(al dan niet terug)  naar thuispagina

© 2003 Jos Joosten Nijmegen

De draaideur van Esther Gerritsen

            Gesproken column ter gelegenheid van de Uitreiking Gelderse Literatuurprijs 2003 in het KAB Posttheater Arnhem 20 november 2003 (ook verschenen
            in:  Parmentier, 13(2004), 1(mei), p.6-8).
 

Wie in een gemiddeld gezelschap van enigszins ingewijde kunst- of literatuurliefhebbers het steekwoord postmodernisme laat vallen, kan doorgaans twee mogelijke reacties verwachten. De eerste is: o ja dat betekent dat alles mag. Dat wil zeggen: dat iemand maar eens moet uitleggen waarom André Hazes zijn teksten minder cultureel zouden zijn dan Gorters Verzen van 1890, of dat de uit een principieel existentialistisch solipsisme voortkomende vergaande onverstaanbaarheid van Kees Ouwens van een vergelijkbare orde is als die uit een nooit helemaal verholpen Nijmeegs accent voortkomende onverstaanbaarheid van Frank Boeijen. Alles mag - of beter gezegd in goed Nederlands anything goes - is de eerste grove misvatting rond postmodernisme. Het is een misvatting die in zijn schijnbare tolerantie in de praktijk uitpakt als een behoorlijk dictatoriale, autoritaire kunstopvatting. Want wat zien we in de praktijk? Dat anything goes - álles mag - vooral betekent dat Hazes en Boeijen moeten ten koste van Gorter of Ouwens. En dat die misvatting tot op hoog niveau doorklinkt, blijkt al uit een gesprek onlangs met een voormalig poëziecriticus van NRC Handelsblad. Hij merkte op dat Jean-Pierre Rawie bij uitstek een postmoderne dichter was. Persoonlijk zou ik op Rawie noch het epitheton ‘postmodern’ noch de kwalificatie ‘dichter’ van toepassing achten - maar meer objectief houd ik het er maar op dat deze typering van de poëtische beunhaas Rawie vooral behulpzaam is als voorbeeld van een absolute ondergrens aan het kwalificeren van het postmoderne.

Dan heb ik het nog niet gehad over het tweede steekwoord dat ‘postmodernisme’ meteen oproept, en dat alles te maken heeft met het thema ‘echt/onecht’, namelijk: het cliché dat in het postmodernisme de werkelijkheid niet bestaat, want: alles is tekst. Deze gemeenplaats steekt die van anything goes in frekwentie waarschijnlijk naar de kroon, en duikt keer op keer op in ondoordachte weergaves van wat postmodernisme zou zijn. Hoewel ik me haast eraan toe te voegen dat het zelden zo puntig geschiedt als onlangs in een interview met de rapdichter Serge van Duijnhoven in het tijdschrift Krakatau. Ik citeer hem: voor het postmodernisme ‘is het alleen maar hoofd en - om met Derrida te spreken - Il n’y a rien dehors la texte’. Van Duijnhoven doet met een schep vol fouten ten opzichte van het Frans én het originele maxime een aardige gooi naar het kampioenschap krompraten op de vijftig meter, maar we zijn er wel meteen mee bij de bron van alle misverstand aanbeland: Jacques Derrida’s roemruchte frase Il n’y pas de hors-texte. Het lijkt er inderdaad op dat de Franse filosoof zegt dat alleen de tekst écht is, en de werkelijkheid niet bestaat. Het was Arnon Grunberg, meen ik, die ooit voorstelde om verdedigers van deze opvatting dat de werkelijkheid niet bestaat op de rails te leggen voor een aanstormende sneltrein. Als de trein voorbij was, zou hij graag eens informeren of de persoon in kwestie nog immer de mening toegedaan was dat er geen werkelijkheid bestond.

Grappig gevonden, raak geformuleerd maar inhoudelijk onzin - zoals de hele Grunberg dus eigenlijk. Een vergelijkbaar academisch debat over echt en onecht bij Derrida vond plaats tussen twee Nederlanders (en de parafrase erfvan ontleen ik hier aan het onvolprezen Het literaire experiment van Nico van der Sijde (Boom, Amsterdam/Meppel 1998)), met als theoretisch voorbeeld een soldaat die sterft door een kogel op het slagveld. F. Ankersmit betoogde dat het natuurlijk flauwekul was om te beweren dat zo’n oorlogsslachtoffer door tekst gedood zou zijn. Dood is heel erg feitelijk en absoluut dood. Zijn tegenstander, de filosoof Ger Groot, argumenteerde dat die ‘echtheid’ van de dood van de soldaat relatief was. Zodra de kogel iemand raakt wordt er al tekstueel geinterpreteerd, betoogt Groot: zonder enig begrippenkader zou kun je over die kogel niets zeggen, zelfs niet dat het een kogel is. Derrida-kenner Van der Sijde wijst erop dat zelfs de emotie van sterven niet universeel is, maar altijd vormkrijgt als tekst en contekst: een Palestijnse zelfmoordactivist ervaart de dood anders dan een 92-jarige op zijn sterfbed omringd door familie in een Nederlands rusthuis. En om op de kogel terug te komen: ‘Elk schot dat in de oorlog tussen Serviërs en Kroaten afgevuurd wordt heeft een eeuwenlange voorgeschiedenis en ook een enorme nawerking: de afgevuurde kogel is een resultaat van haat tussen de volkeren en een verdere aanwakkering van deze haat. De kogel en de pijnlijke wond staan niet op zichzelf, maar zijn onderdeel van een netwerk van geschiedenissen. Ook de 'referenten' zijn dus geen vaste punten 'hors-texte'’.

Ik denk dat je heel dicht bij de of een waarheid komt, als je je realiseert dat tekst ons onvermijdelijke intermediair is. Wanneer ik een enorme knal voor mijn kop krijg - zodanig dat alles even donker is, en een driedimensionale pijn mijn hele ruggegraat verlamt - dan is dat ál te reëel, maar zodra ik op wat voor manier dan ook meelij, wraak of liefde wil heb ik een retorisch arsenaal nodig om invoelbaar te maken wat mij overkomen is. Hoe meer je je als toehoorder/lezer laat meeslepen door mijn retorische strategie hoe meer je je inleeft in mijn lijden. dat wordt daarmee niet ‘echter’ of ‘minder onecht’: het blijven woorden. En in die zin is het ook niet zo makkelijk om vast te stellen waarom de zin ‘Want ik hou van jou’ van André Hazes’ album Strijdlustig minderwaardig is aan de regel ‘Zie je ik hou van je’ van Herman Gorter, zo’n dikke eeuw eerder.

Alsof ik niks beters te doen heb, denk ik alweer een paar jaar gemiddeld zo’n twee keer per week kort maar heel concreet na over deze prangende problematiek van tekst en werkelijkheid. Dat komt door Esther Gerritsen. Ik was erg onder de indruk van haar debuutbundel Bevoorrecht bewustzijn, van drie jaar geleden. Gek genoeg zou ik over het hele boek momenteel niet eens zo heel veel weten te vertellen, maar één buitengewoon terloopse, kleine en op het eerste oog niet zo gek relevante, scène uit het boek is mij bijgebleven. Ik heb hem nu voor het eerst terug opgezocht. Een ik-figuur zwerft door Winkelcentrum Hoog Catharijne in Utrecht. Haar binnekomst wordt als volgt beschreven:

Ik neem de mooiste ingang, met de roltrap naar de automatische draaideur. Een oude vrouw stapt voor me de draaideur in. Ze duwt ertegen, en hij stopt. Ze laat los, en de deur draait verder. Opgelucht zet ze haar handen er weer tegenaan waardoor hij opnieuw stopt. Van de andere kant zijn een man en een vrouw de draaideur ingegaan. Ze kijken alsof ze die vrouw wel eens even zullen helpen en duwen ook. Ze zien de grote sticker met niet duwen niet en ik bemoei me nergens mee. De drie mensen zien er eensgezind uit al ze elkaar aankijken en boos hun hoofd schudden uit protest tegen de elektrische draaideur. Ze laten hun handen zakken en de deur draait verder. Iedereen is opgelucht en zet zijn handen weer tegen de deur, en weer staan we stil.
 
 
Twee maal per week ga ik met de trein naar Utrecht, en loop ik via Hoog Catharijne de stad in. Tweemaal per week passeer ik die draaideur - of beter gezegd zo’n draaideur (er zijn er allicht meer in Hoog Catharijne). Bij eerste lezing van Gerritsens tekst dacht ik: hé die draaideur ken ik. Al snel na de lectuur is dat omgekeerd: de bewuste draaideur bleek de eerste keer dat ik er nadien weer doorheen liep voor mij veranderd in Gerritsens draaideur. Elke keer flitste in een halve seconde een gedachte aan de bewuste scène door mijn hoofd. Als het niet zo futiel was, zou het een zorgwekkende dwangneurose geworden zijn: Herr Doktor Freud ik denk bij een bepaalde Utrechtse draaideur steevast even aan een tekst van Esther Gerritsen. Stilaan overigens veranderde het ook nogeens in het bewustzijn - al dan niet bevoorrecht - van het gegeven: ik realiseerde me bewust bij die bepaalde draaideur te denken aan de draaideur in een boek van Esther Gerritsen.

Er zou ons nu een aantal dingen te doen kunnen staan. Ik zou jullie allemaal mee kunnen nemen naar Utrecht en mijn ‘echte’ draaideur laten zien. Daarmee wordt die niet minder tekstig, hij wordt alleen maar iets meer ons aller tekst, als we er met zijn allen achteraf over gaan staan praten. We zouden ook Esther Gerritsen kunnen vragen of de draaideur die ik bedoel dezelfde is die zij beschrijft in haar boek. Daarmee wordt mijn draaideur onherroeppelijk een andere draaideur: bijvoorbeeld de draaideur waarvan Joosten dacht dat het Gerritsens draaideur was. Reëler dan bestaand wordt de deur daar intussen niet mee. Het meest voor de hand ligt het dat het dat het il n’y a pas de hors-texte in de meest letterlijke zin zijn werk zal doen. De eerstvolgende keer dat een van jullie Hoog Catharijne uitloopt via de draaideur, zal je denken aan mijn tekst die ik op mijn beurt stal van Esther Gerritsen. Er is daarmee nog steeds niks buiten de tekst geraakt. Dat wil zeggen... ik hem natuurlijk wel hier zelf in levenden lijve aan jullie staan vertellen. En dat maakt mijn tekst natuurlijk wel weer meer echt.

Echt.

Echt.