© 1991 Jos Joosten, Nijmegen

verschenen in: de Biels, 1(1991), 2(okt), [p.25-29].
 

De definitieve debuten van Jeroen Brouwers

De wens is de vader van de gedachte, de jonge schrijver een kind van Jeroen Brouwers. Als er iemand is, aan wie je je als beginnend letterkundige kunt spiegelen is het wel de Exelse kluizenaar. Ik ben benieuwd hoeveel gelauwerde schrijvers over twintig jaar zullen zeggen dat wezenlijke invloed op hun oeuvre en literair denken aanvankelijk is uitgeoefend door de brieven, polemieken, necrologieën en, natuurlijk, het verhalend proza van Jeroen Brouwers. Alles wat de praktiserende schrijver bezighoudt, vindt je terug in Brouwers’ oeuvre; niemand anders biedt zo’n onbeperkte blik in de keuken van het letterkundig restaurant. De hele persoon met de (schrijvers)naam Brouwers ligt voor je op tafel, zodra daar een van zijn werken ligt. Het lijkt haast jammer dat je het als schrijver ook nog ergens over moet hebben. Alleen dit leven is al voldoende als thematiek voor een oeuvre.

Maar de verhouding tussen de literatuur en het werkelijke leven is bepaald niet ongecompliceerd. Meer dan eens wijdde Brouwers er een paar behartenswaardige regels aan, zoals in De zondvloed: ‘De autobiografie van de schrijver is niet de weergave van werkelijk (of waarlijk) door hemzelf "beleefde" gebeurtenissen, maar is zijn werk zèlf. De "historische werkelijkheid" doet er al helemaal niet toe, daar "historie" niet bestaat, "werkelijkheid" niet bestaat, en weldra de schrijver-persoonlijk niet meer bestaat.’ In het verlengde hiervan ben ik ervan overtuigd dat de dikke brievenboeken van Brouwers, hoewel namen, plaatsen en gebeurtenissen ongetwijfeld overeenkomen met de ‘werkelijke’ werkelijkheid, als puur fictioneel beschouwd moeten worden. Trouwens, ook de grote meester zelf heeft ooit gezegd dat de overeenkomst tussen de brieven in boekvorm en zoals ze werkelijk gestuurd zijn, bijna nihil is.

Het is niet verbazingwekkend dat in alle pagina’s over het eigen schrijverschap ook het debuut al eens aan bod kwam. In Groetjes uit Brussel beschrijft Brouwers hoe een jonge Wim Hazeu van het Delftse, toen nog gestencilde blaadje Kentering, ergens in 1960 bij zijn ouderlijk huis aanbelt om een exemplaar van zijn tijdschrift af te leveren. Daarin Brouwers’ eerste gepubliceerde verhaal: ‘...ziehier mijn debuut in de letteren in een literair tijdschrift, kijk, daar staat mijn naam.’ Zo schrijft Brouwers nog steeds enigszins triomfantelijk in Groetjes. Nadat hij de slotzin van het verhaal citeert, vervolgt hij, volgens mij niet zonder ironie: ‘Dat is niet leuk of alleraardigst, dat is héél goed, zeg nou zelf, -eenvoudig en toch vol kosmos. Nederlandse literatuur kijk nu goed uit, want hier kom ik!’

Na dit verhaal, ‘De ring’, dat in september 1960 in Kentering stond, publiceerde hij nog één ander in hetzelfde blad. In het erop volgende novembernummer verschijnt ‘Profeet’. De eerste twee zinnen daarvan zijn te typerend om niet te citeren: ‘Nu kende iedereen hem. Als een auteur wie het eindelijk gelukt is zijn eerste boek te laten verschijnen.’ Deze regels wijzen twee kanten op. Aan de ene kant natuurlijk naar de jonge Brouwers, die zijn eerste verhaal geplaatst zag. Aan de andere kant geven ze ten dele ook iets van zijn latere obsessie weer: zijn naam zal niet in de mist van de eeuwigheid verdwijnen. Opvallend is hier het contrast met de, naar het aanziet op alle fronten mislukkende, schrijver in Brouwers’ magnum opus De zondvloed, bijna dertig jaar later. Die heeft vier boeken geschreven, maar niemand kent hem of neemt hem als schrijver serieus: ‘Klaarblijkelijk heb ik nooit iets geschreven en ben ik helemaal geen schrijver’, zegt de oudere auteur.

Als we over het debuut spreken, betekent dat niet direct dat we het ook over het eerst geschreven verhaal hebben. Niet in de werkelijke werkelijkheid en niet in de literaire. In De zondvloed noemt de auteur Jeroen Brouwers het eerste verhaal dat hij schreef Orpheus, naar de Griekse mythologische dichter. In het hele boek is de Orpheus-thematiek hardnekkig aanwezig. Dat is niet vreemd, want juist deze mythologische dichter symboliseert precies waarvoor Brouwers’ schrijverschap staat: het maken van (dicht)kunst die sterker zal blijken dan de dood. De aan de Orpheus-mythe ontleende thema’s zijn in De zondvloed legio. In de slotpassage, bijvoorbeeld, daalt de ik-figuur een trap af en verdwijnt onder water. Orfischer kan het niet: de oude Griekse zanger daalde tweemaal af in de onderwereld en dreef, als lijk zijnde, een tijd in het water. Het einde van Orpheus lijkt zo op het einde van het schrijversleven van de ik-figuur. Maar je hoeft niet lang te zoeken als je Orpheus wilt opduiken uit De zondvloed, hoewel Brouwers de symboliek zeer vrij toepast en vervlecht met allerlei andere motieven, thema’s en verhaallagen. De geliefde die de ik-figuur uit de onderwereld haalt, vind je in het boek. De onderwereld zelf kun je, denk ik, in diverse gedaanten terugzien: als de verlaten plaatsen waar hij zijn geliefden ontmoet en als de opslagruimtes van de uitgever waar zijn boeken verborgen liggen. Net als Orpheus trekt de ik-figuur in De zondvloed zich terug in eenzaamheid en vermijdt hij iedere omgang met andere mensen. In zijn eenzaamheid wordt Orpheus verstoord door de vrouwen van Thracië, bacchanten die boos zijn dat Orpheus afziet van alle omgang met het vrouwelijk geslacht en hem uiteindelijk doden. De ik in De zondvloed trekt zich terug in een boshuis, de enigen die daar de rust komen verstoren zijn loodgieters en technici voor de telefoon. Ondanks het feit dat een slimme meid tegenwoordig op haar toekomst is voorbereid, valt het toch op dat deze bezoekers zonder uitzondering van het vrouwelijk geslacht zijn.

Zelfs wanneer je er niet speciaal op let kun je in De zondvloed niet om Orpheus heen. De Griek wordt bij name genoemd in de titel van het middendeel van de roman. Dat is meteen ook de plaats waar we Brouwers’ andere debuut tegenkomen. De bladzijde ervoor kondigt hij dit deel van het boek aan: ‘Toen de schrijver aan het begin van zijn loopbaan zijn allereerste verhaal schreef, getiteld ‘Orpheus’, en hij het onder zijn handen zag mislukken, stond hem eigenlijk voor ogen het hier nu volgende verhaal te zullen schrijven.’ Zoals veel herinneringen in het boek vanuit een ander perspectief terugkomen, wordt ook dit eerste verhaal vaker genoemd in De zondvloed: ‘Dat "Orpheus"-verhaal van hem, in dat blad, zijn "debuut in de letteren", is een rotverhaal, zo weet hij zeker, en zijn verloofde is een rotwijf.’

Is dit ‘slechts’ fictie? Nee. Dat ‘Orpheusverhaal van hem’ is ook in de ‘historische werkelijkheid’ verschenen. Voor het eerst in het augustusnummer uit 1961 van het tijdschrift Aristo en later in een uitgebreidere versie als openingsverhaal van zijn debuutbundel Het mes op de keel uit 1964 (waarin overigens ook een sterk bewerkte nieuwe versie van ‘De ring’ met de titel ‘Dode vrucht’). De eerste versie verscheen dus een jaar na Brouwers’ echte debuut. Maar, de datering onder ‘Orpheus’ in Aristo is van een jaar eerder: ‘augustus 1960’. Dat geeft in ieder geval aan dat het voor Brouwers het jaar ervoor een drukke oogstmaand was geweest. ‘De ring’, het verhaal uit Kentering, had als datering 12/13 augustus 1960. ‘In die tijd schreef je in twee dagen een verhaal’, verzucht Brouwers later in Groetjes uit Brussel, wanneer hij deze datum terugziet.

Orpheus heeft Brouwers later niet meer opnieuw gepubliceerd in zijn verzamelbundel Verhalen en levensberichten. In een interview met Johan Diepstraten zei hij: ‘Verhalen die van meet af aan slecht waren, zoals "Orpheus", heb ik niet opgenomen. Maar omdat het Orpheus-thema tal van keren gevarieerd terugkomt in later werk, moest ik wel een verhaal kiezen dat er enigszins aan verwant is.’ Dat wordt ‘Thijmen Hoolwerf’ eveneens afkomstig uit Het mes op de keel. Toch is er reden om ook Orpheus nog even verder te bekijken.

In 1961 woonde Jeroen Brouwers in Nijmegen. Een enigszins cruciale scène in De zondvloed speelt zich in diezelfde stad af. Brouwers noemt Nijmegen weliswaar niet met name, maar de beschrijving is te herkenbaar. Aan de Waal, in de Benedenstad, wisselt de ik-figuur ringen uit met zijn aanstaande, Laura. Zij was bibliotheekjuffrouw en in de leeszaal hadden ze elkaar ontmoet. De ring keert in het hele boek terug als motief. Hij symboliseert de dwang van het huwelijk, de beknelling, aangepastheid, ingeslotenheid: alles waar de ik-figuur zich in het midden van zijn leven van wil losmaken. Weer blijkt dat er niets is dat niet aan iets anders raakt: in Brouwers’ echte debuut, ‘De ring’, vindt een (weliswaar oude) bibliotheekjuffrouw op haar werktafel een ring. Wie die daar uiteindelijk heeft neergelegd blijft onduidelijk, de vrouw gaat dood. Een oppervlakkige parallel, maar toch net weer niet toevallig genoeg om voor Brouwers niet een verwijzing naar zijn eigen debuut te zijn, dacht ik.

In Nijmegen ook maakt Brouwers, in de historische werkelijkheid, kennis met medewerkers van het tijdschrift Aristo. Jaren later, op 19 maart 1978 schrijft Brouwers erover aan Jaap Goedegebuure: ‘(...) ik [kwam] "als vanzelf" in contact met de redacteuren (...) o.a. met de zich Henk van Gelre noemende Henk Jansen en met Wim Zaal. Ik "schreef" toen al, en die Henk van Gelre griste mij de verhaaltjes onder mijn handen vandaan, met het oogmerk ze in Aristo te plaatsen.’ Aristo was een orthodox katholiek blad met algemeen-culturele strekking, onder redactie van de tegendraadse pater Wouter Lutkie. Historisch gezien was het tijdschrift in politiek opzicht nogal onfris: het had in de dertiger jaren wel erg hard om een sterke leider geschreeuwd en zijn verwantschap met het Italiaanse fascisme niet onder de korenmaat gestopt. In de negenentwintigste jaargang waarin Brouwers eenmalig zijn opwachting maakt, wekt het blad weliswaar nog steeds een zeer katholieke maar ook een zeer uitgebluste indruk. De lezersschare is die jaren tamelijk aan uitdunning onderhevig, blijkens de talrijke in-memoria. ‘Wist ik veel!’, schrijft Brouwers met betrekking tot het karakter van Aristo in zijn brief aan Goedegebuure en hij vervolgt: ‘Zo kwam er één verhaaltje van me in dat blad terecht; volgende verhaaltjes waren alreeds te "vies" en te onrooms en kwamen er dus niet in terecht.’

In vergelijking met de versie in Het mes op de keel, van drie jaar later, levert de jonge Brouwers aan de katholieken inderdaad nog een erg nette Orpheus af. Een later toegevoegd motto van Ed. Hoornik met evidente geloofstwijfel ontbreekt in Aristo, evenals een passage waarin de ik-figuur zelf zijn twijfels aan God uitspreekt. Ook de latere anti-kerkelijke tendens, de beschrijving van de verstikkende atmosfeer op de katholieke kostschool, en de onderdrukking door pater Emanuetus (‘sadist en homoseksueel’) staan niet in de eerste versie.

Het zou, denk ik, veel te speculatief om uit de verschillen tussen de twee conclusies te trekken over Brouwers’ toenmalige denkwereld. Duidelijk is dat de tweede versie nooit in Aristo zou zijn gepubliceerd. De wijzigingen daarin heeft hij uiterlijk in het voorjaar van 1963 nog kunnen toevoegen. Zegt dit dan wel iets van een katholieke instelling bij zijn eerste verhaal? Ik denk het ook niet. Al zijn in het latere stuk de anti-katholieke verhaalmotieven duidelijk, in de eerste versie is niets te zien van enige positieve betrokkenheid bij geloof of kerk. De drie jaar tussen twintig en drieëntwintig zijn duizend zeer ingrijpende dagen in de ontwikkeling van het jonge denken. (En, over ontwikkeling gesproken, zoals we al zagen, vond Brouwers zelf dat hij het verhaal pas écht schreef in de jaren tachtig, in De zondvloed.) De enige verklaring voor het publiceren in het vooral suffe, maar beslist katholieke Aristo, lijkt mij dat de rasschrijver Jeroen Brouwers blij was met de mogelijkheid om een verhaal publiek te maken, en zich verder niet bekommerde om het karakter van het tijdschrift. Het bleef hoe dan ook bij dit ene verhaal, en tot aan zijn debuutbundel publiceerde Brouwers, voor zover ik weet, niets in literaire bladen.

’s Schrijvers denken ontwikkelde zich in die eerste drie jaar dus al duidelijk, en in de erop volgende auteursloopbaan natuurlijk nog veel sterker. Toch geven de basisgedachten van de twee Orpheus-verhalen blijkbaar iets weer van het verhaal van zijn leven. Frappant is hoezeer in beide versies het geraamte al zichtbaar is voor De zondvloed. Het verhaal van de ontsnapping uit de kostschool die zich door het laatste deel van het boek vlecht, staat al -zeer summier- in de ‘tweede’ Orpheus. En in de eerste versie staat een vergelijkbare ontsnapping centraal: het ongeoorloofd vluchten uit de militaire kazerne waar de jonge hoofdpersoon onder dienst is. In Orpheus treurt de jongen om zijn verloren gegane liefde en hoopt hij haar, net als de Griekse dichter, te zullen weerzien. Een orfische herontmoeting vindt inderdaad plaats: na een lange zwerftocht komt de hoofdpersoon in een verlaten ruïne ‘ergens in de duinen’, en daar duikt onverwacht een onbekend meisje op, dat hij omschrijft als zijn ‘weergekeerde Euridice’ (‘Als Orpheus, dacht hij. Ik heb mijn dode bruid terug.’). Met haar heeft hij dezelfde nacht gemeenschap. De volgende ochtend is zij spoorloos verdwenen. De lezer van De zondvloed zal hier de parallel niet ontgaan met de ontmoeting met Nachtschade, op het moment dat de ik-figuur aan het dolen is geraakt uit wanhoop en verdriet over zijn hopeloze huwelijk. De plaats waar de twee naartoe gaan en uiteindelijk gemeenschap hebben, is een verlaten huis ‘in de duinen’. De volgende dag lijkt voor Nachtschade alles voorbij, en vertrekt zij zonder spoor. Ook andere aspecten, die later zo bepalend zijn voor Brouwers, zijn hier al in de kiem aanwezig. ‘Op al zijn vreugden lag de druk van de haat’, schrijft de jonge schrijver over de jonge hoofdfiguur, in een zeer rancuneuze herinnering aan de kostschool. En in zijn allereerste verhaal vinden we een passage die pas met de kennis van de huidige Brouwers ineens meer reikwijdte krijgt: ‘Het gemis aan ouders viel hem zwaar. Sinds zijn zestiende was hij hopeloos alleen. Hij had niets geleerd. Geen vak althans. Timmerman of auteur. Soms treurde hij om zijn eenzaamheid en onkunde. Onbestemde vrees worgde zelfs de lente, niet te definiëren angsten woekerden in zijn hoofd. Hij was bang omdat... Hij kon niet verklaren, niet waarom hij bang was, ook niet waarom hij zich verheugde.’ Jeroen Brouwers in 1961 in Aristo.

De verschillen met de twee onrijpe Orpheus-verhalen uit het voorzichtige begin van Brouwers’ schrijverscarrière en De zondvloed, dat na zeven jaar arbeid een mijlpaal daarin is, zijn uiteraard evident. Alleen al het cruciale onderscheid dat in de eerste Orpheus-stukken de hoofdpersoon diep ongelukkig is met het verdwijnen van zijn geliefde en in De zondvloed de ik over zijn gehate echtgenote verzucht: ‘Jou zal ik niet uit de onderwereld terughalen. Jou niet.’ Het boek is veel gelaagder en de diepgang is zoveel groter dat een vergelijking bijna ongepast wordt. Het navrante vervlechten van de tucht op de kostschool met het regime in het Jappenkamp, bijvoorbeeld, lijkt me duidelijk iets waar de jonge schrijver nog niet aan toe was.

Iedere analyse schiet tekort, zeker die van zo’n zorgvuldig gecomponeerd boek als De zondvloed, waar Brouwers van 1981 tot en met 1988 aan werkte. Er zijn dan ook zoveel andere invalshoeken mogelijk. Interessant zou het zo bijvoorbeeld zijn om te kijken naar de verwantschap met Boons Kapellekensbaan. Brouwers’ bewondering voor Boon is bekend, en de structurele overeenkomsten van De zondvloed met Boons grote roman zijn evident. Kijk alleen maar eens naar een hoofdstuktitel als ‘Hier begint het verhaal over Nachtschade’. Een andere onderzoeksmogelijkheid zou de rol van onderwereldbezoeker Dante zijn, die ook door De zondvloed dwaalt. Dat, zoals we zagen, de ik uit het boek zich midden in zijn leven in een (huis in een) groot woud bevindt is echt niet de enige link. Die andere benaderingen zouden niettemin één ding bevestigen wat dit Orpheus-verhaal al laat zien. Jeroen Brouwers werkte niet alleen het grootste deel van de jaren tachtig aan De zondvloed, maar sneed het thema aan van zijn hele schrijvende én niet-schrijvende leven.

Amsterdam, 9-18 september 1991