door de onafgebroken speldenprikken, massieve aanvallen met goedendags of maar gewone vernederingen die een heleboel heren in alle soort katholieke of niet-katholieke bladen en tijdschriften aan mijn adres lanceren. Ik antwoord vinnig en dat is nog altijd amusant en vervangt bij mij de sportbeoefening. Maar toch... Brengt het allemaal veel op? En zonder een klein beetje vriendschap gaat het toch ook niet. In het voorjaar van 1955 werd besloten een ultieme vergadering te beleggen, nu met de hele groep, om te zien of er nog iets te beginne viel met Tijd en Mens. Die bijeenkomst vond uiteindelijk plaats op zaterdag 16 april 1955 ten huize van Boon in Erembodegem.

Op de vergadering besloot men al snel tot de definitieve opheffing van Tijd en Mens. Boon zelf tekende de sfeer achteraf met de gebruikelijke nonchalance.

Claus deed allang niet meer mee, hij woonde in Parijs of in Rome. Ik was het beu als koude pap. En aan alle kanten stonden jongeren te trappelen - ja, wij waren plots niet meer de jongeren, maar de gevestigden - om onze plaats in te nemen.

We hielden nog een laatste bijeenkomst, bij mij aan huis, om te zien wat nog kon gered worden. En daar was Claus dan plots wél bij, want hij bleek niet in Rome of Parijs te zitten, maar in Gent te wonen. Hij zag niet het nut in van een tijdschrift, zei hij. Ik had echt spijt voor Jan, maar ik zag er evenmin nut in.

Met tranen in de ogen zei Jan: 'Dan plegen we zelfmoord!' Och kom, zelfmoord... de volgende dag verscheen een nog nieuwer tijdschrift, Gard-Sivik, waarvan al de van ongeduld trappelende jongeren meewerkten, en ons uitmaakten voor hopeloos verouderden.

Het is natuurlijk maar zeer de vraag of Walravens wel zo bedroefd was om de opheffing van het blad. Hij was zich allang bewust van het feit dat het blad hoe dan ook had te veranderen, als men er al mee wilde doorgaan. In zijn uitnodiging overwoog hij zelf met nadruk de mogelijkheid te stoppen, met als argument dat juist een jongerenblad van ophouden moest weten.

Het woord 'zelfmoord' is Walravens wel blijven gebruiken wanneer hij over de opheffing van Tijd en Mens sprak, zoals in de inleiding op de bloemlezing uit de avantgarde-poëzie Waar is de eerste morgen?. Daarin benadrukt Walravens zelf nog eens het belang van Tijd en Mens voor de literatuurvernieuwing in Vlaanderen en wordt Boon aangehaald als belangrijke medestander. Die bloemlezing verscheen kort na het opheffen van Tijd en Mens, in de zomer van 1955.

Het moet voor Walravens een keerpunt zijn geweest. Over de veranderingen in Boons bestaan hoorden we hem al: een vaste baan, een ridderorde en lid van de prestigieuze Maatschappij voor Nederlandsche Letterkunde. Ook Claus zette een punt achter het bohémien-bestaan door terug naar Vlaanderen te komen, zich te vestigen in Gent en in het huwelijk te treden. Literair was de strijd voor de nieuwe literatuur eveneens gestreden - een periode van grote luwte trad in. Ook voor Walravens zelf trouwens, die achteraf bekeken zijn meest productieve periode langzaam aan begon te beëindigden en in de jaren die volgden steeds vaker genoodzaakt was voor het geld allerlei journalistieke opdrachten te aanvaarden, onder meer voor Nederlandse kranten en later voor de Belgische televisie. In de jaren die volgden viel het met de intensiviteit van de contacten erg mee. Als Walravens Boon in 1959 verzoekt iets af te staan voor een herdruk van Waar is de eerste morgen begint Boon zijn antwoordbrief: 'Het doet mij echt veel genoegen weer eens een briefje van u te ontvangen, de tijd toen ik twee keer per week een brief naar u mocht sturen, zal ik nooit vergeten. Je hebt me toen door het oog van de naald getrokken.' Dat laatste is uiteraard een verwijzing naar Walravens' bemoeienissen om Boons bijdragen in De Zweep gepubliceerd te krijgen.

Ook latere briefcontacten staan duidelijk in het teken van vroeger. Ze duiden op veel persoonlijke warmte, maar weinig actuele ontwikkelingen. In september 1960 nodigde Boon hem uit naar Aalst: 'De stad Aalst wil officieel een cultuurweek inrichten en vraagt mij om een literaire avond op touw te zetten. Ik dacht onmiddellijk aan u (ik denk steeds onmiddellijk aan u en pas daarna aan Brigitte Bardot) om daar in Aalst eens te komen spreken over Tijd en Mens'. Hetgeen Walravens deed, alhier op 22 oktober 1960.

Dit blijft het beeld tot aan Walravens' dood in juli 1965: sporadische, vriendschappelijke briefjes die steunen op een vroegere vriendschap. Desondanks vertelt Boon bij herhaling hoeveel indruk het overlijden van Jan Walravens op hem gemaakt heeft. Nu was wat dat aangaat voor Boon 1965 een rampjaar: op 29 januari was hem Gaston Burssens ontvallen, een van zijn oudste literaire medestanders, en nog geen maand vóór Walravens overleed Richard Minne. Achteraf noemt Joos Florquin in een interview met Boon Walravens 'een van uw beste vrienden'. Boon beaamt dat: 'Ja, echt, ik heb daar erg veel verdriet om gehad, om Jan. Het noodlot is ermee gemoeid: al mijne goeie vrienden verdwijnen. Het spreekwoord zegt: de goeie gaan en de slechte blijven: Jan Walravens, Richard Minne, Gaston Burssens, al die mensen waar ik letterlijk iets aan had, waarvoor ik in feite schreef. Want als ge een boek schrijft dan denkt ge aan iemand. Ge schrijft en ge denkt ondertussen: als die dat zou lezen, die zou zeggen dat is goed, dat is fijn, dat is mooi. Wel, al die mensen waarvoor ik geschreven heb, zijn weg, Richard, Gaston, Jan, en ja, als ik nu zit te schrijven weet ik eigenlijk niet voor wie ik nog moet schrijven'.

Zoals gezegd: het brandpunt in de vriendschap tussen Walravens en Boon lag in de Tijd en Mens-periode. Of dat nu de financiële steun gold die Walravens voor Boon wist te organiseren of de deelname aan het scharnierpunt richting algehele acceptatie van de door Boon daarvoor al zolang bevochten literaire vernieuwing. Boon zelf lijkt achteraf soms weinig belang te hechten aan zowel zijn redacteurschap als aan de betekenis van Tijd en Mens. Tegen Joos Florquin antwoordde hij op de vraag wat Tijd en Mens voor hem betekend heeft: 'Buiten de vriendschap met Jan Walravens en de bijeenkomsten met andere jongeren, zeer weinig.' Ik meen met het voorafgaande te hebben laten zien, dat Boons betrokkenheid toch ook bepaald niet geheel vrijblijvend was. En achteraf had Boon het ook niet altijd alleen maar over de vriendschap tussen hen beide. Boon gaf aan Walravens wel degelijk ook de nodige credits op inhoudelijk vlak: 'Hij was onze chef, onze aanvoerder, onze kapitein van de bende. Wij schreven zomaar wat, Hugo Claus, Maurice D'Haese en ik. En wij maakten verzen, Bontridder, Cami en Wauters. Maar Jan wist wat wij ermee bedoelden. Jan gaf het vorm en inhoud en zin. Als iemand onze literatuur veranderd heeft, dan moet hij daar verantwoordelijk voor gesteld.' En dat is toch niet niks, als die eer je toegeschreven wordt door een vriend die ook nog eens een van 's lands grootste schrijvers is.
 
 

Gebruikte literatuur

Louis Paul Boon, Brieven aan literaire vrienden, Amsterdam 1989
Jos Joosten, 'Zijn of niet zijn. Over Boons eerste contacten met Jan Walravens en Tijd en Mens', in: De Kantieke Schoolmeester, 6/7(dec. 1994/jan. 1995), p.429-457
Jos Joosten, Feit en tussenkomst. Geschiedenis en opvattingen van Tijd en Mens (1949-1955), Nijmegen 1996
Jos Joosten, 'Een geslaagde mislukking. 50 jaar Tijd en Mens: instituut of voorbode?', in: Dietsche Warande en Belfort, 144(1999), 4 (okt), p.561-575.