(al dan niet terug)  naar thuispagina

©  Jos Joosten, Nijmegen 1998 [Eerder verschenen in Standaard der letteren 1 oktober 1998]

LAATSTE BERICHT AAN DE MENSHEID

Jan Biorix: Indrukwekkend autobiografisch document van Jan Walravens

Voor- en tegenstanders van vernieuwing of verandering in de kunsten gaan elkaar nog weleens te lijf met een zeer speculatieve maar toch fascinerende kwestie, die ongeveer dit uitgangspunt heeft: ‘Stel dat Bach vandaag nog geleefd had, dan...’ Waarop de man van goede smaak bijvoorbeeld aanvult: ‘...had hij alle songs van The Pixies geschreven.’ Een tamelijk onzinnig autoriteitsargument natuurlijk, omdat op geen enkele manier hard te maken valt wat de Grote Voorganger tegenwoordig voor ideeën zou uitdragen: je weet niet onder welke artistieke of culturele invloeden hij zou hebben gestaan en zelfs óf hij überhaupt in de kunsten zou zijn terechtgekomen, en niet furore gemaakt zou hebben met ‘Bachs Brood & Banket’. Niettemin betrap ik er mijzelf ook weleens op - lezend in een nieuwe dichtbundel, nadenkend over de plaats van de literatuur in onze tijd of filosoferend over de vraag of er zoiets als een moraal bestaat - dat ik de vraag stel: ‘Wat zou Jan Walravens, als hij nog geleefd had, van de huidige maatschappelijke en literaire verhoudingen gedacht hebben?’

Jan Walravens was in de jaren veertig, vijftig én de eerste helft van de jaren zestig de voortrekker bij uitstek voor vernieuwende kunst en literatuur in Vlaanderen. Hij was bezieler van het avant-gardetijdschrift Tijd en Mens, waaraan hij Boon en Claus wist te binden. Dat blad werd in 1949 opgericht, en vormde het platform voor Vlaamse Vijftigers als Van de Kerckhove, Cami, Wauters en Bontridder, en wilde de classicistische, boventijdse letterkunde vervangen door geëngageerde literatuur die als nieuw ijkpunt de ethische vraagstukken van de naoorlogse mens in zijn verwarrende actualiteit nam. Walravens maakte verder furore als criticus van de nieuwe en criticaster van de oude kunst in Het Laatste Nieuws, en als essayist over en bloemlezer van de nieuwe poëzie (in de fameuze anthologie Waar is de eerste morgen? die in 1955 verscheen). Verder initieerde hij het vernieuwende Het Kamertoneel in Brussel en was hij ook nog auteur van twee somber gestemde romans en een klein aantal prachtige verhalen. Behalve kunstredacteur van Het Laatste Nieuws was Walravens, na de Tijd en Mens-periode, ten slotte redacteur en bezieler van De Vlaamse Gids en ook daarmee nam hij een sleutelpositie in binnen de Vlaamse letteren. Een haast vermoeiend onvermoeibare man die in 1965 al op 44-jarige leeftijd overleed aan een, hoogstwaarschijnlijk in Egypte opgelopen, ziekte.

Walravens’ laatste boek - hij heeft het nog net voor zijn dood gezien - was Jan Biorix, dat in 1965 de eerste uitgave was in de pocketserie ‘De Galgereeks’ van uitgeverij De Galge in Brugge. De Nederlandse uitgeverij Atlas nam het zeer lovenswaardige initiatief een heruitgave van dit boek te verzorgen, ingeleid door Jeroen Brouwers. Daarmee is Walravens’ laatste boek in feite aan een derde druk toe, omdat de tekst ook al herdrukt werd in zijn in 1971 postuum bij Manteau verschenen Verzameld proza. Een niet helemaal onbelangrijke tussenstap voor dit boek, zoals zal blijken.

Jan Biorix heeft de vorm van een dagboek en beslaat, met een aantal tussenpozen, de periode van augustus 1944 tot maart 1965. Veruit het grootste deel van het boek wordt ingenomen door de column-achtige beschouwingen die Walravens maandelijks onder de titel ‘De Vijfde kolom’ schreef in het culturele tijdschrift De Periscoop. We volgen zijn ontmoetingen met talloze Vlaamse en buitenlandse kunstenaars, veelal mensen die hij in zijn journalistieke hoedanigheid sprak bij culturele manifestaties of vernissages. Daarnaast schetst hij kleine portretten van oude vrienden als Jan Cox, Roel D’Haese, Tone Brulin of Hugo Claus (om er slechts enkelen te noemen), schrijft hij zijn visie op recente boeken of theaterstukken en geeft hij zijn overdenkingen bij de politieke en culturele actualiteit.

Dat is de kern van Jan Biorix. Maar er staat meer in het boek, en helaas komt dat bij deze heruitgave opnieuw niet duidelijk naar voren. De reden ervan is al te vermoeden op de colofonpagina, waar staat: ‘De eerste druk van dit boek verscheen in 1965 bij Uitgeverij Manteau’. Dat klopt niet. Dat deze vergissing gemaakt is, is vreemd omdat Jeroen Brouwers in zijn inleiding nog stilstaat bij de eerste druk en de Brugse pocketreeks waarin die verscheen. Verklaarbaar is zij echter wél, want Uitgeverij Atlas baseerde zich bij deze heruitgave op de tweede druk, de versie van Jan Biorix die in 1971 in Walravens’ Verzameld proza werd opgenomen. Dat werd inderdaad wél uitgegeven door Manteau. Is deze vergissing erg? Ja, eigenlijk wel. Het vervelende is namelijk dat Manteau zich niet hield aan de indeling van Jan Biorix die Walravens zélf maakte in het oorspronkelijke boek. In 1971 werd de hele tekst zonder onderbrekingen achterelkaar gezet, alsof het één compleet dagboek betrof.

Daardoor kan de indruk gewekt worden, die Brouwers in zijn inleiding weergeeft: ‘Hoofdzakelijk samengesteld uit eerder in de rubriek ‘De Vijfde Kolom’ in De Periscoop gepubliceerde korte stukken, heeft hij er een kroniek van gemaakt, met zevenmijlslaarzen door de jaren stappend, zodat er soms grote wakken van niet-beschreven periodes zijn te constateren’. In de huidige tekst lijken inderdaad ‘wakken’ te zitten. Typografisch is niet meer te zien dat Walravens de stukken voor zijn boek selecteerde en ordende met een bewuste bedoeling. Het boek opent met een aantal echte, privé geschreven, dagboekaantekeningen uit 1944. Die worden, door een halve pagina wit gescheiden, gevolgd door een lang, verslag van een gefingeerde ontmoeting met Simone de Beauvoir van tien jaar later. Na opnieuw een witpagina volgt het - inderdaad veruit grootste - deel met de Periscoop-stukken van maart 1955 tot en met september 1960. Afsluitend scheidde Walravens een, opnieuw klein, deel af dat uit slechts twee stukken bestaat, respectievelijk over het overlijden van de Brusselse kunsthandelaar Van Bruaene en van dichter Gaston Burssens. De lay-out van de eerste druk is slordig, maar deze indeling desondanks overduidelijk.

Met die oorspronkelijke opzet verleende Walravens aan Jan Biorix een extra betekenis als autobiografische tekst. De openingsfragmenten uit 1944, die hij uit zijn privé-dagboeken koos, tonen de jonge schrijver in een cruciale fase voor zijn verdere leven en denken. Hij is illegaal naar Brussel teruggekeerd uit Berlijn waar hij als dwangarbeider werkte. Het verblijf in de door bombardementen en geweld geteisterde Duitse hoofdstad had de jonge, en tot op dat moment zeer katholieke, Walravens in een reusachtige geloofscrisis doen verzeilen. Tegelijkertijd ligt in deze septembermaand zijn vader op sterven, de man die een grote culturele invloed op hem had. Daarbij verschijnen die dagen de geallieerden in Brussel: de oorlog is ten einde. Ten slotte is hij in die maand juist begonnen bij Het Laatste Nieuws en worden zijn eerste artikelen gepubliceerd. De oorlog, de geloofscrisis, zijn vader én zijn publicitaire leven: het zijn vier zaken die Walravens’ leven bepaalden. De worsteling met het katholicisme brengt hem compleet tot wanhoop: ‘Is het katholicisme de waarheid?’, zo vraagt hij zich op 1 september 1944 af, ‘Maar als ik ontkennend durf te antwoorden, duikt de zelfmoord als een verleiding voor mij op. Ja, zelfmoord, dat is het.’ Maar Walravens komt de innerlijk strijd te boven - hoewel hij, nochtans boegbeeld van progressief vrijzinnig Vlaanderen geworden, nooit helemáál van het katholieke denken is losgeraakt.

Dit deel eindigt met het overlijden van Walravens’ vader. Vervolgens maakt hij een sprong in de tijd van 10 jaar, naar een gefingeerd interview met De Beauvoir. Hierin formuleert Walravens, volgens het aloude dialoog-principe, zijn eigen literaire en maatschappelijke standpunten. Hij maakt duidelijk hoe hij en andere Vlaamse jongeren vanuit de oorlogsomstandigheden komend, na de bevrijding in existentialisme en surrealisme een denk- en schrijfwijze herkenden, die paste bij hun eigen belevingswereld. Ze waren totaal vervreemd van de Ivoren Toren van de vooroorlogse generatie schrijvers en schilders, en wilden kunst maken die betrokken was op de actuele Tijd en de concrete Mens.

Dan pas volgen de korte ‘Vijfde kolom’-stukjes. Zij maken het grootste gedeelte uit van Jan Biorix, en geven een prachtig beeld van het culturele leven in Vlaanderen (en voornamelijk Brussel) in de tweede helft van de jaren vijftig. Brouwers typering van Jan Biorix als ‘ontmoetingenboek’ gaat vooral op voor dit deel: de belevenissen van ‘iemand die met schrijvers, schilders, componisten in contact kwam en met hen converseerde over hun kunst- en levensopvattingen en over die van andere schrijvers, schilders, componisten. Alles ter vorming en verrijking van zijn eigen inzichten’. Het is een merkwaardige mengeling van petite histoire en gewone anekdotiek met ernstige filosofische overpeinzingen over actuele en levensbeschouwelijke zaken. Walravens schrijft daarbij en passant mooie portretten van binnenlandse én buitenlandse auteurs, die hij soms in een of twee regels raak neerzet. Ook voor de petite-historicus van de Franse letterkunde is dit boek overigens een onverwachte bron. Terecht signaleert Brouwers dat Walravens zich vaak op literair onontgonnen terrein begaf: hij kende ‘het werk van Gombrowicz al jaren voordat het in het Nederlands zou verschijnen en citeerde hij de Roemeens-Franse filosoof Cioran, van wie toen in de Lage Landen ternauwernood nog iemand had gehoord’. Aan dat rijtje van vroege ontdekkingen mogen alvast gerust Bataille, Blanchot en Eric Satie toegevoegd worden. Hoewel Walravens, in zijn enthousiasme voor geestverwanten ook weleens doorschiet, door bijvoorbeeld Simon Vinkenoog te typeren als ‘de felste, meest agressieve en meest aangevallen criticus sedert Ter Braak’.

Wat deze pagina’s zo charmant maakt is Walravens’ totale gebrek aan (zichtbare) ijdelheid en vooral zijn, wat je zou kunnen noemen zendingsdrang: het oprechte enthousiasme om te getuigen van al het mooie en interessante wat de uiteenlopende kunstenaars de wereld te bieden hebben. Dit soort boeken heeft namelijk altijd het gevaar in zich snel overladen te worden door het name-dropping en het almaar opsommen van de ene na de andere nóg interessantere persoon. Walravens ontkomt hieraan door zichzelf, met name in de ontmoetingen, totaal weg te cijferen en zich ten dienste van de kunstenaars en hun werk te stellen. In het gesprek met De Beauvoir schrijft hij: ‘telkens wanneer ik het geluk had een mens te ontmoeten, die waarlijk geestelijk rijk was, heb ik opgemerkt dat hij met de grootste onbevangenheid over zichzelf kon spreken. Hij had niet het minste vals schaamtegevoel over sentimenten, waarvan hij wist dat toch iedereen ze meedraagt’. Ook hier is Walravens te bescheiden, want het moeten zijn eigen charme en inlevingsvermogen zijn geweest, die die onbevangenheid bij zijn gesprekspartners wist los te maken.

Dit kerndeel van Jan Biorix eindigt met een korte beschouwing uit september 1960, waarin Walravens een tussentijdse balans opmaakt: ‘Veertig jaar geworden en veel vriendelijke vrienden aan huis gehad. Zoals steeds midden de mensen: ellendig eenzaam geweest. En mij binnenin zo hard gevoeld als een steen in de woestijn. Ik weet wel wat het is. Voor mij is het alsof ik geen jeugd had. Ik bedoel: alsof mijn verleden geen waarde, geen bestaan had gehad. Ik ben verschrikkelijk alleen met wat ik ben. Zonder hinterland. Ik ben veertig jaar, ik wacht op mezelf, dit is op teruggave van mijn voorbije jaren’. Na deze droevige autobiografische overpeinzing publiceerde Walravens in 1960 nog enkele afleveringen van ‘De Vijfde kolom’ in De Periscoop. Die nam hij niet op in Jan Biorix, wat opnieuw wijst op een weloverwogen selectie. Na de voorgaande aantekening opent het laatste deel, in de oorspronkelijke editie, met twee herdenkingsartikelen uit De Vlaamse Gids uit 1964 en 1965. Het eerste gaat over de kleurrijke Brusselse kunsthandelaar Geert Van Bruaene, het laatste, gedateerd op 19 maart 1965 en drie maanden voor zijn eigen dood geschreven, herdenkt Gaston Burssens, de dichter die voor Walravens en zijn vernieuwende generatiegenoten hogelijk gewaardeerd werd als oudere voortrekker, als de emince grise van de Vlaamse avant-garde. Het is, volgens mij, niet toevallig dat Walravens Jan Biorix, dat hij in het besef van zijn eigen overlijden samenstelde, eindigt met deze twee doodsberichten. En het bewustzijn dat hij zijn selectie in die omstandigheden maakte, maakt dat een van de overpeinzingen over Van Bruaene een ineens erg zware, persoonlijke bijklank krijgt: ‘Het is rot dat zelfs de volmaakte mens sterven moet’.

In zijn inleiding formuleert Jeroen Brouwers het voorzichtig: ‘Jan Biorix kan gelden als Walravens’ testament, al zal hij het zelf niet zo hebben bedoeld. Waarschijnlijk stond hem eerder een mozaïek van terugblikken voor ogen’. Ik vermoed eigenlijk dat Walravens’ intenties wel vérstrekkender geweest zijn, en de oorspronkelijke indeling van het boekje wijst daar, denk ik, ook op. In feite laat Walravens de lezer met de aanvankelijke keuze en opzet zijn intellectuele leven in de volle breedte volgen, vanaf de intellectuele vorming (geloofscrisis en verhouding tot de vader) en uitkristallisering (gesprek met De Beauvoir), via de lange bloeiperiode (alle ontmoetingen en andere ervaringen) tot aan het onvermijdelijke sterven (de laatste twee stukken).

Dat de oorspronkelijke indeling niet gehandhaafd werd, betekent niet dat deze Jan Biorix zonder waarde is. Integendeel. Iedereen moet dit prachtige, indrukwekkende boek kopen (al is het misschien handig om deze kritiek er even bij te bewaren). Het is als tijdsdocument een onmisbare bron, biedt als filosofisch zakboekje met zijn korte overwegingen stof tot nadenken en is, niet in de laatste plaats, vooral een belangrijk statement. Belangwekkend wordt het door Walravens’ op bijna elke pagina uitgedragen overtuiging dat de stem van de schrijver in de werkelijkheid ertoe doet en dat de mens de morele plicht heeft zich niet neer te leggen bij de wereld zoals zij zich in haar tekortkomingen manifesteert. Kunst bestaat niet bij de gratie van de kunst. Walravens’ niet aflatende strijd voor kunstvernieuwing is ook de idealistische strijd voor vernieuwing van de wereld. Zodoende schrijft hij ook: ‘ik [heb] de avant-garde nooit kunnen zien als een zuivere en nutteloze opstand van de zonen tegen de vaders, als een puur en dwaas verlangen naar het nieuwe, steeds maar nieuwe (...)’. Hij sluit af met wat zijn basisprogramma is: ‘Wij leven om nieuw en anders te zijn. Zo niet, heeft het geen zin te leven. Maar het nieuwe ook om dicht bij de mensen te blijven, om wat meer inlichtingen te bekomen en door te geven, wat warmte op te vangen en te bestendigen. Ook de avant-garde is een humanisme.’ Die laatste parafrase op Sartre, mag als de essentie van Walravens’ visie op kunst en leven beschouwd worden.

Daarmee is een laatste vraag eigenlijk al grotendeels bevestigend beantwoord: heeft het uitgeven in 1998 van een boek met actuele teksten van dertig, veertig jaar geleden überhaupt zin? Of: geeft Jan Biorix enige indicatie over de kwestie de hedendaagse kunst en letteren bekeken zou hebben? Natuurlijk vallen de huidige lezer direct gedateerdheden op. Met name Walravens’ onverwoestbare vooruitgangsdenken, gekoppeld aan de totaal onbetwijfelde positieve rol voor de kunst doen bijna utopisch aan. Walravens’ was heilig overtuigd van de wording van een Nieuwe Mens. Dat voor nu wel erg grote idealisme had echter als andere kant dat juist de tekortkomingen van zijn eigen tijd zich haarscherp voor hem aftekenden. En dat is de zeer nuchtere keerzijde van de hemelbestormende kant. Dat iemand in de huidige literaire constellatie Walravens’ positie, met een dergelijk radicaal vernieuwende visie op kunst, zou kunnen bekleden - met een vergelijkbare invloed althans - is niet goed denkbaar. Desalniettemin ligt het belang van Jan Biorix erin dat het bewijst dat een maatschappelijk betrokken kijk op kunst, niet per definitie ‘soft’ is of ten koste gaat van de esthetische waarde of artistiek niveau. Dat weegt zwaar in een tijdperk dat nadrukkelijker dan in de voorgaande decennia, serieuze reflectie op de mens en zijn wereld kan gebruiken. Niet op dezelfde wijze als Walravens. maar wel in de geest van de belangrijkste premisse in zijn denken over kunst én werkelijkheid: dat niks moet zijn zoals het is, alleen omdat het is zoals het is.

JAN WALRAVENS, Jan Biorix. Met een inleiding van Jeroen Brouwers, Uitgeverij Atlas, Amsterdam/Antwerpen 207 blz.