
![]()
Groep: Gezelschapshonden Land van Herkomst: Mexico
De Chihuahua (sjiwàwa) behoort tot de oudste rassen die er bij de hond bestaan.
Oorsprong en geschiedenis van de
Chihuahua:
Het was de heilige hond van de Tolteken (een krijgshaftig volk dat woonde op de hoogvlakte van Mexico). Bij deze stam werden tijdens religieuze plechtigheden dieren geofferd.
Men noemde die dieren Techichi en hun spoor is te volgen tot in de negende eeuw vóór het begin van onze jaartelling.
Ook de Azteken (die het rijk na de Tolteken overnamen) zouden deze honden hebben gehouden en vereerd.
Als een Azteek stierf werd hij samen met zijn bezittingen en zijn hond verbrand. De Indianen geloofden namelijk dat de honden hun baas in de onderwereld over de negen rivieren des doods de weg wezen naar het paradijs.
Algemeen:
Van alle hondenrassen is dit het kleinste; de geringe maat staat echter geen misvormingen, zwakte en gebrek aan harmonie toe, in welk opzicht dan ook.
Deze kleine hond wordt zeer gewaardeerd als gezelschapsdier.
Het type valt op door het grote, appelvormig hoofd, de korte neus, de grote, in het oog springende oren, de opvallend uitdrukkingsvolle ogen en het stevige lichaam, dat ook van een afstand geen broze, zwakke indruk dient te maken.
Een compacte, evenwichtige, levendige en lichtvoetige hond.
Hij is temperamentvol en nieuwsgierig, oplettend en levendig; hij is trouw aan zijn baas en bezit voor zijn geringe maat verrassend veel moed.
Bijzondere kenmerken zijn een correcte verhouding tussen de lengte van het lichaam en de hoogte daarvan, middellange benen, een vaste en rechte rug, een stevig gangwerk, hoog gedragen staart en een pittige uitdrukking.
Er is een kortharige en een langharige variant.
Gewicht:
Tussen ½ en 2 ½ kg; bij voorkeur tussen 1 en 2 kg.
Schedel:
Appelhoofd, zeer breed, breder tussen de oren dan tussen de slapen. Voorhoofd breed en zeer rond.
Ogen goed uit elkaar geplaatst.
Een bijzonder raskenmerk is de fontanel, maar deze is niet persé een vereiste.
Stop:
Zeer geprononceerd, diep en breed door de overgang van het gewelfde voorhoofd naar de snuit.
Snuit:
Kort en recht; aan de punt smaller dan aan de basis. Van de zijkant gezien lopen de boven- en benedenlijn bijna evenwijdig, gematigd stomp, zacht in de enigszins spitse neus over; neusrug horizontaal.
Het is wenselijk dat de belijning van de snuit van boven en van voren gezien een indruk geeft van spitse vlakken.
Neusspiegel:
Symmetrisch. In verhouding tot de afmeting van de snuit.
Elke kleur is toegestaan.
Lippen:
Goed gevormde en nauw aansluitende lippen.
Gebit:
Schaar- of tanggebit. Toegestaan zijn lichte onregelmatigheden in de plaatsing van de elementen en/of het ontbreken van enkele elementen, als de gebitsvorm maar correct is.
Ogen:
Groot, rond, vol uitdrukking, goed uit elkaar geplaatst; vol, maar niet uitpuilend.
Het diepste punt van de oren, het midden van de ogen en het begin van de stop liggen op een lijn.
Elke kleur toegestaan, rubykleurige (robijnrode kleur) ogen zijn een bijzonder raskenmerk.
Oren:
Groot, rechtop gedragen en opvallend.
Eerder diep aangezet, breed aan de basis; toelopend in enigszins afgeronde of spitse toppen.
De structuur van de oorschelp is zacht en buigzaam en met fijn haar bedekt.
In rust worden de oren gedragen in
een hoek van 45º.
Hals:
Enigszins
gebogen, van gemiddelde lengte. Bij de reu iets krachtiger dan bij een teef,
maar altijd nog elegant.
Een
lichte halskraag wordt gewenst, waardoor de hals dikker lijkt. Zacht overgaand
in krachtige, droge schouders.
Lichaam:
Zeer
compact. Iets langer dan de schouderhoogte, maar toch zo kort mogelijk, vooral
bij reuen.
Rechte,
horizontale ruglijn. Teven mogen iets langer zijn dan de reuen, opdat de
baarmoeder voldoende ruimte heeft.
Borstkas:
Lang,
diep en ruim, wordt door goed geronde ribben gevormd. Aan het front breder.
Borstbeen ter hoogte van de ellebogen.
De
afstand van het borstbeen tot de schouder is dezelfde als de afstand van het
borstbeen tot de grond. Om de hond geen zware indruk te laten geven moet de buik
iets opgetrokken zijn. Het kruis ligt op dezelfde hoogte als de rug. Bekken lang
en vlak en vooral bij teven breed.
Voorhand:
Droge,
krachtige, goed teruglopende schouder (schuin: 45º). Vaste, aanliggende
ellebogen, goed ondergebracht, met voldoende ruimte voor een vrij gangwerk
(beweging). Middellange benen. Van voren gezien een rechte lijn van de ellebogen
tot de grond. Van de zijkant gezien recht, met licht gebogen, maar krachtige en
beweeglijke koten. Middelmatig stevige botten in verhouding tot de gewenste
compactheid.
Achterhand:
Beenderen
in verhouding tot de middellange benen lang. In natuurlijke stand achterdeel en
spronggewricht op dezelfde loodrechte lijn.
Spronggewrichten:
Goed
naar beneden gesteld. Lange, goed ontwikkelde achillespezen. Van voren gezien
naar binnen noch naar buiten gedraaid, recht en verticaal.
Voeten:
Smalle
voeten met goed van elkaar staande tenen, maar geen spreidvoeten. Ovaal,
kattevoeten noch hazevoeten.
Krachtige,
gebogen nagels. Stevige voetkussens.
Staart:
Middellang,
vanwege het bekken zeer hoog aangezet. Vlak, in het midden breder dan aan de
basis (een bijzonder raskenmerk) en spits uitlopend. De vlakke indruk ontstaat
door het haar aan de zijkant, dat daar langer is dan elders op het lichaam.
Een
opvallend kenmerk is de hoog en vrolijk gedragen staart. Nooit mag die tussen de
achterbenen worden ingeklemd.
De
staart kan recht naar boven worden gedragen als bij een jachthond, over de rug
of zo gebogen dat de punt de rug juist aanraakt.
De
staart is in alle onderdelen belangrijk, omdat de harmonie en het evenwicht van
het totaalbeeld er wezenlijk door worden beïnvloed.
Gangwerk:
Van
achteren gezien bewegen de achterbenen zich bijna parallel, naar binnen noch
naar buiten gedraaid. De beweging van de achterhand is stuwend en soepel, in de
gewrichten zwak noch los, zodat er geen indruk ontstaat van een rollende of
krachteloze beweging.
Van
voren gezien bewegen de benen zich bijna evenwijdig, niet wevend noch kruisend,
ook niet los in de ellebogen.
De
hond mag van achteren gezien geen nauw gangwerk hebben. De bewegingsrichting
recht naar voren, niet schuin.
Van
de zijkant gezien een krachtig, ruimgrijpend gangwerk. Het gangwerk moet vrij,
elastisch, soepel en gecoördineerd zijn.
Daardoor
blijft de ruglijn in beweging vast, recht en vlak. De bewegingen van de voor- en
achterhand moeten harmonieus zijn.
Vacht:
Korthaar:
Kort, zachte textuur, glanzend en glad tegen het lichaam aanliggend. Iets langere vacht is toegestaan, iets onderwol gewenst. Aan de hals en de staart iets langer; korter daarentegen op het hoofd en de oren. Spaarzame beharing op de keel en de buik toegestaan. Elke kleur en kleurencombinatie toegestaan.
Langhaar:
De standaard voor de langhaar is zoals die voor de kortharige, met uitzondering van de langere, fijnere en zachtere vacht, die glad aanligt of enigszins golvend mag zijn en zo mogelijk onderwol heeft. De vacht is langer op de achterkant van de voorbenen (bevedering) en bovenste achterkant van de achterbenen (broek). Staart dicht en lang bevederd. Een rijke halskraag wordt gewenst en voorgetrokken. De oortoppen hebben geen lang haar. De achterkant van de oren naar beneden toe steeds dichter behaard, tot de bevedering in de halskraag overgaat. Vacht in gezicht, hoofd en snuit kort.