EEN VAN GEEST

De Nederlande Pinksterbeweging in oecumenisch perspectief

 

Paul N. Van der Laan

 

Een dissertatie voor de

Faculty of Arts

Van de

University of Birmingham (U.K.)

Voor de graad

DOCTOR OF PHILOSOPHY

 

Department of Theology

University of Birmingham

Edgbaston

Birmingham B 15 2 TT

Engeland

Mei 1988

 

Oorspronkelijk ingeveleverd in het engels onder de titel:

The Question of Spiritual Unity

The Dutch Pentecostal Movement in Ecumenical Perspective

 

 

 

 

 

 

 

 

                 INLEIDING

A. BELANG EN DOEL VAN DE STUDIE

Waar gaat je boek over? De oecumenische betekenis van de pinksterbeweging? Is die er dan? Toen de schrijver aan deze studie begon, zijn hem regelmatig deze vragen gesteld, door anderen en zichzelf. Maar de plaats waar hij begon te graven bleek een continent te zijn.  Het is geen prettig woonoord.

Onbegrip en vervreemding heersen er. In de kako­fonie van wederzijdse beschuldigingen en verwij­ten, fluistert er echter een zachte stem:"Liefde, Vergeving, Eenheid".  De schrijver gelooft dat dit de stem is van de Heilige Geest, die zowel de oecumeni­sche als de pinksterbeweging wil gebrui­ken om het gebed van Jezus te vervullen "Opdat zij allen één zijn" (Joh. 17:­11).


 

 

Het is niet ondenkbaar dat toekomstige his­torici de ontwikkeling van de oecumenische bewe­ging en de opkomst pink­sterbeweging als de be­langrijkste gebeurtenissen zullen be­schouwen in het christendom van de 20e eeuw. In dit werk tracht de schrijver de relatie tussen beide bewe­gingen aan te duiden en passend gereedschap aan te reiken, waarmee de vast­gelopen dialoog weer op gang kan komen. De studie en conclu­sies richten zich daarbij vooral op de specifieke Nederlandse situatie en dienen ook in die context gewogen te worden. Desalniettemin zullen bepaalde elementen ongetwijfeld ook relevant zijn in andere landen, met name in de westerse we­reld. Meer onderzoek in verschillende disciplines en culturen zal nodig zijn om te bepalen in hoeverre de drang naar een geestelijke eenheid van de pinksterbeweging  kan worden toege­past in een universele oecumenische context. 


     Deze studie heeft een drievoudig doel. In de eerste plaats wil het een historische bijdrage leveren over de rela­tie tussen de kerken en de pinksterbeweging in Nederland. Daar deze feiten de basis vormen voor de te trekken conclusies, is het overgrote deel van de inhoud hieraan gewijd. In de tweede plaats wil het een antwoord aanrei­ken op de vraag op welke wijze de pinkster­bewe­ging een bijdrage levert aan de heden­daagse kerk en maatschappij. Vanwege de achtergrond van de schrijver is deze visie gekleurd door een nadruk­kelijke ver­bondenheid met de pinkstergemeente. De gebezigde denktrant en terminologie, die soms karakteristiek is voor "Pinkster-insi­ders", wordt zonodig toegelicht. Anderzijds is getracht om middels diepgaande studie en veelvuldig gebruik van citaten van voor- en tegenstan­ders een zo objectief mogelijk beeld te scheppen. De schrij­ver hoopt dat de combinatie van geschied­schrij­ving van binnen-uit in een academi­sche bedding een nieuwe bijdrage mag leveren aan de weten­schappelijke discussie over dit onderwerp. In de derde plaats bevat deze studie een oproep om te komen tot een intensieve dialoog tussen aanhan­gers van de pinksterbeweging en andere christenen op alle niveau's. Deze kruisbestuiving lijkt van vitaal belang voor de voortplanting van nieuw leven.

 

        B. ONDERZOEKPROBLEMEN EN METHODOLOGIE

In het onderzoek waren er twee fundamentele problemen, die de reikweidte van de studie be­perkten:

1. Incompleet bronnenmateriaal

De auteur verzamelt reeds sinds 1976 histo­risch materiaal over de pinksterbeweging met name in Nederland en Vlaanderen. Daardoor is hij in het bezit van een uitgebreide en unieke collec­tie, desalniettemin zijn de bronnen verre van compleet. Het feit dat de Pinkstergelovigen geen academische traditie kennen en bovendien voortdu­rend in de verwachting hebben geleefd van de onmiddellijke terugkeer van Christus, heeft niet bepaald bevorderlijk gewerkt voor de archivering van hun literatuur en belangrijke documentatie. Het is een hele toer om authentiek materiaal bijeen te schrapen, waarvoor veel doorzettings­vermogen en soms dom geluk nodig is. De speur­tocht naar de spreekwoorde­lijke margarinedoos op zolder is daarbij onontbeerlijk. Om toekomstige onderzoekers deze lijdensweg enigszins te bespa­ren is in de oorspronkelijke engelse disser­tatie een uitgebreid notenapparaat opgenomen met de best mogelijke bibliografische gegevens.

2.  De breedte en complexiteit van het on­derwerp.


Zoals al in de openingsparagraaf van dit hoofdstuk is aangegeven, bleek er veel meer mate­riaal over dit specifieke onderwerp beschikbaar, met name in de kerkelijke pers, dan aanvankelijk verwacht. Daarenboven is de kerkelijke kaart van Nederland zeer uiteenlopend en ingewikkeld. Ten­slotte is de periode van tachtig jaar die hier in een notedop wordt be­schreven een veel bewogen en nog altijd bewegende tijd. Hoewel meerdere malen is overwogen om het onderwerp in te dammen, door bijvoor­beeld alleen de relatie met de Hervormde Kerk te beschouwen of de tijdsperiode in te kor­ten is uiteindelijk toch voor deze opzet gekozen. Het feit dat dit het eerste omvangrijke onderzoek is over dit specifieke onderwerp, recht­vaardigde deze brede aanpak. De schrijver heeft zich wel geconcentreerd op die kerkgenoot­schappen, die getracht hebben op een of andere manier met de pinksterbeweging in dialoog te treden. Bijzondere aandacht is gegeven aan officiële kerkelij­ke rapporten, omdat deze in de regel goed gedocumen­teerd waren en het belang van individuele betrok­kenheid overstegen. Vanwe­ge de diepgaandheid van het onderwerp zijn een aantal cruciale aspecten van het Pentecosta­lisme, die wellicht van grote oecumenische betekenis zullen blijken te zijn, onderbelicht gebleven, zoals de buitenlandse zending, de Jezus beweging en interraciale commu­nicatie. Onnodige overlapping met andere  be­schikbare boeken over dit onderwerp is zoveel mogelijk vermeden7. De gids met belangrijkste persoonlijk­heden en de bijlagen, met name de historische overzichten, kunnen de lezer helpen om het bos weer terug te vinden als zij in de bomen verdwaald raken.

 De belangrijkste gegevens voor historische feiten werden gehaald uit pinkster- en kerkelijke tijdschriften, kranten en persoonlijke correspon­dentie, waarbij ook gebruik werd gemaakt van Amerikaans, Engels, Belgisch, Duits, Zwitsers en Zweeds materiaal. Daarnaast werden meer dan dui­zend boeken geraad­pleegd en voorzagen diverse interviews in wezenlijke achter­grondinforma­tie. Veel is gespeurd in diverse kerkelijke ar­chieven, waarvoor altijd alle medewerking werd verleend. Tenslotte is een enquete gehouden onder aan aan­tal kerkelijke- en pinksterleiders om inzicht te krijgen in de huidige oecume­nische openheid.


 Ieder hoofdstuk concentreert zich op de belangrijkste oecumenische vraag, waarmee de pinksterbeweging in die speci­fieke periode werd geconfronteerd. De hoofdstuk-titels geven dit aan. Deze benadering heeft twee nadelen. In de eerste plaats doet men de geschiedenis geweld aan door haar achteraf zo op te delen. Het vraagstuk over de goddelijke genezing bijvoorbeeld, kan men niet beperken tot de vijftiger jaren. Hieruit voortvloei­end is het tweede nadeel, dat men nieu­we onderwerpen kort moet inleiden met noodzake­lijke achtergrond­informatie. Deze terugblik­ken verstoren de strikt chronologi­sche volgorde. Toch is voor deze methode gekozen, omdat het de beste manier leek om de belangrijkste oecumenische vragen te behandelen in het tijdsge­wricht dat zij het meest actueel waren. Daarenboven bleek de historische ontwikkeling in Neder­land zich bui­tengewoon goed te lenen voor deze werkwijze. Ieder historisch hoofdstuk wordt ingeleid door een brede schets van de sociaal-economische, politieke, kerkelijke en oecumenische context. Dit toont aan hoe de micro-wereld van de pink­sterbeweging nauw verweven is met haar omgeving, ondanks haar schijnbaar isolement en overtuiging niet te behoren tot "deze wereld". Iedere sectie wordt afgesloten met een beknopte evaluatie en conclusie, die zoveel mogelijk complementair zijn. In de eind conclusie worden deze voorlopige observaties samengevat en met elkaar verbonden teneinde een antwoord te vinden op de basisvraag van deze studie: "Op welke wijze kan de pinkster­beweging van oecumenische betekenis zijn voor de kerk en de maatschappij?"

 

C. TERMEN

Daar het gebezigde onderscheid tussen de woorden "kerk" en "gemeente" van wezenlijk belang is voor deze studie, worden deze termen in de regel gebruikt volgens de perceptie van de meeste Nederlandse evangelicalen. "Kerk" staat daarbij voor "de geïnstitutio­neerde vorm van gevestigd en formeel christen­dom" (met name de Rooms Katholie­ke en Reformatorische kerken) en "Gemeente" voor "de vergadering van persoonlijk wedergebo­ren christenen". De ontoereikendheid van dit onder­scheid zal ook in dit werk meer dan eens blijken, desalniettemin viel aan een afzonderlijk gebruik van deze woorden niet te ontkomen.


Een aantal uitdrukkingen of benamingen die in de loop van deze studie zonder verdere toe­lichting worden gebruikt, behoe­ven nadere definië­ring. Hieronder geeft de schrijver aan hoe hij deze persoonlijk interpreteert. In alfabetische volgorde8:

Charismata  (Geestelijke Gaven)

Gaven of talenten (zoals genezing, profetie, het onderscheiden van geesten, exorcisme enz.) die goddelijk worden toebedeeld door de kracht van de Heilige Geest, naar het voorbeeld van het vroege christendom.

Charismatische Beweging/Vernieuwing

De Pinkster- en neo-Pinkster vernieuwing in de gevestigde Protestantse, Anglicaanse, Katholieke en Orthodoxe kerken sinds de vijftiger jaren; gekarakteriseerd door het integreren van het gebruik van de charismata binnen de pinksterbewe­ging in de eigen kerkelijke bedding.

Doop in de Heilige Geest

Een religieuze piek-ervaring na de bekering, gewoonlijk maar niet noodzakelijkerwijs gepaard gaande met het spreken in onbekende klanken.

Evangelicalen

Gelovigen uit het volle spectrum van het chris­tendom, waarvan de meerderheid behoort tot de Protestantse traditie, die voortkomen uit het Piëtisme, Methodisme de grote Amerikaanse opwek­kingen in de 18e en 19e eeuw en het Réveil. Zij worden gekarakteriseerd door een persoonlijk bekering, een toegewijd leven aan God, het aan­vraaden van de Bijbel als de enige basis voor geloof en christelijk leven, een nadruk op bij­bellezing en gebed, evangelisatie- en zendings­drang en gewoonlijk een behoudende theologie.

Glossolalie (Spreken in Tongen)


     NOTEN

1  Martin Robinson, "To the ends of the earth - The pilgrimage of an ecumenical Pentecostal David du Plessis (1905-1987)" (Ph.D dissertation University of Birmingham, U.K., 1987), p.1.

 

2  Bij voorbeeld:

- Dr. J.N. Bakhuizen van den Brink, Dr. J. van den Berg, Dr. W.F. Dankbaar, Handboek bij de studie der Kerkgeschiedenis De kerk sedert de zeventiende eeuw Vol. 4 (Leeuwarden: De Tille, 1985), p. 276-277.

- Dr. Otto J. de Jong, Geschiedenis der Kerk (Nijkerk: Callen­bach, 1987, 11e herziene druk) p. 282-283 & 343.

 - Dr. L. Praamsma, De Kerk van alle tijden Ver­kenningen in het landschap van de kerkgeschiede­nis Vol.4 (Franeker: T. Wever, 1981), p. 224-228.

 

3  Growth of Pentecostals, Pentecost Interna­tional Re­port, October 1987, p.2. In zijn gezag­hebbende werk over het wereldwij­de christendom, schatte Barrett het aantal actieve pinkster- en charismatische gelovigen in 1980 op 62,2 miljoen, en het totale aantal aanhangers boven 100 mil­joen. De overgro­te meerderheid hiervan (70 %) behoren tot de zogenaamde "Non-White indigenous churches"(onafhankelijke niet-blanke kerken). (D. Barrett ed., World Christian Encyclope­dia A con­temporary study of churches and religions in the modern world 1900-2000, Nairobi/New York/ Oxford: Oxford University Press, p. 838 & 836).

 

4  Kenneth Foreman, Pentecostals the largest protestant family, World Pentecost 5/15, December 1987, p.16.

 

5  Henry P. Van Dusen, Caribbean Holiday, The Christian Century 72/33, 17 August 1955, p. 946-948. 

Dr. Henry P. Van Dusen, Third force in Christen­dom, Life 44, 9 juni 1958, p. 113-124.

 


6  Ans J. van der Bent ed., Handbook Member Churches (Geneva: World Council of Churches, 1982), p. 269-271 & 282-283.

7  In het bijzonder is getracht om aan te vullen op de werken:

C. & P.N. van der Laan, Pinksteren in beweging Kampen: Kok, 1982. Cornelis van der Laan, Secta­rian against his will Gerrit Roelof Polman (1868-1932) The Birth of Pentecos­talism in the Nether­lands  "Studies in Evangelicalism" Metuchan, New Jersey:  Scarecrow Press, 1988.

C. van der Laan, Spade Regen Opkomst en Vestiging van de Pinksterbeweging in Nederland, Kampen: J.H.Kok, 1989

 

8  Gedeeltelijk is gebruikt gemaakt van de definities in:

D. Barrett (World Christian Encyclopedia, p. 820-838.

Jerry L. Sandidge (Roman Catho­lic/Pentecostal dialogue (1977-1982) A study in developing ecume­nism, Vol. 1, Frankfurt am Main: Verlag Peter Lang, 1987, p. LXXXIV-LXXXV).


HOOFDSTUK I

HISTORISCHE EN INTERNATIONALE CONTEXT

 

1.1 NEDERLAND, EEN LAND VAN CONTRASTEN

 

Nederland is in meerdere opzichten een land van contras­ten. De inwoners die uit verschillende volken zijn samenge­steld, zijn zo gevarieerd als hun grond en klimaat. Om een consensus te vinden tussen die talrijke variaties was ver­draagzaam­heid een noodzakelijke deugd. Zowel Desiderus Erasmus (1469-1536)1 als Willem van Oranje (1533-1584)2 propageerden onderlinge verdraag­zaamheid en vrije keuze van levensideolo­gie, maar hun stemmen verzwolgen in de godsdienstige strijd van hun dagen. Vergeleken met de omliggende landen was Neder­land echter nog tamelijk tolerant. Terwijl de Gereformeerde Kerk (vanaf de 19e eeuw "Neder­lands Hervormde Kerk" genoemd) de officiële staatskerk was in de 17e en 18e eeuw, vluchtten vele geloofsvervolgden naar Nederland, waaronder veel reli­gieuze Joden. Zelfs de rooms katholieken werden in zekere mate gedoogd. Het godsdienstige geweten bleek door steekpenningen gemakkelijk gesust te kunnen worden.


Hoewel Nederland maar een betrekkelijk klein land is, heeft het in economisch, artistiek en militair opzicht een belangrijke rol gespeeld. Het absolute hoogtepunt van haar conjunctuur beleefde zij in de 17e eeuw. Vanwege de bevol­kingsdichtheid is er een sterke sociale controle en immigran­ten kunnen de daaruit voortvloeiende bekrompenheid nauwelijks verdragen. Tegelijker­tijd staan de Nederlanders bekend om hun gast­vrijheid en openheid. De eeuwenoude stedencultuur heeft een soms benauwende burgerlijke mentaliteit ontwikkeld, desal­niettemin zijn de mensen uiter­mate individualistisch en wordt buitensporigheid bewonderd. Hoewel wij gemakkelijk neerkijken op ons land en vaak in verkleinwoorden spreken, zijn wij een trots en vaderlandslievend volk en be­schouwen wij ons wel eens als het geweten der wereld. De Nederlan­ders zijn gevormd door hun interactie met de Franse, Engelse en Duitse cul­tuur. Tot in de zestiger jaren waren deze talen verplichte stof in het voort­gezet onderwijs. Deze mengeling van invloeden heeft Nederland een hete­rogene natie gemaakt. De eenheid en saamho­righeid komen vooral tot uiting als er een gemeenschappe­lijke vijand is te bestrijden, bijvoorbeeld bij een natuurramp of als een vreemd volk een aanslag doet op onze onafhankelijk­heid. In tijden van vrede drijft de onverbeterlijke handels­geest ons weer uit elkaar en verdedigen wij bitter onze eigen vierkante meter. De 20e eeuw is gekenmerkt door de verzuiling. De brede pallet aan politieke partijen, omroepen, onderwijs­instellingen en kerkgenootschappen weerspiegelt dit nog al­tijd, hoewel de godsdienstige stromingen sterk aan invloed hebben ingeboet. Het democratiseringspro­ces, in de vorige eeuw vurig gepropa­geerd door de gereformeerde theoloog Abraham Kuyper en rooms katholieke priester H.J.A.M. Schaepman, heeft zich krachtig doorgezet. Er heeft een onmiskenba­re nivellering plaatsgevonden tussen de verschil­lende sociale klassen, zowel in inkomen als in opleiding. Nagenoeg alle Nederlandse kolon­iën verkregen in deze eeuw onafhankelijkheid. Een bij-effect hiervan was de instroom van een groot aantal autochtone bewo­ners van onze vroegere koloniën naar Nederland. Samen met de vele gastar­bei­ders, die in de zestiger jaren driftig werden geronseld om aan de hoge produktievraag te voldoen, voegden deze immigran­ten een nieuwe dimensie toe aan de veelkleurig­heid van onze natie. Gelet op de weerstand hiertegen lijkt onze verdraag­zaamheid tot haar uiterste grenzen te zijn uitge­rekt.

 

1.2 NEDERLAND, EEN OECUMENISCH MODEL?

 

In zijn voorwoord van het boek Lowland Highlights schr­ijft Hebly:

Vele noemen Nederland een "oecumenisch model", een voorbeeld dat navolging ver­dient. Anderen die van veraf toezien, zijn geschokt door de veranderingen die er plaats­vinden3.


In hetzelfde boek moet Nijenhuis toegeven:

Nergens ter wereld met uit­zondering van de Verenigde Staten is het verhaal van de geschiedenis van de reforma­tie zo ver­splin­terd als in Nederland4.

Een beschrijving van de verschillende takken van het Neder­landse Calvinisme valt buiten het bestek van dit boek. Het is wel opvallend om aan te tekenen, dat alle kerksplitsingen vanaf 1796, toen de Nederlandse Hervormde Kerk haar bescherm­de positie als Staatskerk verloor, werden veroor­zaakt door groe­pen die zich van de hoofdstroom afscheidden omdat deze naar hun mening niet meer  zuiver was in leer en leven.

De historische achtergrond van de Nederland­se pinksterbe­we­ging wordt voldoende toegelicht in het boek Spade Regen van Dr. C. van der Laan5. In aanvulling hierop is het belangrijk om vast te stellen dat Nederland een lange traditie kent van mystiek en piëtisme.

Bekend zijn de "Broeders des Gemeenen Levens" oftewel de "Moderne Devotie", een lekenorde die werd opgericht door Geert Groote (1340-1384). In communeverband werd hier op een mystie­ke en devo­tionele wijze het geloof beleefd. Grote aandacht werd gegeven aan het onderwijs. Het boekje Navol­ging van Christus van een van haar volgelingen, Thomas à Kempis (1379-1471), is een van de best verkochte werken aller tijden en heeft tot de dag van vandaag grote aftrek.


De reformatie van het Nederlandse volk werd niet in de eerste plaats veroorzaakt door Luther of Calvijn, maar door de invloed van de wederdopers. Hun eschatologische boodschap gaf het volk uit­zicht in  hun sociale nood6.  Daarom wordt het anabaptis­me wel eens "de godsdienst der armen" genoemd7. Na de nederlaag van hun militante vleu­gel, die in 1535 onder leiding van Jan van Leiden een Godsstad trachten te bouwen in het Duitse Münster, werden de wederdopers echter rigoureus ver­volgd. De ex-priester Menno Simons (1496-1561) slaagde erin om het vredelievende deel van de wederdopers te organiseren tot een hechte gemeen­schap van gelovigen.

In de tweede helft van de zestiende eeuw komt het Calvi­nisme sterk op. Verschillende van haar pre­dikers benadrukken het belang van een juiste balans tussen het verstand en het hart, de leer en het leven. Als voorlopers van het Nederlandse piëtisme kunnen onder meer worden beschouwd Jean Taffin (1528-1602), Petrus Dathenus (1531-1588), Willem Teellinck (1579-1629) en zijn zonen Maxi­miliaen en Johannes. De laatsten werden beïnvloed door de Engelse puriteinen. Goeters heeft echter aangetoond dat het Nederlandse piëtisme niet slechts een export produkt is van Duitsland of Engeland, maar dat het zijn eigen specifieke ontwikkeling doormaakte en is ingebed in onze cultuur8.  In de 17e eeuw werd dit reformatorisch piëtis­me, door Graafland getypeerd als "het pneu­matologisch aanhang­sel van het orthodoxe calvi­nisme"9, vooral uitgedragen door de zogenaamde "Nadere Reformatie". Hoewel de meeste Nederlandse piëtisten lid bleven van hun eigen kerk, be­schouwden zij in de regel toch de huissamenkom­sten waar zij hun geestelijke erva­ringen uitwis­selden (de z.g. conventikels) als de ware kerk i.e. de vergadering van de uitverkorenen. De conventikels stonden open voor leden van ver­schillende kerken, maar werden toch vooral door aanhangers van het orthodoxe calvinisme bezocht. De unieke combinatie van calvinisme en piëtisme resulteerde in een bevindelijk en tegelijkertijd angstig geloof. De twijfel of men wel wederom geboren was of wel zuiver genoeg om aan het avondmaal deel te nemen, kon vele van hen bevang­en. Desalniettemin waren de geschriften van hun leiders in de 18e eeuw, B. Smytegelt (1665-1739), J. Verschuir (1680-1737) en W. Schortinghuis (1700-1750), uitermate popu­lair. Zij spraken met name de vele ontevredenen aan die de kerk te geleerd en te onpersoonlijk vonden. De kloof werd groter toen vele predikanten en theologen afgaven op hun "sentimenteel gezwijmel" terwijl de pië­tisten de dominees verachtten omdat zij vast­hielden aan de "wijsheid van boeken in plaats van wijsheid van het hart".


Van groter oecumenisch belang waren de "so­ciëteiten" van de Hernhutters, die in 1738 in Amsterdam en Haarlem begonnen. Hun internationale leider, de Oostenrijkse graaf Ludwig von Zinzen­dorf (1700-1760), probeerde het piëtisme te ver­binden met het leven in communeverband, wereld­wijde evangelisatie en oecumenische relaties. Dit principe trachtte hij ook in Neder­land toe te passen. In 1745 werd het "Zeister kasteel" hun nationaal hoofdkwartier. Von Zinzendorf was er echter niet op uit om een grote nieuwe kerk in Nederland te stichten en stimuleerde zijn aan­hangers om in hun eigen kerk te blijven.      Aangrijpend in deze periode waren zeker de zoge­naamde Nijkerk­se beroeringen in 1749. Geïnspi­reerd door de opwekking onder de Methodisten te Schotland hield de gereformeerde dominee Gerar­dus Kuypers (1722-1798) een bezielende preek, die tot zijn eigen verbazing voor de nodige commotie zorgde. De onge­wone lichamelijke uitingen en extatische manifestaties, waar­onder mogelijk ook tongentaal10, riepen echter veel tegenstand en bespotting op, waardoor de beweging in enkele jaren uit­stierf.

De conventikels speelden een belangrijke rol in de eerste scheuring binnen de Nederlands Her­vormde Kerk in 1834.11 De afscheiding was vooral een protest tegen het modernisme binnen de kerk en beoogde een terugkeer naar de zuivere gerefor­meerde leer. Binnen de nieuwe kerkgenootschappen die hier uit voort­vloeiden, de Christelijke Gere­formeerde Gemeenten en de Gere­formeerde Gemeen­ten, vindt men tot de dag van vandaag elemen­ten van het reformatorische piëtisme. De literatuur van de "Nadere Reforma­tie" geniet daar nog altijd een zekere mate van populariteit.


De zogenaamde "Reveil-beweging" van de 19e eeuw wilde de Hervormde kerk van binnenuit her­stellen, door het orthodoxe belijden te verbinden met een persoonlijke geloofsbeleving en diaconale zorg. In de periode van 1845 tot 1854 kwamen haar aanhangers bijeen in aparte bijeenkomsten van "Christelijke vrienden". Een bijzonder aspect van het Reveil was het feit dat het piëtisme in een aristocratische milieu werd beleefd, terwijl het voorheen was gebrandmerkt als een primitieve vorm van volkse geloofsreligie.

Toen de kerkhistoricus S.D. van der Veen de negentiende eeuw samenvatte, schreef hij:

En dit vooral is de grote vooruitgang, dat de begin­selen meer uitkomen, en de lijnen, die scheiding maken tussen wat Christelijk is en wat het niet is, scherper getrokken worden. ... Aan het einde der eeuw blijkt het, helaas, overvloedig, dat het woord van Christus nog niet is verstaan door wie zich zij­ne discipelen noemen: eén is uw meester en gij zijt allen broeders. Hoe zal het zijn in de twintig­ste eeuw?12

Nu wij het einde van deze eeuw naderen, kunnen wij vaststellen dat er een opmerkelijke toenade­ring heeft plaatsgevonden tussen verscheidene kerken. Merkwaardig daarbij is dat de kerken en groepen waar het piëtisme in Nederland nog het meest herkenbaar aanwezig is, nauwelijks in dit proces betrokken zijn. De conclusie lijkt ge­rechtvaardigd dat het piëtisme een wezenlijk onderdeel is van de Nederlandse kerkgeschiedenis en verankerd is in ons volksgeloof. Het is de mening van de schrijver dat Nederland pas vol­waardig als oecumenisch model kan fungeren als dit karakteristieke piëtistisch element in de dialoog wordt geïntegreerd. Als het mogelijk is gebleken dat katholieken en protestanten samen in oecumenische harmonie kunnen optrekken, iets wat aan het begin van deze eeuw nog ondenkbaar was, dan moet het mogelijk om ook de piëtisten hierin te betrekken die historisch gezien hier eeuwen­lang zo voor hebben geijverd. De Nederlandse pinksterbeweging is zeker niet de enige en zelfs niet belangrijkste vertegenwoordiger van het piëtisme. Toch kan deze studie, die ingaat op de gespannen relatie tussen haar en de kerken, bij­dragen tot een beter verstaan van de mogelijkhe­den en moeilijkheden die in dit proces te ver­wachten zijn.

 

1.3 HET ONTSTAAN EN DE ONTWIKKELING VAN DE PINK­STERBEWEGING


Gedurende de laatste decennia is veel onder­zoek verricht naar de antecedenten en het ont­staan van de pinksterbewe­ging­.13 Daarom beperken wij ons hier tot een brede schets. In vele arti­kelen en boeken is betoogd dat de charismata en in het bijzonder de glossolalie met een bepaalde regelmaat bij opwek­kingsbewegingen dwars door de kerkge­schiedenis voorkwa­men14.


Waar de pinksterbeweging zich met name door on­derscheidde was dat zij de leer van de "doop in de Heilige Geest" verbond met de tongentaal en andere geestelijke gaven. Aan het eind van de 19e eeuw was "de doop in de Heilige Geest" een ge­liefd thema in de kringen van de Amerikaanse Heiligingsbeweging en de Engelse Keswick confe­renties. In een trainingsschool voor evangelisten te Topeka Kansas (U.S.A.), raakten de leider Charles F. Parham (1873-1929) en zijn studenten door studie in het boek Handelingen er van over­tuigd, dat het bijbelse teken voor deze Geestes­doop het spreken in tongen was. Zij baden hier ernstig voor en op 1 januari 1901 ontving de 30-jarige Agnez Ozman (1870-1937) deze gave. Uren­lang kon zij naast haar tongentaal geen zinnig woord meer uit brengen. De extati­sche gebeurtenis­sen die hierna plaatsvonden, werden breed uitgemeten in de lokale pers hetgeen weer in de nodige belang­stelling resul­teerde. Door interne spanningen raakte de groep echter spoedig verdeeld en enkelen zworen zelfs hun ervaring af.  Vanaf 1903 concentreerde Parham zich weer meer op de bediening van goddelijke genezing en groeide zijn succes. Zijn cursussen over de doop in de heilige Geest zette hij echter voort. In 1905 wist de neger-predikant William J. Seymour (1870-1922) na enig aandringen toestemming te verwer­ven om een gedeelte van deze cursus bij te wonen. Vanwege zijn huidskleur moest hij zich echter verdekt in een bijkamertje opstellen; door een openstaande deur kon hij zo de lessen volgen15. Seymour combineerde Parham=s leer over de doop in de heilige Geest met zijn visie dat deze ervaring zou uitmonden in een ware communiteit van liefde, waarin de huiskleur geen rol meer zou spelen16. Dit bleek de aanzet voor een bijzondere opwekking te worden, die begon in april 1906 in een eenvou­dig huis in Los Angeles. Deze keer zette de op­wekking door. Het nieuws verspreidde zich razend­snel. De oplage van hun gratis tijdschrift The Apostolic Faith, groeide van 5.000 in 1906 naar 40.000 in 1907 en 80.00 in 1908 16. Uit principe reageerde Seymour nooit op kritiek. Als reactie op de vraag hoe wij moeten omgaan met de bestaan­de kerken, ­schreef hij in januari 1907:

Predik Christus en jullie zullen de kudde weiden en vette schapen hebben. Maar als je tegen de kerken gaat predi­ken zul je ontdekken dat de zoete Geest van Christus zal wijken, die niet af­gunstig is, niet praalt, niet opgebla­zen is, het kwade niet toerekent, ge­duldig is en vriendelijk. Een harde, veroordelende geest zal hiervoor in de plaats komen17.

Binnen enkele jaren verspreidde de beweging zich over heel de wereld. De Noorse methodistische predikant Thomas Ball Barratt (1862-1940) bracht het over naar Europa. In een Abeknopte geschiede­nis van de Pinksterbeweging@ die de zendeling Max Moorhead al in november 1908 uitgaf, meldde hij reeds uitstortingen van de Geest in Australië, China, Duitsland, Groot Brittannië en India. Ten opzichte van de sociale status ­­­schreef hij:

Velen van hen die hier aan deelnamen waren negers, armen, laaggeplaatsten, analfabeten en verachten. Minder dan vijftig jaar geleden waren negers nog slaven van blanke mensen in de Verenig­de Staten. Alleen een Amerikaan kan ten volle begrijpen hoe veracht een neger is. De Pinksterbeweging van de twintig­ste eeuw ontstond in een verachte plaats met verachte mensen, omdat er voor hen geen plaats was in de heden­daagse kerk 18.

 


Barratt en met hem de meeste Europese pinksterpi­oniers beschouwde deze zogenaamde ALate Regen@, die de wederkomst van de Heer aankondigde (Jac. 5:7-8), als een beweging die boven de kerken uitsteeg. Van meet af aan verwachtte hij ook tegenstand. In 1907 schreef hij over de predi­kant, die verlangde naar de doop in de heilige Geest:

Hij is ook bereid om vervolging te doorstaan, ja zelfs het kruis van de martelaar. Hij heeft slechts een doel voor ogen en dat is zijn Heer en Mees­ter te vereren. En de Kerk moet of hem verdragen, en zich aan de opwekking onderwerpen die nieuwe kracht voort­­brengt, of haar deuren voor hem slui­ten37.

In 1911, vijf jaar voordat hij zelf de Methodis­tische kerk verliet, deed Barratt nog een ernstig beroep op zijn mede pinkstergelovigen om de een­heid te bewaren. Hij was inmiddels tot het in­zicht gekomen dat de Pinksterervaring niet auto­matisch de oude traditionele inzichten vernieuw­de.

Thans blijft zoals voor de opwekking dezelfde verscheidenheid van meningen, zelfs onder onze Pinkstervrienden, be­treffende een verscheidenheid van kwes­ties die de kinderen van God al eeuwen­lang heeft verdeeld in diverse kerkge­nootschappen of religieuze splinter­groeperingen. Dit is een feit! Bij het begin van de opwekking werd dit nauwe­lijks opgemerkt, maar velen die vroeger Lutheraan, Methodist, Baptist, Quaker enzovoorts waren, bleven bij hij oude standpunt inzake verscheidene belang­rijke vraagstukken. De opwekking heeft hier geen verandering in gebracht 20.

Om de bestaande tegenstellingen te overbruggen stelde Barratt het volgende voor:


Alles moet toegelaten worden om uitge­voerd te worden overeenkomstig hun ei­gen persoonlijke inzicht over deze za­ken, zonder bekritiseerd, beoordeeld of veroordeeld te worden door de anderen. Hun oprechtheid en het authentieke ka­rakter van hun christelijke ervaring mogen om die reden niet in twijfel wor­den getrokken. Ook mogen zij niet bui­tengesloten worden van de voorrechten of ambten van het kerkgenootschap waar­toe zij behoren of van de opwekking als geheel 21.

Naarmate de jaren vorderden konden de Pinksterge­lovigen niet voldoen aan deze oecumenische bena­dering en begonnen zij met het stichten van hun eigen kerkgenootschappen. In 1964 concludeerde professor Nils Bloch-Hoell:

De Pinksterbeweging is in feite een uitnemend voorbeeld in de kerkgeschie­denis van een reactie-beweging, die zich geleidelijk ontwikkelde tot uitge­rekend hetzelfde type kerkgenootschap tegen wie het oorspronkelijk ageerde teneinde het te hervormen22.

 

1.4 INTERNATIONALE SCOPUS


Een aantal vooraanstaande pinksterleiders hebben zich nadrukkelijk ingezet om de oorspronk­elijke oecumenische dimen­sie van de vroege Pink­sterbeweging nieuw leven in te blazen. Twee reu­zen die zich hier na de tweede wereldoorlog voor hebben ingespannen zijn de Zuidafrikaan David J. du Plessis (1905-1987) en de Engelsman Donald Gee (1891-1966). Beide waren nauw betrokken bij de opzet en eerste ontwikkelingen van de Wereld Pinkster Conferenties. Du Plessis diende als haar eerste uitvoerend secretaris (1948-1958) terwijl Gee haar tijdschrift Pentecost redigeerde (1947-1966). In 1951 voelde Du Plessis zich gedrongen om te getuigen tegen de leiders van de Wereldraad der Kerken (voortaan kortweg "Wereldraad" ge­­noemd). Tot zijn eigen verbazing bemerkte hij dat met name de vrijzinnige theologen bijzonder geï­nteresseerd waren in zijn visie op de geestelij­ke gaven. Voor de rest van zijn leven, fungeerde Du Plessis als de stem van de Pinksterbeweging binnen de Wereldraad. Zelfs op het Vaticaans concilie werd hij uitgenodigd. Niet alle Pinksterbroe­ders waren hier enthousiast over. In 1962 ontnam de Assemblies of God (U.S.A.) hem vanwege zijn oecumenische contacten de erkenning als predikant. Pas zeventien jaar later werd hij weer in ere hersteld.23 Hoewel luisteren niet zijn grootste gave was, kan zijn bijdrage  aan de oecumenische betrokkenheid van de pinksterbewe­ging nauwe­lijks worden overschat. De bediening van Du Plessis is tevens van grote invloed ge­weest in de dialoog tussen de Hervormde kerk en de pinksterbeweging in Nederland24.

Donald Gee was een van de uitzonderlijke pinksterleiders, die gematigd positief durfde te reageren op de vestiging van de Wereldraad in 1948. In Pentecost schreef hij hierover:

In deze donkere tijd is het dringend nodig dat alle Christenen samen plannen beramen, samen werken en samen hun eensgezindheid in geloof, hoop en lief­de verklaren. Wij hebben geen waarde­ring voor misleidde mensen die het iso­lement zoeken, binnen en buiten de pinksterbeweging, en zichzelf afzijdig houden van dit soort raden25.

Gee bleef positieve verslagen over de Wereldraad doorgeven. Dit tot ergernis van zijn geloofsgeno­ten die de Wereldraad het werk van de Antichrist achtten, in het bijzonder de Amerikaan­se broeders die nauw verbonden waren met de N.A.E. (National Association of Evangelicals). In 1961 dwongen zij Gee zelfs, zeer tegen zijn zin in, om niet in te gaan op de uitnodiging om de vergadering van de Wereldraad in New Delhi als waarnemer bij te wonen. In 1964 verklaarde Gee in een radiotoe­spraak dat hij tot de groep Pinkstermensen be­hoorde die "de oecumenische beweging als een van de belangrijkste geestelijke feiten van deze tijd beschouwde en een rechtstreeks werk van de heili­ge Geest"26.


Een andere belangrijke man die baanbrekend werk heeft verricht in het belichten van de oecu­menische betekenis van de pinksterbeweging is de Zwitser dr. Walter J. Hollenweger (geboren 1927). Hollenweger kwam al jong met de pinksterge­meente in aanraking. In de vijftiger jaren was hij een voor­aanstaand evangelist en voorganger binnen de Zwitserse "Pfing­stmission". In 1965 werd hij benoemd als secretaris van de studie-afdeling "zending en evangelisatie" van de Wereldraad. Deze functie bekleedde hij tot 1971 waarna hij professor missiologie werd aan de universiteit van  Birmingham. Door zijn uitgebreid historisch onderzoek en scherpe analyse, werd het Pentecos­talisme toeganke­lijk voor academische studie. In oktober 1966 organiseerde hij een unieke consul­tatie in Gunten (Zwitserland), waar Europese pinksterleiders en afgevaardigden van de Wereld­raad met elkaar in conclaaf gingen27. Hollenweger heeft een reeks van boeken en artikelen gepubli­ceerd, waarin hij de oecumenische potentie van de pinkster- en charismati­sche beweging analyseerde.

Tenslotte kunnen nog een aantal namen ge­noemd worden, die zich heden ten dage inzetten om de dialoog tussen kerken en pinksterbeweging te bevorderen. Twee Amerikaanse pinkster-academici (beide aangesloten bij de Assemblies of God) die verwikkeld zijn in oecumenische contacten en hier regelmatig over publiceren, zijn dr. Cecil M. Robeck en dr. Jerry L. Sandidge. Twee Rooms ka­tholieke geleerden die regelmatig de oecumenische betekenis van de pinkster- en charismatische beweging onderstre­pen zijn dr. Killian McDonnell en dr. Peter Hocken. De Lutherse predikant dr. Arnold Bittlinger mag in dit lijstje niet ontbre­ken. Hij heeft veel onderzoek gedaan naar de betekenis van de charismatische beweging binnen het streven van de Wereld­raad. De veelzijdige ontwikkeling van de pinkster- en charismatische beweging in Nederland, die in dit boek nader wordt beschreven, biedt boeiend vergelijkings­materiaal net de onderzoekingen van bovengenoemde schrijvers.


     NOTEN   

1 De historicus Romein ziet in de tolerante geest van Erasmus een kenmerk van de Nederlandse volksaard. (Jan & Annie Romein, Erflaters van onze beschaving Nederlandse gestalten uit zes eeuwen (Amsterdam: Querido, p. 1979), p. 79-80.

 

2  Willem van Oranje was achtereenvolgens Luthers, Rooms Katholiek (1545) en Calvinist (1573).  Al in 1564 pleitte hij voor godsdienst­vrede (Jan & Annie Romein, p. 113). In 1578 he trachtte hij tevergeefs zijn plan voor "Religi­onsvrede" door te voeren. (Dr. Otto de Jong, Nederlandse Kerkgeschie­denis Nijkerk: Callenbach, 1978, p. 151-152).

 

3  J.A. Hebly ed., Lowland Highlights Church and Oecumene in the Netherlands (Kampen: J.H. Kok, 1972), p. 5.

 

4  W. Nijenhuis, The Dutch Reformation in: Lowland highl­ights, p. 23.

 

5  C. van der Laan, Spade Regen (Kampen: J.H. Kok, 1989), p. 15-64. Zie ook: Cornelis van der Laan,"Gerrit Roelof Polman: Sectarian against his will: Birth of Pentecostalism in the Netherlands" (Ph.D.-dissertatie, University of Birmingham, 1987), p. 7-43.

 

6  J. Reitsma, Geschiedenis van de Hervorming en de Hervormde Kerk in der Nederlanden (Utrecht: Kemink & Zoon, 4th. edition, 1933), p. 71.

 

7  Prof. E. de Jongh & prof.dr. Th. van Tijn ed., 8 Miljoen Nederland­ers en hun kerken (Utrecht/Antwerpen: Het Spectrum, 1979), p. 32.

 

8  J. Reitsma, p. 383.  Citaat uit:

W. Goeters, Die Vorbereitung des Pietismus in der reformierten Kirche der Niederlanden bis zur labadistischen Krisis 1670, Leipzig 1911, p. 41-43.

 


9  C. Graafland, De Gereformeerde orthodoxie en het piëtisme in Nederland, Nederlands Theolo­gisch Tijdschrift Jaargang 19, 1964-1965, p. 478.

 

10  Het feit dat glossolalie plaatsvond te Nijkerk is discutabel. Een van de weinige plaat­sen waar dit wordt vermeld is: Dr.G. Sevenster, "Glossola­lie" Encyclopedie van het Chris­tendom - Protestants Deel, Amsterdam: Elsevier, 1955, p. 381.

 

11  R.P. Zijp, Een geschiedenis van de gere­formeerde gezindte,  Anderhalve eeuw Gereformeer­den 1834-1984 (Utrecht: Catherijneconvent, 1984), p. 16. Het merendeel van de 100  gemeenten die voor 1840 ontstonden als gevolg van de "Afschei­ding" kwamen voort uit vroegere conventikels. (H. Algra, Het wonder van de negentiende eeuw, 4e herziene druk, Franeker: Wever, 1976, p. 95-123).

 

12  Dr. S.D. van der Veen, Eene eeuw van worsteling (Groningen: J.B. Wolters, 1904), p. 888-889.

 

13  De meest complete bibliografieën over het Pentecosta­lisme, met name inzake de anglo-ameri­kaanse literatuur, zijn:

-      Charles Edwin Jones, A Guide to the Study of the Pente­costal movement 2 Volumes ATLA Bi­bliography Series no 6 (Metuchen, N.J.: The Scarecow Press and The American Theological Library Association, 1983).

-      Watson E. Mills, Charismatic Religion in Modern Research A Bibliography, (Macon, Ge­orgia: Mercer University Press, 1985).

Voor antecedenten en wortels van de beweging, zie:

-      Vinson Synan ed., Aspects of Pentecostal-Charismatic origins (Plain­field, N.J.: Logos International, 1975).

-      Donald W. Dayton, Theological Roots of Pen­tecostalism (Grand Rapids, Mi.: Francis As­bury Press, 1987).

-      Daniel Brandt-Bessire, Aux sources de la spiritualité Pentecôtiste (Geneva: Labor et Fides, 1986).


Voor het ontstaan van de beweging zie:

-      Vinson Synan, The Holiness-Pentecostal move­ment in the United States (Grand Rapids, Mi.:William B. Eerdmans, 1977).

-      Robert Mapes Anderson, Vision of the Disin­herited The making of American Pentecosta­lism (New York/Oxford: Oxford University Press, 1979).

-    Paul Fleisch, Die Moderne Gemeinschaftsbewe­gung in Deuts­chland Vol. 2: Die deutsche Gemeinschaftsbewegung seit auftreten des Zungenredens Deel 1: Die Zungenbewegung in Deutschland (Leipzig: H.G. Wallman, 1914).

-    Ernst Giese, Und flicken die Netze Dokumente zur Erwec­kungs­geschichte des 20.Jahrhundert 2e herziene druk. (Metzin­gen/Württ:Ernst Franz Verlag, 1987).

Voor een algemene beschrijving van de Pinksterbe­weging:

-    Nils Bloch-Hoell, The Pentecostal movement (Os­­­­­­­­­­­lo/Lon­don/New York: Universitetsforlaget, 1964).

-      Walter J. Hollenweger, Handbuch der Pfingst­bewegung 14 Vol. (Geneva: Privé publikatie 1965-1969).

-     Walter J. Hollenweger, The Pentecostals (London: SCM Press, 1972).

-      Donald Gee, Wind and Flame (Nottingham: As­semblies of God Publishing House, 1967).

-    John Thomas Nichol, The Pentecostals (Plain­field N.J.: Logos Internatio­nal, 1966).

-    Jakob Zopfi, "... Auf Alles Fleisch !" Ge­schichte und Auftrag der Pfingstbewegung (Kreuzlingen: Dynamis Verlag, 1985).

 

14  Zie bijvoorbeeld: George H. Williams & Edith Waldvo­gel, "A history of speaking in tongu­es and related gifts" in: Michael P. Hamilton ed., The Charismatic movement (Grand Rapids: W.B.Eerd­mans, 1975), p. 61-113.

zie ook twee haaks op elkaar bestaande beschrij­vingen van:

Karel Hoekendijk, Charismata, Zwolle: Lec­tuurfonds Stro­men van Kracht, geen jaar.


     Dr. Anthony A. Hoekema, Spreken in tongen, Kampen: J.H. Kok, p. 7-23.

Voor een brede historische studie:

Eddison Mosiman, Das Zungenreden geschicht­lich und psy­cholo­gisch untersucht, Tübin­gen: J.C.B. Mohr, 1911.

Voor meer bibliografische informatie:

Watson E. Mills, Spea­king in Tongues: A classified Bibli­o­grap­hy, Studies in the Bi­ble and Early Christianity Volume 6, (New York/­Toronto: The Edwin Mellen Press, 1985).

 

 

15  D.J. Nelson, "For such a time as this - The story of bishop William J. Seymour and the Azusa Street Revival. A search for Pentecostal Charismatic roots" (Ph.D. dissertatie University of Birmingham, U.K., 1981), p. 167.

 

16  R.M. Anderson, p. 74. Een complete her­druk van de eerste jaargangen van The Apostolic Faith (april 1906-mei 1908) zijn in 1981 uitgege­ven (Like as of Fire Wilmington, Massachu­setts: Fred T. Corum).

 

17  [W.J. Seymour], The church question, The Apostlic Faith 1/5, January 1907, p. 2.

 

 

18  Max Wood Moorhead, A short history of the Pentecostal movement, Clouds of Witnesses to Pentecost in India Pamphlet no. 6, November 1908, p. 15.

 

19  T.B. Barratt, A friendly talk - with ministers and Christian Workers on the Baptism of the Holy Ghost (Sunder­land: A.A. Boddy, 1907), p. 13.

 

20  T.B. Barratt, An urgent plea for Charity and Unity, Confidence 4/2, February 1911, p. 31.

 

21  Ibid, Confidence 4/3, March 1911, p. 63.

 

22  Nils Bloch-Hoell, The Pentecostal move­ment, p. 177.


23  Martin Robinson, To the ends of the earth - The pilgrimage of an ecumenical Pentecostal David J. du Plessis (1905-1987) (Ph.D. disserta­tion University of Birmingham, U.K., 1987, p. 247 & 297-298.

 

24  Martin Robinson, p. 206-216.

 

25  Donald Gee, Amsterdam and Pentecost, Pentecost 1/6, december 1948, p. 17.

 

26  D. Gee, The Pentecostal Churches and the World Coun­cil of Churches, 17/67, March-May 1964, p. 1 & 16-17.

 

27 Tijdens deze consultatie in het Parkhotel te Gunten, van 22-24 oktober 1966, waren 23 Pinkster- and 12 W.R.K.-vertegenwoordigers. De enige Nederlander was A.H. van den Heuvel. Zie: Walter J. Hollenweger ed., Die Pfingstkirchen - Selbstdarstellungen, Dokumente, Kommenta­re, Die Kirchen der Welt Vol. VII (Stuttgart: Evangeli­sches Verlagwerk, 1971), p. 288.


 

HOOFDSTUK 2

DE GEEST WAAIT WAAR HIJ WIL

 

2.1 INLEIDING - EEN VERZUILDE SAMENLEVING.

 

De enige constante in Europa sinds de Franse en Industriële revolutie leek wel die van de voort­durende verandering. Elk land had zijn problemen met betrekking tot de nieuw ver­worven vrijheden en wisselende sociale strata. Terwijl we in gedach­ten houden dat het individualisme een van de belangrijk­ste en meest gewaardeerde karakter­trekken in de Nederlandse samenle­ving is, kan men zich de turbulente atmosfeer voorstel­len dat Nederland kenschetste in de negentiende eeuw. Door het aan­vaarden van de nieuwe grondwet in 1848 was de macht van de koning, de "soevereine monarch" overgegaan op het parlement. De regering bestond beurtelings uit Liberalen of de zogenaam­de "confessionelen"(i.e. Christen-Democraten. Aanvan­kelijk hadden de Calvinisten, die gedurende de 17e en 18e eeuw be­hoorden tot de officiële staatskerk, veel moeite om samen te werken met de Rooms-Katho­lieken. Dit ver­zwakte de politieke kracht van de "confes­sione­len"in ernstige mate, maar geleide­lijk kreeg het pragma­tisme de over­hand over het funda­mentalis­me. Ten einde een nieuw schoolsysteem op te zetten waardoor scholen geba­seerd op godsdienstige principes ook rijks­subsidie krijgen, werkten de "confessionelen"in de laat­ste helft van de negen­tiende eeuw samen. Vanaf 1880 begon de arbeidersklasse zich in poli­tiek opzicht te emanciperen. Op initiatief van Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1864-1919), een voormalig Lu­thers geeste­lijke die atheïst was geworden, ont­wikkelde zich een belang­rijke socia­listische partij. Nadat de kieswet in 1918 werd veran­derd en de arbeiders kies­recht kregen, wer­den de socia­listen een politieke macht om reke­ning mee te houden.


In 1903 werd het land opgeschrikt door een golf van stakingen. Ze werden snel onderdrukt door de zogenaamde "worgwetten" van de regering die ge­leid werden door de beroemde theoloog Abra­ham Kuyper. Niettemin bekrachtigde dit de eigenwaarde van de lagere klasse, die gesymboliseerd werd door hun stakingskreet: AHeel het raderwerk staat stil, als uw machtige arm dat wil". De periode van de Eerste Wereldoorlog werd gekenmerkt door vrees en oppervlakkige neutraliteit, met aan de ene kant bewonderenswaardige liefdadigheid en aan de andere kant af­schuwwekkende uitbuiting. De periode tussen de twee Wereldoor­logen werd be­heerst door het proces van de zogenaamde verzui­ling (verdelen van de maatschappij in ideologi­sche "zuilen"). Iedere "zuil" had haar eigen levensfilisofie, richtte haar eigen politieke partij op, vakbond en omroepvereniging, had haar eigen sociale en medische centra en zelfs haar eigen dagbladen en tijdschriften. Pas sinds de zestiger jaren werd het proces van ontzuiling in beweging gezet samen met de deconfessionalise­ring.



De kerkelijke achtergrond van deze periode was ook een achter­grond van verandering, verdeeldheid en verwarring. Modernisti­sche en liberale ideolo­gieën voerden de boventoon op het academische vlak, maar bij het volk heerste een sterke nei­ging naar orthodox conservatisme. Gedurende de negentiende eeuw vonden er twee belangrijke af­scheidingen plaats binnen de Nederlandse Hervorm­de Kerk. In 1834 vond de eerste exodus plaats op aansporing van twee geestelijken, H. de Cock en H.P. Scholte, die sterk gekant waren tegen het modernisme en het liberalisme. Deze twee mannen hadden piëtistische tendensen, vooral Scholte die soms visioenen had en geleid werd door een inner­lijke stem. Na een langdurig proces waarin ze vervolgd werden en een aanzienlijk deel met Scholte naar de V.S. vluch­tte, werden de Gerefor­meerde Gemeenten en de Christelijk Gereformeerde Gemeenten opgericht, beide met een sterke nadruk op een strikte naleving van het Calvinisme zoals uitgelegd in de kerkelijke orde van de synode van Dordrecht (1618-1619). In 1886 veroorzaakte Abra­ham Kuyper een tweede en wat aantal betreft ernstiger afscheiding die leidde tot de vorming van de neocalvinistisch Gereformeerde kerken, die in 1892 opgingen in de meeste van de Christelijk Gereformeerde kerken. |In tegen­stelling tot de Nederlandse Hervormde kerk die zichzelf als de "volkskerk" beschouwde van het Nederlandse volk als geheel, waren de Geformeerde kerken exclusie­ver. Zij beschouw­den zichzelf als de "wedergebo­renen" of "uitverkorenen" en de ware voortzetting van de oorspronkelijke Nederlandse reforma­tie. De spanning tussen de liberale en de orthodoxe op­vatting was tot op zeker hoogte ook werkbaar in de andere veel kleine­re deno­minaties die voortge­komen waren uit de reformatie, namelijk de Evang­elisch Lutherse Gemeente, de Doopsgezinde Broe­derschap en de Remonstrantse Broederschap. In de 19de eeuw werden er enkele nieuwe denominaties van Anglo-Amerikaanse oorsprong gesticht in Ne­derland: de Aposto­lische Gemeente, de Vergade­ring van Gelovigen (Broeders of Darbisten), de Unie van Bap­tisten (Baptisten), de Vrije Evan­gelische Gemeenten en het Leger des Heils kwamen tot wor­ding als een protest tegen de strenge controle van de nationale synode van de Nederlandse Her­vormde kerk. De autonomie van de plaatselijke kerk en evangelisatie waaronder persoonlijke bekering werd benadrukt. Ondanks enige persoon­lijke  bezoeken van John Wesley kwam Nederland slechts indirect in contact met het Methodisme, voornamelijk binnen het gebied van het "Revei­l"en de Vrije Evangelische Groeperingen. Vanaf 1887 werd het Methodisme het duidelijkst zichtbaar door het \leger des Heils dat erin slaagde binnen een aantal jaren een vaste voet aan de grond te krijgen in Nederland. Deze militante religieuze organisatie gaf een gelegenheid aan de onontwik­kelde leken hun leven toe te wijden aan de dienst van God. Tot dusverre was dit aspect schandelijk over het hoofd gezien door de traditio­nele ker­ken. Het Leger des Heils bleek de broedplaats te zijn van de Neder­landse Pinksterbeweging. Ondanks kerkelijke verdeeldheid was er veel belangstel­ling voor de jonge oecumenische beweging, voor zowel "Geloof en Orde" als "Leven en Werk", voor­al onder de Nederlands Hervormden, Lutheranen, Mennonieten, Remonstran­ten en Oud Katholieken. De Gereformeerde kerken waren gekant tegen ieder compromis of zelfs samenwerking met liberale theologen en hielden zich zelf om deze reden op een afstand. , Het is van betekenis dat de voor­lopige vergadering voor het oprichten van de Wereldraad van Kerken gehouden werd in ­ Utrecht in 1938 en dat de eigenlijke stichting van de Raad plaats vond in Amster­dam in  1948. De eerste vergadering van de vroegere Wereld alliantie na de Eerste Wereldoorlog vond ook plaats in Neder­land, en wel in 1919 in kasteel Oud Wasse­naar. In 1939 werd de eerste Wereldconferentie van Christelij­ke Jeugd gehouden in Amsterdam over het onderwerp "Christus de Overwinnaar". Twee Neder­landers namen een vooraanstaande plaats in het leider­schap van de vroegere Wereldraad van Ker­ken: H. Kraemer was de eerste president van het Oecumenisch Instituut in Bossey en W.A. Visser 't Hooft was de eerste Algemeen Secretaris (1937-1966). Ondanks al deze oecumenische activiteit op internatio­naal niveau trad dit pas duidelijk op de voorgrond na de Tweede Wereldoorlog in een groeiend weder­zijds respect en interkerkelijke verhoudingen op nationaal en plaatselijk niveau. Tot op die tijd werd de kerkgeschiedenis nog steeds hoofdzakelijk geschreven met het oogmerk de superi­oriteit van elke bijzondere denominatie te bewijzen. De merk­waardigste godsdienstige verandering in deze periode was het feit dat een toenemend aantal mensen openlijk met hun kerk brak. Het per­centage van hen die zichzelf als niet-religieus beschouwde groeide van 1,48% tot 14,43% in 1930.

Als historische curiositeit kan hier aan toege­voegd worden dat het bijbelse fenomeen van de glossolalie in de tijd van de vroege Gemeente een onderwerp werd van vurige discussie onder een groot aantal Duitse en Nederlandse theologen in de loop van de 19e eeuw. Toen dit  fenomeen in de Pinksterbeweging van het begin van de 20e eeuw gemeengoed werd, en hierdoor ook een deel van hun eigen cultuur, schonken de theologen er slechts weinig aandacht aan1.


Een van de meest betekenisvolle aspecten van de vroege Pink­sterbeweging in Europa zijn haar oecu­menische en vernieuwende kenmerken. Binnen de Europese context is de Nederlandse  situatie uniek aangezien het "vuur daar viel"in een kleine onafhankelijke groep van voormalige Dowie-aan­hangers die reeds als een sekte werd beschouwd. Toen echter, nadat de eerste doop in de Heilige Geest plaatsvond, voltrok zich een merk­waardige verandering. De gedachte om een nieuw kerkgenoot­schap op te richten wordt opzij gezet en de dien­sten worden be­schou­wd als een doorgangsplaats waar Gods volle zegen ervaren kan worden en door­gegeven wordt aan alle kerken.


G.R. Polman werd de onbetwiste leider en in de volgende vier­entwintig jaar centreerde de Neder­landse Pinksterbeweging zich rond deze veelzijdi­ge evangelist. Hij worstelde om een synthe­se tot stand te brengen tussen zijn overtuiging dat de Pink­sterzegen bedoeld is voor het hele lichaam van Christus en zijn wens om tegemoet te komen aan die mensen die dorst hadden naar de doop in de Heilige Geest, ondanks de tegenstand die door een dergelijk zoeken werd opgewekt in hun eigen kerken. Zij die het felst waren in hun veroorde­ling waren degenen die vol vuur waren opgekomen voor de doop in de Heilige Geest overeenkomstig het onderwerp van heiligmaking, namelijk de Bap­tisten, de Vrije Evangelische kerken en de aan­hangers van de zogenaamde "Nederlandse Tentzen­ding". Omdat ze zoveel gemeenschappelijks hadden met de Pinkstergroeperingen was het voor hen zeer bedreigend en de minieme verschillen werden overdreven. Aan de andere kant vertoonden welbe­kende Neder­lands Hervormde predikanten zoals Dr. G.A. Wumkes, Dr. J.H. Gunning JHz. en Dr. A.H. den Hartog een verrassende maar voorzichtige openheid. Als Polman vastloopt in zijn ideaal om een oecumenisch centrum van zegen in het leven te roepen wordt een Pinkstergemeente gesticht en in 1926 (!) zijn de eerste oudsten benoemd. Het denominationalisme heeft vanaf die tijd de weg bepaald voor de Nederlandse Pinkstergroeperingen het­geen zijn uitdrukking vindt in een zich ont­wikkelende toepas­sing van het gebruik van de Nederlandse woorden kerk en ge­meente als tegeng­estelde polen. Kerk wordt dan als synoniem be­schouwd met droog, ongeestelijk, liturgisch, lauw, liberaal of uiteindelijk ongeredde chris­tenheid. Met gemeente wordt dan bedoeld een sa­menkomen van enthousiaste, geestelijke, sponta­ne, ijverige, bijbels-fundamentalistische of uitein­delijk met de Heilige Geest gedoopte kinderen van God.

Als besluit van dit hoofdstuk zullen we bekijken hoe het oecumenische zaad dat in de eerste tien­tallen jaren werd gezaaid moeilijk tot wasdom kon komen nadat Polman was ge­schorst in 1930. De rivaliteit tussen de drie nieuwe leiders Piet Klaver, Nico Vetter en Pieter van der Woude ver­stikte welhaast de tere oecumenische plant. Na enkele jaren groeide er echter wederzijds begrip en respect. Dit resulteerde uit­eindelijk in een nationale organisatie die later diende als een springplank voor interkerkelijke uitwisseling. De aanvan­kelijke oecumenische stoot vond haar uit­drukking op een andere manier door het tijd­schrift "Kracht van Omhoog"dat begonnen was als een pastoraal blad voor de Pinkstergemeente Am­sterdam, maar dat gedurende de veertiger jaren uitgegroeid was tot een interkerkelijk tijd­schrift met als doel het merendeel van de Chris­tenheid met de pinksterboodschap in aanraking te brengen.

 

2.2 GERRIT POLMAN - OP ZOEK NAAR GEESTELIJKE EENHEID

 


Gerrit Roelof Polman werd geboren op de tweede mei 1868 te Westerholte, een gehucht in de pro­vincie Overijssel. Hij was de oudste zoon van Coenraad Roelofs en Hendrikje Polman en scheen voorbestemd  te zijn om de boerderij van zijn ouders over te nemen. Een radicale bekering op zijn twintigste ver­jaardag veranderde echter zijn levensrichting. Nadat hij de militaire dienst had doorlopen, waar hij de bijnaam van "de tinnen dominee"kreeg vanwege zijn aanhoudende evangeli­satie, veranderde hij van uniform en trad toe tot het Leger des Heils. Hij ontpopte zich spoedig als een leider en al snel werd hij bevorderd van cadet (1890) tot luitenant (1892), tot kapitein (1893) en tenslotte tot adjudant (1897). In 1897 trouwde hij met de officier van het Leger des Heils Maria A.H. Brinkman, maar zij stierf twee jaar later. In 1901 kreeg hij de leiding over de Kweekschool voor mannen te Amsterdam. Op 10 janu­ari 1902 namen de commissaris voor Nederland en België, Arthur Booth-Clibborn (1855-1939) en zijn vrouw Catharina Booth (1858-1955, de oudste doch­ter van William Booth) ont­slag, omdat ze onder de bekoring van de genezingsevangelist Alexander A. Dowie (1847-1907) waren gekomen. Dit veroorzaakte menig verhitte discussie binnen de gelederen van het Neder­landse Leger des Heils. Verscheidene andere officieren waaron­der Polman, namen ontslag toen hun werd gevraagd hun eed bij het Leger en de vlag te hernieuwen. Niet lang na deze oproeri­ge gebeurtenis trouwde Polman voor de tweede keer. Zijn vrouw Wilhelmina Johanna Blekkink, geboren op 21 maart 1878 te Wonsobo, was opge­groeid in Indonesië waar haar vader onderwij­zer was. Evenals Polman had zij ontslag genomen bij het Leger des Heils vanwege Dowie. Een paar maan­den later na hun huwe­lijk op 2 juli 1903 vertrok­ken ze naar de Stad Zion, de gods­dienstige droom­stad die Dowie had gevestigd veertig mijl ten noorden van Chicago. Kort na hun aankomst werden ze gedoopt door driemalige onderdompeling  op 1 november 1903 in Madison Square Garden tijdens Dowie's grote demonstratie in New York. Ze gingen naar het Zion College en studeerden talen en Polman werd zeer bedreven in Grieks en Hebreeuws. Op 17 juli 1904 werden ze beiden tot diaken ge­wijd. Dowie merkte op: "Diaken Polman is Neder­lander ten voeten uit en daarom moet hij naar Nederland gaan"2. Aldus werd hij op 5 januari 1906 ingezegend als evange­list en teruggezonden naar Nederland om het werk van zijn voorlopers tot in details uit te voeren met als doel een tak van de Apostolisch Christelijke Katholieke Kerk in Neder­land te vestigen. Dowie was zeer openhartig in zijn uiteinde­lijke doelstelling: "Laat ik het eenvoudig en duidelijk stel­len. Het doel van de Christelijke Kerk in Zion is om iedere andere kerk te verpletteren"3.


Kort na hun terugkeer naar Nederland werd Dowie afgezet, voornamelijk wegens zijn financieel wanbeheer. Bijgevolg werd de kleine groep die door Polman werd geleid in Amsterdam een geeste­lijke wees. Ze baden om leiding en verlangden naar de ervaring van de doop in de Heilige Geest. Dit laatste was in die tijd een veel besproken onderwerp in evangelische kringen geworden en men had zelfs nog hogere verwachtingen gekregen na de opwekking in Wales in 1909. De evangelische kran­ten in Nederland publiceerden uitvoerige versla­gen over deze opwek­king zonder dat ze echter de emotionele uitingen noemden, en veel artikelen werden besteed aan de noodzakelijkheid van de Geestesdoop. Polmans eerste contact met de Pink­steropwekking  werd gelegd via Amerikaanse en Engelse tijdschriften die verslag gaven van de uitstorting van de Heilige Geest en het herstel van de geestelijke gaven in verscheidene landen. De Nederlandse kerkelijke pers noemde de Pink­steropwekking in Los Angeles in 1906 slechts terloops. Het eerste uitvoerige ver­slag verscheen in april 1907 van Johannes de Heer in zijn tijd­schrift Jeruël. Hij beschreef met enthousiasme verschil­lende gevallen van het spreken in tongen, genezing en exorcis­me en besloot zijn artikel met het gebed:

Wat schijnt bij het lezen van deze hoogheerlijke dingen al ons werk gering en onze arbeid in Gods koninkrijk nie­tig. Onwillekeurig zingt mijn hart het bekende lied:1Daal als in tijdens van ouds op mij neer, Heilige Geest4..

Hij merkte ook de oecumenische en sociologische betekenis van dit gebeuren op:

Deze spade regen wordt ook niet in een zekere kring of kerk uitgestort doch is een alliantiezegen komen­de over kleinen en groten, rijken en armen, Baptis­ten en Methodisten; over allen die na ver­geveing der zonden ontvangen te hebben, zich hebben laten reini­gen door het bloed van Jezus en met een ernstig ver­langen God niet loslaten totdat zij deze Geestes­doop ontvangen5.


Sommigen in de groep van Polman waren ervan over­tuigd dat dit de late regen was die de komst van Jezus Christus zou inlui­den. Maar mevrouw Polman trachtte dit nieuw sprankje hoop de kop in te drukken, omdat ze vreesde dat ze weer eens teleurge­steld zou worden. Op 29 oktober 1907 echter was uitgerekend mevrouw Polman de eerste die de doop in de heilige Geest ontving, verge­zeld van het spreken in tongen, interpre­tatie en profetie. Vanaf die tijd veranderden de samenkom­sten dras­tisch. Dramatische ervaringen en extati­sche uitingen werden gemeengoed. Deze dingen stonden  aan het begin van hun ont­plooiing waarin de eigen identiteit, theologie, liturgie, moge­lijkheden en beperkingen nog moesten worden ont­dekt. Ongehinderd door kerkelijke regels of dog­ma's scheen alles te gebeuren en mogelijk te zijn: lichamelijke trillingen, vallen op de grond, exorcisme bij kinderen, luid spreken en zingen in tongen, dromen, visioenen, profetieën, interpretatie van tongen, lichamelijke en mentale genezingen etc... Men kan zich voorstellen dat sommigen hun vraagtekens hadden toen die ongewone religieuze manifestaties plaatsvonden. In januari 1908 kwam De Heer terug op zijn aanvankelijke goedkeuring. Zijn vrienden van de Duitse "Gemein­schaftbewegung" hadden hem ervan overtuigd dat deze zogenaamde "Zungenbewegung" slechts verd­eeldheid veroorzaakte en uiteindelijk uit de hel kwam. De broeders A. en H. Dallmeyer waarschuwden dat alle gaven die zich manifesteerden in deze "Zungenbewegung"vals bleken te zijn en zonder uitzondering van Satan zelf afkomstig waren. De Heer echter wilde de Nederlandse tegenhanger niet zo streng veroordelen. In mei 1908 schreef hij:

Men mene niet, dat ik, met het schrij­ven van dezen uitkijk, een oordeel heb uitgesproken over de samen­komstem, die sinds korte tijd in ons land gehoudem worden en waar men eveneens in `talen= spreekt; integendeel hoewel zelf nog niet in de gelegenheid geweest zijnde deze samenkomsten bij te wonen, zijn mij toch eenige daarin betrokken broe­ders en zus­ters, persoonlijk als ernstige Christenen bekend, wier mede­deelingen zelfs een gunstige indruk maken6.


Niettemin veroorzaakte dit artikel onherstelbare schade. De Vrij Evangelische Gemeenten, de Bap­tisten en de Nederlandse Tentzending (een voorlo­per van de huidige Gemeenschapsbond) maakten gretig gebruik van de voortdurende stroom van laster van de "Gemeinschaftsbewegung"om zich te kanten tegen het Nederlands Pentecostalisme. Ironisch genoeg werd uit deze drie groepen het kolossale orgaan gevormd dat we heden ten dage zouden beschouwen als de "Evangelicalen", juist die groep in het christendom waarmee het Pente­costalisme graag geïdentifi­ceerd wil worden. Behalve deze groepen was het nieuwsblad De Heraut van de Gereformeerde kerken uitermate duidelijk in haar veroordeling. Tot op heden zijn de uit­wassen die zich voorde­den in Kassel, Duitsland in juli 1907(!) de voornaamste en enige bron geweest om de Pinksterbeweging in veel Nederlandse pole­mische boeken of artikelen te veroordelen en belachelijk te maken. In 1912 plaatste Polman een opmerking over deze kritiek:

Zoals te verwachten was, kwam ook van verscheidene zijden tegenstand. Jezus zeide:`Een dienstknecht is niet meer dan zijn heer. Indien zij mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen=. Het meest smartte het ons echter, dat deze tegenstand vaak kwam van hen, die wij toch miet anders dan als broe­ders in den Heer kunnen beschouwen en onze bede is nog steeds, dat God hun ogen moge opnenen voor het­geen Hij doet in onze dagen ...


Maar vaak smartte het ons en konden wij niet begrij­pen, hoe kinderen Gods zo iets durfen te schrij­ven, of in hun blad konden plaatsen. In plaats van zelve de dingen te onderzoeken, nam men vaak maar op wat wereldse bladen hadden geschreven, of hetgeen men uit anderer mond, ook meestal geen ooggetuigen, vernam. Doch de Pinksterzegen heeft ons liefhebbende harten gegeven, en ons geleerd te doen wat Jezus deed, die niet wederschold, noch dreigde, maar het overgaf aan Hem, die rechtvaardelg oordeelt7.

 

Nog steeds kan men het verdriet voelen dat werd veroorzaakt als men het getuigenis van mevrouw Polman leest tien jaar na haar ervaring met Pink­steren:

Men heeft ons getracht als duivelskin­deren te brand­merken, als geestenbe­zweerders, als fanatici, als spiritis­ten, als verleiders, als krankzinnigen, als zenuwlijders, als liefdelozen. Ja, zal ik de meerde­re epitheta herhalen, waarmede men ons, die in het pinkter­wonder geloven en die zich er naar uitstrek­de, betitelde? 8

Niettemin polemiseerde Polman nooit. Tweemaal stelde hij heel duidelijk, in 1912 en 1930 (!), dat hij "zich nooit geleid voelde om te schrijven tegen deze leugenachtige beschuldigin­gen". In 1930 voegde hij eraan toe:

Wij behoren aan allen. Wij zijn geen secte en mijden iedere sectarische geest, wij willen een ieder een zegen zijn, trachten niet zelf groot te wor­den, maar het algemeen te helpen. Moge de Pinkstergeest in iedere kerk, onder welke naam ook, uitgestort wor­den, dat is onze bede9.

Deze houding van stil verzet tegen oppositie werd voorgezet in de tweede generatie van het Neder­lands Pentecostalisme. Nog verrassender was Pol­mans verlangen om op te gaan in het li­chaam van Christus. Het oorspronkelijke doel van de gemeen­te in Amsterdam was volgens een uitspraak van Dowie (p.43), "iedere andere kerk op haar grond­vesten te doen schudden", maar na de doop in de Heilige Geest sloeg de pendule om in de tegenge­stelde richting. Zelfs voordat hij deze ervaring zelf ont­ving, jubelde Polman:


Het is heerlijk om te zien, dat kinde­ren Gods van verschillende kerkgenoot­schappen en verenigingen en het Heil­sleger samenkomen, biddende om de doop van de Heilige Geest. Waar Gods Geest uitgestort wordt, vallen alle schei­dingen weg en verenigt men zich aan de voet van het Kruis, en ziet men alleen op de Heiland aller mensen10.

Op 4 juni 1908 om 2 uur ontving Polman eindelijk de zegen waar hij zolang naar had verlangd en voor had gebeden. Symbolisch gebeurde dit in een pastorie. Hem werden de handen opgelegd door Alexander Boddy (1845-1932) en zijn vrouw Mary. Boddy was de pionier van de Engelse Pinksterbewe­ging. Ook na zijn gees­tesdoop bleef hij een Ang­licaanse dominee tot zijn dood. Tijdens de eerste belangrijke conferentie in Amster­dam (5 tot 7 september 1908) was hij de hoofdspreker. Polman eerde Boddy door hem te betitelen als "een ge­liefde geestelijke vader en raadge­ver in deze ernstige zaak". Johan­nes Paul (een Lutherse voor­ganger) en C.O. Voget (een Hervorm­de voorganger) uit Duitsland spraken ook regelmatig in de Am­sterdamse gemeente en werden vrienden van de Polmans. In zijn ontelbare reizen naar Enge­land, Duits­land, Zwitserland, België en Frankrijk moet Polman hebben gesproken in allerlei kerken binnen het christe­lijk spectrum en predikte hij de bood­schap van redding, heili­ging en de doop in de Heilige Geest. Het is duidelijk dat Polman niet de bedoeling had een nieuwe gemeente of denomina­tie te stichten. In maart 1909 schreef hij:

In verband met ontvangen brieven, delen wij gaarne mede, dat dit blad geen enk­ele kerk of secte verte­genwoordigt. Wij danken God te mogen geloven in de een­heid, die God wil (Joh. 17:21-23) en te mogen ervaren dat het kruis van Chris­tus en de Hilige Geest waarachtig één maakt. Onder degenen die de Pinksterze­gen ontvangen hebben, of die ernstig zoe­ken, kennen wij Hervormden, Gerefor­meerden, Lu­ther­sen, Baptisten, Evang­elischen, Heilssoldaten e.a.. Met na­druk wijzen wij er op, dat wij in ge­nerlei betrekking staan of gestaan heb­ben tot de z.g. `Her­steld Apostolische Gemeente= te Amsterdam of ergens an­ders11.


Terugkijkend op die eerste jaren schreef Polman in 1925:

In het begin leek het ons toe en hadden wij gehoopt dat de vrucht van deze ze­gen, zich had verspreid in de verschil­lende bestaande kerkgenootschappen, en wij, die naar het uitwendige er buiten stonden voor de verschillende genoot­schappen en zegen hadden mogen zijn. Wij spraken dat menigmaal uit, als wij wensten, dat ons kleine zaaltje op de Nieuwe Prin­sengracht, altijd groot ge­noeg zou zijn, om zodoende de éénheid onder de verschillende genotschappen te bevorderen, en ons zelf als pink­sterbweging te ver­liezen in het grote lichaam van het christendom, dat wij ook in dit opzicht mochten zien de ver­vulling van Joëls profeties. Zijn Geest over alle vlees, over alle kinderen Gods van welke naam ook12.

Het is van betekenis op te merken dat de zaal die hier wordt genoemd slechts een maximum van 160 personen kon herbergen.

Eenheid was zeker een van Polmans belangrijkste onderwerpen. Men kan nauwelijks een editie van zijn tijdschrift Spade Regen vinden waar niet gesproken wordt over eenheid op wat voor manier dan ook. Het voorbeeld dat hij in gedachten had was eenvoudig en ongekunsteld. In deze laatste dagen stortte God zijn Geest uit op alle vlees (Joel 2,28, hand. 2,17). Deze ervaring zou het totale lichaam van Christus verenigen waarna de Heer zou terugkeren. Polman legde er regelmatig de nadruk op dat christelijke eenheid een vitale voorwaarde was voor de Tweede Komst. Maar voor hem betekende dit meer een geestelijke dan een organische eenheid, opgelegd door het hart in plaats van door het verstand. Eenheid moest geba­seerd worden op innerlijk leven en aanbidding, meer dan op uiterlijke ideolo­gie en wederzijdse instemming. Hij stelde zelfs dat deze eenheid zo essentieel was, dat alle evangelisatie tevergeefs zou zijn als zij hier niet op gericht was:


Wij gevoelen dat deze opwekking niet in de eerste plaats geldt de redding van duizenden, maar eerst de overwinning van de gemeente Gods, het mystieke ­­­­­­li­chaam van Christus, de voorbereiding voor de komst van haar gezgend Hoofd.

De Evangelisatie-arbeid, zonder dit doel, is een totale mislukking. Het helpt niet veel of men al stenen aan­brengt, als zij niet worden toegevoegd tot een éénheid, Gods gebouw. En dat kan men zelf niet doen, dat moet God doen; de Heer voegt toe tot de Gemeen­te, die zalig worden, door de heilige Geest. Wanneer de kinderen Gods niet de éénheid van het lichaam van Christus als het hoogste stellen boven hun eigen kerk, organisatie of beweging, zal alle arbeid tevergeefs zijn. De éénheid der Gemeente werkt als een getuigenis naar buiten, waardoor de zielen bekeerd wor­den, en toegvoegd tot de onzicht­bare Gemeente van Christus.

De Pinksteropwekking leidt tot dit doel; vandaar ontmoet men juist de grootste moeilijkheden onder kinderen Gods, en heeft de Heilige Geest nog niet kunnen doordringen in alle kerken en genootschap­pen13.

Polmans begrip van organische eenheid als een vitale voorwaar­de voor de Tweede Komst en een essentiële vereiste voor evan­gelisatie heeft zijns gelijke niet gekend van welke andere Neder­landse pinksterleider dan ook. In een brief aan Dr. G.A. Wumkes, gedateerd op 27 februari 1915, gewaagde Polman van zijn dilemma om deze eenheid te realiseren ondanks de vijand­schap van de ker­ken:

Wat kunnen wij doen om de ernstige kin­deren Gods in de verschillende kerken deze waarheid bekend te maken terwijl hun voormannen in het algemeen een vooroordeel hebben tegenover de Pink­sterbeweging.

Om deze poging aan te wenden, is het goed een Pink­stergemeente te stichten?


Zoo ja, wat moeten dan diegenen doen, die nu nog lid zijn van de verschillen­de bestaanden kerken?14

Uiteindelijk won het realisme het van het idea­lisme. In 1920 werd er een bestuur van twintig broeders gekozen om leiding te geven aan de Am­sterdamse gemeente. In hetzelfde jaar werd er een Pinksterzendingsgemeenschap opgericht. De voor­waarden voor lidmaatschap, zoals in de statuten was vastgelegd, waren:

1) De ware en eeuwige goddelijkheid van Christus erkennen.

2) Door heilig gedrag bewijzen dat men gered was door het bloed van    Christus.

3) Geloven in de wederkomst van Christus voor Zijn gemeente.

4) Geloven in de doop in de Heilige Geest volgens de Schrif­ten.

In januari 1921 werd er een internationale Pink­sterconferentie gehouden te Amsterdam waarop de Zweedse leider Lewi Pethrus (1884-1974) sprak en hij pleitte voor de oprichting van vrije onaf­hankelijke Pinkstergemeenten. Polman publiceerde Pethrus' toespraak over dit onderwerp in Spade Regen15. Uiteindelijk werd de cirkel van het deno­minationalisme gesloten toen Polman het persoon­lijk lidmaatschap introduceerde en er een doop­vont werd gebouwd in zijn kerk in Amsterdam in 1925. In 1926 werden de eerste zeven oudsten ingezegend. Wat onvermijdelijk leek gebeurde; de Pinksterbeweging veranderde in een Pinksterdeno­minatie.


Hoe raakte Polmans visie voor geestelijke eenheid verloren? Het schijnt dat Polman zelf gedeelte­lijk schuld heeft. Hij zaaide verdeeldheid door hen wiens doop in de Heilige Geest niet geaccep­teerd werd in hun kerken aan te moedigen hun eigen gescheiden samenkomsten te houden. Dit gebeurde bijvoorbeeld in de Baptistengemeenten van Sneek en Harlingen in 1909. De exclusieve samenkomsten voor hen die gedoopt waren in de Heilige Geest of de gescheiden samenkomsten voor zoekers naar deze ervaring die plaatsvonden in Amsterdam vanaf 1908 gaven ook reden voor wan­trouwen. Toen F.J. van Meerlo deze samenkom­sten als waarnemer wilde bijwonen, schreef Polman hem:

Wanneer u van inzicht veranderd is en overtuigd zijt, dat God werkelijk zijn H. Geest in ons midden heeft uitge­stort, zooals op het Pinksterfeest, en u zich met ons kunt vereenigen in één geest, zoals de 120 op het Pinkster­feest, zullen wij blij zijn, wanneer u onze onderlinge samenkomsten bezoekt16.


Het is begrijpelijk dat Polman gedurende deze "heilige samen­komsten" enkel en alleen nieuwsgie­rige of negatieve toeschou­wers wilde vermijden. Niettemin werden de gaven van de Geest zodoende te veel weggedrukt naar het gebied van het mysterieu­ze en subjectieve, terwijl deze charis­mata bedoeld zijn om de kerk en de wereld in zijn geheel te dienen. Een essentieel oecumenisch element gaat verloren van de geestelijke gaven als deze slechts voorbehouden zijn aan een gese­lecteerde groep in plaats van het hele mensdom in het dagelijks leven te dienen. Bovendien was Polman niet consequent in zijn streven om de Pinksterbeweging te doen opgaan in het grote lichaam van Christus, aangezien zijn openbare samenkomsten op dezelfde tijd plaatsvonden als andere kerken hun dienst hielden. Polman had ook de neiging de totstandkoming van eenheid te ver­smallen tot hen die eenzelfde religieuze ervaring hadden. Deze houding loopt het gevaar christenen te verdelen in verschillende onoverbrugbare vak­jes. De doop in de Heilige Geest kan een belang­rijk eenheidmakend element zijn, maar hij doet niet alle bestaande verschillen teniet. Polman schrok terug van het idee van een Pinkstersamenk­omst die terugkeerde naar de traditione­le model­len van de kerken. Hij was ervan overtuigd dat de manifestatie van de gaven van de Geest de enige hoop was het Christendom te redden van dood cere­monieel, geestelijke dor­heid en vruchteloosheid. Terecht had hij waargenomen dat een van de be­langrijkste bijdragen die de Pinksterbeweging kan leveren de dynamische integratie is van de cha­rismata in kerk en samenleving. Polman besefte dat, indien de charismata een bijbels en werke­lijk feit zijn, zij niet omlaag gehaald mogen worden naar het niveau van een hobby van bepaalde gelovigen, maar iedereen moeten beïnvloeden. De oorspronkelijke wens om te dienen als doorgangs­plaats waar Gods zegen doorgegeven zou worden, gaf ruimte voor een creatieve belichaming van de charismata in de verscheidene kerkelijke tradi­ties. De tijd was echter nog niet rijp voor een dergelijke integratie in de kerken. Polmans leven was te kort en zijn bediening te overbe­last en controversieel om de volledige oecumenische implica­ties van zijn overtuigingen uit te werken.

Aan het einde van zijn leven bleek dat Polman niet kon voldoen aan de hoge ethische normen die hij zelf predikte. Het kwam aan het licht dat hij al jarenlang overspel pleegde met ver­schillende vrouwen uit de gemeente. Tijdens een ledenvergade­ring op 6 oktober 1930 werd hij uit zijn ambt gezet. Hoewel hij vergeving zocht en verlangde weer in de bediening te treden, was zijn lichamelijke kracht uitgeput door zijn onver­moeibare toewijding aan zijn roeping. Op 1 maart 1932 stierf Polman in een Rooms-katholiek ziekenhuis in Haarlem. Tot zijn dood toe bleef hij evangelist. Zijn mede-patiënten en zij die hem verpleegden noemden hem een engel. In zijn laatste woorden aan zijn vriend Emil Humburg, zie hij:

Alleen liefde is van volle waarde en het spijt mij dat ik dat nu pas begin te beseffen. Alleen de lief­de van God brengt onze geest tot volle rust17.

 

2.3 INCIDENTELE BELANGSTELLING UIT NEDERLANDS HERVORMDE HOEK

 

Gedurende de periode van 1914 tot 1924 raakten drie Nederlands Hervormde predikanten betrokken bij de kleine Nederlandse Pinksterbeweging, en wel: G.A. Wumkes, J.H. Gunning JHz. en A.H. Hart­og. Alle drie hadden een doctorstitel en werden alom gerespecteerd.

 

2.3.1 Dr. G.A. Wumkes


Geert Aeilco Wumkes (1869-1954) was een Neder­lands Hervormd predikant van 1897 tot 1924 waarna hij bibliothecaris werd van de "Provinciale Frie­se Bibliotheek"tot zijn pensioen in 1941. Wumkes was een bekend historicus met een levendige journalis­tieke stijl. Hij werd vereeuwigd als de grote pleiter voor het Friese belang. Hij was een van de eerste predikanten die in de Friese taal predikte tot afschuw van zijn publiek dat dit als te werelds beschouwd voor een Bijbelse uiteenzet­ting. Hij hielp mee de Bijbel in het Fries te vertalen en werkte mee aan de uitgave van een Nederlands-Fries woordenboek. De Friezen staan algemeen bekend om hun onbuigzaam karakter; Wum­kes bewees echter zeer flexibel te zijn. Ondanks zijn vasthoudende orthodoxie pleitte hij voor de liberalen toen een conservatie­ve synode enige strenge regels trachtte te leggen in de formu­les die gebruikt werden bij het de belijdenis. Wumkes schreef boos: "Het zou leiden tot machtsmisbruik en dwang van een conservatieve middengroep in de kerk tegenover groepen van een andere nuance" 18. In zijn in het fries geschreven autobiogra­fie ver­klaarde hij zijn onconventionele liefde voor dissen­ters:

Foar in diel fan âld Mennist bloed, hat soks him geastelik by my utere yn swak op alle mooglike dis­senters. It like wol oft de splinsters dy=t fan >e goudstêf ôfslein wiene my oanloeken mei in magnetys­ke krêft.

(Gedeeltijk van oud Doopsgezing bloed, heeft dit in mij uitgewerkt in een zwak voor allerlei mogelijke dissenters. Het lijkt wel of de splinters die van de goudstaf afgeslagen zijn mij aantrekken met een magnetische kracht)19.



In 1912 schreef hij een gedetailleerd verslag over de opkomst en de ontwikkeling van de Baptis­ten in Nederland. Aangezien hij toentertijd domi­nee was in Sneek moeten de plaatselijke Baptisten hem nogal dramatische verhalen hebben verteld over die fanatieke Pinkstermensen en hun leider Polman die een afscheiding had veroorzaakt in hun gemeente in 1909. Niettemin stuurde hij de twee Pinksterzusters niet weg die naar zijn pastorie kwamen bij het verspreiden van literatuur van deur tot deur. Via hen kwam hij in contact met Polman en er groeide een vriendschap. Als Polman Sneek bezocht bracht hij de nacht regelmatig door bij de familie Wumkes. Polman overspoelde hem met pinksterliteratuur en hieruit ontstond het idee een ge­schiedenis te schrijven. In november 1914 interviewde Wumkes Polman met dit doel. In febru­ari 1915 ontving Polman het manuscript ter cor­rectie. Het is verbazingwekkend hoe Wumkes in zijn laatste publikatie Polmans commentaren re­gelmatig citeert, zelfs zonder de bron te noemen. Als Wumkes bijvoor­beeld de twee gevaren van de Pinksterbeweging opsomt, en wel 1) terugvallen in een banale wijze van christendom en 2) overdrij­ven in een soort overgeestelijkheid, dan citeert hij bijna woordelijk Polman, maar strijkt zelf de eer op. Ironisch genoeg citeert N. van Beek (Bap­tist) in zijn kritiek juist dit gedeelte en be­twijfelt hij of het Pentecostalisme het hiermee eens zal zijn. Natuurlijk wist hij niet dat deze uitspraken van Polmans eigen hand afkomstig waren20. Aanvankelijk zou dit boekje met als ti­tel: "De Pinksterbeweging, voornamelijk in Neder­land", gepubliceerd worden in de serie "Kerk en Sekte", uitgegeven door Prof.Dr. S.D. van Veen, maar om een of andere onbekende reden werd hier­van afgezien. Uiteindelijk werd het gepubliceerd in september 1916 in Stemmen des Tijds, een maandblad over Christendom en Cultuur. Diezelfde maand ko­pieerde het christelijk nieuwsblad De Nederlander het bijna in z'n geheel in vier edi­ties zonder enig aanvullend commentaar toe te voegen21. Wumkes' beschrijvende geschiedenis was waar­schijnlijk een van de allereerste positieve verslagen die geschreven waren door een niet-Pinksterman wereldwijd. Zoals men kon verwachten waren de kritieken van de Vrije Evangeli­schen, de Nederlandse Tentzending en de Baptisten negatief. De Baptisten waren nogal in verlegenheid gebracht aangezien Wumkes hun geschiedenis had geschreven in dezelfde positieve stijl, hoewel veel uitge­breider. Niettemin verweet N. van Beek Wumkes eenzijdigheid. A. Wickel van de Vrije Evangeli­sche kerken besteedde drie artikelen aan zijn recensie. Hij be­schuldigde Wumkes ervan dat hij geen juist onderzoek of exege­se had gedaan. A. Petermeijer van de Nederlandse Tentzending begon positief door te stellen dat dit "een belangrijke ge­schiedkundige uiteenzetting was over het begin en de ontwikke­ling van de Pinksterbeweging", maar hij besloot met de notoire roddel uit de "Gemein­schaftsbewegung"22. Als reactie op deze kritiek verzuchtte Polman, "Ik heb deze zelfde argumenten acht jaar geleden gehoord!" Andere Protestantse tijdschriften waren veel ontvankelijker en geba­lanceerder. Polman zelf publiceerde slechts een korte recensie waarin hij schreef:

Dit geschriftje, door iemand buiten de beweging staande geschreven, heeft ten zeerste onze waarde­ring, en wordt ieder , die belangstelt in de bewe­ging, ter lezing aanbevolen23.


Deze waardering werd gedemonstreerd door het feit dat Polman dit artikel na enige minieme correc­ties publiceerde in een aparte brochure. De eer­ste druk van zo'n 1.000 exemplaren was binnen enkele maanden uitverkocht. Wumkes' publikaties wekten een behoorlijke belangstelling waaronder ook belangstelling van predikanten en theologies­tudenten. Deze periode van uit­wisseling was slechts tijdelijk en zonder permanente gevolgen. In maart 1917 vatte Wumkes het plan een geschie­denis te schri­jven over de Pinksterbeweging op het eiland Terschelling. Van 1897 tot 1900 had Wumkes daar gediend als voorganger. Niet lang na zijn vertrek kwam zijn opvolger H. Stegenga onder de bekoring van H. Haitema, een Amerikaanse hei­ligingsprediker van Friese afkomst. Ten gevolge hiervan nam hij ontslag en een kleine groep scheidde zich af van de plaatselijke Nederlandse kerk. In februari 1908 accepteerde deze groep Polmans bood­schap van de doop in de Heilige Geest. Omdat Wumkes zo nauw betrokken was geweest bij de afzettinf van ds. Stegenga, kende hij een aantal van de Terschellingse pinksteraanhangers per­soonlijk. Maar helaas bleek hij niet in staat om zijn oorspronkelijke plan uit te voeren en bleef zijn onderzoek beprekt tot een aantal per­soonlijke aantekeningen en brieven, die hij ver­zamelde en bewaarde24. Wumkes raakte dusdanig be­trokken in de Friese kwestie dat zijn interesse voor de Pink­sterbeweging vervaagde. Tot 1922 bleef hij in correspon­dentie met Polman. Na Pol­mans afzetting was hij erg teleurge­steld en was ervan overtuigd dat de beweging nu wel moest verwelken. Toen mevrouw M. Visser hem in 1946 schreef en toestemming vroeg zijn boekje te ge­bruiken voor een recente geschied­schrijving van de Nederlandse Pinksterbeweging, wei­gerde hij. In zijn autobiografie van 1947 besloot hij met de woorden: "In mijn archief zit een pakje brieven over het einde van een beweging die in het begin zo veelbelovend scheen@25.


Om Wumkes' bijdrage naar waarde te schatten moet men onder­strepen dat zijn geschiedschrijving van de Pinksterbeweging een moedige poging was om de aantrekkingskracht van de Pink­sterbeweging in beeld te brengen. Hij zocht niet naar de dichtstbijzijnde stok die voorhanden is om hier­mee die eigen­aardige pinksterhond te slaan, maar deed pogingen om te ont­dekken waarom hij blafte. Er moeten echter enkele kritische kanttekeningen worden gemaakt. Ten eerste kan Wumkes terecht eenzijdigheid worden verweten. Hij verliet zich te veel op de inlichtingen en de literatuur die hij ontving van Polman en pinkstergelovigen in Sneek. Hierin handelde hij meer dan journalist dan als historicus. Niettemin lag zijn verslagge­ving veel dichter bij de waarheid dan de verhalen die ver­spreid waren door hen die Wumkes beschul­digden van eenzijdig­heid, voordat zij zelf de Pentecostalen nooit hadden toege­staan zich uit te spreken. Ten tweede stelde Wumkes zichzelf niet bloot aan deelname aan een pinksterdienst of gebeds­diens­t, ondanks het feit dat Polman hem steeds maar weer uitnodigde in de hoop dat hij een beter begrip zou krijgen van hun motie­ven. Ten derde was Wumkes' beeld van de Pinksterbewe­ging te veel gericht op een persoon. Een derde van zijn ge­schied­schrijving ging over Polmans biografie. Om deze reden moet hij gedacht hebben dat de beweging tot z'n einde was gekomen toen Polman afgezet werd. Polman was zeer zeker een buitengewoon leider, maar er stond veel meer op het spel dan het leven en de visie van een mens. Ten vierde ontbrak het Wumkes' uiteen­zetting aan diepgaande evaluatie. De enige persoonlijke waar­debepaling die Wumkes gaf stond in zijn laatste alinea:

De beteekenis der Pinksterbeweging ligt hoofdzake­lijk hierin, dat zij bij ver­nieuwing heeft getoond, dat wonderbare geestesdiepten zich ontsluiten en bui­tengewone energieën ontwaken, wanneer een mensch den geestesdoop ondergaat26.

Een van de meest essentiële vragen bleef onaang­eroerd: hoe zou deze pinksterzegen geïntegreerd moeten worden in het leven van kerk en wereld? Wumkes was te kort en te weinig in contact ge­weest met de Pinksterbeweging om te kunnen uit­weiden over dit cruciale onderwerp. Het is jammer dat hij de uitdaging niet aannam waar Polman hem eens voor stelde:

Ik geloof dat uw pamphlet een introduc­tie is op wat volgen moet. Wie weet, wanneer u meer in het hart der beweging komt, U een meer geestelijke, krachtige brochure zult schrijven.27

Al met al was Wumkes zich slechts ten dele bewust van de belangrijke bijdrage die de Pinksterbewe­ging zou leveren in het sociale vlak. Hij begon zijn boekje over de Nederlandse Pinksterbewe­ging op een veelbelovende manier met een citaat van Th. Ache­lis waarin gezegd werd dat extase een belangrijk sociaal-ethisch ingrediënt was gewor­den, maar hij liet na om over dit onderwerp uit te weiden. Hij probeerde zelfs de structuur van ingewijde predikanten en ambtsdragers op te dringen aan Pol­man. Toen Polman antwoordde dat hij zich nog niet geleid voelde in deze richting te gaan, veronderstelde Wumkes dat Polman alle macht in eigen handen wilde houden. Maar het wijst er echter meer op dat Polman nog steeds uit was op een nieuw kerkelijk stelsel, waarbij de geestelijke gaven de belangrijk­ste verordening waren.

 

2.3.2 DR. J.H. GUNNING JHZ.

 


Johannes Hermanus Gunning JHz. (1858-1940) werd bekend door zijn weekblad Pniël, dat hij publi­ceerde vanaf 1892 tot zijn dood. In de laatste jaren van zijn leven waren zijn radiotoe­spraken heel populair. Het is moeilijk hem te plaatsen, maar hij wordt in het algemeen beschouwd als een vertegenwoordiger van de orthodoxe en ethische vleugel. Soms propageerde hij revolutionaire ideeën. In de tijd toen hij Nederlands Hervormd predikant in Gouda was (1887-1891) had hij reeds geëxperimen­teerd met liturgische veranderingen, waarbij hij kerkleden actief liet deelnemen in de aanbidding. Hij moet deze dorst naar eenheid geërfd hebben van zijn vader, de beroemde Prof. J.H. Gunning Jr. (1829-1905). Reeds in 1901 schreef Prof.Dr. J.H. Gunning Jr.:

Ik hecht mij alleen aan de éne katho­lieke kerk en zoek haar openbaring met honger en dorst der ziel - overtuigd dat de scheuringen in de gemeente, zelfs ook de scheuring in rooms en pro­testant, niet naar >s Heren wil zijn28.

Gunning kan dan wel niet hetzelfde genie geweest zijn  als zijn vader, maar hij had zeker dezelfde hartstocht. Hij was polyglot; hij sprak en las tenminste twaalf talen, tegelijker­tijd was hij ook in staat om met christenen van allerlei rich­tingen of groeperingen op een broederlijk niveau te pra­ten. In 1922 schreef hij:

Ik heb ze lief, die kerken en kringen in ons Vader­land die niet met onze Her­vormde of `Groote= Kerk vereenigd zijn, voorzover ze zich niet t e g e n het Evangelie naar de Schriften zich kanten of in secta­rische vijandschap haar ver­foeien en bestrijden. Dàn blijk ik na­tuurlijk, zij het ook met droefheid, op een eerbiedigen afstand van hen. Maar anders kom ik gaarne af en toe eens onder hun dak, en dubbel blij ben ik als ik ook eens op hun kansel of plat­form mag optreden om te getuigen van de hope, die in mij is29.

Deze openheid resulteerde ondermeer in zijn be­langstelling voor de Pinksterbeweging. In zijn autobiografie schreef hij:


Al de geestelijke stromingen, ook de roepstemmen, vaak met hartstochelijke aandrang mij bestormend, zijn door mijn hart heengegaan. Sabbatisme en Per­fec­tionisme, de Pinksterbeweging en de gewichtige boodschap van het Millenni­um, boven alles de predi­king der Apos­tolische en der Rooms-Katholieke ker­ken, ze hebben mij somwijlen hevig aangegrepen en vervuld30.

In 1910 vroeg Gunning Polman om meer informatie en deed in het bijzonder navraag naar hun houding ten opzichte van de kerk. Polman antwoordde gre­tig en schreef:

Deze zegen van God heeft mijn hart ver­vuld met ­over­vloeiende liefde voor al mijne mede-Christenen en kan ik niet anders als hen allen liefhebben of­schoon ik lijd onder de geestelijke tegenstand van de ker­ken in >t alge­meen, die dezen zegen verwepen hetzij in onwetenheid of bitterheid. Sinds dien tijd (begin van de pinksteropwek­king in Nederland) zijn er al­leen in Amsterdam ongeveer 150 broeders en zus­ters van ­verschillende kerkgenootschap­pen, die deze zegen hebben ontvangen. Zoolang de kerkdeuren voor deze openba­ring Gods gesloten blijven worden wij als vanzelf gedwongen, afgescheiden van andere genoot­schappen, samen te komen31.

In augustus 1911 publiceerde Gunning een verhaal, vertaald uit het Duits, met als titel: "Hoe me­vrouw Flammberg genezen werd van het spreken in tongen". Zelfs de officier van het Leger des Heils, J.F. Hoogesteger, reageerde dat het gete­kende contrast schromelijk werd overdreven. Dat­zelfde jaar kondigde Gunning aan dat hij van plan was om een serie te publiceren over "geestelijke stromingen", waaronder de Pinksterbeweging en vroeg hij om materiaal. Polman drong er bij Gun­ning op aan niets te schrijven "zonder een gron­dig persoonlijk onder­zoek" en voegde eraan toe:


Dat wij in Holland biten de kerken staan, is niet onze schuld. Wij zouden niets liever zien, dat de kerkdeuren zich openden voor deze zegen, dien God geeft, om de gemeente voor te bereiden voor de we­derkomst van haar Heer en Heiland, maar tot op heden is iedere deur nog gesloten, uit vrees voor de ge­meente, terwijl het juist de eenige en Goddelijke uitweg is, om uit den geestelijk dooden toestand te geraken32.

Gunning ontving een aantal brieven die verwezen naar de Pink­sterbeweging, waaronder ook vernieti­gend materiaal van J.D. Root Jr., maar volgde Polmans verzoek op en schortte zijn oordeel op totdat hij enig persoonlijk onderzoek had ver­richt. In december 1916 schreef hij een sarcas­tisch artikel over de sekte van de "Holy Rollers" in de V.S. en bracht hen in ver­band met de Pink­sterbeweging. Polman, gealarmeerd door Wumkes over dit artikel, vroeg Gunning waarom hij deze twee met elkaar in verband had gebracht. Gunning beantwoordde de vraag niet, maar schreef wel dat hij sympathiek stond tegen­over de beweging en dat hij zo nu en dan gedeelten voorlas uit de Spade Regen aan anderen33. Gestimuleerd door zijn zuster Caro­line van Lennep die met Polman in contact was gekomen en die zeer waarderend over hem sprak, bracht Gunning een eerste bezoek aan Polman in het begin van 1917. Nadien noemde Gunning dit "een heilige conversatie" en getuigde dat Polmans gebed hem had "gesterkt en bemoedigd". Vanaf 1917 tot 1920 gaf Gunning leiding aan het interkerke­lijk centrum "Maranatha" te Apeldoorn, waar Pol­man zo nu en dan sprak. Polman was blij dat Gun­ning net meer gebonden was aan een denominatie en verwacht­te dat hij tot grotere zegen zou zijn voor de kerk door daar buiten te prediken. Ter­wijl Gunning werd vermeden door de meeste van zijn Nederlands |hervormde collega's die hij wanho­pig probeerde te integreren in zijn evang­elisatiewerk, drong Polman er bij hem op aan weer een paar dagen bij hem door te brengen. Tenslotte nam hij de uitnodiging aan. In februari 1920 bleef Gunning een paar dagen bij de Polmans. Terugkijkend op dit bezoek opende Gunning zijn hart en schreef:


Sedert ik in Februari 1920 enkele dagen te gast was van Broeder en Zuster Pol­man te Amsterdam, en daar ook den be­kende Pastor Paul ontmoette, heeft de `Pinkstergedachte= een plaats in mijn hart en gebed behouden. Ik heb daar in het lokaal `Immanuël= en in de woning van Br. Polman dingen gehoord en bijge­woond, die mij niet meer hebben losge­laten. Die menschen hebben iets, dat ik mis, en dat ik o zoo gaarne bezitten zou.

Ik bedoel niet het `spreken in tongen= (in vreemde talen), dat ik óók enkele malen gehoord heb, maar dat mij weinig zeide, al blijf ik met eerbiedigen ­­schroom met elk woord van critiek te­rug.

Ik bedoel óók niet de onderlinge bid­stonden waaraan ik deelnam, maar wier onrustige, soms geweldige, soms over­spannen uitingen mij niet in de ware gebes­stemming brachten. (Ik kan natuur­lijk alleen voor mijzelf spreken, een ander had wellicht weer zeer verschil­lende ervaringen).

Ik bedoel óók niet de `gezichten= die enkelen in deze samenkomsten ontvingen en mededeelden, al waren ze (alweer ik kan alleen spreken van wat ik heb bij­gewoond) stichtelijk en schoon, en al heeft één daarvan, dat mijzelven gold, mij reeds meer dan eenmaal zegen ge­bracht.

Er is zelfs veel in deze `Pinksterbewe­ging= wier geschiedenis, ook in Duits­land, mij niet onbekend is, dat mj ong­ezond en bedenkelijk voorkomt, wat, die tot haar behooren, erkend en betreurd wordt. Evenals in det `Leger des Heils= zijn daar in den eersten tijd blijkbaar uitwassen en eenzijdigheden voorgeko­men, die door oprechte kinderen Gods niet dan betreurd kunnen worden.


Maar ondanks dat alles en nog velerlei meer, dat men zou kunnen opnoemen, ge­loof ik dat deze `Pinksterge­dachte= een ernstige roepstem Gods tot de twisten­de, verscheurde, geestelijk dorre en diepgezonken Chris­tenheid onzer dagen brengen komt ...

Ik heb theologisch een anderen kijk op het werk des Heiligen Geestes als hij. Ik ben nog niet overtuigd dat zulk een afzonderlijken `doop= des Geestes met die wonderbaarlijke charismata veree­nigd, het alles overklimmend verlangen der kinderen Gods behoort te wezen, en zeker komt de eenzijdigheid en de harts­tocht waarmede juist  d e z e  zegen door velen, die onder hun invloed verkeeren, mij bedenkelijk voor. Maar dat sommigen hunner toch iets bezitten wat velen onzer missen en dat wij toch zo gaarne zouden kennen, schijnt mij onbetwistbaar 34.

In deze scherpzinnige eerlijke analyse wees Gun­ning op een paar zwakheden die de Pinksterbewe­ging bedreigen: exclusivis­me, te ver doorgescho­ten emotionaliteit, eenzijdigheid en een bekrom­pen visie op de doop en de gaven van de Heilige Geest. Maar niettemin erkende hij dat "deze men­sen iets hebben wat wij missen". Nog opmerke­lij­ker is het feit dat hij zich reali­seerde dat dit iets was wat uitging boven het spreken in tongen, luid gebed, visioenen of enig andere manifestatie die verband houdt met de Pinkster­beweging. Na­tuurlijk is dit "iets wat zij hebben" nog steeds erg vaag. Aan het slot van dit artikel, dat in feite een meditatie is over een preek die gegeven werd door de Vrije Evangelische zendeling C.J. Hoeken­dijk over de doop in de Heilige Geest, onthulde Gunning iets meer:


Ik zie in mijn leven wèl de macht van Christus, maar die onbeweken moed van een Sadhoe (de legendarische Indische evangelist Sadhoe Soendar Singh), die on­verdoofbare geestdrift van een Hoe­kendijk of een Polman, neen, die zijn niet altijd mijn deeel en vaak genoeg moet ik den dag beginnen met de be­­­­de:`a­ch Heer, geef mij toch meer ge­bedsbehoefte en meer levensblijheid! Vervul mij toch geheel en al met Uwen Heiligen Geest!

Dus juist wat deze broeders beweren te bezitten? Ja dat geloof ik wel. En toch is er altijd iets, dat mij huiverig maakt te veel naar hen uit te zien. Is het dat ik bang ben voor opwinding? Of dat ik de zonde niet ernstig genoeg in mijn hart en leven bestrijd?35

Een zeldzame hartekreet van Gunnings diepste zieleroerselen, die op haarfijne wijze weerspie­gelt hoe velen ook vandaag aan de dag worstelen met het appèl dat de Pinksterbeweging. Ener­zijds trekt het hun aan, anderzijds zijn zij er huive­rig voor.

 

In antwoord op een vraag in een christelijk jeugdblad (1923) gaf Gunning toe dat hij slechts een fragmentarische kennis had van de Pinksterbe­weging:

In Duitsland, wellicht ook in Nderland, moet deze Pinkstebeweging in >t eerst allerlei kranke en be­denkelijke ver­schijnselen vertoond hebben; thans is zij, naar ik meen, nuchterder en gezon­der geworden. Maar ik ben te weinig van het intieme leven en van de meer `apar­te= stellingen en leeringen, die er wellicht verdedigd worden, op de hoogte om een goede gids voor onzekere gemoe­deren te zijn. Ik beschouw al zulke min of meer `afwijkende= verschijnselen (ook de Apostolische beweging, de Dar­bysten e.a.) als onbetaalde rekeningen der Kerk. Zoolang de kerk niet de `ge­meenschap der heiligen=, maar de verwar­ring en beschaming van elkaar bevechtende partijen  en richtingen te zien geeft, zullen er stemmen ­weer­­klinken:`Komt hier, wij kunnen u licht en leiding geven!=36


Het strekt Gunning tot eer dat hij de moeite nam om de dingen zelf te onderzoeken; een essentiële noodzaak voor een eerlijke dialoog en ontmoeting met het Pentecostalisme. Ook durfde hij, nadat hij de zwakheden van de Pinksterbeweging had geanaly­seerd, de beslissende verdere stap te nemen door zichzelf af te vragen: "Welke tekort­komingen komen er bloot te liggen in mijn  eigen leven en in dat van de kerk tengevolge van deze confrontatie?" Tenslotte had Gunning de moed zijn waardebepa­ling te beperken, voornamelijk op basis van zijn eigen waarne­ming en erkende zijn begren­zing in dit opzicht.

 

2.3.3 PROF.DR. A.H. DE HARTOG

 

Arnold Hendrik de Hartog (1869-1938) is de derde prominente Nederlands Hervormd predikant die zich verdiepte in de Pink­sterbeweging. De Hartog trachtte een synthese te vinden tussen weten­schap, filosofie en christelijk geloof. Hij was een hartstochtelijk metafysicus die zeer steunde op de filosoof E. van Hartmann (1842-1906). Hoe­wel De Hartog steeds de superio­riteit van het Christendom verdedigde en het beschouwde als de hoeksteen van alle kennis, werd hij vaak beschul­digd van pantheïsme en ketterij. Zijn verhitte debatten met atheïsten en agnostici werden door duizenden bezocht. In tegenstelling tot zijn tijdgenoten, de collega-professoren, kon De Hart­og de massa bereiken door zijn filosofie te ver­binden met zijn uitzonderlijke oratorische gaven. De Hartog had de moed om te wijzen op de zwakhe­den van zijn eigen |Nederlands Hervormde kerk en beschouwde het oude Calvinistische bijbelfanatis­me als zelfs nog gevaarlijker dan het geestes-fanatisme van de sek­ten37. Zijn definitie van de kerk als "de nieuwe menselijkheid, het lichaam van Christus, de zichtbare algemene eenheid van de wedergeborenen door de Geest" stond zeker dichter bij de pink­stergedachte over de gemeente dan bij het Hervormd begrip van de kerk. Om deze reden is het niet verrassend dat ondanks zijn academische gerichtheid, hij zich verwant voelde met het Pentecostalisme.


Mogelijk kwam zijn eerste ontmoeting tot stand via de pink­sterzendeling J. Thiessen, wiens vrouw familie was van De Hartog. In 1916 vermeldde Polman in een brief aan Wumkes dat hij een bezoek zou brengen aan Dr. de Hartog en noemde hem een Ageliefde broeder"38. Van 1911 tot 1917 was De Hartog Neder­lands Hervomd predikant in  Amster­dam. Gedurende deze tijd groeide er een vriend­schap tussen hem en de Polmans. Hun kinderen gingen naar dezelfde school en waren speelkameraad­jes. Op 7 juli 1917 schreef Polman aan Wumkes: "Vorige donder­dag was Dr. De Hartog in onze samenkomst en hij besloot de dienst met een gebed van dankzegging, waarin hij zijn dank­baarheid uitsprak voor de zegen die hij had ont­vangen". De Hartog was waar­schijnlijk geboeid door de ervaring van de volheid van de Geest waar de Pentecostalen prat op gingen Zijn uitspraak dat de laatste dagen de periode waren van de "ver­heerlijking van het Alles" klinkt als de leerstelling van de spade regen van het Pentecos­talisme. De talrijke artikelen en boeken die De Hartog schreef lopen over van filosofische en theologische beschou­wingen, maar zeer zelden bracht hij dit in verband met der ervaringen in zijn persoonlijk leven. Om deze reden is het nogal speculatief om vast te stellen op welke manier zijn ontmoeting met het Pentecostalisme zijn denken beïnvloedde. Niettemin is het opmer­kelijk dat zo'n hoog ge­waardeerd acade­micus als De Hartog zich verdiepte in het Pentecostalisme.

Deze drie geleerde mannen ontdekten enkele bij­dragen die het Pentecostalisme zou kunnen leveren en die als volgt kunnen worden samengevat:

Wumkes: De eenmakende en creatieve krachten van de Geest in het leven van gelovigen.

Gunning: Het reinigende en levendmakende werk van de Geest in het bestaan van de kerk.

De Hartog: de universele en vernieuwende kracht van de Geest in de werkelijkheidsstructuur van het gehele mensdom.


Niettemin scheen geen van hen ten volle Polmans wens te be­grijpen, namelijk dat het Pentecosta­lisme een geïntegreerd deel zou moeten worden van het lichaam van de kerk. Integen­deel, Wumkes moedigde Polman aan een organisatie op te bouwen en oudsten en diakenen te benoemen. Gunning be­greep niet waarom ze zichzelf een Pinksterbewe­ging noemden in plaats van een Pinkstergemeente, maar ze hadden tenminste de moed om erin betrok­ken te zijn. Aangezien het Pentecostalisme meer een gebeuren is dan een dogma, een verhaal in plaats van een theologie, een gebeurtenis in plaats van een onveranderlijke liturgie, is deze houding essentieel. Er moeten wel nieuwe horizon­ten opengaan als men de Geest ontmoet die zweeft over de chaos en vooruitloopt op een nieuwe schepping.

 

2.4 DE PERIODE NA POLMAN

 

Na Polmans afzetting in 1930 versplinterde zich de Pinksterbe­weging in verscheidene richtingen. Een aanzienlijk grote groep bleef trouw aan de radicale vleugel, de "Gemeente des Heeren", die gekenmerkt werd door haar exclusiviteit en extre­me nadruk op genezing en heiliging. De voortzet­ting van Polmans bedie­ning moet eerder gezien worden in het werk van drie leiders, die geduren­de de dertiger jaren van zich deden spreken, P. v.d. Woude, P. Klaver en N. Vetter, die we in ogenschouw zullen nemen in chronologische volgor­de van hun terugkeer naar Nederland. Een ieder van hen streefde ernaar om het nationale leider­schap dat Polman eens had over te nemen. Deze strijd om de macht eindigde gedurende de Tweede Wereldoorlog toen na een serie langdurige samenk­omsten de drie mannen erin toestemden om samen te werken in de "Pinkstergemeenten in Neder­­­­­­­land" (P.I.N.).

 

2.4.1 GEMEENTE DES HEEREN

 


De "Gemeente des Heeren" is een objectles van hetgeen kan gebeuren als Pentecostalen zichzelf verstoppen in hun eigen schulp en zodoende ruimte geven hun leerstellingen tot in het extreme uit te buiten. Hun leider J. Orsel (1877-1949) begon te evangeliseren kort na zijn wonderbaarlijke genezing van pleuritis in 1918. Via Polman kwam hij in contact met de Pinkstergemeente waarvan hij beweerde lid te zijn, hoewel Polman beweerde dat er nooit enig contact is geweest met deze beweging" en zelfs zijn volgelingen waarschuwde "geen gemeen­schap te hebben met deze mensen"39. Orsel beëvangeliseerde een groot deel van Neder­land door middel van zijn orgaan genaamd "Immanuë­l" totdat hij zich in Halfweg vestigde in 1935. In 1928 voegde Albert Otten (1892-1971) zich bij Orsel en werd dientengevolge ontslagen uit zijn positie als "vader"van het Nederlands Hervormd armenhuis in Rhenen. In 1931 verhuisde Otten naar het dorp Elim in Drente. Tot 1922 had hij in dit gebied gewerkt als turfsteker. Toen hij terug­keerde was de economische crisis juist begonnen en veel gezinnen verkeerden in een hopeloze toe­stand. De samenkomsten in zijn huis en in de open licht, beide op zondag en gedurende de week, trokken veel mensen. Zijn preken met een sterke nadruk op eeuwige verlossing en de nabije weder­komst van Jezus Christus gaven hoop aan de hope­lozen. Ottens afkeer van de traditionele kerken die hij "Babylon" of "Egypte" noemde die hij be­schouwde als dood, vond aantrekkingskracht bij de vele teleur­gestelde arbeiders die geen troost vonden in hun kerk40.


De exodus van kerkleden naar Ottens groep wekte vragen op bij de Nederlands Hervormde en Gerefor­meerde kerk. Toen Jantje Schonewille haar lid­maatschap officieel beëindigde in januari 1932, besliste de Kerkeraad van de plaatselijke Neder­lands Hervormde kerk deze beëindiging niet te accepteren, maar deze te plaatsen onder "Censuta Morum", en men weigerde haar de sacramenten toe te dienen en ontzegde haar het stemrecht. De voorzitter vermaande haar, maar verwachtte geen resultaat  "zo lang de opwinding heerste over het verstand"41. In 1934 werd dezelfde methode toege­past op Jan van der Weide en zijn vrouw Roelofje Koopman, die de "Gemeente des Heeren" regelmatig bezochten en  "de kerk en haar sacramenten belas­terden"42.  Terwijl de Nederlands Hervormde kerk slechts een standpunt innam toen ze gedwongen werden dit te doen in individuele gevallen, bracht H. Fokkens (1883-1963), predikant van de Gereformeerde kerk te Hollandscheveld sinds 1922, de zaak ter tafel in de gemeente Meppel. Op 9 september 1931 kreeg Fokkens de taak toegewezen om een studie voor te bereiden samen met J.C. Borgdorff (1883-1952, predikant te Nieuwlande) en M. van Dijk (1893-1973, predikant te Nieuweroord, Ottens geboorte­plaats). Dit zogenaamde "Comité voor de Pinksterbeweging" presenteerde dit rap­port reeds op 25 november 1931. Het werd zonder enige discussie geaccepteerd en er werd beslist het te laten drukken na een geringe herziening en een laatste raad­pleging op de vergadering van de gemeenten op 10 februari 1932. Klaarblijkelijk was Fokkens het meesterbrein achter dit rapport. Op de vergadering sprak hij in naam van het co­mité en de exacte inhoud van het rapport werd gepubliceerd in het bekende Gereformeerd Theolo­gisch Tijdschrift, met Fokkens als enige auteur die genoemd werd43.


De inhoud van het rapport wekt de indruk dat de schrijvers geen persoonlijk onderzoek deden noch een van Ottens samenkom­sten bezochten. Hun infor­matie over de Pinksterbeweging steun­de enkel en alleen op wat boeken en artikelen. Ondanks het feit dat het comité een brief ontving van Polmans gemeente waarin stond dat "ze zichzelf in het geheel niet wilden be­schouwen als dit soort men­sen", stelden ze de Pinksterbeweging op een lijn met de Gemeente des Heeren, enkel en alleen op grond van het feit dat hun leerstellingen op elkaar leken. Aangezien het comité geen moeite deed om de verschillen tussen de twee te onder­zoeken, was het resultaat een belachelijke ver­menging van wat ze hoorden over de ene en lazen over de andere. Bijvoorbeeld, de conclusie dat "het religieuze indivi­dualisme en de subjectivi­teit hier uitmondde in een versmading van de kerk, de belijdenis en de sacramenten", sloeg op de "Gemeente des Heeren", maar zeker niet op de oecumenische fundamenten die Polman had gelegd. De schrijvers erkenden dat "deze sekte de kerk tot zelfonderzoek zou moeten dwingen", maar ver­zaakten om te letten op hetgeen op hun eigen stoep plaatsvond. De voor de hand liggende vraag betreffende hoe de kerk zou moeten helpen om hoop te geven aan hen die in een hopeloze financiële situatie zaten, werd niet gesteld. De hele last werd gelegd op hen die volgens het comité, "mis­leid waren en weggetrokken van de eenvoud (!) van het geloof". Zij die trouw werden aan de "Gemeen­te des Heeren" werden onder disci­plinaire maatre­gelen gesteld en als men gekomen was tot de "Pinksterdoop" moest men uit het lidmaatschap gezet worden. Als zij die er nauw bij betrokken waren maar de moed hadden gehad een dialoog te starten. Men moest nog zoveel leren en er moest nog zoveel worden voorkomen. Maar dit verslag verschafte slechts ammunitie van woorden om mee te doden, in plaats van brood om te eten en een schouder om op uit te huilen. De arbeiders die toetraden tot de "Gemeente des Heeren" protes­teerden tegen hun onverdraaglijke status-quo. Toen dit slechts beantwoord werd met veroordeling en verwerping, namen ze hun toevlucht tot berus­ting en introversie.


De vroege isolatie die de "Gemeente des Heeren" kenmerkte, escaleerde in enige vreemde en extreme praktijken. In het begin werd men geadviseerd niet te trouwen teneinde een rein leven te kunnen leiden, maar op het laatst werden zowel Orsel (1948) als Otten (1964) afgezet wegens ontucht. Goddelijke genezing werd gepredikt en in die mate dat alle medische hulp of het gebruik van medi­cijnen werd veroordeeld als een wan­trouwen tot God. Ziekte en zelfs dood werd beschouwd als Zijn straf en als dat de wil van God is, mogen mensen­handen dit niet veranderen".  Pas toen de dood van de zesjarige Bertje Pater in oktober 1971 een nationale beroering teweegbracht, vermin­derde deze fanatieke stellingname. Zowel Orsel als |Otten eisten totale onderdanigheid van hun vol­gelingen; Orsel vroeg zelfs eens zijn publiek de kamer te verlaten als ze niet geloofden dat hij de profeet was die door God was gezonden. Hun gehoorzaamheid aan de "letterlijke" bijbelse tekst leidde tot wettische interpretatie zoals het dragen van zwarte kousen en hoeden voor de vrouwen. Om deze reden kregen ze de bijnaam van "de zwarte-kousen sekte". Met uitzondering van de glosso­lalie die in 1971 stopte, is de Gemeente des Heeren" een typische Pinksterliturgie geble­ven waaronder improvisatie en participatie in de stijl van de jaren dertig. Niet iedereen kon het eens zijn met hun afzondering en starre levens­stijl; sommigen gingen weg en traden toe tot de Pinksterbeweging waar ze gerespecteerde leiders werden. De gesloten subcultuur vond haar uitdruk­king in een verwerping en veroordeling van een ieder die niet behoorde tot hun groep, waaronder de Pinkster­beweging. In 1981 had de Gemeente des Heeren nog steeds acht ontmoetingsplaatsen met een totaal van tenminste 750 aanhan­gers. Maar volgens de antropoloog Van Haaren neemt de groep snel aan betekenis af en dreigt in de volgende generatie te verdwijnen. Buitenstaanders stellen hen nog steeds op een lijn met de Pinksterbewe­ging, hoewel ze elkaar wederzijds verwer­pen. In 1971 deed de Broederschap van Pinkstergemeenten een persbericht uitkomen om de negatieve publici­teit rond de dood van Bertje Pater in een juist daglicht te plaatsen. De conclu­sie onderstreepte het belangrijkste onderscheid:

De nood van kleine, geïsoleerde groepen zoals in Hollndsche­veld, is dat zij de correctie missen van de gemeenschap met andere christenen, hetwelk vaak uit­mondt in excessen en daardoor onher­stelbaar ver­driet.44

Eveneens waarschuwt de Gemeente des Heeren de Pinksterbeweging om niet in dezelfde val te lo­pen. Een oud Nederlands gezegde is hier van toe­passing  "een schip op het strand is een baken in zee".

 

2.4.2 P. VAN DER WOUDE

 


Pieter van der Woude (1895-1978) werd geboren te Franekeradeel in de provincie Friesland. Zijn vader waas voorman in een houtzagerij. Hij was serieus, getalenteerd en ambitieus, maar hij was ook introvert en gereserveerd. Hij trouwde nooit. Tijdens z'n militaire dienst werd hij al spoedig korporaal en werkte hij in de chemische laborato­ria van het artillerie instituut te Zaandam. Geestelijk was hij niet gauw tevreden. Hij werd opgevoed in de Gereformeerde kerk, maar toen hij vijfentwintig jaar was had hij nog steeds geen belijdenis gedaan. Toen de ouderlingen van de kerk kwamen om hem hierover te vermanen, ant­woordde hij dat hij hiervoor nog niet klaar was want hij wilde meer bezitten voordat hij in oprechtheid ja kon zeggen. Toen hij het leger verliet werd hij aangenomen bij Unilever en ver­huisde vervolgens naar Londen. Hij werd hoofd­chemicus en met zijn team ontwikkelde hij Blue­band margarine. Tijdens zijn religieuze reizen werd hij aangesproken door een openluchtsamenk­omst van de Pinkstergemeente van Sunner Road Chapel te Peckham. Deze gemeente werd in 1910 opgericht door de zwarte voorganger Brem Wilson waardoor zij de bijnaam kreeg van de "kerk van de zwarte man". Op zondag 23 oktober 1921 kwam Van der Woude tot bekering in hun ontmoetingsplaats genaamd Gods Huis. Hij werd gedoopt en een jaar later ontving hij de doop in de Heilige Geest. Hij overwon zijn natuurlijke bescheidenheid en werd een vurig evangelist. Op 2 mei 1929 werd hij ingezegend als de assistent voorganger in zijn thuis­gemeente die intussen was  toegetreden tot de Assemblies of God. Van der Woude verwachtte dat hij spoedig gekozen wou worden als voorganger van de gemeente. Dit gebeurde niet. Terwijl hij worstelde met zijn frustraties, ontving hij een visioen van een land met een bevroren sloot; uit het gras sproten een paar grassprietjes. Hij begreep dat de Heer Neder­land bedoelde. Hij had waarschijnlijk gehoord van de succes­volle campag­ne van William Hacking in 1931 en 1932 in zijn geboorteland. In juli 1932 assisteerde Van der Woude William J. Jeffreys gedurende een campagne in Rotterdam. Op 1 augustus 1932 sprak de Heer tot hem door de bijbelteksten gen. 24,28 en 1 kon. 11,21 tijdens een verblijf in Southend-on-Sea. Onmid­dellijk nam hij ontslag bij Unilever en binnen een week vaarde hij terug naar Nederland. Hij begon zijn eerste samenkomst op 21 augustus in Rotterdam. Mevrouw M. Marijs-Visser geeft een juiste beschrijving van de behoeftige omstandig­heden waarin de Pinksterbeweging tijdens zijn aankomst verkeerde:


In het jaar 1931 (Mw. Visser maakt hier een fout, dit moet zijn ­­1932) stierf Polman. Hij liet een gedecimeerde ge­meente em eem groot aantal gedesillu­sioneerde broeders en zusters achter. Sommigen van hen vielen geheel terug en wilden nergens meer van weten. Men was nl. in de voormalige voorganger ­zeer teleurgesteld. De meesten zocjten hun oevlucht in de kerken, het Leger des Heils of de Möttlingenbewe­ging. Toen Emil Humburg uit Mülheim-Ruhr de begrafe­nisdienst van Polman leidde, liet het zich anzien, dat hij meteen de doodsklok over de Nederlandse Pinkster­beweging kwam luiden. Er was geen broe­der hier te lande, die bekwaamheid en moed had de leding op zich te nemen. Er lag schande over de gemeenten vanwege een betreurenswaardige misstap van de over­leden voorganger, die door zijn berouw en vredig afsterven toch niet ongedaan was te maken. Toen kwam kort daarop de heer P. van der Woude uit Engeland45.

Van der Woude heeft Polman zelf waarschijnlijk nooit ontmoet, maar hij moet wel gevoeld hebben dat hij bestemd was om zijn opvolger te worden. Hij richtte dezelfde nationale bediening op, bezocht de meeste plaatsen waar kleine Pinkster­groepen waren gebleven en organiseerde evenals Polman nationale confe­renties op godsdienstige feestdagen. In het begin van 1933 begon hij een tijdschrift met dezelfde naam als Polmans Spade Regen. De doelstelling werd vermeld in alle edi­ties:


Spade Regen is wat den inhoud aangaat, een bood­schapper van het Volle Evang­elie en brengt meer in het bijzonder, die bijbelsche waarheden naar voren welke door anderen weinig of niet aang­eroerd worden. Behalve Jezus als Zalig­maker verkondigt het blad ook de hei­ligmaking, Goodelijke Genezing en den doop met den Heiligen Geest en Jezus Wederkomst zoals uit de Fundamenteele Waarheden duidelijk blijkt.

Terwijl wij een vol Evangelie voort­staan voor geest, ziel en lichaam stel­len wij ons tegen uitwassen en fanatis­me welke ook de Schrift veroordeelt46.

De inhoud bestond voornamelijk uit vertaalde artikelen uit het Engels en Amerikaanse Pinkster­publikaties, evenals verslagen over de nationale en internationale Pinksterbeweging die altijd waren geschreven in een triomfantelijke stijl. Evenals Polman polemiseerde Van der Woude nauwe­lijks. Hij reageerde slechts eenmaal toen er in enkele kerkelijke documenten in 1934 ten onrechte werd vermeld dat zij die in tongen spraken ge­dwongen werden dit te doen tegen hun wil in door een macht van buiten af. Van der Woude antwoord­de:

 47.


Door Van der Woude's tijdschrift begonnen de verontruste Nederlandse Pentecostalen hun identi­teit te waarderen. De Pinksterwaarheden werden breedvoerig uiteengezet en verdedigd, en de in­ternationale verslagen met veel statistische informa­tie maakte hen bewust van hun wereldwijde invloed. Dit werd versterkt door de vele buiten­landse voorgangers die Van der Woude's gemeente bezochten, onder wie T.B. Barratt (1933), Donald Gee (1934), Fred Squire (1934 & 1935) en William Hac­king (1936 & 1937). Anglo-Amerikaanse invloed kenmerkte Vand er Woude's bediening. Hij had dezelfde stuwkracht als Polman, maar was niet zo ruim van opvatting en miste persoonlijk charisma om een gelijkwaardige plaatsvervanger te worden. Niettemin floreerde zijn gemeente in Rotterdam-Zuid. Tegen het eind van 1932 waren er 79 perso­nen gedoopt. In 1934 konden ze hun eigen kerk bouwen in de Bonaventurastraat 15 met een accom­modatie vaan 434 personen. De kerk werd binnen twee maan­den gebouwd samen met de pastorie. Op 13 juni 1935 werden ze officieel geregistreerd door de regering als een kerkgenoot­schap. In verschei­dene plaatsen begon men nieuwe kerken: Sassenheim (1933), Oegstgeest (1936), Voorburg (1937), Rot­terdam-Centrum (1937), Den Haag (1941), Drieber­gen/Zeist (1941) en Bilthoven 1943). Gedurende de oorlog werd het werk voortgezet. Toen de treinen niet meer reden legde Van der Woude grote afstan­den af op zijn fiets om zijn heiligen te bemoedi­gen. In 1945 bracht hij verslag uit aan het Ame­rikaanse tijdschrift de Pentecostal Evangel:

Wat het geestelijk werk betreft hebben we het won­derbaarlijk gered. De Duit­sers gaven ons vrijheid in ons werk om het evangelie te prediken. Ik moest slechts eenmaal komen om een gedetail­leerde be­­­­­ schr­ij­ving te geven van wat we geloofden en waarom we sommige ding­en anders deden dan de kerken, en dit alles werd op papier gezet en ik moest ondertekenen dat het de waarheid was. Natuurlijk was het waar48.

In een brief, gepubliceerd in het Zwitsers tijd­schrift Ver­heissung des Vaters, voegde hij er aan toe:

We waren in staat ons evangelisatiewerk voort te zetten. Maar al onze open­luchtsamenkomsten werden verboden en in februari 1941 moesten we de uitgave van ons tijdschrift stoppen wegens gebrek aan pa­pier. Maar voor de Nazi-publika­ties was er over­vloed aan papier. On­danks het feit dat duizenden stierven ten gevolge van de honger en de ellen­de, verloren we slechts een 75-jarige oude broeder in onze kerk aan wie niet het noodzake­lijke voedsel kon worden ver­strekt49.

Na de oorlog coördineerde Van der Woude de mate­riële hulp van de Commissie voor Oorlogshulpver­lening van de Nationale Asso­ciatie van Evangeli­calen (N.A.E.) ten bate van alle Penteco­talen in Nederland.

Met betrekking tot de christelijke eenheid sprak Van der Woude zich niet zo duidelijk uit als Polman en nam hij het karakte­ristieke standpunt van Pentecostalen in dat eenheid door God van boven af bewerkt moest worden en niet tot stand gebracht kon worden door menselijke inspanningen.

citaat 50


Van der Woude kan zeker niet worden beschuldigd van exclusivi­teit. In 1956 schreef hij in de krant Het Vaderland:

Terwijl aan de ene kant de bede van onze Heer Jezus Christus ligt:`Dat zij allen één zijn zijn, gelijk als Wij één zijn', ziet men aan de andere kant de plurifor­miteit van de kerk. Dit behoeft toch geen oorzaak van verdeeldheid te zijn in de zin van tegen elkander te strijden51.

Van der Woude's vijandigheid ten opzichte van de Roomskatho­lie­ke kerk liet zijn Gereformeerde achtergrond zien, maar hij had ook zijn bezwaren tegen de oecumenische beweging. In een radiotoe­spraak in 1964 zei hij:

Wij moeten niet een eenheid maken, maar de door God gegeven eenheid erkennen. Wij moeten geen heterogene mengeling nastreven van hen die wedergeboren zijn met onbe­keerde chris­tenen, maar ons uitstrekken naar de eenheid van de Geest van hen die waarachtig Chri­stus volgen en ware christenen zijn52.


Deze tweedeling tussen hen die wedergeboren zijn en hen die dat niet zijn is nog steeds kenmerkend voor de meeste Pente­costalen van vandaag en is een van de grootste struikelblokken waarvoor men staat in het proces van de oecumenische samenwer­king. Gedurende zijn bediening raakte Van der Woude zo ver­strikt in het verwezenlijken van eenheid in zijn eigen kring dat men hen nauwe­lijks kan beschuldigen van het verwaarlozen van interkerkelijke uitwisseling. Hij onderhield goede per­soonlijke contacten met verschillende Hervormde predikanten en als men hem vroeg om de Pinksterbeweging te vertegenwoordigen, hetzij door het geven van een lezing, of als woordvoer­der in de media, was hij altijd bereid dit te doen. Internationaal was hij ook een gerespec­teerd ambassadeur; hij vertegenwoor­digde Neder­land tijdens de Europese Pinksterconferentie in 1939 te Stockholm, woonde de meeste Wereldpink­sterconferenties bij sinds 1947 en publiceerde herhaaldelijk verslagen in internationale tijd­schriften zoals (World) Pentecost. Terwijl de landen buiten Nederland hem respecteerden als de nationaal leider, kreeg hij nooit deze erkenning binnen Nederland zelf.

 

2.4.3 P. KLAVER

 

Piet Klaver (1890-1970) werd geboren op 23 janua­ri 1890 als de jongste van zes kinderen te Broek in Waterland. Hij groeide op in Amsterdam waar zijn vader een bakkerij had. Zijn ouders waren Nederlands Hervormd. Op 17 mei 1907 kwam hij tot beke­ring en trad toe tot het Leger des Heils. In 1909 ging hij naar hun Kweekschool. In die tijd kreeg hij zijn eerste con­tacten met Polmans ge­meente in Amsterdam. In 1911 trad hij toe tot de Pinkstergemeente ondanks het feit dat zijn luite­nant hem waarschuwde dat hij erg ongelukkig zou worden. Op 31 mei 1911 werd hij gedoopt in de Heilige Geest wat een onuitwisbare indruk op hem maakte. Later zag hij hierop terug:

Nooit zal ik mijn doop in de Heilige Geest kunnen loochenen, Het is een ge­weldige, duidelijke ervaring voor mij geweest. In de pinksterbeweging zijn tallo­ze fouten gemaakt. Er zijn grote moeilijkheden ge­weest. Er is verdeeld­heid en vaak liefdeloosheid, als ik dáár op zou moeten letten, had ik pink­steren misschien al lang de rug toege­keerd. Maar mijn doop in de Heilige Geest is zo reëel geweest dat ik moet zeggen: er is niets beter dan Pinkste­ren53.


In 1912 was hij de enige mannelijke student van de zeven studenten in de zendingstrainingsschool die Polman in oktober van dat jaar was begonnen. Aanvankelijk wilde hij naar Indone­sië gaan, maar men haalde hem over om naar China te vertrekken om Arie Kok te helpen. Nadat hij nog een oplei­ding in Londen had gevolgd, werd hij eind 1915 uitgezonden door de Pentecos­tal Missio­nary Union (P.M.U.). Hij werkte over­wegend in Liki­ang en Tibet. Op 16 februari 1918 trouwde hij met Rose Waters uit Liverpool, een medezedelinge van de P.M.U.. Toen ze aan hun tweede termijn in China begon­nen (1925-1927) werden ze ondersteund door het Nederlands Zen­dingsge­nootschap. In 1929 kon Klaver eindelijk naar het land van zijn eerste liefde gaan; vier jaar lang werkte hij op Java in Indonesië. In 1933 werd hem dringend verzocht terug te keren naar zijn thuisge­meente. Zijn broer Jan had het leiderschap overgenomen na Polmans afzetting in 1930, maar hij kon dit niet meer aan. Op 30 juni 1933 werd P. Klaver ingeze­gend door de kerkeraad en enkele voorgangers waaronder  P. van der Woude. Klaver diende als voorganger van deze gemeente tot zijn pensioen in 1956. Even­als Van der Woude breidde hij zijn bediening uit door intensieve nationale en inter­nationale contacten, maar hij deed niet veel pionierswerk. Hij bouwde voornamelijk verder op hetgeen over­gebleven was  van de nationale in­spanningen van Polman en bezocht herhaaldelijk de kleine groepen in Terschel­ling, Sneek, Delfzijl, Scheveningen, Rotterdam en Hilversum.  Hij stond in  nauw contact met de Pinkstergemeente te Vel­bert in Duitsland en was raadslid van hun "Verei­nigte Missions­freunde e.V.". Evenals Van der Woude publiceerde hij een maandelijks tijdschrift met als titel Kracht van Omhoog. Het maandblad fungeerde ondermeer als contactorgaan van de ver­scheidene gemeenten die hij diende. De eerste editie verscheen in juni 1937. De bijzondere interkerkelijke ontwikke­ling van dit tijd­schrift komt later aan de orde.

Klavers theologie richtte zich op heiligmaking, de doop in de Heilige Geest en de nabije weder­komst van Christus. Hij be­schouwde het als zijn belangrijkste opdracht om de kerk voor te berei­den op dit laatste. Vanwege de nadruk die hij legde op de heiligmaking, die Klaver, evenals het vroege Pentecostalis­me, beschouwde als een voor­waarde om de Geestesdoop te ontvan­gen, werd hij vele malen beschuldigd van een gebrek aan liefde en van hardheid. Klaver stelde dat de gemeente van Christus een viervoudig verlies leed:

1.      Christus is niet meer Heer en Meester van Zijn gemeente.

2.   Zijn gemeente onderhoudt Gods verordeningen en waardighe­den niet.


3.   De gaven van de Geest (1 Cor. 12) worden niet voldoende erkend en behoren tot deze tijd.

4.   De norm van heiliging en afscheiding is verdwenen54.

Hij verdeelde het Christendom in twee groepering­en: de lauwen, wereldlijken, pseudo-christenen die waren als het zand van de aarde waarop met trapte en de zoute, geestelijke, ware chris­tenen die waren als de sterren die schijnen in de duis­ternis. De test was de totale afscheiding van de wereld en de dage­lijkse verwachting van en be­reidheid voor de tweede komst van Christus. De apocalyptische gebeurtenissen in de Tweede We­reldoorlog radicaliseerden deze boodschap zelfs nog meer. Voor Klaver was er een duidelijke ver­binding tussen de doop in de Heilige Geest en de verwachting van Christus' wederkomst. In juni 1941 (!) leerde hij:

citaat55


Volgens Klaver zou de eenheid onder de christenen groeien als ze meer zouden uitkijken naar de wederkomst van Christus. Dit was een korte tijd gedurende en na de oorlog van toepassing toen Klaver nauwe toenadering zocht tot de Vergadering van Gelovigen van de zogenaamde Maranatha-bewe­ging, een interker­kelijke verzameling van chris­tenen die het dispensationalisme aanhangen. Hun ongekroonde leider Johannes de Heer had de Pink­sterbeweging reeds verworpen sinds hij hiervoor gewaar­schuwd was door de Gemeinschaftsbewegung in 1908. Niettemin verbrak de ernst van de oorlog de barrière. Van 29 februari tot 2 maart 1944 werd er een interkerkelijke conferentie gehouden in het gebouw van de Pinkstergemeente in Amsterdam over het onderwerp "van berouw tot vervulling". Op 10 oktober 1946 stichtten 47 broeders uit verscheidene groepen en denomi­naties de "Stich­ting Arbeiders in Gods Koninkrijk (A.I.G.K.) met als doel een jaarlijkse conferentie te organise­ren en evangelisatie activiteiten te coördineren en te bevorderen. P. Klaver en A. Zijp, een voor­malig Pinksterman, werden gekozen om in een tij­delijk bestuur zitting te nemen. Hun publikatie werd uitgegeven als een bijlage van Kracht van Omhoog. Het lidmaatschap werd verkregen door het ondertekenen van een individuele deelname-acte, waarbij men het eens moest zijn met de statuten en een fundamentele geloofsbelijdenis. Ongebruike­lijk en daarom bijzonder was het zeven­de en laatste punt van deze belij­denis:

Ik geloof in de eenheid van al Gods kinderen in Christus Jezus, ongeacht in welke vorm zich het gemeenschapsleven openbaart56.

De gemeenschap duurde echter slechts een paar jaar en vervaag­de langzamerhand naar mate priori­teiten zich verlegden en iedereen door zijn be­diening in beslag werd genomen. Haar bestaan echter liet Klavers openheid en bereidwilligheid zien om samen te werken. Klaver was eerlijk ge­noeg om toe te geven dat de Pinksterbeweging enige fouten had gemaakt en streefde ernaar om te komen tot de volledige openbaring van de Geest. Zijn zoeken naar eenheid werd beperkt door het feit dat de Nederlandse Pinkstergemeenten zo verdeeld waren. Het is de verdienste van Klaver geweest dat hij tenslotte bereid was een compro­mis aan te gaan om dit zeer urgente probleem op te lossen.

 

2.4.4 N. VETTER

 


Nicolaas Vetter (1899-1945) werd opgevoed in een traditioneel Nederlands Hervormd gezin. Zijn vader was smid. Toen hij elf jaar oud was traden zijn ouders toe tot de Pinkstergemeente te Am­sterdam. Op zesjarige leeftijd gaf hij zijn leven over aan God. Ongeveer een jaar later werd hij gedoopt in de Geest terwijl hij aan het mediteren was in zijn kamer over bijbel­lessen. In februari 1919 trouwde hij met Maartje van de Goor. In december 1924 vertrokken ze om zendelingen te worden in Venezuela. Bij de afscheidsdienst sprak Vetter uit dat zijn levensmotto was "alles voor Jezus".  Hij hield zich hier zeker aan. Ze werk­ten bijna elf jaar onafgebroken zonder salaris in Los Teques en El Tocuyo, stichtten  gemeenten, trainden in­heemse evangelisten en gaven sociale en medische hulp aan de behoeftigen en armen. Wegens ernstige ziekte moest Vetter terugkeren aan het einde van 1935 en werd in het ziekenhuis opgenomen in Engeland. Zelf rillend van de mala­ria bad hij voor een zieke zuster. Beiden werden onmiddellijk genezen. Terug in Nederland bereidde hij zich voor om naar het zen­dingsveld terug te keren, maar toen de gemeente in Haarlem hem vroeg om hun voorganger te worden veranderde hij van gedach­ten. Later zei hij, hierop terugziend:

Het was waarlijk een stap in het ge­loof. De gemeente was toen nog heel klein met ongeveer 20 leden, maar dit waren broeders en zusters die ons vol­komen on­dersteunden door hun toewijding en gebed. Een van de eerste dingen die wij besloten, was om de maande­lijkse viering van het Heilig Avondmaal in te stel­len en een doopvont te bouwen in onze eigen zaal. Want als God zielen toevoegt dan moeten zij in het midden van de gemeente gedoopt worden57.

Evenals Van der Woude en Klaver ontwikkelde hij een nationale bediening en publiceerde een maand­blad. In 1937 werden de statuten van de stichting "Immanuel" uitgebreid hetgeen andere Pinkster­groepen in staat stelde om zich bij hen te voe­gen. Op 17 januari 1939 zegende hij C.A. Hali in als voorganger van de gemeente in Hilversum. Op 6 maart 1939 nam hij de leiding over van de kleine groep die overgebleven was in Polmans kerkgebouw in Amsterdam. Op 4 januari werd M. Verkamman geïnstalleerd als hun voorganger. Gedurende de oorlog had de stichting "Immanuë­l" gemeenten in Haarlem, Hilversum, Amsterdam, Amersfoort, Den Haag en Sassenheim. Het tijdschrift "Het Midder­nachtelijk Geroep", voor het eerst uitgegeven in 1937, diende als een werktuig voor evangelisatie, als een zendingsbrief en onder­steunde tegelijker­tijd de interne gemeenschap door maandelijk­se plaatselijke verslagen. De oorlog verminderde zijn activi­teiten niet. Integendeel, in 1943 schreef Vetter:


De strijd die in onze harten ontbrandde toen de oorlog uitbrak en Holland bezet werd, is veranderd in een wonderbaar­lijke overwinning in ons midden en wij verblijden ons in een gestadige groei van de ge­meente. Velen zijn bekeerd, anderen zijn gedoopt en vervuld met den Heiligen Geest58.

Tijdens de hongerwinter van 1944-1945 deed hij zijn uiterste best om de behoeftige gemeenteleden te helpen. Hij ging met een handkar naar de boe­ren om groenten en aardappels op te halen, en op een keer sleepte hij zelfs een schip met kool met de hand door het kanaal, samen met een paar jonge mannen. Dit ging zijn lichaamskracht te boven, maar ondanks een paar beroerten ging hij door. Een paar maanden na de oorlog stierf hij op 31 juli 1945 aan een hartaanval. Hij werd begraven op de dag waarop Haarlem officieel de bevrijding van de Duitse bezetting vierde.

Vetter was een voortreffelijk evangelist. Zelfs de oorlog kon geen verandering brengen in zijn prioriteiten; hij ging door met het winnen van zielen en het stichten van gemeenten. Al het andere scheen van minder betekenis. Hij had voor­al aan­trekkingskracht op de jeugd. Velen van hen gingen later in de bediening, onder wie Gerrit Klumper, Willy Maasbach-Klumper, Andries Nauta, Marius van der Sluys, Arend Venema en Pieter van Woerden. Hij was zich goed bewust van Polmans aanvankelij­ke wens de Pinksterboodschasp in de kerken te brengen. Aan de Gereformeerde Dr. A.B.W.M. Kok schreef hij:

citaat59

Vetter scheen te berusten in het feit dat de kerken zichzelf hadden afgesloten van de Pink­sterbeweging, hoewel hij de verscheidene kerke­lijke publikaties doorzocht en deze citeerde als hij openingen zag. Zijn pogingen tot christelijke eenheid waren hoofdzakelijk gericht op samenwer­king met andere Pink­stergemeenten. Toen men hem vroeg de gemeente in Amsterdam te helpen, tracht­te hij deze poging tot eenheid te ondernemen; nadien schreef hij:

citaat60

In 1943 voegde hij eraan toe:


De Heilige Geest is ook een Geest van eenheid. Het verlangen in ons hart groeide om te geraken tot een eenheid onder Gods kinderen, in het bijzonder met de andere Pinkstergroepen in Neder­land.

De Heer heeft onze gebeden gehoord en een wonderlij­ke eenheid is tot stand gekomen onder de naam `Ver­enigde Pink­stergemeenten in Nederland'61.

Vetter vertegenwoordigt de grote groep Pentecos­talen die vooral eenheid zoeken als praktische omstandigheden hen hier­toe nopen. Als deze groep overtuigd kan worden dat de omstan­digheden roepen om een zichtbare christelijke eenheid die teweeg­gebracht kan worden door creatieve oecumenische uitwis­seling moet zich wel een interessante dia­loog ontwikke­len.

 

2.4.5 VEELKLEURIGE PINKSTEREENHEID

 

Mevrouw M. Marijs-Visser die nauw betrokken was geweest bij de pogingen om nationale eenheid te brengen onder de verscheidene Pinkstergemeenten in de veertiger jaren, gaf een treffende be­schrijving van het innerlijk conflict waar Pente­costalen in verzeild raken bij een dergelijk streven:

De organisatie vormt een zeer zwak punt in de Pink­stergemeenten. Van de aanvang af heeft men geaarzeld zich plaatselijk stevig te organiseren en de nodige maatregelen te treffen om te komen tot een behoor­lijk nationaal en/of interna­tionaal verband. Men vreese daarmede de Geest te blussen en het spontaan karak­ter te verliezen. Het gevolg is is, dat de volledige `vrijheid' van de gemeen­ten (of uit een zelfde hoofdarbeid ont­stane groep van gemeenten) deze al meer in het isolement drijft62.


Hier zou aan toegevoegd kunnen worden dat de overheersende positie van zulke voorgangers wel tot conflicten moet leiden als zij pogingen doen om op nationaal niveau samen te werken. Het is interessant na te gaan hoe de Nederlandse voor­gangers van de "Post-Polman Periode" trachtten dit probleem op te lossen.

In 1938 deed P. van der Woude een eerste poging. In een verga­dering op 30 oktober in Den Haag kwamen 11 broeders bij elkaar om de mogelijkheden van nationale samenwerking te onderzoeken. Naast de vertegenwoordigers van de gemeenten die ge­sticht waren door Van der Woude en georganiseerd waren onder de naam "Gemeenten Gods" (van nu af aan afge­kort met G.G.), waren er anderen zoals P. Klaver en E. van Polen aanwezig. P. van der Woude begon de vergade­ring met de mededeling dat in de toe­komst alle dingen opgelost zouden moeten wor­den met de Schri­ft en "zonder overheersing van de een over de ande­r". Niette­min waren alle voorge­stelde punten voor samenwerking een blauwdruk van wat in zijn eigen werk gebeur­de. Hij maakte zelfs de opmerking dat alle gemeenten die zich aanslo­ten "Gemeente Gods" genoemd zouden moeten worden. In artikel 2 van dit voorstel stond:

Deze samenwerking zal geschieden in liefde, in ge­loof en in gehoorzaamheid aan het geschreven Woord van God en in getrouwheid aan de beginselen daarin vervat.

Als voorwaarde voor lidmaatschap van de plaatse­lijke gemeente werd unaniem tot het volgende besloten:

Van alle leden wordt verlangd om de wetten des lands en de wettige autori­teiten te gehoorzamen, voor hen te bid­den en door hun leven en invloed de vrede en gerechtigheid onder de men­schen te helpen bevorde­ren63.


Het voorgestelde concept werd geaccepteerd met enkele minieme wijzigingen en de toevoegingen van een geloofsverkla­ring op voorwaarde dat Klaver, Bruining en Van Polen dit nog moesten bespreken met hun leden en Klaver en Van der  Woude moesten een manier vinden om hun tijdschriften een fusie te doen aangaan. Waarschijnlijk kon aan deze voorwaarden niet worden voldaan en om deze reden werd het initiatief bij de geboorte verstikt. De tweede poging werd waarschijnlijk gedaan op ini­tiatief van Vetter. Nu deden de G.G. van Van der Woude niet mee. In 1941 werd de "Verenigde Pink­stergemeenten in Nederland (V.P.I.N.)" opgericht door vertegenwoordigers van de Immanuël gemeen­ten, P. Klaver en L. Bruining uit Den Haag. De eerste openbare vergadering vond plaats in Kla­vers gemeente op 16 november 1941. H. v.d. Brink bracht verslag uit:

citaat64

Tegen 1943 hadden de gemeenten van Amsterdam, Amersfoort, Delfzijl, Den Haag (L. Bruining en G. van Polen), Haarlem, Hilversum, Rotterdam (K. Neumeijer) en Zwolle (H. Schuurman) zich erbij gevoegd. Er is niet veel bewaard gebleven uit deze periode, maar de verslagen in de tijdschrif­ten geven de indruk weer dat de V.P.I.N. voorna­melijk gebaseerd was op gemeenschap met elkaar. Er werden conferenties gehouden op Pasen en Pink­steren en zo nu en dan kwamen de voorgangers bij elkaar voor gebed en overleg; de zogenaamde "voorgangersconferenties" waren ook open voor broeders die geïnteresseerd waren. Deze samenkom­sten zetten zich voort tot ver in de jaren veer­tig. Op 29 mei 1943 werd er een eerste vergade­ring samengeroepen om de V.P.I.N. en de G.G. samen te bundelen. De vergadering begon spoedig in een crisis te geraken, de statuten van de V.P.I.N. waren onacceptabel voor de G.G. en ver­scheidene persoonlijke spanningen blokkeerden de weg voor verdere gemeenschap. De manier waarop men dit struikelblok aanpakte is betekenisvol. De notulen vermelden:

Intussen blijft er een zekere gereser­veerdheid, totdat een der broeders een krachtig en bezield pleidooi houdt voor broederlijke samenwerking, het­geen door allen wordt aangevoeld als een beroep des Heeren, om elkander toch te aan­vaarden in de geest van liefde en ver­zoeningsgezindheid.

De broeders gaan dan in gebed, en ver­schillenden verootmoedigen zich. En de vragen worden in principe beantwoord en/of opgelost65.


Dit gedetailleerd verslag geeft aan hoe belang­rijk het in de besluitvorming van Pentecostalen is om hen aan te spreken in hun gemoed en ruimte te scheppen voor gebed.

Toch zouden er nog heel veel vergaderingen nodig zijn en pas vier jaar verder was de weg volledig vrijgemaakt voor een optimale samenwerking. Op een derde vergadering op 22 septem­ber 1943 konden ze het eens worden op 4 punten:

1.   Een gemeente is een groep van geloovigen, onder leiding van een daartoe geroepen voor­ganger of ouderling(en).

2.   In beginsel is iedere gemeente zelfstandig (autonoom).

3.   Een plaatselijke gemeente kan andere gemeen­ten bij elkaar roepen in algemene vergade­ring ter oplossing van vragen inzake leer en leven, om in de gemeenten tot zuivere leer en leven te komen.

4.      Voorstel om te komen tot een gang van zaken, waarbijd twee organisaties (de V.P.I.N. en de G.G.) van voorgan­gers en oudsten samen vergaderen en wier eenparige be­sluiten bin­dend zijn voor beide partijen66.

 

Op 17 november 1943 werd Wiebe de Jong (mede-voorganger in Haarlem) benoemd tot secretaris, enkel en alleen om zorg te dragen voor de admini­stratie. Tijdens diezelfde vergadering hield M. Verkamman een lezing over Nieuwtestamentische organi­satie waarin hij uiteenzette:

Het gebrek aan volheid des Geestes trachtte men aan te vullen door een ver doorgevoerde organisatie. Zo ontstaat dan de ontwikkeling van beweging tot ge­meente en straks tot Kerk67.

Dit laatste was ongetwijfeld bedoeld om als schrikbeeld voor te houeden voor alle aanwezi­gen:"straks Kerk ... dat nooit!" Deze tegen­stel­ling tussen organisatie enerzijds en het werk van de heilige Geest anderzijds is kenmerkend voor het denkpa­troon van veel Pink­stergelo­vigen.

 


In 1944 hielden de V.P.I.N. en de G.G. gezamen­lijke vergade­ringen onder de naam "Pinksterge­meenten in Nederland" (P.I.N), die in 1947 veran­derd werd in "Volle Evangelie Gemeenten". Ze riepen een gezamenlijk fonds in het leven voor buitenlandse zending, richtten een  nationaal jeugdcommissie op en vormden een raad van advies voor kandidaten voor een bijbelschoolop­leiding, die in het algemeen gezonden werden naar het "Inter­national Bible Training Institute" te Lea­mington Spa, Enge­land. In 1952 werd de "Broeder­schap van Volle Evangelie Ge­meenten in Nederland" opgericht als een officiële denominatie die weer veranderd werd in de "Broederschap van Pinksterge­meenten in Nederland" in 1959.

De Pentecostalen moesten aan den lijve ondervin­den dat ondanks de volheid van de Geest die ze beweerden te bezitten, eenheid ook compromis en offerbereidheid voor hen  inhield. Ze maakten de keuze om samen te werken en met elkaar om te gaan op natio­naal niveau, terwijl de autonomie en de identiteit van de plaatselijke gemeente bleef gerespecteerd. Dezelfde lijn werd op internatio­naal niveau gevolgd in de Wereld-pinksterconfe­renties in 1947. Als de Pentecostalen maar bereid waren ge­weest dezelfde principes te hanteren in een ruimere context, dan kan men interessante oecumenische avonturen verwachten.

 

2.5 ARIE KOK, VAN PINKSTEREN NAAR HET I.C.C.C.

 


Arie Kok (1883-1951) werd geboren op 9 april in Goes. Hij groeide op in een Nederlands Hervormd gezin, maar als jonge man toonde hij reeds be­langstelling voor de boeken van Asa Mahan, Andrew Murray en R.A. Torrey. In 1904 bracht hij een bezoek aan de opwekking in Wales. Hij was klein en bescheiden, maar bijzonder begaafd; zijn car­rière bij de Nederlandse Posterijen leek zeer belovend. Op 2 januari 1908 trouwde hij met Elsje R. Aldenberg. Acht dagen later was hij de eerste man die de doop in de Heilige Geest ontving in Nederland. Dienten­gevolge verloor hij zijn evang­elische vrienden. In de eerste jaren van de op­wekking was hij Polmans naaste medewerker. Hij vergezelde hem naar de conferenties in Sunderland (juni 1908) en Hamburg (december 1908) en had de leiding over een groep van ongeveer 20 personen in Den Haag. In augustus 1909 waren hij en zijn vrouw de eerste zendelingen die uitgezonden wer­den door de Nederlandse Pinksterbeweging. Na een half jaar voorbe­reiding in Londen op de oplei­dingsschool van de P.M.I., de zendingsorganisatie die hen ondersteunde, vertrokken ze naar China. Ze werkten voornamelijk in Likiang bij de Tibe­taanse grens waar ze een gemeente stichtten en een bijbelschool begonnen om inheemse evangelis­ten op te leiden. Een brief die geschreven werd in 1912 bewees dat Kok samenwerkte met zende­ling­en uit andere denominaties en hen trachtte te winnen voor de Pinksterboodschap:

We leven en werken in goede harmonie met de andere zendelingen. Zij zijn bereid om te luisteren naar de bodschap van herstel van de Pinksterkracht en zijn het er min of meer mee eens.68

Maar de ontberingen van vele jaren ononderbroken zendingswerk in primitieve omstandigheden eisten hun tol. In een brief die gepubliceerd werd in Flames of Fire van februari 1918 scheen hij erg depressief. In 1919 moest P. Klaver, die in 1917 arriveerde om Kok te assisteren, schrijven:

Momenteel zijn de heer en mevrouw Kok in Yunnan-Fu om tot rust te komen. Mijnheer Kok had de laatste maanden een slechte gezondheid en het was hoogst noodzakelijk dat hij ging. Het laatste jaar is in alle opzichten heel moeilijk voor mijnheer Kok ge­weest en de enige hoop op een volledig herstel is een verlofperiode69.


Met behulp van de Nederlandse Pentecostalen werd de P.M.U. in staat gesteld de reiskosten te beta­len voor de familie Kok om naar Nederland terug te keren. Cecil Polhill probeerde een zendings­school te vinden voor hun drie kinderen in China, maar toen dit niet mogelijk was besloot men hen terug te zenden naar Nederland en te regelen dat ieder kind een toelage kreeg. Maar de dingen vielen anders uit. Op 22 april 1919 accepteerde Kok een baan bij de Nederlandse Ambassade in Peking. In een brief gedateerd op 13 mei 1919 vroeg Kok de P.M.U. Raad hem ontslag te verlenen. Zijn reden voor ontslag was zijn uitge­steld ver­lof en de scholing van zijn kinderen. Een tijd lang heeft hij misschien gedacht dat deze veran­dering slechts tijdelijk was. In februari 1921 publiceerde Polman zijn laat­ste woorden over Kok in Spade Regen:

citaat70


Datzelfde jaar zond de P.M.U. Kok een laatste bedrag van $ 320,15 om de benodigde reiskosten te dekken. Niet lang hierna moet Kok de Pinksterbe­weging de rug hebben toegekeerd. Men kan slechts gissen waarom. Als hetzelfde vandaag zou gebeuren zouden de Pentecostalen hem waarschijnlijk be­schouwen als iemand die an zijn goddelijke roe­ping ongehoorzaam was gewor­den. Men vermoedt dat Kok dezelfde veroordeling in het begin van de jaren twintig ook heeft ervaren, in het bijzonder van zijn medezendelingen.Hij had een schitterende carrière op de Ambassade, werd bevorderd wegens zijn taalkundige gaven en op 17 april 1925 werd hij bevorderd tot eerste kanselier. Waar hij maar kon ondersteunde hij het zendingswerk en gaf hij onderdak aan vele zendelingen uit allerlei deno­minaties. Hij werd vice-president van de "Bible Union of China" en vice-president van de "League of Chinese Christian Churches". Maar langzamer­hand richtte hij zich meer op waar hij voor stond dan waar hij op tegen was. In toenemende mate beschouwde hij het als zijn plicht om te vechten tegen het opkomende getij van het liberalisme in de kerken. Hij publiceerde enige artikelen om te waarschuwen tegen een geplande actie van enkele promi­nente liberale Amerikaanse en Chinese afge­vaardigden op de Internationale Zendingsraad in Jeruzalem in 192871. In de jaren dertig raakte Kok betrokken bij de campagnes tegen het opko­mend liberalisme in de noordelijke Presbyteriaanse kerk van de Verenigde Staten. Prof.Dr. J. Gresham Machen (1881-1937) leidde een groep waaronder Dr. Carl McIntyre zich bevond en deze groep protes­teerde tegen de modernistische zendelingen die werden opgeleid en ondersteund door de Presbyte­riaanse Buitenlandse Zending. Toen de Raad van Buitenlandse Zending In 1933 hun verzoek afwees om een duidelijk standpunt in te nemen tegen de zienswijze dat het Christendom slechts waarheden als aanvulling gaf in andere wereldgodsdiensten, richtten ze hun eigen onafhankelijke Raad voor Presbyteriaanse Buitenlandse Zending" op ten einde hun zendingsdonaties veilig te stellen. Machen vroeg Kok een rapport te schrijven over de situatie in China. Dit lijvig rapport stond Machen zozeer aan dat hij het toevoegde als aan­hangsel in zijn boek Modernisme en de Raad van Buitenlandse Zending van de Presbyteriaanse kerk in de V.S.72 Het conflict culmineerde in een schisma en de vorming van de orthodoxe Presbyte­riaanse kerk" in 1936. Dit kerkge­noot­schap speel­de een belangrijke rol in de totstandkoming van de Ameri­can Council of Christian Chruches (A.C.C.C.) in 1941, waarvan McIntyre de eerste voorzitter werd. Kok ging door veel ontbe­ringen gedurende de Tweede Wereldoorlog en werd hierom ontsla­gen van zijn kantoorwerkzaamheden. Hij verliet China in maart 1946, hoewel hij zijn salaris bleef ontvangen tot zijn offici­ële terug­trekking in mei 1948. Vanaf de tijd dat hij China verliet zette hij zijn leven in voor de A.C.C.C. Hij werd benoemd als voorzitter van hun Departe­ment van Buiten­landse Zaken waar Francis A. Schaeffer in het bestuur zat als secretaris. Toen de W.R.K. samenkwam in Amsterdam in de zomer van 1948 voor haar officiële inwijding, werd Kok naar Europa gezon­den om zoveel mogelijk kerken te verenigen voor een tegenaan­val. Hij vestigde zich in februari 1948 in Amsterdam. Ongeveer zes maan­den later werd de International Council of Chris­tian Chruches (I.C.C.C.) opgericht en werd Kok gekozen als haar eerste Algemeen Secretaris en McIntire als voorzit­ter. In 1947 was Kok rees begonnen aan het maandblad Getrouw. In het nummer van maart 1948 werd het duidelijk gemaakt dat de Pinkstergemeenten zich niet konden aansluiten bij de A.C.C.C.:

De A.C.C.C. houdt zich afzijdig van Pinkster-, Hei­ligings- en gelijksoortge bewegingen. Zij zij aange­sloten bij de National Association of Evangelicals (N.A.E.). Volgens hun woordvoeder heb­ben reeds 400.­000 Pinkstergelovigen zich bij hen aangesloten73.


Dit gaf weer wat McIntire reeds in 1944 had ge­schreven:

Tongen is een van de belangrijkste te­kenen van de afvalligheid. Als ware protestante kerkgenootschap­pen zich van hun geloof afkeren en het donkerder wordt, dan wordt het werk van de duivel meer open­baar. En mensen die niet ge­voed worden door de oude-lijn-kerkge­nootschappen gaan naar de `tongenbew­e­ging', omdat zij voelen dat zij nog een soort van leven hebben. De overheersing van de `tongen' groe­pen in de N.A.E.-kerkgenootschappen en hun compromis aan de `Federal Council' zal, daar zijn wij van overtuigd, deze organisatie niet tot aanbeveling strekken voor hen die er naar verlangen dat er een hoge stan­daard wordt gezet ten behoeve van het his­torisch Christelijk geloof ... 74.

Steeds als de N.A.C. werd besproken in Getrouw werd het lid­maatschap van Pentecostalen te berde gebracht als een belang­rijk bewijs dat samenwer­king eenvoudigweg onmogelijk was.Koks eigen pink­sterwortels werden zorgvuldig in de doofpot ge­stopt en nooit genoemd. De Nederlandse Pentecos­talen die dit feit in het openbaar hadden kunnen brengen, brachten het fatsoen op deze informatie voor zichzelf te houden. Slechts eenmaal lichtte W. de Jong de sluier op, maar dit alleen door te verwijzen naar Koks initialen en slechts een paar ingewijden begrepen wat hij in werkelijkheid bedoelde. In antwoord op een artikel van Kok in Getrouw schreef De Jong in februari 1949:

Op een vraag of de A.C.C.C. zich afzij­dig houdt van Pinkstergemeenten, Per­fectionisten, Universalisten, Adventis­ten, Jehova's Getuigen etc. antwoordt A.K. in haar orgaan:


`Volkomen juist. De A.C.C.C. heeft gemeend zich afzijdig te moeten houden van bepaal­de protestante groepen. De A.C.C.C. blijft voortgaan in de stroom van "ware protes­tante successie", verkiezende zuiverheid boven gemengdheid en kwaliteit boven kwan­ti­teit'

Ziezo, nu weten we waar we bij behoren, niet bij de zuiveren, maar bij de ge­mengden, niet bij de kwali­teit, maar bij de kwantiteit, niet bij de Bijbelvas­ten, maar bij de Jehova's Ge­tuigen etc.. Wij zelven wensen echter niet bij dit gezelschap te behoren en vragen ons af of A.K. in `Getrouw' dit oordeel wel verantwoorden kan75.


Kok vertelde alleen zijn naaste vrienden over zijn pinkster­achter­grond, maar hij wenste hier niet aan herinnerd te wor­den. Evenwel kon  hij niet eenvoudigweg dit deel uit zijn leven schrap­pen dat hem onuitwisbaar gevormd had. Toen in 1950 S.F.H.J. Berkelbach van der Sprenkel, de voorzitter van de Nederlandse Oecumenische Raad van Kerken, tegen de fundamenta­listen schreef, nam hij aan dat Koks Gereformeerde achtergrond gecombineerd met een langdurig verblijf in het buitenland hem star had gemaakt en slechts gecen­treerd op antithesen. Maar hoe kunnen we deze karakteristieken verklaren nu we de waar­heid weten over zijn verborgen gehouden verleden? De meest voor de hand liggende verklaring schijnt te zijn dat hij zich in zijn proces van vervreemding van de Pinksterbeweging vast­klampte aan hen die in dezelfde absolute denkpatronen gevangen zaten en tegelijkertijd zijn verwerping van het Pentecostalis­me steunden. Daar kwam nog bij dat zijn baan bij de Ambassade in China in een tijd van defensieve en conservatieve diploma­tie hem noopte om voortdurend op zijn hoede te zijn voor de vijand en tegen deze te strijden. Koks artike­len uit de tijd dat hij een Pinksterzendeling was zijn van dezelfde dynamische stijl als de artike­len in Getrouw, maar zijn kijk op zijn leefmilieu is volkomen veranderd. Het progressieve is regres­sief gewor­den, het persoonlijk getuigenis is veranderd in polemische twistgesprekken en de vroegere actie is veranderd in reactie. De laat­ste jaren van zijn leven woonde Kok in Amster­dam en reisde hij door het hele land om de christe­lijke eenheid te bevorderen. Vanwege zijn open­heid werd hij een kosmopolitisch christen ge­noemd. In zijn aansporing zijn medechristenen te verenigen wierp hij een licht op de aanvan­kelijke oecumenische stoot van de vroege Pinksterbewe­ging, maar dit werd beneveld door de kortzichtig­heid die hij kreeg vanwege zijn betrokken­heid met het ultra-fundamentalistisch christendom. Hij bracht niet eenmaal een bezoek aan zijn broeders en zusters in de Pinkstergemeente te Amsterdam. Sommigen van hen hadden om hem geroepen en voor hem gebeden en gaven zo veel van hun armoe­de. Wie kan zich de pijn voorstel­len die zij leden toen Kok niet zocht naar verzoening, maar hen verwierp als onechte christe­nen.

Arie Kok stierf aan een aanval op 7 januari 1951 tijdens een verblijf in de V.S. Hij werd begraven in Collingswood, New Jersey, ver weg van huis en van zijn vroegere Pinkstervrien­den, maar dicht bij Carl McIntire.

 

2.6 KRACHT VAN OMHOOG, EEN PAPIEREN BRUG

 

Het maandblad Kracht van Omhoog werd gestart in juli 1937 door Piet Klaver, voornamelijk als gemeenteblad voor de verscheide­ne gemeenten die hij bezocht.Het eerste jaar had het slecht een oplage van 100 exemplaren. In 1941 werd de redac­tie uitge­breid met de broeders Henk en Jo  van de Brink. Op hun verzoek werd de doelstelling van Kracht van Omhoog veranderd, namelijk in een nationaal en onafhankelijk blad Avoor de bevorde­ring van de boodschap van de vervulling van de Heilige Geest en de wederkomst van Christus@76. Vanaf die tijd tot het begin van de jaren zestig was Kracht van Omhoog een papieren brug tussen de Pinksterbeweging en de kerken en in deze periode groeide het in oplage en belangrijkheid. Vanwege haar oecumenische beteke­nis gaan we hier dieper op in.


Henk van de Brink (1904-1986) en Johannes Emmanuë­l van de Brink (1909-1992) werden opgevoed in een orthodox Gerefor­meerd gezin. Beiden werden onderwijzer en ontpopten zich als begaaf­de schrijvers. Henk was de kunstenaar terwijl Jo de dogmaticus was. Henk schilderde en schreef ge­dichten terwijl Jo cursussen volgde in dogmatiek en kerkgeschiedenis. Ze kwamen in contact met de Pinksterbeweging via hun zuster Marie, die aan het einde van de jaren twintig zich bij Polman had aangesloten en lid werd van de Immanuël ge­meente in Haarlem. Hun vader was ruimdenkend genoeg om hun keuze te respecteren. Op 1 juni 1936 werd Jo gedoopt in de Heilige Geest terwijl hij in zijn kamer in Gorinchem was. Zo nu en dan bezocht hij de Pinkstergemeente in Amsterdam op de fiets, maar hij bleef lid van de Gerefor­meerde kerk. Niettemin gaf de V.P.I.N. hem een officiële benoeming als predikant op 3 januari 1942. J.E. v.d. Brink sprak regel­matig in de zogenaamde vrije groeperingen. Soms predikte hij in de tijd dat de diensten in zijn eigen kerk werden gehou­den en dit gaf problemen zodat hij de Gereformeer­de kerk in 1944 verliet. Pas op 24 april 1949 werd hij gedoopt door onderdom­peling door Klaver in Amsterdam. Henk predikte regelma­tig in Pinkstergemeenten en was een vurige voor­vechter voor persoon­lijke heiliging en het ge­bruik van de geestelijke gaven. Toch noemde hij zichzelf geen pinksterman. In 1946 was hij nauw betrokken bij de oprichting van Youth for Christ in Nederland en enige jaren diende hij zelfs als hun voorzitter. Van 1956 tot 1958 was H. v.d. Brink voorganger van een Baptis­tengemeen­te in Alkmaar, waarna hij zich moest terugtrekken omdat hij ging scheiden.


In 1941 wilden Henk en Jo van de Brink een nieuw tijdschrift uitgeven waarin de tekenen van de tijd en de voorbereiding van de komst van de Heer op de voorgrond zouden staan. Aangezien de Duit­sers geen enkel nieuwe publikatie toestonden stemde P. Klaver ermee in dat zijn gemeenteblad Kracht van Omhoog ge­bruikt kon worden voor dit doel. Tot 1967 bleef Klaver in de redactie on­danks het feit dat de Duitsers op een keer verbo­den het tijdschrift te doen  uitkomen wegens papiergebrek. Ten gevolge van een administratieve fout bleef men van het nodige papier voorzien. Van 1945 tot 1958 was Henk v.d. Brink de hoofdre­dacteur. De eerste twee jaar na de oorlog werd Kracht van Omhoog wekelijks uitgegeven, daarna iedere twee weken. Vanaf 1945 had Corrie ten Boom een eigen rubriek waarin ze in het begin vertelde over haar ervaringen in het concentratie­kamp en later werd de rubriek voornamelijk gevuld met haar reisverslagen. Via de contacten van Henk met Youth for Christ waren vele andere prominente evangelicalen bereid een bijdrage te leveren met hun artikelen. Om zoveel mogelijk mensen te inte­resseren stond het onafhankelijke karakter van Kracht van Omhoog op de voorgrond. In 1947 schre­ven de redacteurs:

citaat77

Niettemin waren Kracht van Omhoog samen met Van Polens maande­lijkse publikatie Pinksterklanken de eerste Nederlandse tijd­schriften met een Pink­steroorsprong die begonnen te polemise­ren. In 1950 stelde H. v.d. Brink nadrukkelijk dat Kracht van Omhoog geen pinksterblad was, hoewel het wel de doop en de gaven van de Geest propageerde:

citaat78

Toen mevrouw M. Marijs-Visser schreef dat Kracht van Omhoog verreweg het beste Pinkstertijdschrift was, protesteerde H. v.d. Brink dat ze het clas­sificeerde als een Pinksterpublika­tie. Door deze benadering, voornamelijk ten gevolge van Henks voor die tijd ongebruikelijke relatie met de Pinksterbeweging werden veel Nederlandse evang­elicalen geconfronteerd met specifieke pink­ster­leerstellingen en uitgedaagd om deze toe te pas­sen in hun eigen situatie. Tegelijkertijd ver­breedde Kracht van Omhoog het Pentecostalisme, omdat schrijvers uit verschei­dene denomi­naties ertoe bijdroegen en de inhoud ook nieuws bevatte uit het kerkelijk en politiek gebied aangevuld met  geestelijk commentaar.

Vanaf 1946 werd er een speciale rubriek gewijd aan de zoge­naamde "Oecumenische Flitsen". De naam werd in 1949 veranderd in "Flit­sen". Vanaf novem­ber 1947 werd er een andere rubriek gestart met korte berichten, getiteld "Wereldspiegel".


Toen de Evangelicalen en de Pentecostalen zich verenigden bracht dit ook een radicale verwerping van de Roomskatholieke kerk en de W.R.K. teweeg, die beide beschouwd werden als een voorbereiding voor de anti-christ. Toen het dagblad Trouw ver­slag gaf van de oecumenische viering bij de doop van prin­ses Maria Christina (Marijke) waarin Joden en Rooms-katholie­ken deelnamen in een ge­zang over de eenheid van de kerk, reageerde Kracht van Omhoog met de woorden:

citaat79

Reeds in december 1947 werd de W.R.K. afgewezen omdat zij geen modernisten of hen die de godde­lijkheid van Christus niet beleden uitsloot.

citaat80

Hetzelfde artikel bevatte een citaat uit het Amerikaanse tijdschrift Pentecostal Evangel:

citaat81

Kort voordat de W.R.K. haar officiële inwijding in september 1948 vierde, wijdde Henk v.d. Brink een lange serie van 7 artikelen aan het onderwerp met de titel "Onze houding ten opzichte van de Oecumenische Beweging". Aangezien Henk in nauw contact stond met Youth for Christ waarvan de Amerikaanse voorzitter Dr. Torrey M. Johnson in het bestuur zat van de N.A.E., was het niet ver­rassend dat hij zich fel kantte tegen de W.R.K. na een objectief historisch overzicht verwierp hij de W.R.K., voornamelijk omdat zij compromit­teerde met het modernisme en Gods Woord niet respecteerde als gezaghebbend. De argumenten die hij gebruikte zouden door de jaren hen door veel Nederlandse Pentecostalen herhaald worden. Aang­ezien dit wel eens die vijandigheid ten opzichte van de W.R.K. en de achterdocht ten opzichte van de oecumene in het algemeen tot op heden zou kunnen verklaren, wordt hier een uiteen­zetting van zijn belangrijkste stellingen geciteerd:

29 maart 1948:

Gelijk echter Rome niet mee kan doen zonder haar fundamentele geloofsbelij­denis los te laten, zo kunnen ook wij niet deel nemen aan deze beweging zon­der ons geweten geweld aan te doen...


Immers er is geen gemeenschappelijk belijden met hen, die niet geloven aan het kostbaar bloed van Christus, vergo­ten voor onze zonden. Wij staan niet naast elkaar doch tegenover hen die deze waarheden loochenen82.

12 juni 1948:

Deze samenwerking moet leiden tot een steeds meer in veel opzicht samengaan met hen, met wien men geen gemeenschap mocht hebben, doch die als verloren zonen met boete en berouw moesten teru­keren tot de Vader83.

26 juni 1948

Het is oneindig beter een verdeeld Pro­testantisme te hebben, dan een compro­mis te sluiten met hen, die de hoofd­waarheden der Schrift ontkennen!84

10 juli 1948

Over het bloed van Christus wordt niet gesproken, wel over politieke, economi­sche en sociale kwes­ties...

Allen die oprecht Christus liefhebben, zullen zich aan deze beweging moeten onttrekken voor het te laat is. Indien zij dit niet doen, zullen zij meegezo­gen worden in deze schijneenheid, die de kerken ten verderve voert ...

Deze kerk zal straks het gewillige werktuig worden in de handen van de grootste verleider aller eeuwen: de Antichrist85.

24 juli 1948

Hoe zal ooit de man die gelooft in het kostbaar bloed van Jezus Christus als zijn enige troost in leven en sterven en de man, die dit niet nodig meent te hebben, elkander vinden en een eeheid gaan vor­men. Het is alsof iemand be­weerde dat leugen en waarheid, duister­nis en licht nog eens tot een hoge­re eenheid zouden komen86.


De andere Nederlandse Pinkstertijdschriften noem­den het onder­werp slechts zijdelings, maar namen in wezen hetzelfde stand­punt in. Ongetwijfeld was de invloed van de N.A.E., waarin ook wel Ameri­kaanse Pinksterdenominaties deelnamen, uiterst be­langrijk in deze kwestie. Aan de andere kant legde H. v.d. Brink de vinger op een belangrijk oecumenisch struikelblok: wedergeboren christenen kunnen zich niet verenigen met hen die dat niet zijn. De scherp omlijnde definitie van een wedergebo­ren christen die volgens Pentecostalen een persoonlijke beke­ring moet hebben ervaren en dit moet bewijzen door een heilig leven, maakt het voor hen nauwelijks mogelijk met vereende krachten met hen samen te werken die niet in dit stramien passen. Voor de meeste Pentecostalen zou het enige motief dat een dialoog tussen hen die beschouwd worden als wedergebo­ren christenen en hen die dat niet zijn, zou kunnen rechtvaar­digen de kans zijn die hen gegeven wordt om te getuigen en te evan­geliseren. Net zoals de vroege Pink­sterbeweging trachtte Kracht van Omhoog een gees­telijke eenheid te creëren, maar dit werd nadruk­kelijk versmald tot hen die net zo waren als zij.

De beide VAn de Brinks legden er de nadruk op dat alleen de Geest echt kon verenigen; iedere mense­lijke poging of organi­satie zou deze eenheid aantasten. Zij beschouwden gebed als "een ultiem middel om Gods kinderen te verenigen"87. Daarom organiseerden zij regionale interkerkelijke ge­bedsdiensten; vanaf november 1947 werden deze regelmatig aangekondigd in Kracht van Omhoog. Steeds maar weer werd erop gewezen dat ze geen nieuwe organisatie wilden oprichten, maar "Gods kinderen uit iedere kerk of groep konden elkaar daar vinden om hun gemeenschappelijke nood aan de Heer voor te leggen"88. Volgens J.E. v.d. Brink waren nationale denominaties en organisaties de belangrijkste oorzaak van afscheiding. In januari 1950 schreef hij:

citaat89

In een emotioneel gekleurd artikel van zowel H. als J.E. v.d. Brink, waarin ze eveneens enkele evangelische aanvallen op de Pinksterbeweging weerlegden, beweerden ze dat er geen opwek­king verwacht moest worden binnen de kerkelijke gren­zen.

citaat90

In de jaren vijftig werden deze woorden bevestigd toen de boodschap van goddelijke genezing Neder­land overspoelde, waarvan Kracht van Omhoog een belangrijke papieren getuige werd.


De oproep van de Van den Brinks tot de bevorde­ring van een christelijke eenheid gebaseerd op een wederzijdse geestelijke ervaring, meer dan op een belijdenis van geloof, zal vandaag de dag gedeeld worden door de meeste Pentecostalen. De ge­schiedenis van de Pinksterbeweging heeft echter bewezen dat de doop in de Heilige Geest niet automatisch een blijvende een­heid schept. Op het laatst kon J.E. v.d. Brink zelf niet aan dit ideaal voldoen (vgl. hoofdstuk IV D). Zolang de Pentecos­talen er niet in slaagden zo'n eenheid te creëren binnen hun eigen gelederen, lijken zulke beweringen nogal tweeslachtig. Aan de ander kant kan de dialoog met ander denominaties hen helpen een juiste balans te ontdekken tussen een geeste­lijke en organisatorische eenheid die zal passen bij hun eigen identiteit.


NOTEN

 

 

1  A. Hilgenfeld, Die glossolalie in der alte Kirche

-      W. Hengel, De gave der talen Leiden: 1860. Hengel noemt dat hij tenminste 60 boeken en artikelen kent die recentelijk over dit onderwerp geschreven zijn.

-      A. Kuyper, Het werk van den Heiligen Geest Vol. 1 (Kampen: J.H. Kok, 2nd edition 1927) p.187‑193.

-      M. Beversluis, De Heilige Geest en zijne werkingen volgens de schriften des Nieuwen Verbonds ­­­(Utrecht:C.H.E. Breijer 1896) p. 119‑157.

In het eerste decennium na het uitbreken van de opwekking verschenen nog sporadisch wetenschappelijke artikelen over de glossolalie:

-      M.J. Beukenhorst, Het spreken in tongen, Stemmen voor waar­heid en vrede, deel 45, maart 1908, p. 295-318.

-      J.L. de Wagemaker, De glossolalie in het N.T. (Amsterdam, Thesis Algemeen Doopsgezinde Sociëteit, 1913.

-      H.L.M. v.d. Hof, 't Wonder der glossolalie. In Annuarium der Roomsch Katholieke Studenten in Nederland - 1918 (Bussum: Paul Brand, 1918), p. 268-291.

-      F.W. Grosheide, Iets over de glossolalie, Gereformeerd Theologisch Tijdschrift 19 (1918), p. 1-24.

-      H. Bavinck, Gereformeerde Dogmatiek deel 3 (Kampen: J.H. Kok, 1929), p. 496-499.

 

2  Leaves of Healing, 10 Februari 1906, p. 408.

 

3  Rolvix Harlan, John Alexander Dowie and the Christian Catholic Apostolic Church in Zion (Evansville: Wis., Press of R.M. Antes, 1906, Ph.D.-dissertatie Faculty Graduate Divinity School, University of Chicago,   p 91.

 

4  Joh. de Heer, Op den uitkijk, Ermelosch Zendingsblad, 48/5, Mei 1907, p.1‑4.

 

5  Ibid, p. 4.

 

 

6  Joh. de Heer, Op den uitkijk, Ermelosch Zendingsblad, 49/2, Februari 1908, p. 10.

 

 

7  G.R. Polman, De Heere heeft grote dingen bij ons gedaan: dies zijn wij verblijd! , Spade Regen 5/29, Maart‑Mei 1912, p. 1-2.

 

8  W. Polman‑Blekkink, Na tien jaar pinksterbeweging, Spade Regen 10/8, 15‑11‑1917, p. 2‑3.

 

 

9  [G.R. Polman], "Spade Regen", Spade Regen 22/12, 15 maart 1930, p. 190-191.

 

10  G.R. Polman, Mededeelingen, Spade Regen 1/1, April 1908, p.4.

 

 

11  G.R. Polman, Mededeelingen ,Spade Regen 2/7, maart 1909, p. 4.


12  G.R. Polman, Uit den Arbeid, Spade Regen 18/1, 15 April 1925, p. 14.

 

13  G.R. Polman, Ontwaakt, Spade Regen, 11/3, 15‑6‑1918, p. 10.

 

14 Persoonlijke brief van Polman aan G.A. Wumkes d.d. 27-2-1915. G.A. Wumkes bewaarde de 41 brieven die hij van Polman ontving in zijn archief en bracht deze onder in de Provinciale Bibliotheek te Leeuwarden en in een map bij het  Fries Letterkundig Museum en Documentatiecentrum, Grote Kerkstraat 28 te Leeuwarden.

 

15  L. Pethrus, De Internationale Pinksterconferentie te Amsterdam, Spade Regen 13/12, maart 1921, p. 178‑181.

 

16  F.J. van Meerlo, Over de Pinkster‑ of Tongenbeweging, Referaat voor de Algemene Vergadering der Unie, op 11 juli 1912 te Amsterdam (Apel­­doorn:Neerlandia Drukkerij, 1912), p.8‑9.

Na zijn lezing werd met veel bijval geopperd om het als apart boekje uit te geven in een oplage van 100.000(De Christen, 31/1319 2 augustus 1912, p.244).

 

17  Nachruf, Heilzeugnisse, 24/7,1‑4‑1932, p.49.

 

 

 

18  G.A. Wumkes, Nai Sawntich Jier, (Bolsaert: Fa. A.J. Osing­a, 1949),  p.175.

 

19  Ibid, p.417.

 

 

20  N. van Beek, Van de boekentafel, De Christen, 36/1559 16 maart 1917, p. 84‑85. Wumkes nam deze uitspraken van Polman=s brief aan hem van 27 februari 1917 nagenoeg woordelijk over.

 

21  De Pinksterbeweging, De Nederlander, 23/7032, 19‑9‑1916, p.4

De Pinksterbeweging, De Nederlander, 23/7033, 20‑9‑1916, p.4

De Pinksterbeweging, De Nederlander, 23/7034, 21‑9‑1916, p.4

De Pinksterbeweging, De Nederlander, 23/7035, 22‑9‑1916, p.4

Alleen het eerste gedeelte is samengevat. De rest is woordelijk overgenomen van: Stemmen des Tijds 5/11 (September 1916), p. 251-271.

 

22  A. Petermeijer, Van heinde en Ver ‑ De Pinksterbeweging, Maranatha 7/8, December 1916, p.58‑59.

In zijn autobiografie Nai Sawntich Jier(p.434) maakt Wumkes een fout als hij veronderstelt dat ds. H.J. Couvée dit boek­verslag schreef. Ook Polman vergiste zich toen hij in zijn brief aan Wumkes schreef dat het ds E.B. ­Couvée was(Polman brief aan Wumkes, Amsterdam 8 November 1916).

 


23  G.R. Polman, DE PINKSTERBEWEGING voorna­melijk in Nederland, Spade Regen 9/41, januari 1917, p.2.

 

24 Deze aantekeningen zijn gevonden in een map op het Fries Letterkundig en Documentatiecen­trum te Leeuwarden.

 

25  G.A. Wumkes, Nai Sawntich Jier, p.441.

 

26  G.A. Wumkes, De Pinksterbeweging voorna­melijk in Nederland, p. 23.

 

27  G.R. Polman, Persoonlijke brief aan Wum­kes, Amsterdam 8 maart 1916.

 

28  Prof.Dr. J.H. Gunning Jr., Persoonlijke brief aan Dr. de Visser in 1901, geciteerd in Woord en Dienst, 10 november 1962, p. 367.

 

29  J.H. Gunning J.Hz., Onze Dissenters, Pniël 31/1606, ­­­­­­­7‑10‑1922, p.320.

 

30  Dr. J. H. Gunning J.Hz., Herinneringen uit mijn leven, p. 188.

 

31  G.R. Polman, Persoonlijke brief aan J.H. Gunning J.Hz., Amsterdam 12 maart 1910.

 

32  G.R. Polman, Persoonlijke brief aan J.H. Gunning J.Hz., Amsterdam 7 januari 1913.

 

33  G.R. Polman, Persoonlijke brief aan Wum­kes, Amsterdam 16 juli 1917.

 

34  J.H. Gunning J.Hz., De Doop des Heiligen Geestes, Pniël 31/1604, 23 september 1922, p. 303.

 

35  J.H. Gunning J.Hz., De doop des Heiligen Geestes, Pniël, 31/1604, 23 september 1922, p. 304.

 

36  J.H. Gunning, JHz., Wat wilt ge weten? De Jongeman ‑ Orgaan van het Nederlandse Jongelings­verbond, 67/19, 10 mei 1923, p. 149.

 


37  A.H. de Hartog, Farizeeën en Schriftge­leerden, Nieuwe Banen, deel 10, 1917, p. 148.

 

 

38  G.R. Polman, Persoonlijke brief aan Wum­kes, 23 november 1916.

 

39  G.R. Polman, Een ernstige waarschuwing, Spade Regen 21/4 (Juli 1928), p.64.

 

40  J.C. Borgdorff, M. van Dijk & H. Fokkens, De Pinkstergemeente en hare dwalingen getoetst aan Gods woord (Hoogeveen: Slingenberg, 1932), p. 3.

 

41  Protocol der handelingen van den eerwaar­den kerkeraad der hervormde gemeente te Holland­scheveld. Notulen: Kerkeraadsvergadering 21 janu­ari 1932.

 

42  Ibid, Kerkeraadsvergadering 12 juli 1934. Beide citaten uit: W..M. van Haar­en, Jezus al­leen: Een religieus‑antropologisch onderzoek naar de Gemeente des Heeren te Elim (Kandidaats the­sis, Universiteit van Leiden, 1981), p. 65.

 

43  H. Fokkens, De Pinksterbeweging, Gerefor­meerd Theologisch Tijdschrift nr.32 (1931‑1932), p. 521‑540.

 

44  A. van Polen, Persbericht van de Broeder­schap van Pinkstergemeenten, d.d. 21 oktober 1971.

 

45  Mevrouw M. Marijs‑Visser, De Pinksterbe­weging III, Witte Velden 20/8, November 1950.

 

46 Gewoonlijk gepubliceerd op de achterpagina van Spade Regen.

 

47  P. van der Woude, De gave der talen, Spade Regen 1/5, 1934, p.2..

 

48  P. van der Woude, Holland's needy saints, Pentecostal Evangel 15 December 1945, p. 11.


49  P. van der Woude, Die Pfingstgemeinden in Holland während des krieges und heute ‑ brief van 17 Oktober 1945, Verheissung des Vaters 38/12 December 1945, p. 18.

 

 

50  P. van der Woude, Over eenheid en samen­werken, Volle Evangelie Koerier 17/3, 15 septem­ber 1954, p. 1.

 

51  P. van der Woude, De redenen waarom ik behoor tot de Pinkstergemeente, Het Vaderland, 15 december 1956, p. 13/15.

 

52  P. van der Woude, Opdat zij allen één zijn, Radiotoespraak voor de  NCRV, 9 april 1964.

 

 

53  Johan Th. Bos, Piet Klaver: laatste zen­dingsreis,  Kracht van Omhoog 31/5 16 juni 1967, p. 6.

 

54  P. Klaver, Pinksterfeest, Kracht van Omhoog 1/12, 1938, p.2.

 

 

55  P. Klaver, Pinksteren in deze tijd, Kracht van Omhoog 4/12, juni 1942, p.2.

 

 

56  Mededelingen A.I.G.K., bijlage Kracht van Omhoog, April 1947.

 

57  N. Vetter, rondschrijfbrief aan mede-gelovigen, mei 1943.

 

58  Ibid.

 

59  H. Bavinck (ed.), De Heilige Geest (Kam­pen: J.H. Kok, 1948), p. 289.

 

60  Uit den Arbeid ‑ Amsterdam, Het Midder­nachtelijk Geroep 2/7, 1939, p. 57.

 

61  N. Vetter, rondschrijfbrief, mei 1943.


62  M. Marijs‑Visser, De Pinksterbeweging II, Witte Velden 20/7, oktober 1950.

Mevr. Visser schreef later over de Pinksterge­meente in haar roman  De Zwarte (Kampen: J.H. Kok, 1960).

 

63 Notulen van de algemene vergadering van 22 Oktober 1938 in het gebouw Nazareth, Fagelstreet in Den Haag.

 

64  H. v.d. Brink, Uit den Arbeid, Het Mid­dernachtelijk Geroep 4/3, 1941, p. 23.

 

65  W. de Jong, Verslag van vergadering om tot een eenheid te komen tussen de V.P.I.N en de Gemeente Gods 29 mei 1943 te Rotterdam, p. 1.

 

66  Ibid, p. 2‑4.

 

67  Ibid, p. 4‑5.

 

68  A. Kok, Tidings of Tibet, Flames of Fire no. 7, oktober 1912, p.3.

 

69  P. Klaver, brief gepubliceerd in Flames of Fire, april 1919, p.7.

 

70  G.R. Polman, Uit den Arbeid, Spade Regen 13/11, 15 februari 1921, p. 156.

 

71  A. Kok, Modernisme op de conferentie te Jeruzalem, De Nederlander nr. 10594 & 10599 van 22 maart 1928 & 30 maart 1928.

 

72  J. Gresham Machen, Modernism and the Board of Foreign Missions of the Presbyterian Church in the U.S.A. (Philadelphia: Press of Allen, Lane & Scott, 1933), memorandum by A. Kok p. 75‑110.

Ook: A. Warnaar Jr., Bevorderd tot Heerlijkheid, Getrouw 4/7, Februari 1951, p.2.

 

73  Opheldering, Getrouw 1/10, mei 1948, p. 2.

 


74  Carl McIntire, Christian Beacon, 27 April 1944, p. 8 geciteerd door Vinson Synan, The Holiness-Pentecostal movement in the United Sta­tes (Grand Rapids, Michigan: Eerdmans, 1977), p. 207.

 

75 W. de Jong, Onder ons, Volle Evangelie Koerier, 11/8, 15 februari 1949, p. 5.

 

76 Vanaf Kracht van Omhoog 4/9, maart 1941, p. 8.

 

77  H. van den Brink, P. Klaver, J.E. van den Brink, Aan onze lezers,  Kracht van Omhoog 11/1, 12-7-1947, p.2.

 

78  H.v.d.Brink, Want u komt de belofte toe,  Kracht van Omhoog 14/1, 8 juli 1950, p. 2.

 

79  [H. v.d. Brink], Oecumenische Flitsen,  Kracht van Omhoog, p. 5.

 

80  [H. v.d. Brink], Wereldspiegel - Een vals eenheidsstreven, Kracht  van Omhoog 11/12, 14 December 1947, p. 13.

 

81  Ibid, p. 15.

 

82  H. v. d. Brink, Onze houding tegenover de oecumenische beweging II,  Kracht van Omhoog 11/21 (29 mei 1948), p. 7-8.

 

83  H. v.d. Brink, Onze houding tegenover de oecumenische beweging III,  Kracht van Omhoog 11/22, (12 juni 1948), p. 6.

 

84  H. v.d. Brink, Onze houding tegenover de oecumenische beweging IV,  Kracht van Omhoog 11/23 (26 juni 1948), p. 6.

 

85  H. v.d. Brink, Onze houding tegenover de oecumenische beweging V,  Kracht van Omhoog 12/1 (10 juli 1948), p. 7.

 


86  H. v.d. Brink, Onze houding tegenover de oecumenische beweging VI,  Kracht van Omhoog 12/2 (24 juli 1948), p. 7.

 

87  Gebedssamenkomsten, Kracht van Omhoog  11/9 (1 november 1947), p.7.

 

88  Ibid.

 

89  J.E. v.d. Brink, Eenheid niet gewenst! ,  Kracht van Omhoog 13/13 (7 januari 1950), p. 4.

 

90  H. and J.E. van den Brink, Waarom geen opwekking in Nederland? ,  Kracht van Omhoog  14/8 (14 Oktober 1950), p. 5.


Hoofdstuk III

Het vraagstuk van de genezing

A. Inleiding - De turbulente jaren vijftig

Zelfs de vernietigende kracht van de Tweede We­reldoorlog konden de maatschappij van "verzui­ling" niet teniet doen die Nederland had gekarak­teriseerd gedurende de eerste helft van de eeuw. Hiertoe werd een ernstige poging ondernomen door de Nederlandse Volksbeweging (NVB), die in mei 1945 in het voet­licht trad. De NVB streefde naar een nieuwe Nederlandse samen­leving van eenheid en menselijkheid. De politieke partijen moesten afgesteld worden op sociale inzichten in plaats van op een levensfilosofie. Het spoedkabinet Schermerhorn-Drees dat vlak na de oorlog werd geïnstalleerd, trachtte de idealen van de NVB te verwezenlijken, maar de periode van het ene jaar dat ze aan de macht waren bleek veel te kort te zijn. Naast een Rooms Katholieke en Protestantse sectie van de maatschappij ontwikkelde zich een socialistische, een liberale en humanis­tische vleugel. Elk had haar eigen zorgvuldig beschermde subcultuur. Ondanks het feit dat deze verschillen gedurende de oorlog vervaagd waren, zou het nog 20 jaar duren voordat deze bijna onwrikbare zui­len van de Nederlandse samenleving in elkaar stortten. In de jaren vijftig bereikte de verzui­ling haar hoogtepunt, maar te zelfder tijd ont­stonden er kraken.


Op het politieke vlak werden deze jaren beheerst door de zogenaamde rooms-rode (roomskatholiek-socialistische) coali­tie. Van 1946 tot 1958 waren ze voortdurend aan de regering met zo nu en dan een paar vertegenwoordigers uit de Protes­tantse partijen. De pragmatische socialist Willem Drees, minister-president tijdens deze gehele periode, slaagde erin enkele punten te verwezenlijken van zijn partij manifest en baande voor Nederland de weg die leidde naar een verzorgings­staat. De hoogte van de sociale premies verdubbelde in die tijd tussen 1950 en 1960. Het was een tijd van snelle economi­sche groei, gebaseerd op industrië­le ontwikkeling en export "Een auto voor iedere werker" werd het motto dat een zorg voor de wel­vaart van iedereen symboliseerde. Dit vereiste een gesloten systeem van een geleide loonstruc­tuur waarin de regering minimum en maximum loon­niveaus vaststelde. John P. Windmuller gaf weer in een analyse dat dit soms de uiterste grenzen raakte van wat toegestaan is in een niet-autori­taire staat".  Stakingen werden gezien als een blokkade voor natio­nale vooruitgang en kwamen nauwelijks voor. De economische groei bracht geen verandering teweeg in het karakteristieke conser­vatisme van dit tijdperk. Sociale wetgeving werd tot stilstand gebracht waar zij bedreigde de sociale orde te verstoren. Geheimhouding werd gezien als een grote verdienste en zelfs geres­pecteerd door journalisten. De koude oorlog tus­sen de VS en de USSR paste in de starre hiërar­chische wereldvisie die overheerste. Binnen deze levenshouding van schrijnende contrasten bestond weinig ruimte voor meningsver­schillen en zelfon­derzoek. Aan het eind van de jaren vijftig luidde de zogenaamde nozemcultuur een nieuw tijdperk in waarin niet meer door ouders opgelegde voorbeel­den moest navolgen, maar men zijn eigen bestem­ming kon kiezen. Langzamerhand moest het collec­tivisme plaats maken voor het individualisme.


Op kerkelijk gebied kreeg de oecumene van de eerste helft van de eeuw gestalte in een inter­kerkelijke dialoog op nationaal niveau. Op 10 mei 1946 werd de "Oecumenische Raad van |Kerken in Nederland" opgericht. De Nederlands Hervormde kerk was de enige grote traditionele kerk die deelnam, samen met Luthera­nen, Remonstranten, de Mennonieten, de Baptisten Unie, de Oud Katholieke kerk en de Moravische Broeders. In 1956 werden de Nederlands Hervormde kerk en de Evangelisch Lu­therse kerk het eens over een consensus van we­derzijdse deelname aan het Heilig Avondmaal en uitwisseling van predikanten. In andere kerken heerste eveneens een opkomend verlangen om als gelovi­gen dichter bij elkaar te komen. De intro­verte cultuur die de Gereformeerde kerken in de laatste tientallen jaren had geken­merkt opende zich langzaam naar mate ze begonnen deel te nemen in theologische discussies en kerkelijke dialo­gen. Het feit dat 10% van hun ultra-orthodoxe vleugel zich had afgescheiden in 1944 in de Gere­formeerde kerk Vrijgemaakt (Art. 31) droeg bij aan hun voorzichtige openheid. Deze periode is juist gekarakteriseerd als het tijdperk van de rustige omwenteling voor de Gereformeerde kerk. De curie van de Roomskatholieke kerk was nog steeds erg voorzichtig. Toen de NVB enkele promi­nente katholieken beïnvloedde en de Socialisten een belangrij­ke verkiezingsoverwinning behaalden in 1952, kwamen de bis­schoppen met een tegenaan­val in de publikatie van een herder­lijke brief met als titel "De katholiek in het openbare leven van vandaag". Het werd heel duidelijk gemaakt dat een katho­liek niet betrokken moest raken in het socialisme.

citaat

Prof. A.J. Manning noemde dit later: "Een ouder­wetse poging om een georganiseerd en gedecreteerd katholicisme samen te stel­len". Niettemin werd de herderlijke brief verdedigd bij het merendeel van de katholieke en protestantse pers. Pas in 1965 werden deze sancties afgeschaft. Alleen tijdens de ramp van de overstroming in de provincie Zee­land in 1953 en het hulpverle­ningswerk van Hong­aarse vluchtelingen ontstond er een vereende samenwerking tussen de traditionele kerken.


De Pinksterbeweging werd verbreed door de toetre­ding van een nieuwe vleugel als resultaat van de vele Indonesiërs die repatrieerden naar Nederland na de Indonesische onafhankelijk­heid in 1949. Sommigen voegden zich bij de bestaande Pinkster­gemeenten, maar de meesten bleven in hun eigen subcultuur en stichtten gemeenten in overeenstem­ming met hun identiteit en leerstelling. Rond 1960 organiseerden sommige van deze gemeen­ten zich in de "Bethel Pinkster Tempel |Nederland". Vanwege de culturele verschillen waren ze werk­zaam, afgescheiden van andere Pentecostalen. Dit werd bekrachtigd door hun zogenaamde tabernakel­leer waardoor ze werden beschuldigd van ketterij. De belangrijkste gedaanteverwisseling van de Pinksterbeweging ontstond door de andere wijze waarop ze beschouwd werden door de Nederlands Hervormde kerk die haar niet langer brandmerkte als een sekte. De morele kracht die deze verande­ring veroor­zaakte was met name de bediening van de genezing.

B. De bediening van de genezing opnieuw ontdekt

Na de turbulente jaren van de Tweede Wereldoorlog heerste er in Europa een dorst naar wederopbouw. De teleurstelling in het leven, de mensen en uiteindelijk in God, werd onderdrukt door een opzienbarende opwekking van kinderlijke geloofs­ervaring. Het leek alsof God al deze ellendige jaren moest goedmaken en zijn macht moest bewij­zen om tussen beide te komen. De jaren vijftig waren de gouden jaren van de geloofsgenezers wereld­wijd en Nederland was geen uitzondering. Genezing op gebed werd zelfs beoefend in het koningshuis, en wel in die mate dat de regering in 1956 tussenbeide moest komen om een monarchale crisis te vermijden. Evangelisten uit de VS (Wil­liam Branham, Tommy Hicks, Oral Roberts) waren in het bijzonder populair in Nederland, want zij belichaamden onze bevrijders. Pinkster­tijdschrif­ten brachten lijvige rapporten uit over hun succes­volle bedieningen. De onderscheidende fac­tor in Nederland was echter dat de meeste gene­zingssamenkomsten plaatsvonden binnen de grenzen van de traditionele kerken, voornamelijk de Neder­lands Hervormde kerk. Daar kwam nog bij dat het een Duitse (!) evangelist was die de grootste invloed had in het begin van de jaren vijftig. Andere voorvechters van de bediening van de gene­zing zoals Roland Brown (Amerikaanse Baptist) en R.E. Forget (Franse voorganger) bezochten Neder­land ook om lezingen te geven in traditionele kerken. De opzienbarende campagne van de pink­sterzendeling T.L. Osborn in 1958 werd georgani­seerd door een interkerkelijk comité waarin Ne­derlands Hervormde predikanten en Pinkstervoor­gangers zij aan zij werkten.


Voor vele buitenstaanders schenen de glossolalie en de ge­loofsgenezing de twee scharnieren te zijn waarop de Pinkster­beweging draaide zoals een van de geestelijke gaven nadrukke­lijk noemt in 1 Cor. 12; genezing door gebed is inderdaad altijd een van haar hoofdkenmerken geweest en dit werd ook verwacht en toegepast vanaf het begin van de beweging. Aange­zien genezing binnen de Pinkster­beweging in het algemeen slechts versmald werd tot het lichamelijke, werd dit duidelijk een belangrijke blikvanger. In 1916 deelde Wumkes het gebed voor genezing zoals dat werd toegepast door de Pinksterbewe­ging in 4 categorieën in:

1. Direct door een geloofsgebed.

2. Intercessie door twee of meer personen.

3. Zalving door de oudsten met het gebed van geloof.

4. Oplegging van handen door de gelovigen.

Vragen  of deze genezingen echt of bijbels waren moesten beantwoord worden. Tijdens de eerste tientallen jaren van deze eeuw of negeerden de Reformatorische kerken in Nederland het probleem of verwierpen ze openbaar gebed voor de zieken, zoals het de gewoonte was binnen verscheidene groepen van geloofsge­nezers, evenals bij de Pen­tecostalen. De reformatorische polemisten hielden zich voornamelijk bezig met de verwerping van, wat zij dachten, het onderwijs dat alle ziekte een gevolg was van de zonde en dat een christen ervan af moest zien medische hulp te zoeken. Hoewel dit ten grondslag lag aan de geloofsgene­zingsgroepen, gold dit niet altijd voor de Pink­sterbeweging.

1. Lam Jeeveratham

De campagne in januari 1950 van de Indiër, Lam Jeeveratham, een sjofel maar begaafd evangelist, was het hoogtepunt van deze periode van woedende tegenstand tegen de boodschap van goddelijke genezing en bevrijding. Jeeveratham hield zijn eerste samenkomst op 15 januari in Amsterdam. Een doofstomme jongen van acht jaar oud werd genezen. Vanaf het moment dat Jeeveratham echter boze geesten begon uit te drijven, begon de pers hem belachelijk te maken. Hij werd bespot en beschul­digd een showbink, een kwakzalver, een wonderwer­ker te zijn. Het populaire nieuwsblad De Tele­graaf schreef:

citaat


Volgens A. van Polen was het enige vreemde dat gebeurde, dat de mensen flauw vielen nadat de demonen waren uitgedreven, maar hij voegde er snel aan toe "even later stonden ze op en getuig­den van een wonderlijke vrede". Gealarmeerd door zulke sensationele publikaties kwam de politie tussenbeide. Na zijn eerste samenkomst in Rotter­dam op maandag 23 januari werd Jeeveratham gear­resteerd. Omdat er op zijn visum slechts "predi­ker" stond in plaats van "geloofsgenezer", werd hij de volgende dag op een boot gezet naar Eng­eland. De dienstdoende politieagent zei grofweg tegen hem: "Ik, duivel, gebied je nu dit land te verlaten". \jeeveratham bleef onbewogen. Later verzuchtte hij dat hij nog nooit zoveel "vrome geesten" had meegemaakt als in Nederland. Het organisatie-comité dat voor­namelijk uit Pentecos­talen bestond, moest zeer tegen haar zin de rest van de campagne afgelasten. In een volgend hoofd­arti­kel besloot P. van der Woude met de woorden:

citaat

H. v.d. Brink reageerde woedend:

citaat

2. Genezing in de reformatorische kerken

Het keerpunt voor de boodschap van goddelijke genezing en de toepassing daarvan binnen de gren­zen van de reformatorische kerken, kwam door het interkerkelijke centrum "De Hezenberg" in Hattem. Dit centrum was gestart als resultaat van de ziels­zorg die ds. Wim A. Plug (1900-1974) en zijn vrouw Barbara in de jaren dertig waren begonnen in hun pastorie te Bredevoort. In 1933 brachten ze een bezoek aan de "Rettungsarche" van "Vater" Wilhelm Friedrich Stanger (1855-1932) te Möttlinger die voortbouwde op de bediening van de welbekende Lutherse dominee Johann Christoph Blumhardt. Evenals veel andere Neder­landse gelo­vigen die een pelgrimstocht naar Möttlingen had­den gemaakt, waren ze zeer onder de indruk van het evenwicht tussen bijbelstudie, zielszorg en gebed voor genezing.

Plug beschreef zijn ervaring later als volgt:

citaat


Met de industrieel Anton Begeer als de stuwende kracht ontwik­kelde zich een "Möttlingen Beweging" in Nederland waarin de pastorie van de Plugs het nationale centrum werd. Vanaf 1937 verscheen er een maandblad met als titel Jezus is Overwinnaar. In 1946 werd de Stichting ten bate der Möttlinger Beweging in Nederland in het leven geroepen en er werd een pastoraal centrum opgericht op De Hezen­berg te Hattem met ds. Plug en zijn vrouw in de leiding. Zijn naaste medewerker was Jan Th. Erd­tsieck (1879-1968) een voormalig Pentecostaal. Op een conferentie van de London Healing Mission te High Leigh in juni 1951 waar Agnes Sanford de hoofdspreekster was, ontmoette ds. Plug Elaine Button Richards. Mevrouw Richards, een Angli­caan­se leek en voormalig secretaris van dominee E.H. Cobb, was lid van de Orde van Sint Lucas (OSL). Twaalf jaar lang had ze de leiding over gebeds­groepen. Ze werkte nauw samen met de Engelse "Church Council of Healing", een overkoepelend orgaan dat opgericht was in 1944 door de aarts­bisschop van Canterbury William Temple. Omdat gebed voor de zieken met handoplegging nog steeds een terra incognito was in de reformatorische kerken, haalde Plug mevrouw Richards ertoe over naar Nederland te komen en lezingen te houden. Wegens de grote belangstelling bleef ze een jaar lang. Ze leidde verschillende conferenties en wekelijkse genezingsdiensten op de Hezenberg, sprak in verschillende kerken of individuele groepen en gaf lezingen voor ziekenhuispredikan­ten, doktoren, diaconessen en predikan­ten.

Het hoogtepunt van haar bezoek was de zogenaamde Week der Genezing die gehouden werd van 14 tot 21 september 1951 in de Bethlehemkerk te Den Haag. P.C. van Leeuwen bracht verslag uit aan dominee John G. Banks (hoofd van de OSL):

citaat

Vele jaren later riep P.C. van Leeuwen nog steeds enthousiast:

citaat

Een gedetailleerd verslag van deze avond, gegeven door de kritische Gereformeerde Dr. J.L. Koole, geeft ons inzicht in de eigenlijke techniek en liturgie gedurende deze experimente­le fase:

citaat

Men schat dat er ongeveer 500 mensen naar voren kwamen voor gebed. De volgende punten onder­scheidt deze gebeurtenis van de Pinkstertraditie:

1. Er werd veel tijd besteed aan bijbelonderwijs over gene­zing.


2. Zoals gebruikelijk in Engeland, werd er een verbinding gelegd    tussen het Heilig Avondmaal en de bediening van genezing.

3. Er was gedurende de dag ruim tijd vrijgemaakt voor ziels­zorg.

4. Het eigenlijke gebed voor de zieken werd ge­daan door een groep    van 5 dominees, een oudste (F.A. Stroefhoff) en 2 lekenvouwen    (mevrouw Richards en mevrouw Plug). Als er zoveel zieken naar     voren kwamen baden ze in groepen van twee.

5. In overeenstemming met het onderwijs van Elai­ne Richards legde de    groep pas de handen op de zieken nadat ze de handen op elkaar    hadden gelegd.

6. Er was geen verlangen naar het spectaculaire. De genezingen die    plaatsvonden werden pas later echt zichtbaar.

De drie Nederlandse reformatorische predikanten die deze week van genezing hadden georganiseerd, ds. H.J. Drost, ds. P.C. van Leeuwen en ds. P. Lugtigheid, bleven de rest van hun leven vurige stimulators van de genezingsbediening. De Pente­costalen die deze avonden aanwezig waren konden hun ogen nauwelijks geloven. A. van Polen jubel­de:

citaat

Hij verwachtte ook verzet en vroeg om te bidden voor deze moedige reformatorische dominees. De kritiek bleek echter beter te zijn dan men had gevreesd. Er werden enige kerkelijke en prakti­sche kwesties op tafel gelegd en er werden enige zijdelingse theologische opmerkingen gemaakt, maar al met al was er een voorzichtige accepta­tie. In de Hervormde kerk, het officiële orgaan van de Nederlands Hervormde kerk, schreef hoofd­redacteur F.H. Landsman:

citaat

In zijn proefschrift over de handoplegging bekri­tiseerde P.A. Elderenbosch de armoedige voorbe­reiding en de nazorg:

citaat


P.J. Roscam Abbing gaf een theologische evaluatie waarin hij voornamelijk waarschuwde tegen de vroegtijdige kracht van goddelijke genezing, aangezien de vervulling van deze belofte bedoeld was voor de komende eeuw. Hij pleitte echter voor de vorming van gebedsgdroepen:

citaat

Het effect van het bezoek van Elaine Richards bleek verreikend te zijn. Sinds 1951 is de "Week van Genezing" een jaarlijkse traditie geworden. Ze vinden nog steeds plaats in Den Haag, gewoon­lijk rond Pinksteren en verlopen volgens  dezelf­de basispatronen als in 1951. Een ander resultaat was het begin van verscheidene interkerkelijke gebedsgroepen. In 1955 kon mevrouw N. Adams-Brinkman getuigen:

citaat

De gebedsgroepen kregen het advies uit ongeveer 7 leden te bestaan, het leiderschap werd om beurten genomen, maar de zielszorg moest overgelaten worden aan de voorganger. P.C. van Leeuwen herin­nert zich dat de gemengde groepen waarin Pente­costalen en Reformatorische gelovigen  deelnamen de interes­santste waren. Nadenkend over Donald Gee's oproep voor een betere bijdrage van de Pinksterbeweging aan de kerk als ge­heel, die gedaan werd op de wereld-pinksterconferentie van 1952 in Londen, gaf P. van der Woude als commen­taar:

citaat

Elaine Richards besefte dat de boodschap van genezing oecume­nische gevolgen zou moeten hebben. In haar lezing over het thema "De genezing van de kerk", die ze gaf op een voorgan­gersconferentie op de Hezenberg in april 1952, zei ze:

citaat

In 1953 werd er een Nederlandse tak van de Orde van Sint Lucas opgericht. Ds. P.C. van Leeuwen werd de eerste voorzitter en hij bleef dit tot 1983. Datzelfde jaar werd de eerste interna­tiona­le conferentie over Goddelijke Genezing gehouden in de Hezenberg te Hattem. Een van de sprekers was P. v.d. Woude die uitgenodigd was om te spre­ken over het onderwerp "wat moet de aard zijn van een genezingsopdracht". Van der Woude benadruk­te:

citaat


Het feit dat een pinkstervoorganger werd gevraagd om deze conferentie toe te spreken en eveneens Donald Gee en David du Plessis (die respectieve­lijk uitgenodigd waren in 1955 en 1959) is bete­kenisvol voor de openhartige houding van de OSL, waarvan de meeste leden theologen zijn of dokto­ren. In Neder­land hielpen deze contacten zeker om een brug te bouwen en zodoende het wantrouwen en de verwerping van de Pinksterbewe­ging te helpen tegen te gaan. Deze genezing zou wel eens de wonderbaarlijkste genezing kunnen zijn.

3. Hermann Zaiss


De samenkomsten van de Duitse evangelist Hermann Zaiss (1889-1958) gehouden in 1952, 1953 en 1956 in verschillende delen van Nederland verwekten nog meer opschudding. Hierop terug­ziend, zei Stroefhoff: "Er was geen krant, geen gemeente­blad, geen tijdschrift die de kwestie niet op tafel legde". In 1944 was hermann Zaiss, een fabrikant in scheermesjes, samenkomsten begonnen in zijn huis te Ohlings op dinsdagavond. Zijn humo­ristische en radicale preken verbonden met zijn verbazingwek­kende gave van improvisatie, trokken velen aan. Hoewel zijn preken soms uren duurden, verveelde hij nooit. Aanvankelijk wilde hij geen kerk stichten, maar naarmate het groei­end aantal bezoekers regelmatiger samen wilde komen, werd er een nieuwe denominatie gesticht, genaamd "Gemeinde der Christen Ecclesia". In 1951 telden ze 28 "Ortsgemeinden" (oergemeenten) en in 1958, het jaar dat Zaiss stierf, telde men reeds 300 kerken en 200 evangelisten. Terwijl zijn fabriek uitgroeide tot op een na de produktiefste industrie van zijn soort in Duitsland, breidde de bediening van Zaiss zich uit tot over de Duitse grenzen. Pas nadat hij een visioen had gekregen van een pan met melk die overkookte was hij be­reid om de uitnodiging aan te nemen naar Neder­land te komen. Later hield hij ver­schillende campagnes in Denemarken, Oostenrijk, Frankrijk, Zwitserland, Canada en India. De Nederlandse Pentecostalen waren de eersten die zijn artikelen en campagne-verslagen vertaalden en publiceerden, die verschenen in het Duitse Pinkstertijdschrift "Mehr Licht". Sommige Nederlandse gelovi­gen ging­en naar Duitsland om zelf onderzoek te doen, onder wie Frans A. Stroethoff (1897-1982), voor­zitter van het crisiscen­trum Tot Heil des Volks in Amsterdam en redacteur van het maandblad De Oogst. Zijn eerste bezoek in juni 1951 had zo'n invloed dat Stroefhoff er bij Zaiss op aandrong naar Nederland te komen. Zaiss weigerde, en zei:

citaat

Maar tenslotte slaagde Stroefhoff erin hem over te halen. Er werd een nationaal comité gevormd om deze campagne te organi­seren. Het comité, onder voorzitterschap van F.A. Stroethoff, bestond uit verscheidene gelovigen uit verschillende kerken die Zaiss bezocht hadden in Duitsland. Hun harte­wens was dat deze opwekking ook Nederland zou beïnvloeden:

citaat

In de aankondigingen die ook geadverteerd waren in enkele gezaghebbende kerkelijke tijdschriften moest het duidelijk worden gemaakt dat Zaiss in de oorlog aan de juiste kant had gestaan. Stroet­hoff, voormalig lid van de verzetsbeweging die over zijn gevoelens moest heenstappen toen hij over de Duitse grens ging, schreef:

citaat

H. v.d. Brink voegde er aan toe:

citaat

Deze bewering was ook Zaiss' openingszin op zijn eerste cam­pagne in Nederland, van 29 oktober tot 4 november 1952. Niet­temin hadden sommige critici acht geslagen op zijn "Adolf Hitler-snor" en noemden het feit dat "zijn bevelende, schreeu­wende Duitse stem hen herinnerde aan de slechte tijden". Anderen verlieten tijdens de dienst de zaal met de scheldwoor­den "net Hitler". Na de samenkomst in Amsterdam ontving Zaiss twee tele­grammen, een in het Duits en een in het Neder­lands, waarin men hem vroeg niet zo te schreeuwen "als die andere beroemde Duitser". Zaiss reageer­de met de woorden dat hij op zou houden met schreeuwen wanneer het Nederlandse volk wakker zou worden; niettemin sprak hij vanaf dat moment met minder volume.


Aangezien de reisverslagen van Stroethoffs bezoek aan Duits­land, die verschenen in De Oogst en in een apart boekje met als titel "Een wonderbare reis", veel discussie en nieuwsgie­righeid hadden opgewekt, trokken de samenkomsten met Hermann Zaiss een veel grotere massa dan men had ver­wacht. Een verslag van H. v.d. Brink voorziet ons van details betreffende de eigenlijke campagne en de interkerkelijke organisatie:

citaat

Men schat dat op zijn campagne zo'n 40.000 mensen naar Zaiss kwamen luisteren. Behalve tot de bo­vengenoemde evangelisatie-samenkomsten (het co­mité legde er de nadruk op dit geen gene­zings­diensten waren), sprak hij ook tot twee specifie­ke groe­pen apart. Op zondag 11-2-1952 sprak hij een groep toe van ongeveer 200 theologiestuden­ten, seminaristen van "De Horst" en studenten van de N.C.S.V. van Woudschoten in het Eykman­huis­ in Driebergen. Deze samenkomst stond onder voorzitter­schap van Dr. H. Berkhof van wie Zaiss later zei:

citaat

Na zijn lezing vroeg een jonge man, Wim Verhoef, aan Zaiss om hem de handen op te leggen en te bidden voor de doop in de Heilige Geest. Ondanks het feit dat Zaiss zichzelf geen Pente­costaal noemde, ging hij in op dit verzoek en zijn gebed werd beantwoord. Wim Verhoef werd later een van de leiders van de Nederlandse Charismatische Beweging. Aan het einde van zijn rondreis sprak Zaiss een groep toe van ongeveer 130 voorgan­gers van verschillende kerken op de Hezenberg. Hoewel J. Koole erover klaagde dat er niet veel reforma­torische voorgangers aanwezig waren en er geen gelegenheid was voor discussie, was het merendeel geraakt door Zaiss' eenvoudig getuigenis. Aan het eind zongen ze spontaan "Dat 's Heeren zegen op u daal".


Zaiss plaatste de opmerking dat hij grotere won­deren in Neder­land had gezien dan in Duitsland en schreef dat de engel die de boeken bijhoudt voor de verlosten moest overwerken. De wereldse pers bracht opzienbarende verslagen uit, de kerkelij­ke pers was echter kritischer. Zaiss werd een spiri­tist ge­noemd, een fanaticus, een anabaptist, een sektariër en een massamanipulator. De tegenstand was vooral sterk in Amsterdam. Voordat Zaiss in Nederland aankwam, hadden de Nederlandse predi­kanten reeds een nazorgsamenkomst georganiseerd en ver­zochten zij de politie om de campagne te verbieden, omdat Zaiss onbevoegde medische hulp verleende. De politie kwam niet tussenbeide, maar om schending van de Nederlandse wet te vermijden deed Zaiss niet aan handoplegging in Amsterdam en bad hij samen met een arts. Om ongewenste sensa­tie te vermij­den vond het gebed voor de zieken pas plaats nadat men de gezonde mensen had ver­zocht de zaal te verlaten. De meeste tegenstan­ders bekritiseerden Zaiss wegens zijn al te simplis­tische oproep dat iedere gelovige genezing kon ontvangen, aangezien dit deel uitmaakte van het verlossingswerk van Christus. Terecht verweet men hem een gebrek aan pastorale zorg voor hen die geen genezing ter plaatse ontvingen. Ze spra­ken ook de gerechtvaardigde vrees uit voor een persoonlij­ke culte. Ondanks Zaiss' herhaaldelijke waarschuwingen niet op hem maar slechts op God te vertrouwen, stonden de mensen erop dat hij per­soonlijk voor hen moest bidden, zelfs wanneer ze urenlang moesten wachten. Niettemin beseften sommigen dat Zaiss een beroep deed op de kerk om de genezingsbediening onder de loep te nemen. Ds. J.J. Buskes jr. schreef:

citaat

Ds. W. Glashouwer worstelde met de vragen:

citaat


Zaiss bezocht Nederland weer op twee andere gele­genheden, tweemaal in 1953 (Den Haag, Haarlem en Amsterdam) en eenmaal in 1956 (Haarlem), maar deze samenkomsten hadden niet zo'n grote invloed als zijn eerste campagne. Stroethoff scheidde zich af van Zaiss toen hij ontdekte dat Zaiss de leerstelling van het universalisme aanhing. Er ontstond een ander belang­rijk conflict toen Zaiss het plan steunde om "Ecclesia-gemeen­ten" in Ne­derland te vestigen. Stroethoff bleef trouw aan zijn overtuiging dat deze boodschap de kerken zou moeten wakker schudden en deed een poging een weg te banen om de bediening van de genezing te inte­greren als een sacramentale handeling. In de jaren vijftig werd hij uitgenodigd over heel Nederland en zelfs in België, Oostenrijk en Duitsland genezingsdiensten te leiden en predikte hij regelmatig in Pinkstergemeenten. In zijn tijdschrift De Oogst probeerde hij de vooroorde­len weg te nemen tegen de Pinksterbeweging door verslag te geven van haar wereldwijde ontwikke­ling op een zeer positieve wijze. Tot op zijn dood bleef Stroethoff een belangrijke stimulator voor de Pinksterbeweging en Charismatische bewe­ging binnen zijn eigen kerk.

4. Tommy Lee Osborn

Het hoogtepunt van de verscheidene genezingscam­pagnes in de jaren vijftig kwam door de campagnes van de Amerikaanse evan­gelist Tommy (of Thomas) Lee Osborn in de zomer van 1958 in Den Haag en Groningen. Voor het eerste in de Nederlandse geschiedenis werkten Pentecostalen volledig samen met andere kerken, waaronder de Roomskatholieke kerk, in een gezamenlijke poging om zielen voor Christus te winnen en om de boodschap van godde­lijke genezing te verkondigen. De resultaten waren onvermijdelijk. Zelfs Billy Graham trok niet zulke grote massa's als Osborn. Meer dan 100.000 mensen verzamelden zich voor een enkel religieuze samenkomst, een record dat zijn weerga niet gekend had in de Nederlandse kerkgeschiede­nis in het verleden en in de toekomst.

 


T.L. Osborn werd geboren op 12 december 1923 in Pocassett, Oklahoma. Hij was het zevende kind uit een arm gezin met dertien kinderen en doorliep slechts acht klassen van de lagere dorpsschool. Zijn vader was boer. Toen Tommy vijftien jaar oud was verliet hij het ouderlijk huis om  de evang­elist Ernest Dillard te vergezellen op zijn kruistochten. Twee jaar later gaf hij zijn eerste preek en reisde hij onafhankelijk door Californië­. In 1945 werd hij uitgezonden met zijn gezin om zendeling te worden in India, maar binnen een jaar moesten ze terugkeren wegens aanhoudende slechte gezondheid en teleur­stelling. Hij beloof­de zijn vrouw nooit meer naar het buiten­land te gaan. Hij werd voorganger van de "Full Gospel Church" te McMinnville, Oregeon. In 1947 hield William Branham een campagne bij hem in de buurt in Portland. Osborn zag vele wonderbaarlijke genezingen en raakte ervan overtuigd dat de Heer hem dezelfde bediening wilde geven. Vanaf 1948 werd hij reizend evangelist door de VS en spoedig over de gehele we­reld. Nederland was het dertien­de land dat hij bezocht. Hij specialiseerde zich in massa-samenkomsten, en niet zoals Branham die individueel voor de zieken bad, ontwikkelde hij de methode van genezing-en-masse, i.e. een gebed eenmaal voor de hele massa. De film "Java Har­vest" die ging over Osborns campagne van juli 1954 in Indonesië, de voormalige Nederlandse kolonie, en de vele verslagen in verschillende Nederlandse tijdschriften wekten veel interesse op in Nederland. In 1954 had mevrouw E.C. van Petegem-Feij een droom waarin ze een man en een vrouw zag die ze niet kende. De Heilige Geest zei tegen haar dat Hij deze mensen zou zenden voor een opwekking in de kerken. Later ontdekte ze dat dit echtpaar T.L. Osborn en zijn vrouw Daisy was die een actieve rol speelde in de campagne van haar man. Samen met haar interkerkelijke gebeds­groep schreef mevrouw Van Petegem een brief aan Osborn, gedateerd op 13 mei 1957. Op 25 juni 1957 antwoordde Osborn:

citaat

Aanvankelijk werd de organisatie in Nederland gestart door Piet Quist (1905-1987), geassisteerd door J.E. v.d. Brink. Maar zoals Osborn gewoon was in andere landen, eiste hij een gezamenlijke onderneming met zoveel mogelijk denominaties. In Jakarta zie hij op een inleidende vergadering met 150 voorgan­gers en dominees uit verschillende kerken:

citaat


Men kan betwijfelen of zijn oecumene verdachte motieven had en voornamelijk zijn eigen doelein­den diende ten einde zoveel mogelijk mensen te trekken, maar men moet Osborn accrediteren dat hij oprecht probeerde conflicten te vermijden. IN Den Haag werd uitdrukkelijk gezegd dat men niet moest discussiëren over de waterdoop. Toen een aantal Gereformeerde dominees in Gro­ningen een brochure tegen hem schreef die verspreid werd onder het publiek om hen te waarschuwen, maakte Osborn hen publieke­lijk belachelijk en zei: "Ik ben er zeker van dat ze nog nooit zo hard hebben gewerkt voor de bevordering van een opwekking". Maar tegelijkertijd moedigde hij aan tot een dialoog met deo woorden:

citaat

Osborn is op verschillende gelegenheden terugge­keerd naar Nederland, maar het beloofde gesprek vond nooit plaats. Even­als de meeste Pentecosta­len verachtte Osborn academische studie. In een laatste preek van zijn campagne in Nederland drong hij aan:

citaat

In april 1958 hield Osborns campagneleider Willi­am A. Calwell een voorbereidende bijeenkomst in Rotterdam met zo'n zeventig voorgangers en afge­vaardigden. Alles was erop gericht om Pinkster­voorgangers en reformatorische en evangelische voor­gangers optimaal te doen samenwerken. Op 10 mei werd ere een nationaal comité in het leven geroepen. Er werden gebedssamen­komsten door het hele land gehouden en informatieve avonden geor­ganiseerd. P. Quist vertaalde een paar van Os­borns boeken in het Nederlands, die tegen een lage prijs werden verspreid. De organisatie voor de campagne zelf werd volkomen overgelaten aan de plaatselijke comités. Het campagne-comité voor Den Haag bestond uit:

P.C. van Leeuwen (Ned. Hervormd)            voor­zitter

D.R. Repko (Geref.)                         se­cretaris

H.J. Zweers (Geref.)                        pen­ningmeester

W.W. Verhoef werd benoemd als de woordvoerder voor de kerke­lijke zijde en A. van Polen voor de Pentecostalen. Verhoef en Van Polen waren samen verantwoordelijk voor de nazorg.

Het comité voor de campagne te Groningen werd gekozen bij acclamatie op 30 juni en scheen meer evangelisch te zijn:

L. Kooi (Baptist)                             voorzitter

H.N. van Amerom (Pinksteren)                  secretaris

R.S. Heidema (evangelisch)                    penningmeester


De notulen van deze vergadering in Hotel Frascati in Groningen laten zien dat samenwerking hier veel moeilijker ging dan in Den Haag. Slechts een paar Nederlands Hervormde predikanten waren aan­wezig waarvan er een, ds. G.F.W. Herngreen, boos uit de vergadering liep met de mededeling dat hij deze onbijbelse methode van "genezingen-en-masse" verwierp. Het verschil tussen Groningen en Den Haag treedt ook op de voorgrond in de adressen­lijst van ontmoetingsplaatsen en voorgangers, die gegeven werden aan de bekeerlingen tijdens deze campagne. De lijst die uitgereikt werd te Den Haag telde: 50 Pentecostalen, 22 Nederlands Her­vormden, 1 Gereformeerde, 1 Baptist en 1 Vrije Evangelische. Op de lijst in Groningen stonden echter: 32 Pentecostalen, 3 Nederlands Hervorm­den, 3 Baptisten en 3 Vrije Evangelischen. P.C. van Leeuwen maakte terecht de onder­schei­ding dat Den Haag een veel beter voorbereide grond had wegens de "!weken van genezing" die daar sinds 1951 gehouden werden en de verschillende inter­kerkelijke gebedsgroepen waaraan Pentecostalen ook deelnamen. Waarschijnlijk verklaart dit ook waarom de campagne in Den Haag een veel grotere in­vloed had, zowel kwalitatief als kwantitatief, ondanks het feit dat Groningen het voordeel had van de vrije publiciteit als resul­taat van de talrijke artikelen die voor, gedurende en na de campagne te Den Haag waren geschreven.

Alle Pinkstergroeperingen waaronder "Stromen van Kracht" en "Bethel Tempel" raakten met grote verachting hierbij betrok­ken. Alleen P. van der Woude uitte enige aanvankelijke twij­fels en schreef:

citaat


Een televisie-documentaire van 50 minuten over Osborns campag­ne te| Luik, uitgezonden op maandag 18 augustus, wekte zelfs nog meer interesse op. Dit was de eerste keer dat de overwe­gende conser­vatieve Nederlandse televisie een pinksterachtig gebeuren liet zien. De omroepvereniging moet toegeven dat ze nog nooit eerder zoveel reacties hadden ontvangen. Van vrijdag 22 augustus tot zondag 31 augustus vond de campagne zelf plaats in Den Haag. 's Ochtends sprak W.A. Caldwell in de Willemskerk met een gemiddeld publiek van 2.000. 's Avonds sprak Osborn in de open lucht op het Malieveld, een groot open park aan de rand van het centrum van de stad. Binnen een week groeide het publiek van 10.000 tot meer dan 100.000. Op ver­zoek van Osborn was de organisatie heel eenvoudig. Repko bracht verslag uit:

citaat

Op Osborns verzoek zaten alle voorgangers en dominees achter hem op het podium. Na een korte toespraak van zijn vrouw en een inleiding door Caldwell begon Osborn te prediken. Zijn preken waren eenvoudig, op de man af, suggestief en doorspekt met teksten, afgewisseld met talrijke illustraties en met vermijding van alle negatieve of twijfelende woorden. Zijn gebeden waren krach­tig, aanhoudend, emotioneel en lang; hij beval herhaaldelijk de boze geesten om het zieke lichaam te verlaten (b.v.: "Dove geest, ga nu uit!") Hij drong er bij de mensen op aan hun handen te leggen op het zieke deel van hun lichaam, in het geloof te gaan staan en vasthou­den hun gene­zing te claimen, zelfs als ze dit niet onmiddellijk ervoeren. Zij die genezen waren werden verzocht naar het podium te komen en te getuigen, hetgeen ze pas mochten doen na een kort onder­zoek door Daisy Osborn. De eerste avond bad Osborn alleen voor hen die doof waren in een oor; tenminste zestig personen beweerden genezen te zijn. Reeds tijdens de campagne barstte de dis­cussie over zijn bediening los. Een knipselbureau van een dagblad zei dat ze nauwelijks alle arti­kelen konden bij­houden die verschenen. Tien Gere­formeerde dominees van Den Haag gaven reeds op 26 augustus een verklaring uit waarin ze Os­borns prediking verwierpen als onbijbels. Hun grootste bezwaar was dat hij genezing verbond met het geloof van mensen in plaats van dit afhankelijk te stellen van de wil van God. De campagne te Groningen werd gehouden van 3 tot 7 september op het Bodenterrein, een groot met stenen geplaveid vrachtwa­gen­terrein. De tegenstand was hier veel sterker. Terugblik­kend, zei Herman van Amerom:

citaat


Voordat de campagne zelfs maar begonnen was gaven elf Groning­se dominees van verschillende denomi­naties (3 Nederlands Hervormden, 3 Gereformeer­den, 1 Christelijk Gereformeerde, 2 Lutheranen, 1 Remonstrant, 1 Mennoniet, 1 Vrije Evangelische) een verklaring waarin ze hun leden waarschuwden zich hier niet mee in te laten. Ze brachten na­drukkelijk bezwaar in tegen de methode van genezing-en-masse:

citaat

Enkele zieke gelovigen reageerden bitter dat ze hun dominee in geen maanden gezien hadden die deze verklaring had onderte­kend, en woonden de campagne toch bij. Op de laatste avond van de campagne verspreidden vier Gereformeerde dominees het reeds genoemde pamflet waarin ze er bij de mensen op aandrongen Osborns onderwijs over gene­zing niet te geloven. Ze besloten het pamflet door te beweren dat de kerken het niet eens waren met deze leer. Na de eerste avond riep de inspec­teur van gezondheid Dr. R. Manthing, Van Amerom en Caldwell op het matje in zijn kantoor en zei tegen hen dat de campagne slechts voortgezet kon worden op voorwaarde dat de boodschap van gene­zing op een minder besliste wijze gebracht moest worden, en mensen die beweerden dat ze genezen waren zouden het advies krijgen hun dokter te raadplegen of ze al dan niet hun medi­sche behan­deling konden stopzetten. Gemeenteraadslid Kobus van de communistische partij, de CPN, wierp de vraag op in de gemeenteraadsvergadering van 8 september of "een universi­teits­stad als Groningen zich de onzin kon veroorlo­ven om zo'n Amerikaanse Raspoetin de gelegenheid te geven zijn magische kracht te vertonen". Een humoristischer protest werd aangete­kend door iemand die zijn been in gips op een hek hing met het onderschrift:"Ik ben niet genezen door osborn, maar door de doktoren van het Academisch Ziekenhuis. Hallelujah!

Het staat wel vast dat de Osborn-campagne zowel de samenleving als de kerk in opschudding had gebracht. Een uiteenzetting van de verschillende commentaren, per kerk gerubriceerd, laat de ver­scheidenheid aan meningen zien:

Nederlands Hervormde kerk

J. Swijnenburg (23 augustus 1958)

citaat

F.H. Landsman (6 september 1958)


citaat

H.G. Groenewoud (11 september 1958)

citaat

Gereformeerde kerk

W. Reeskamp (13 september 1958)

citaat

G. Toornvliet (6 september 1958)

citaat

Roomskatholieke kerk

H. van Heijst (25 augustus 1958)

citaat

De Bazuin (27 september 1958)

citaat

Vrije Evangelischen

J. Enter Jr. (15 september 1958)

citaat

Charismatici

W. Glashouwer (september 1958)

citaat

W.W. Verhoef (september 1958)

citaat

Pentecostalen

A. van Polen (1 oktober 1958) 

citaat

K. Hoekendijk (oktober 1958)

citaat

(M.A. Alt) (november 1958)

citaat

W.A. Caldwell (januari 1959)

citaat

De discussie over Osborn duurde maanden. Het Osborn-comité uit Den Haag ging voort met het organiseren van regelmatige samen­komsten in de Willemskerk. Verscheidene kerken belegden dis­cussie-avonden over het onderwerp. Op de Hezen­berg werd een conferentie gehouden van 6-9 janua­ri 1959 over het onderwerp "De kerk na Osborn", waarop 114 dominees van verschillende denomina­ties waaronder Pentecostalen, luisterden naar lezingen van C. Aalders en F. Boerwinkel.Wat betreft deze na-activitei­ten gaf P. van der Woude verslag uit aan Donald Gee:

citaat


Over de vragen die de campagne opriep, werden twee boeken geschreven. De eerste, geschreven door H.J. Zweers (1893-1981), een notaris uit Den Haag en actief lid van de Gerefor­meerde kerk, was een omvang­rijke bijbelse verdediging van Osborns leer en bediening. Overeenkomstig zijn argumenten wijdde hij een hoofdstuk aan de relatie tussen de kerken en de pinkstergroeperingen waarin hij schreef:

citaat

Hij stelde voor om de volgende zondagochtend­dienst te verande­ren in een gebedssamenkomst die geleid zou worden door de plaatselijke kerkeraad. De eerste druk van zijn boek van 230 pagina's met als titel Osborn en de Bijbel, was binnen een maand uitverkocht. Binnen twee jaar verscheen er van Zweers nog een boek waarin hij probeerde de kloof te overbruggen tussen de kerken en de pink­sterbeweging. Het tweede boek over Osborn door Dr. F.A. Nolle met als titel "Gebedsgenezing en masse" was veel kritischer. Dr. F.A. Nolle (1905-1970) stu­deerde theolo­gie in Leiden en medicijnen in Groningen. In 1952 behaalde hij een doctorsti­tel op het medisch proefschrift Predikant en arts. Nolle voerde aan dat er geen genezingen bewezen waren omdat men doktoren verbood op het podium te komen en er geen medische controle werd toegestaan op degenen die beweerden genezen te zijn. Hij beschuldigde Osborn van "schandelijke pastorale fraude".Dr. S.T. Heidema, neuroloog in Rotterdam die sympathie toonde voor Osborns be­diening, beweer­de wel dat hij patiënten had on­derzocht die tijdens de campag­ne genezing hadden ontvangen.


Veel Pentecostalen probeerden voordeel te trekken uit de gewek­te belangstelling. Piet Quist begon een "T.L. Osborn Boek- en Filmwinkel". Er werden verschillende boeken van Osborn ver­taald en ver­kocht bij duizenden. De film "Holland Wonder", een Osborn-produktie, werd jarenlang vertoond. Johan Maasbach die tot grote ergernis van het organisatiecomité uitgekozen werd door Osborn tijdens een voorbereidingsavond om zijn vertaler te worden op de campagne te Den Haag, presen­teer­de zichzelf als de Nederlandse Osborn en trok grote menig­ten over heel Nederland. Maasbach nam de methode en de stijl van de Amerikaanse gene­zingsevangelisten over en slaagde erin een indru­kwekkend evangelisch imperium te bouwen. Sommige pinkstergemeenten kondigden aan dat de boodschap van Osborn zijn navolging zou vinden in hun sa­menkomsten. Ongetwijfeld is de groei van de pink­sterbeweging tussen de enquêtes van 1947 (584) en 1960 (7,590) voor het grootste deel te verklaren uit het feit dat veel gelovigen die tijdens de campagne gezegend waren afgestoten werden door de kritiek van hun eigen kerk en zich aansloten bij een pinkstergemeente.

5. Evaluatie


Op welke wijze was nu de herontdekking van de bediening van genezing van oecumenische relevan­tie, zowel positief als negatief gezien? De be­langrijkheid van een juiste achtergrond wordt gezien in de tegenstelling tussen de verwerping van Lam Jeeveratham en de acceptatie van Elaine Richards. Klaarblijke­lijk was er een algemene openheid voor deze bediening, maar hij moest op creatieve wijze ingebed worden in de heersende kerkelijke culturen en liturgie. De emotionele en lichamelijke manifestaties die plaatsvonden tij­dens Jeeverathams campagne weerden de Nederlandse Calvinistische gelovigen af, terwijl de rustige en niet-sensationele benadering van Richards algemene acceptatie genoot. Uit de laatste ont­stonden verschillende gebedsgroepen waar de dienst der genezing de nodige persoon­lijke aan­dacht kreeg. De interkerkelijke organisatie van de campagnes van Zaiss en Osborn bracht een bui­tengewone respons teweeg. Pentecostalen bewezen waardevolle partners te zijn zolang iedereen op hetzelfde doel gericht was. De schrijver heeft geen persoonlijke spanningen tussen de verschil­lende leden van de organisatiecomités kunnen ontdekken. Integendeel, sommigen (F.A. Stroef­hoff, H.J. Zweers, P.C. van Leeuwen) werden sti­mulators van de pinksterboodschap binnen hun eigen kerk. Een vereende poging van alle pink­stergroeperingen in 1964 in een aanzet om de Oral Roberts campagne tot nog een groter succes te maken dan die van Osborn, miste de interker­kelij­ke dimensie en bleek van weinig belang te zijn. Tenslotte kan men de volgende kritische noten plaatsen, voornamelijk met betrekking tot de bijdrage van de Pentecostalen tijdens deze episo­de.

1. De genezingsbediening was te veel gericht op succes. De algemene neiging van de Pentecostalen om te denken en te spreken in absoluten, kwam hier naar voren toen zij de krach­tige stimulans tot genezing zoals die gepresenteerd werd door de evangelisten, niet in evenwicht brachten. Velen stelden de vraag of deze te sterke nadruk op goddelijke genezing hen die niet genezen werden gefrustreerd en teleurgesteld achter liet. De Pentecostalen echter gaven nauwelijks antwoord op deze gerechtvaardigde kritiek. Zij wezen voorna­melijk op de indruk­wekkende resultaten van de campagne die naar hun mening bewe­zen dat alles wat gezegd en gedaan was van God moest zijn. Pagina's vol werden besteed aan getuigenissen van hen die beweerden genezen te zijn, maar kritiek werd gewoonlijk een­voudigweg beschouwd als demo­nische tegenstand. Er werd nauwe­lijks aandacht geschonken aan de teleurgestelde duizenden die geen genezing ontvingen. De verantwoordelijkheid van een solide pastoraal team werd schromelijk onderschat. Het feit dat men enkel en alleen gefixeerd was op onmiddellijke en zichtbare gene­zing deed schade aan de belangrijke troostende en genezende functie die het gebed zelf heeft.


2. Het gevaar van persoonsaanbidding werd onvol­doende verme­den. Ondanks de herhaalde waarschu­wingen van Zaiss en Osborn dat alleen God kan genezen en dat zij slechts de boodschap doorga­ven, klampten de mensen zich letterlijk aan hen vast. Waarom stond het organisatiecomité toe dat de mensen urenlang wachtten zodat Zaiss persoon­lijk voor hen kon bidden? Was de gave van gene­zing slechts beperkt tot een man? De publikaties  over de campagnes waren ook meer op de evangelist gericht dan op zijn boodschap. De Nederlandse pinkstertijdschriften waren voornamelijk gevuld met Osborns levensgeschiedenis in plaats van met een bijbelse uiteenzetting over genezing. Pas toen de financiële noden en het machtsstreven van Zaiss en Osborn in conflict kwamen met hun eigen wens tot kerkelijke groei en macht, werd deze persoonsaanbidding verbroken. Hetzelfde gebeurde ook in interkerkelijk verband en maakte een einde aan de wereldwijde steun die de Pentecostalen in de jaren vijftig hadden gegeven aan de geloofsge­nezers. De gave van genezing wordt genoemd in 1 co. 12 als een van de charismata waardoor de gelovigen elkaar moeten dienen. Dit hoofdstuk vooronder­stelt een volledige deelname van ieder lid in het lichaam van Christus. Om deze reden lijkt de methode zoals die geïntrodu­ceerd is door Elaine Richards, waar alle gelovigen van ver­­schillende lagen aangemoedigd worden deel te nemen in de genezingsbediening bijbelser dan genezing-en-masse die gecen­treerd is rond één persoon.

2. De verbinding tussen genezing door goddelijke tussenkomst en de medische wetenschap werd niet voldoende erkend. Hoewel de Pentecostalen geen bezwaar hadden tegen de medische weten­schap of tegen medicijnen, werd dit nog steeds beschouwd als tweederangs. Samenwerking met of verwijzing naar een arts werd slechts gedaan als dit opge­legd werd. Aan de andere kant hadden de kerken hun specifieke taak in de bediening van genezing verwaarloosd en steunden zij geheel en al op de resultaten van de medische wetenschap. Moderne medische hulp weegt nooit op tegen de koesterende liefde en zorg die uitgaat van het gebed. Deze twee verschillende manieren van het ver­sterken van het proces van herstel zouden elkaar moeten aan­vullen in plaats van met elkaar te wedijveren en zodoende hun wederzijdse beperkingen te res­pecteren. Christenen zouden niet zo hoogmoedig moeten zijn om de medische wetenschap te ver­waar­lozen of te verachten. Aan de andere kant hebben doktoren niet het exclusieve recht om te bepalen wat het beste is voor iemands gezondheid. Vooral als hun oordeel beneveld is door tegenstrijdige economische belangen.


4. Genezing werd teveel beperkt tot het lichame­lijke vlak. Hier trad een sterke neiging tot subjectiviteit op de voor­grond, nog steeds een groot gevaar waar het Pentecostalisme mee klaar moet komen, door de verkondigde genezing slechts te beperken tot het menselijk lichaam. De licha­melijke genezingen in het Nieuwe Testament worden gepresenteerd als tekenen van het koninkrijk van God dat nabij was (Matth. 10,7-8). Als de Pente­costalen gaan beseffen dat de genezing die zij zich toeëi­genen op bijbelse gronden eveneens een herstel inhoudt van bijvoorbeeld bedorven poli­tieke en sociale structuren, dan kan hun oecume­nische en sociologische bijdrage van groot belang worden, in het bijzonder als dit met dezelfde overtui­ging en ijver nagevolgd wordt zoals dit het geval is met betrekking tot lichamelijke genezing. Deze bijdrage moet echter niet verwacht worden binnen het theologisch raamwerk van het wes­ters academisch gebied, maar eerder bij het volk zelf in een pragmatische ontmoeting van gelovigen die hun best doen hun God te dienen in een veranderende wereld. Met dit doel hebben de gebedsgroepen die begonnen zijn door Elaine Richards bewe­zen een goede start te zijn. Zij concentreerden zich op twee onderwerpen die on­ontwarbaar met elkaar verbonden zijn: gene­zing en de eenheid van de kerk.

C. Nederlands Hervormde betrokkenheid en overd­enking

De confrontatie met de bediening van genezing resulteerde in twee officiële publikaties binnen de Nederlands Hervormde kerk. De eerst werd uit­gegeven door de provinciale kerkeraad van Gro­ningen en ging over het vraagstuk tot op welke hoogte samenwerking met de pinkstergemeenten mogelijk en wenselijk was. De tweede was een veel omvangrijker studie van de "Neder­lands Hervormde Kerkeraad en Zorg voor de zieken", die een uit­eenzetting gaf over de titel: "Vragen over gene­zing door gebed". Dit verslag werd geaccepteerd door de Algemene Synode in 1959. Beide stimuleer­den de dialoog die culmineerde in de pastorale brief "De kerk en de Pinkstergroeperingen" van 1960 (Hfdst. IV C). We zullen eerst ingaan op de Groningse brief. aangezien deze twee jaar voor het synodale verslag "Vragen over genezing door gebed" was verschenen, hoewel de studie van de laatste reeds in 1951 was begonnen.

1. Verslag van de Provinciale Kerkeraad van Gro­ningen.


Op 16 september 1957 besloot de Provinciale Ker­keraad van Groningen een pastorale brief te zen­den aan alle kerkeraden van haar ressort, betref­fende de pinksterbeweging. Het doel van deze brief was: "om beschouwingen en richtlijnen te geven betreffende de zogenaamde pinksterbeweging en de mogelijkheid van samenwerking met deze beweging". De verspreiding van deze brief werd veroorzaakt door een paar merkwaardige gebeurtenis­sen die sinds 1956 in het gehucht Niekerk hadden plaatsgevon­den. Het gebeurde alle­maal met de wonderbaarlijke genezing van Harm Reitsema, een handelaar in bont die later getuig­de:

citaat


De campagne waar hij naar verwees werd gehouden in het gebouw op het speelplein Driemolendrift met een maximum capaciteit aan vijftig zitplaat­sen. Gedurende drie opeenvolgende avonden bad de Zwitserse Amerikaan Richard Ruff voor Teirsema die binnengebracht was op een stretcher en verge­zeld werd door een groep van vijftien mensen uit zijn dorp. Er gebeurde niets, maar Reitsema klampte zich vast aan deze allerlaatste stro­­halm.Hij bezocht eveneens de volgende gebedssa­menkomst van deze pioniersgemeente die slechts zeven leden had. De jonge voorganger Herman Nico­lai van Amerom (geboren 1933) bad luid voor hem in tongen, hetgeen heel ongewoon was in die da­gen. De volgende dag voelde hij zich veel beter; na maanden van vloei­baar voedsel at hij rogge­brood met bacon en rookte hij weer een sigaar. Zelfs de dokter moest toegeven: "Geen enkele arts of professor kon Reitsema genezen Er is een groot wonder gebeurd". Hij leefde nog vijftien jaar en stierf aan een hartaanval. In een klein dorp als Niekerk met slechts 300 inwoners verspreidde dit nieuws zich als een lopend vuurtje. Toen Reitsema Van Amerom uitnodigde om samenkomsten in zijn huis te houden bleek de woonkamer veel te klein te zijn. Zelfs de openbare school kon de menigte niet bevatten. Uiteindelijk besloot men het grootste gebouw in het dorp te gebruiken...de Nederlands Hervormde kerk. De dominee G.J.J. Liefting die gewend was aan een gemiddeld publiek van 15 personen op zon­dagmorgen kon zijn ogen niet geloven toen zijn kerk volgepakt was met meer dan 400 mensen op vrijdagavond. De burge­meester van Oldekerk, de gemeente waaronder Nie­kerk viel, bespeelde het orgel. De samenkomsten die aangekondigd werden in de krant als "Evang­elische en Genezingsdiensten" duurden maanden­lang. Vanaf het begin tot het eind werden ze geleid door Van Amerom, maar het gebed voor de zieken met handoplegging deed hij altijd samen met de aanwezige dominees nadat hij hen had uit­gelegd wat ze moesten doen. Ds. G.J.J. Liefting lichtte toe:

citaat

Toen de Gereformeerde dominee en radio-evangelist G. Toorn­vliet over deze opwekking las verheugde hij zich . maar vroeg zich af hoe de kerk zou reageren:

citaat

Over heel Westerkwartier zoals dit del van de provincie ge­noemd wordt, werd Van Amerom uitgeno­digd om evangelisatiesa­menkomsten te houden, gewoonlijk op door de weekse avonden. Soms kwamen ze bijeen in particuliere huizen, soms in openba­re gebouwen, maar zo nu en dan ook in kerkgebou­wen. In februari 1957 had hij reeds contact met 25 dorpen en steden en predikte hij twee of drie keer per dag. Ds. J.G.U. van Hoogstraten, Neder­lands Hervormd dominee te Stadskanaal, zei:

citaat


Te Grootegast sprak Van Amerom in de Gereformeer­de kerk tot een publiek van meer dan 1.000 men­sen. De dominee verzocht hem echter dringend de volwassendoop niet te noemen en men stond hem slecht toe met de zieken te bidden in de consis­toriekamer. G.J.J. Liefting bood zelfs aan om Van Amerom tot evangelist aan te stellen van de Ne­derlands Hervormde kerk als hij dan naar zou zwijgen over de volwassendoop. Van Amerom nam het aanbod niet aan. In zijn gemeente doopte hij velen die gedu­rende zijn campagnes tot bekering waren gekomen, hoewel hij nooit over de doop sprak in zijn preken. Hij eiste altijd dat de doopkandidaten de zaak eerst met hun plaatselijke dominees zouden bespreken en raadde hen aan te blijven in hun kerk en een getuige te zijn in hun geboorteplaats. Niettemin werd de praktijk van de doop een onoplosbaar probleem dat verdeeldheid veroorzaakte. De Gereformeerde dominee van Olde­kerk H. de Zwart die aanvankelijk zijn bediening ondersteunde, keerde zich helemaal tegen Van Amerom. Vanaf sommige kansels werd nu gewaar­schuwd om deze samenkomsten niet meer te bezoe­ken. Zeer tot zijn spijt moest Liefting breken met Van Amerom omdat hij vreesde dat hij zijn salaris zou verliezen als ze voortgingen samen te werken.

De Provinciale Kerkeraad van de Nederlands Her­vormde kerk moest een standpunt innemen en binnen een paar maanden ver­scheen er een rondschrijf­brief van drie pagina's en deze werd gezonden naar al hun kerken. De brief erkende dat de Pinkster­beweging onderscheiden moest worden van ander sekten, omdat zij vriendelijker was en bereid was om samen te werken en haar geloofsbe­lijdenis was acceptabel. Om deze reden werd een dialoog niet verworpen:

Wanneer plaatselijke omstandigheden resulteren in een contact met de Pinksterbeweging, is er reden de discussie voort te zetten met deze beweging op dezelfde manier als dit gedaan en getracht wordt bij verscheidene denominaties. In deze dialoog kwam zelfs de wens naar voren een pinksterbewe­ging te creëren binnen de kerk:

citaat

Maar toen het aankwam op de praktische kant van samenwerking was de brief veel voorzichtiger. Ze vermoedden dat de Pink­sterbeweging alle zou kun­nen oogsten wat was gezaaid:

citaat


In werkelijkheid was dit niet het geval. Het wekelijks publiek van de Nederlands Hervormde kerk te Niekerk groeide bijvoor­beeld van 15 tot 200, ondanks het feit dat sommigen zich voegden bij de Pinkstergemeente. Harm Reitsma bleef lid van de Nederlands Hervormde kerk en onderging niet de volwassendoop, hoewel hij regelmatig de Gemeente Gods in Groningen bezocht. Uiteindelijk ging de brief over de heel praktische vraag wat er gedaan moest worden met hen die gedoopt waren door onder­dompeling en voortgingen de Nederlands Hervormde kerk te bezoeken. De kerkeraden kregen het advies:

citaat

Deze mensen moesten echter uitgesloten worden van het Heilig Avondmaal, "want deze twee sacramenten konden niet gescheiden worden".

Volgens Van Amerom werd de opwekking teniet ge­daan wegens het verzet van de kerken en het ge­brek  aan mankracht en pastorale zorg. Hij moest alles op eigen houtje doen, terwijl hij uit­einde­lijk zelfs geen auto bezat om rond te reizen. De pastora­le brief van de Provinciale Kerkeraad voorziet ineen voorbeeld van de kerkelijke huichelachtigheid van die jaren. Terwijl de oecu­mene werd nagestreefd op nationaal niveau, bleef het beleid op laatstelijk en provinciaal niveau beperkt tot zelf­behoud en conservatisme. De sa­menstellers van de brief moedig­den aan tot een dialoog, maar ze hadden zelf niet het fatsoen Van Amerom te ondervragen ter wille van deze studie. ER werd geen melding gedaan van de "bediening van de genezing", en ook verscheen de naam van Van Amerom niet waardoor de juiste oorzaak van deze brief verduisterd werd. Het beeld dat ge­schilderd werd was een karikatuur van de werkelijkheid. Door dit te doen werd er aan het duidelijke  doel het probleem zo spoedig mogelijk onder het tapijt te schuiven op korte termijn tegemoet gekomen, maar op lange termijn bleek dit een vuil baantje te zijn.

2. Synodaal verslag "Vragen over genezing door gebed"



ER werd een veel positievere benadering gedaan in het verslag "Vragen over genezing door gebed". Hoewel het slechts de Pinksterbeweging zijdelings benaderde, propageerde het een integratie van de bediening van de genezing binnen de grenzen van de Nederlands Hervormde kerk. De diensten met E.B. Ri­chards en de artikelen van F.A. Stroefhoff over zijn bezoek aan Hermann Zaiss had vragen opgeworpen over het officiële standpunt van de Nederlandse Hervormde kerk ten opzicht van gene­zing door gebed. De ouderling Kloos bracht de zaak ter discussie onder ieder ander zaak op de Algemene Synode op 14 november 1951. Hij vreesde bedrog en winstbejag. De Synodale Raad antwoordde dat zij de "Raad voor Kerk en Zorg voor de Zie­ken" had gevraagd deze zaak te bestuderen en advies te geven. Deze Raad werd in 1940 gesticht met een drievoudig doel van pastorale hulp, dia­conale ondersteuning en training. De Raad bestond uit voorgangers, doktoren en verpleegsters. In augustus 1945 werd Pieter Cornelis van Leeuwen benoemd tot de full-time secretaris, hetgeen hij bleef tot zijn pensioen in mei 1975. Van Leeuwen werd geboren op 13 januari 1910 te Cothen waar zijn vader stond  als dominee. Hij was tijdens zijn jeugd vaak ziek, hetgeen hem confronteerde met het vraag­stuk van ziekte en lijden. Hij was erg beïnvloed door de boeken van J>C. Blumhardt en Agnes Sanford. Samen met ds. W. Plug woonde hij een conferentie bij te High Leigh in 1951 waar Agnes Sanford en Elaine Richards een lezing hielden. Zijn positieve betrokkenheid in de be­diening van de genezing maakte hem alom bekend en gerespecteerd onder de Pentecostalen, die hem unaniem verzochten de voorzitter te worden van het Osborn-comité te Den Haag. De voorzitter van de Raad was Dr. Johan van der Spek, theoloog en een prominent arts. De studie maakte langzaam vorderingen. De meeste raadsleden waren reeds overbe­last en bovendien scheen er onder hen een ernstig meningsver­schil te zijn over dit onder­werp. Gedurende de eerst maanden werden er inter­views afgenomen met enkele leidinggevende perso­nen, waaronder E.B. Richards, de heer en mevrouw Stroef­hoff en mevrouw Van der Meer. In het voor­jaar van 1952 werd er een "zeer tijdelijk ver­slag" gezonden aan het synodaal bestuur waarvan het belangrijkste gedeelte werd gepubliceerd in Woord en Dienst. Daarna legden de zeven theologen in de Raad zich ieder toe op een verschillend aspect van de bijbelse bediening van de genezing. Hun conclusies werden gedeeld op een confe­rentie van ziekenhuispredikanten in september 1952 te Drieber­gen. De doktoren in de raad bespraken het verslag met enige van hun geïnteresseerde colle­ga's, hetgeen zelfs resulteerde in een gebeds­groep van tien doktoren. Samen met hun inbreng werd er een ontwerp gemaakt dat met commentaar werd voorzien van ieder raadslid.  Ds. A. Hijmans (een gepensioneerd zieken­huispredikant) gaf het laatste ontwerp uit. Tenslotte kon het lijvig rapport van 221 pagina's gepresenteerd worden.

Het werd besproken op de Algemene Synode van 9 februari 1959, juist nadat de vergadering een verslag had beëindigd over de dooppraktijk binnen de Nederlands Hervormde kerk. Het verslag met als titel "Vragen rondom gebedsgenezing" werd aang­eboden en uitgebreid door Dr. J. v.d. Spek, Ds. P.C. van Leeuwen, ds. H. Hijmans en Dr. J.C.J. Burkens (psychiater). In zijn inlei­ding aan de Synode, noemde Van Leeuwen drie historische lij­nen: 1. De Hervormde lijn van J.C. Blumhardt en Andrew Murray, die de hofpredikant Dr. J.H. Ger­retsen en W. Plug inspireer­den. 2.

De Anglicaanse lijn van James Moore Hicks en mevrouw E.B. Richards. 3. De Pinksterlijn van H. Zaiss en T.L. Osborn. Dr. Burkens zette uiteen dat de Raad geen medische controle van de gene­zingen adviseerde zoals de Roomskatholieke kerk dit gewend was te doen, omdat dit een valse scheiding vooronderstelde van het natuurlijke en het bovennatuurlijke. Hij voegde er aan toe: "Men kan genezing niet onderzoeken als een zaak van het geloof". Het rapport werd alom gewaardeerd en velen roemden het. Na een langdurige discussie van vijf uur besloot men het te publiceren nadat er enige minieme verande­ringen in aan werden gebracht en er gewerkt werd aan een minder acade­mische versie voor kerkleden. C.M. Luteijn was van mening dat dit een van de prachtigste versla­gen was dat ooit aangeboden was aan de Synode; het speet hem slechts dat de voorbereiding zo lang had geduurd: "want een hel troep onrijpe en dwaze uitspraken hadden kunnen worden voorkomen en misschien had het optreden van Osborn terugge­bracht kunnen worden tot een bescheidener propor­ties.


Het verslag begon met het voorstel dat de recente belangstel­ling in genezing door gebed een tege­nactie was voor de histo­rische ontwikkeling sinds de Reformatie toen de kerk zich in toenemende mate concentreerde op het welzijn van de ziel, terwijl de medische wetenschap al haar kundighe­den wijdde aan het menselijk lichaam. De schrij­vers merkten echter een nieuw bewustzijn op, en wel dat deze twee componenten van de mens niet gescheiden konden worden en er was een tijdelijke toepas­sing nodig van hetgeen voorheen de gecombi­neerde functie an een dokter en een priester was geweest in een persoon (p.11-18). Het verslag nam de passieve acceptatie onder de loep, maar men de medische wetenschap kwamen het overeen dat ziekte abnormaal was en bestreden moest worden (p.93-100). Hierdoor gaven zij een nieuwe interpretatie aan Vraag 27 van de Heidel­bergse catechismus, waarin vermeld werd: "...gezond­heid en ziekte, rijkdom en armoede en alle dingen komen niet toeval­lig, maar door de voorzienigheid

van God". Toen het comité van het rapport dit trachtte te herzien gedurende de synodale discus­sie, antwoordde A. Heij­mans: "als we de gedachte van ziekte moet bestreden worden moesten schrap­pen, dan zouden de tanden uit dit rapport worden getrokken. Het verslag brak ook met de Hervormde traditie dat de wonderen van genezing in het vroege christendom slechts nodig waren in het eerste stadium van haar ontwikkeling (p.­119-131). Het verslag besloot met een praktische overdenk­ing over de genezingsbediening in de kerk. Dit gedeelte dat ook inging op de genezingspraktijk van het Pentecostalisme getuig­de van een gefor­ceerd compromis tussen de verschillende menin­gen van de raadsleden. Terwijl er enige aarzeling was om een afzonder­lijke "genezingsbediening" te erkennen naast de "bedi­ening van het Woord" en de "bediening van de sacramenten", werd de waarde van genezingsdiensten als een onderdeel van de verkon­diging van het Evangelie gerespecteerd.

Wat betreft de "week van genezing" te Den Haag merkte het verslag op:

citaat


De handoplegging werd slechts aanbevolen in bij­zondere situa­ties van grote nood en diende enkel en alleen om de beloften van God te onderstrepen (p.206). Wat betreft de zalving met olie, ver­meldde het verslag dat deze haar originele medisch-therapeutische functie had verloren en om deze reden zou "herinstelling van deze praktijk van zalving in de kerk onher­roepelijk de deur openen voor magie en bijgeloof...". Uitein­delijk werden massa-campagnes zoals die van Zaiss en Osborn verworpen omdat "de massa die eenmaal in beweging wordt gezet zich helemaal laat gaan, en dit kan zelfs niet meer binnen de perken worden gehouden door de leiders die de beweging zijn begonnen". (p. 213. De kritische opmerkingen over Osborn werden herhaalde malen in de verschillende perscommentaren geciteerd. W.W. Verhoef had ech­ter gelijk met de bewering dat de waarde van het verslag niet begrepen was toen het slechts ge­bruikt werd als een "pesticide". M. Groenenberg noemde het rapport "een verstandig en weloverwo­gen stuk werk over een onderwerp dat de mensen emotioneel beroert". P.A. Elderenbosch gaf com­mentaar:

citaat

A. Hijmans verwerkte een meer populaire versie van het rap­port, die gepubliceerd werd in 1962 met als titel Geloofsgene­zing. Dit boekje had een appendix van 15 pagina's waarin het onderwerp "gaven van genezing" werd besproken. Klaarblijke­lijk had de publikatie van de pastorale brief "De Kerk en de Pink­stergroepen"(Hoofdstuk IV C) meer ruimte gecreëerd om dit gevoelige onderwerp te bespreken> Hijmans beschouwde de bewe­ring dat de geestelijke gaven slechts voorkwamen in het Nieu­we Testament naïef en onmogelijk te rechtvaardi­gen (p.78). Hij erkende wel dat de Kerk leed aan "een armoede van de Heilige Geest"(p.77) en dat de geestelijke gaven nauwelijks functio­neerden (p.84) Aan de andere kant moesten de excessen van de Pinkstergroepen die deze gaven trachtten op te dringen verme­den worden (p.86). Hijmans gaf geen antwoord op de cruciale vraag van hoe deze gaven geïntegreerd zouden moeten worden in het leven van de Kerk, maar hij was eerlijk genoeg om zijn verlegenheid toe te geven:

citaat


P.A. Elderenbosch dat een studie over het leven van de heili­gen zou kunnen leiden tot nieuwe inzichten over deze zaak. H. Schut, terugblikkend op dit hoofdstuk, was van mening dat Hijmans zich niet ten volle bewust was van  "de lieflijke realiteit van de doop in de Heilige Geest en dientengevolge de vervulling van de Geest in de Kerk en de gelovige".

Zowel het Synodale rapport (p.43 & 186 ff) als Hijmans (p. 49-59 & p.85) benadrukten dat het probleem (?) van de genezing door gebed een zorg is voor de kerk als geheel. Zij worstelden om een weg te banen waardoor de bediening van genezing kon worden geïntegreerd in hun denominatie. OP dit gebied in het bijzonder kan een dialoog met de Pentecostalen zeer heilzaam zijn. De Pentecos­talen hebben misschien een gebrek aan tact en hun theologie is zeker niet grondig doordacht, maar zij zijn zeer bedreven in de pragmatische toepas­sing van deze bijbelse bediening. De handopleg­ging en de ziekenzalving door de oud­sten is een sacrament dat bijna door alle (Nederlandse)  Pinkstergemeenten wordt toegepast. De vrees dat dit kan leiden tot magie of bijgeloof is niet gerechtvaardigd door hun dage­lijkse praktijk. De schrijver kent niet een Pentecostaal die enige magische of goddelijke waarde hecht aan de handen of de olie op zich. Deze handelingen worden slechts uitge­voerd omdat ze voorgeschreven worden in Het Nieuwe Testament en in dat geval denkt een Pentecostaal er niet over om deze dingen aan te passen. Men verwacht genezing omdat dit over het algemeen beschouwd wordt als een deel van het verzoe­ningswerk van Christus. Ondanks het gevaar dat men te hoge verwachtingen koestert en dat uitwassen kunnen voorkomen, heeft de Kerk het voorrecht en opdracht om de genezingsbedie­ning toe te passen in een verziekte wereld. Elektrici­teit kan erg gevaarlijk zijn, maar mits juist toegepast is zij tot groot nut. Als de traditio­nele kerken helpen om een handlei­ding te schrij­ven over hoe de genezingsbediening zou moeten functioneren, zullen de Pentecostalen de spanning leveren. Is elektriciteit niet gebaseerd op de krachtstromen tussen twee ongelijke polen?

D. STROMEN VAN KRACHT VLOEIT VOORT UIT DE KERKEN


De bezoeken van mevrouw Elaine Richards en Her­mann Zaiss wekte interesse op in lichamelijke genezing door het geloof, gebed en de oplegging van handen, in het bijzonder onder de Protes­tant­se denominaties. Kort na deze gebeurtenissen kwam er een ander merkwaardige beweging tot stand, die bekend werd door de naam van haar periodiek "Stromen van Kracht". Gedurende haar eerste drie jaren vertoonde "Stromen van Kracht" een verras­sende oecumenische houding, maar naar mate de leider Karel Hoekendijk meer op de voorgrond trad vervaagde dit langzamer­hand. Omdat de Nederlandse Charismatische beweging gedeelte­lijk haar wortels heeft in deze beweging, is haar geschiedenis van bijzonder belang.

In 1952 gaf een onafhankelijke Canadese evang­elist, B.G. Leonard, decaan van het Christian Training Centre (C.T.C.) in Calgary (Canada), twee cursussen die elk twee weken duurden en waarin hij een nieuwe leerstelling presenteerde over het gebruik van de geestelijke gaven. Hij werd uitgenodigd door mevrouw B. Njiokiktjien, die een deel van zijn onderwijs had gelezen. De cursussen werden gegeven in de grote woonkamer van de familie Njiokiktjien op de Laan van Beek en Rooijen 12 te Zeist. Dit gezin had ook gast­vrijheid verleend aan Lam Jeeve­ratham tij­dens zijn Nederlandse campagne in 1950 toen mevrouw Njiokik­tjien gediend had als zijn vertaler. De eerste twee cursussen in april\mei 1952 werden bijgewoond door een totaal van onge­veer 30 stu­denten onder wie voorganger P.Quist, voor­ganger E.A> Graf, mevrouw E. Hoekendijk-la Rivière en mevrouw E. van Riemsdijk. Het nieuwe element in het onderwijs van Leonard kan samengevat worden in de gedachte van "het vrijma­ken van alle gees­telijke gaven die latent aanwezig zijn in iedere gelovi­ge". Leonard benadrukte dat de doop in de Heilige Geest door het geloof ontvangen moest worden hetgeen iedere gelovige zou bedouwen met alle negen geestelijke gaven die genoemd worden in 1 Cor. 12. Vanaf het moment van ontvangst heeft men de verantwoordelijkheid ze te gebrui­ken. Karel Hoekendijk schreef later aan Boerwink­el dat deze leerstelling het belangrijkste ver­schil was tussen "Stromen van Kracht" en de tra­ditionele Pinksterbeweging:

 


citaat

Hoewel de meeste Nederlandse Pinksterleiders Leonards onder­wijs afwezen als gevaarlijke kette­rij, op een bepaalde manier doorbrak het dode punt waarin ze zelf terecht gekomen waren. W.W. Verhoef analyseerde op juiste wijze deze cruciale veran­dering toen hij opmerkte:

citaat


Voordat Leonard Nederland verliet benoemde hij vijf landelijke leiders, onder wie de heer A. Njiokiktjien en E. Graf; P. Quist werd benoemd tot Nationaal Directeur. De andere drieëntwintig studenten werden ingezegend tot C.I.C.-werkers nadat zij de cursus hadden afgemaakt. De ceremo­nie werd uitgevoerd door handoplegging van de decaan zoals Leonard werd genoemd, en waarbij hij gewoonlijk profeteerde betreffende de aard van ieder individuele roeping. Een van de ingezegende leraren, mevrouw Elma van Riemsdijk, leidde ver­schillende cursussen bij haar aan huis in Leusden en in Amersfoort. Vanwege haar con­tacten met Youth for Christ trok ze verschillende theologie­studenten uit Utrecht. Een van hen was Wim W. Ver­hoef, die onlangs de doop in de Heilige Geest had ontvangen. Een ander student van mevrouw Van Riemsdijk was Albert H. v.d Heuvel, die later leider werd van de Jeugdafdeling van de Neder­landse "Oecumenische Raad van Kerken" (1957-1959) en de "Wereldraad van Kerken" (1959-1972). Van 1972 tot 1975 diende Van den Heuvel als Algemeen Secretaris van de Nederlands Hervormde Kerk, waarna hij directeur werd van de socialisti­sche radio-omroepvereniging, de V.A.R.A. Op verschil­lende gelegenheden gaf Van der Heuvel te kennen dat hij de pinkster­uitdaging een zaak van grote zorg achtte voor de kerk. Een derde belangrijke student was Karel Hoekendijk. Zijn vrouw, Elisa­beth la Ri­vière, had jarenlang in nauw contact gestaan met Elma van Riemsdijk. In 1951 werden ze beiden gedoopt door onderdompe­ling door A. Nauta, voorganger van een Pinksterge­meente in Hilversum. Elisabeth Hoekendijk had Leonards eerste cursus bijgewoond, Elma van Riemsdijk was aanwezig op de tweede. Ondanks de vijf mannelijke leiders, bewe­zen deze twee vrouwen de succesvolste leraren te zijn. Van Riemsdijk gaf twaalf cursussen en Eli­sabeth Hoekendijk veel meer. Leonards cursus werd vertaald in het Nederlands en samengesteld door "Stromen van Kracht", maar Leonard wilde niet dat hij gepubli­ceerd werd. Later publiceerde Elisa­beth Hoekendijk eenvoudig­weg de essentie van Leonards onderwijs zonder zijn naam te noemen. Binnen een jaar kwam de interkerkelijke opwekkingsbe­weging "Stromen van Kracht" tot stand, met Karel Hoekendijk als haar evangelist en stimulator en Elisabeth als haar leraar en profeet. Het past ons hier enige biografische achtergrond te geven van deze bijzondere familie.

Karel Hoekendijk (1904-1987) werd op 1 december geboren in Apeldoorn. Hij was de oudste zoon van de welbekende evange­list, zendeling en schrijver C.J. Hoekendijk. In 1899 werd C.J. Hoekendijk uitgezonden naar Indonesië door de Nederlands Hervormde zendingsunie N.Z.U. (Nederlandse Zen­ding Unie). Tot 1915 werkte hij in Garut, Java. Van 1918 tot 1925 diende hij als evangelist van de Vrije Evangelische "Bond voor Evangeli­satie" en reisde over heel Java. C.J. Hoekendijk had twee zoons, Karel en Hans, en vijf dochters. Hij was een zeer dynamische en creatieve zendeling. Hij publiceerde zoveel literatuur (meer dan 120 boeken en boekjes, verschillende tijdschriften en evangelische pamfletten) dat hij de bijnaam kreeg van "de papieren zendeling". Tegelijkertijd was hij erg pragmatisch. Hij stichtte bijvoorbeeld de "Garedja Pasun­dan"(Sundanesische Kerk), een kerk­genootschap dat nog steeds bestaat. In 1922 hield hij een toespraak op een Pinksterconfe­rentie te Bandoeng waarin hij de noodzaak van de doop in de Heilige Geest onderstreepte, en waarin hij aan­voerde:

citaat

Hij beëindigde de toespraak met het gebed:

citaat


Vanwege deze ondubbelzinnige uitspraken conclu­deerde zelfs Dr. J.H. Gunning JHz. dat C.J. Hoe­kendijk overgegaan was tot de Pinksterbeweging. Toen echter Hoekendijks gebed binnen een paar maanden werd verhoord in hetzelfde gebied waar hij zijn toespraak had gehouden en de pinkster­zendeling J. Thiessen een geweldige opwekking vermeldde, herriep Hoekendijk zijn aanvan­kelijke bedoelingen. Mogelijk was hij gewaarschuwd door zijn thuisfront om deze ketterij te stoppen. Op de jaarlijkse vergadering van de "Bond voor Evangelisatie in Nederlands Oost-Indië  in 1923 werd er bijna unaniem besloten dat men geen lid van de Bond kon zijn als men zich aangetrokken voelde toto of sympathie had voor de Pinksterbe­weging, die voorname­lijk beschuldigd werd van "het tentoonstellen van een sterk antikerkelijk karakter". Later dat jaar schreef C.J. Hoeken­dijk een aantal artikelen waarin hij de Pinksterbewe­ging weerlegde, voornamelijk door uit te weiden over de klassieke argumenten die werden gebruikt door andere evangelikalen van die tijd.

Zijn beide zoons zouden hun zoeken bij de twee extremen van het Christelijk toneel. Hans, i.e. Prof.Dr. J.C. Hoekendijk (1912-1975), werd Secre­taris van de Afdeling Evangelisatie van de We­reldraad van Kerken (1950-1953) en professor in de Missi­ologie in Utrecht (1953-1965). Hij bleek een creatief denker te zijn in de filosofie van evangelisatie en zending. Hij stimuleerde de zogenaamde veelomvattende benadering (i.e. kerk­zending moet betrokken zijn binnen het totale terrein van mens en samenleving). Hij gaf ook een aanzet tot de Sjaloom-groep, een invloedrijke lekenbeweging waaronder roomskatholie­ken in de jaren zestig die trachtten het oecumenische ide­aal nieuw leven in te blazen bij het gewone volk. Van bijzonder belang is ook J.C. Hoekendijks bezwaar tegen de gedachte dat de Nederlands Her­vormde Kerk de "Volkskerk" zou zijn voor Neder­land en zijn tegenstand tegen de "dominees-cul­tuur". Uit zijn archieven blijkt dat hij wel een aantal speciale studies had gemaakt over het Pentecostalisme, maar niettemin publi­ceerde hij nooit enig artikel over dit onderwerp. Mogelijk wilde hij een conflict vermijden met zijn broer Karel, die hier volkomen in verstrikt was.


Karel groeide op in Garut, Indonesië. Toen hij elf jaar oud was zonden zijn ouders hem naar de kostschool in Nederland waar hij zijn opleiding ontving tot binnenhuisarchitect. Toen hij negen­tien was keerde hij terug naar Java; op de terug­reis werd hij bekeerd aan dek van het schip. Hij wilde zijn leven wijden aan de bediening maar toen al zijn aanvragen tot de verschillende bij­belscholen werden geweigerd, besloot hij kunstschil­der te worden. Hij studeerde aan de Kunstacademie te Rotterdam waar hij Elisabeth la Rivière ontmoetten; ze trouw­den op 24 september 1930. In 1948 keerde hij terug naar Indo­nesië, en wel omdat hij benoemd was tot directeur van het Visuele Pro­duktie team van de Nederlandse Rijks Voorlichtings Dienst. In deze hoedanigheid diende hij dire jaar lang, en stond geduren­de die tijd in nauw contact met de jonge Indone­sische presi­dent Sukarno. In 1951 keerde hij terug naar zijn gezin in Nederland. In het voorjaar van 1953 werd Karel door een wonder genezen van een gevaarlijke hartziekte. Hij wachtte op de dood toen mevrouw G. Veenendaal uit Bilthoven onver­wachts zijn kamer binnenkwam, hem de handen oplegde en bad of de Heer hem wilde genezen. Karel herstelde onmid­dellijk. Vanaf die tijd wijdde hij de rest van zijn leven aan die dienst van God als reizend evangelist. Zonder enige theologische vorming of ervaring in de christelijke bediening begon hij diensten te leiden in Bilthoven. Op 12 december 1953 vroeg men hem om te getuigen over zijn gene­zing in een openbare samenkomst in Utrecht, die georganiseerd was door de Hervormde ouderling die erg onder de indruk was. Tijdens die samenkomst werd Karels neef Frits Waning uit Deventer die vier jaar invalide was geweest in een rolstoel onmiddellijk genezen toen Karel voor hem bad. Dit bracht een brede interesse teweeg voor zijn be­diening. Diezelfde maand begon hij de publikatie van een maandblad. De eerste vier maanden had dit blad als titel Levend Water, maar in april 1954 werd de naam veranderd in Stromen van Kracht. In zijn eerste hoofdartikel zette Karel het aanvank­elijke doel van hun periodiek uiteen:

citaat


Niettemin, naar mate de jaren verstreken werd de nadruk niet meer gelegd op de éénmakende factor van dezelfde leerstelling en ervaring. Laat in de jaren vijftig werden de meeste pagi­na's gewijd aan Amerikaanse genezingsevangelisten (William Branham, Tommy Hicks, Tommy Lee Osborn) en ten­slotte werd het blad de particuliere nieuwsbrief van Karel en Elisabeth Hoe­kendijk. Van april 1954 tot augustus 1956 zat W.W. Verhoef in de redac­tie. Hij publiceerde een omvangrijke serie van twintig artikelen over het spreken in tongen. Twee andere redactiele­den waren beiden Nederlands Hervormde dominees die hun stand­plaats hadden in de provincie Zeeland, ds. H. Kuylman, een schoon­zoon van K. Hoekendijk (van september 1954 tot juni 1955) en ds. J. Starrenburg (van september 1954 tot januari 1957). In 1955 werd Starrenburg afgezet nadat hij gedoopt was door onderdompe­ling. Tengevolge hiervan begon hij fulltime te werken voor "Stromen van Kracht". In 1957 waren er tenminste vier fulltime werkers. De snelle groei van de beweging komt ook naar voren door het feit dat het aantal ontmoetingsplaat­sen groeide van vijf in december 1953 tot twaalf in december 1954, tot negentien in december 1955 en tenslotte tot eenen­twintig in februari 1957. Deze samenkomsten werden altijd gehouden op een door de weekse avond. Op deze manier hoefden de aanwe­zigen niet hun eigen regelmatige zondagsdiensten te missen.

Ondanks heftige tegenstand van zowel de Pinkster­gemeenten als de Protestantse kerken, vertoonde "Stromen van Kracht" een opzienbarende oecumeni­sche openheid. In de tweede uitgave van Levend Water, januari 1954, vermeldde Hoekendijk:

citaat

Een half jaar later voegde hij hier aan toe:

citaat

In 1954 kwamen er positieve verslagen uit over de tweede assamblé van de W.C.C. te Evanston. Op plaatselijk niveau toonden groepen van verschil­lende kerken een positieve inte­resse.


Men keek echter over het algemeen op de beweging neer met groot wantrouwen en op het moment dat ze begonnen hun aanhan­gers te dopen en het Heilig Avondmaal toe te dienen werden ze geheel en al afgewezen door de traditionele kerken. Zelf Dr. F. Boerwinkel die de beweging aanvankelijk op vriendelijke wijze had bejegend, concludeerde dat "ze nu onherroepelijk in een sektarische  vaar­geul terecht waren gekomen". In maart 1957 ver­scheen er een verpletterend boek van een Gefor­meerde en een Nederlands Hervormde dominee (ds. G.Y. Vellenga en ds. A.J. Kret). De Algemene Synode van de Gereformeerde Kerk gaf een verkla­ring uit dat "het onverenigbaar zou zijn voor ambts­dragers eveneens actieve deelnemers te zijn van de groep van Hoekendijk". De eerste doop­dienst vond plaats op 5 en 9 augus­tus 1956 tij­dens een conferentie in "De Harskamp" te Ede. Er werd een aantal van 126 personen gedoopt uit "alle overtuigin­gen" in het meer "De Zanding". Ondanks zijn persoonlijke wens om gedoopt te worden door onderdompeling, wachtte Karel Hoe­kendijk drie jaar om "de deur naar de kerken open te houden". Tenslotte werd hij gedoopt door ds. J. Starrenburg. Zoals verwacht kon worden verwek­te deze verandering van beleid grote opschudding binnen de gelederen van "Stromen van Kracht". Onder andere W.W> Verhoef trok zich terug. Zijn lege plaats in de redactie werd bezet door J.P. Hardenberg, een arts. In 1957 startte W.W. Ver­hoef het blad Vuur waarin hij trachtte de oor­spronkelijke oecumenische ijver van "Stromen van Kracht" te handhaven. A.H. v.d. Heuvel zat even­eens in de redactie. De liefe-haat relatie tussen Karel Hoekendijk en de traditionele kerken be­reikte spoedig een climax. In augustus 1957 kwam Hoekendijk met een reorganisatieplan waarin hij pleitte voor autonome gemeenten:

citaat

Karel stichtte nooit zelf een nieuw kerkgenoot­schap. De ge­meenten die voortvloeiden uit zijn bediening bleven autonoom.      In een brief aan W.J. Hollenweger, gedateerd op 1 februari 1963, onderstreepte J.E. v.d. Brink de betekenis van Hoeken­dijks bediening:

citaat

Bij zijn graf bracht zijn zoon Frans in herinne­ring:

citaat



Tegen het einde van de jaren vijftig breidden "Vader Karel" en "Moeder Bep" zoals ze genoemd werden door hun volgelingen, hun bediening uit tot enkele Europese landen (Zwitserland, Duits­land en België). Van 1960 tot Karels dood op 16 juni 1987 lag het zwaartepunt van hun bediening voornamelijk op het houden van grote campagnes over de hele wereld (Zuid-Afrika, Surina­me, de Caraïbbische eilanden, Indonesië, Japan, etc.). Hun vier kinderen zijn een weerspiegeling van de veelzijdigheid van "Stromen van Kracht". Liebje Kuylman-Hoekendijk vertegen­woor­digt de aanvank­elijke oecumenische ijver v an de beweging. Ze trouwde met de Nederlands Hervormde predikant H. Kuylman en samen met haar echtgenoot was ze ac­tief betrokken in de vroege jaren van "Stromen van Kracht". In 1969 schreef ze een boek, met als titel "Dwarslagen in het Christendom", waarin ze op creatieve wijze trachtte een brug te slaan tussen vier typen van het Christendom, waarvan er een het Pentecostalisme verte­genwoordigde. Frans Hoekendijk vergezelde zijn vader in het begin van de jaren zestig op zijn zendingsreizen en leidde ook zelf enkele campagnes. In 1969 werd hij de directeur van een kolossaal conferentieoord te Dalfsen, bekend als "De Bron", dat voornamelijk geldelijk gesteund werd door aanhangers van "Stromen van Kracht". Hij raakte betrokken bij de Nederlandse Charismatische beweging toen deze begon met haar steeds terug­kerende nationale conventies in de Bron. Else Vlug-Hoekendijk werd een autoriteit op het gebied van kinderevangeli­satie en zondagsschoolonderwijs. Ze schreef een aantal kinderboeken en publiceerde eveneens een paar levensbeschrijvingen van zende­lingen. Haar echtgenoot Peter was de administrateur van "Stro­men van Kracht" (van 1957 tot 1960) waarna ze betrokken raak­ten in de organisatie die geleid werd door Karels jongste broer Ben. Ben Hoeken­dijk wandelde zeker in de voetstappen van zijn vader als evangelist.. In 1956, toen hij nog maar acht­tien jaar oud was, leidde hij zijn jeugdgroep genaamd "de Gideons" in openluchtsamenkomsten in Utrecht. In 1958 was hij voorganger van een klei­ne groep in Den Haag en raakte betrok­ken bij de campagne van T.L. Osborn. Vanaf 1959 begon hij zijn eigen evangelische tentcampagnes door heel Nederland, die georganiseerd waren onder de wet­telijke naam van de "Stic­hting Ben Hoekendijks Evangelische Genezingscampagnes". In 1960  begon hij met de publikatie van zijn eigen blad geti­teld Opwekking, wat  eveneens in 1974 de naam werd van zijn stich­ting. In 1968 deed Ben een poging om de verschillende Neder­landse Pinkster­groeperingen te verzoenen door het organiseren van regionale "vernieuwingscampagnes" waarin hij een oproep deed tot alle christenen zichzelf te vernederen en elkaar de zonden te belijden die trots en verdeeldheid hadden veroor­zaakt. Van 1972 organiseerde hij nationale jeugd-rally's die "One Way Day's" werden genoemd. Hij beschreef deze dagen zelf als geweldige evangelisatie-sa­menkomsten. Het publiek groeide tot en meer dan 15.000 personen. In 1978 ging het hele publiek in optocht door Utrecht als demonstratie voor Jezus. In 1979 werd iedereen uitgezonden in kleine groe­pen voor "guerilla geestelijke oorlogvoering". Zijn belangrijkste oecumenische bijdrage werd geleverd door de nationale conventies van vier dagen die georganiseerd werden rond Pinksteren. De eerste met als doel een familiekamp, begon in 1972. Sinds 1974 hebben deze conventies plaatsge­vonden in Vierhouten. Naarmate de jaren verstre­ken begonnen hoe langer hoe meer leden van evan­gelische en traditionele kerken deel te nemen. Hun liederen­boek Opwekkingsliederen, dat jaar­lijks gereviseerd wordt door "Opwekking", heeft veel aan populariteit gewonnen in veel niet-pink­stergroepen en kerken. Ben Hoekendijk zou wel eens belangrijke bruggebouwer kunnen worden tus­sen de Kerk en de Pinksterbeweging, zoals hij zichzelf in toenemende mate lijkt te erkennen, maar uit de historische lessen van "Stromen van Kracht" moet lering getrokken worden en deze moeten toegepast worden, anders zal hij in de­zelfde val van vervreemding te­recht komen.

Bij het evalueren van "Stromen van Kracht" lijken enkele van deze lessen duidelijk:


1. De oorspronkelijke oecumenische motieven waren oprecht, maar deze werden besmet met een ongepast triomfatalisme. De aanhangers van "Stromen van Kracht" deden of ze alles wisten en alles beza­ten; ze waren de enigen die iets te bieden had­den. Christenen moeten erkennen dat hun kennis slechts ten dele is. Om deze reden is oecumeni­sche uitwisseling essentieel ten einde de rijkdom en volheid van het Koninkrijk van God ten toon te stellen. Dit houdt echter in dat alle partijen die deelnemen aan de dialoog onpartijdig geres­pecteerd worden en bereid zijn elkaar genegen te zijn.

2. Als een bepaald leerstellig standpunt de es­sentie vormt van een kerk of beweging, dan heeft dit de neiging verdeeldheid te brengen in plaats van te verenigen, in het bijzonder als zij die niet wensen deze "volle boodschap" te ontvangen onmiddel­lijk afgeschreven worden als "zij die de Geest weerstaan". Aan de andere kant waren de meeste critici, zowel Pentecostalen als Protes­tanten, nauwelijks bereid om wat voor dialoog dan ook aan te gaan. De vraag van wat geleerd en verkregen kon worden werd slechts door enkelen gesteld. Toen Karel Hoeken­dijk een emotionele oproep deed om hulp en samenwerking op Nieuw­jaarsdag 1958, werd hij genegeerd.


3. De verschuiving die "Stromen van Kracht" te­weegbracht resulteerde in een belangrijke en blijvende verandering. Het zwaartepunt bewoog zich van het emotionele naar het rationele, van heiliging naar geloof, van de bovennatuurlijke ervaring naar geestelijke bekwaamheid. De methode van een twee weken durende cursus als een inlei­ding op de doop in de Heilige Geest en het ge­bruik van de geestelijke gaven, stond in scherp contrast tot de Pinkstersamenkomsten voor "ernstige zoekers". Klaarblijkelijk appelleerde dit aan veel intellectuelen onder wie een groot aantal theologische studenten en geestelijken waren die zich meer op hun gemak voelden met deze rationele benadering. De academische en artistie­ke achtergrond van Karel Hoekendijk droeg bij aan dit fenomeen. Enkele jaren functio­neerde hij als een charismatisch katalysator. Zijn vijandig­heid echter ten opzichte van welke vorm van organisa­tie of structuur dan ook moest tenslotte botsen met de denominatio­naal georiënteerde kerken en dit gebeurde dan ook. "Stromen van Kracht" stelt de klassieke Pentecostalen voor de vraag van of hun dichotomie tussen het bovennatuurlijke en het natuur­lijke wel realistisch is. Zij daagt de Pentecostalen uit om nieuwe creatieve manieren te vinden waarbinnen de charismata tot uiting ge­bracht kunnen worden en relevant kunnen worden voor andere gebieden van de samenleving. Tenslot­te moeten de traditionele kerken nog steeds het beroep beantwoorden dat "Stromen van Kracht" heeft gedaan om de kerkelijke barrières te ver­breken door middel van een gezamenlijk bewustzijn en ervaring van de Heilige Geest, wiens universe­le aanwezigheid ons in staat stelt ieder grens te overschrijden.


Hoofdstuk IV

Het vraagstuk van de oecumene

A. Inleiding - De roerige jaren zestig

De jaren zestig waren het hoogtepunt van de na­oorlogse hoog­conjunctuur en tegelijkertijd luid­den zij een nieuwe tijd in van protest en kriti­sche evaluatie van de heersende normen en waar­den. De oude politieke ideeën schenen uitgeput te zijn en in bijna alle gebieden van de samenleving trad een herleving van ideologieën naar voren. De meest betekenisvolle gebeurte­nis wereldwijd was de dekolonialisatie van Afrika. In de stroomver­snelling van dit proces groeide er een toenemende weerstand tegen racisme en apartheid. De Baptis­tische dominee Martin Luther King (1929-1968) slaagde erin wereldwijd de aandacht te vestigen op dit onrecht. Te Uppsala besloot de W.C.C. een krachtig actieprogramma te ontwikkelen ten einde het racisme te bestrijden. Tijdens dit decennium traden drie Zuidamerikaanse Pinksterdenominaties toe tot de W.C.C. en te Uppsala sprak de Pente­costaal Krust hun vergadering toe. In 1969 voeg­den de Gereformeerde Kerken zich bij de W.C.C.


In Nederland werden de oude grenspalen van de "verzuiling" afgebroken; sociale premies en de inflatie groeiden drastisch en dientengevolge verloor Nederland haar status van "eiland van goedkoopheid". Behalve hun materiële eisen, zoch­ten de vakbonden naar minder tastbare voorwaarden zoals de democrati­sering van de macht en naar betere werkomstandigheden. Mede­zeggenschap werd een tendens. Samen met de koelkast en de auto, werd de televisie het belangrijkste produkt, die een symbool werd van materiële vooruitgang. Via dit medium ontwik­kelde zich een nieuwe vorm van informatie en communicatie, die alle lagen van de samenleving omvatte. In hun eigen woonkamer raak­ten de mensen op de hoogte van andere etnische groepen waarvan ze zo lang geïsoleerd waren ge­weest. De sexuele revo­lutie beïnvloedde Nederland in sterke mate. Het gebruik van voorbehoedmidde­len werd gemeengoed en de ethiek van het huwe­lijk onderging drastische veranderingen. De jongere generatie keerde zich in toenemende mate tegen de gevestigde orde, hetgeen zijn uitdrukking vond in hun onconventionele kleding, haarstijl en muziek. Het werk populair om in te gaan tegen de sociale taboes. Drugs en oosters mystiek werden populaire demonstraties van hun verlangen om het leven te richten naar een ander waardensysteem. Ze protes­teerden tegen de bourgeoi­sie door in grote groe­pen te gaan zitten op het plein van de Dam of te slapen in het Vondelpark in Amsterdam. De anarchis­tische provo's waren gewelddadiger in hun gedrag. De regering was er snel bij om met macht deze activiteiten de kop in te drukken, maar dit resulteerde slechts in een toename van populari­teit ten opzichte van de provo's. Nederland werd langzamerhand een "toegeeflijke samenleving" waarin het ontwa­kend bewustzijn van het individu tot op een unieke hoogte steeg. Met de aankomst van de vele gastarbeiders uit de over­wegend Isla­mitische landen, werd Nederland ook hoe langer hoe meer multi-raciaal en multi-religieus. Het zou echter nog jaren duren voordat de integratie van de minderheidsgroepen een politieke kwestie werd.


De geestelijke stroming werd ook beheerst door vernieuwing en dialoog, maar tegelijkertijd was er een toenemende onverschil­ligheid en seculari­satie. De Roomskatholieken ondergingen de radi­caalste gedaanteverandering. Onder het bekwaam leiderschap van B.J. Kardinaal Alfrink (1900-1987) pasten de Nederlandse bisschoppen de "Aggi­ornamento" (de modernisering van de Kerk) waar Paus Johannes XXIII en Het Tweede Vaticaans Con­cilie om hadden gevraagd, gretig toe op de situa­tie in Nederland. Leken werden opgeroepen om actief deel te nemen in de aanbidding en hun bijdrage te leveren in de totstandkoming van het Kerkbe­leid. De steeds herhaalde roep was "reali­satie van autoriteit in dialoog". De "Nieuwe Catechismus voor volwassenen". die verscheen in 1966, veroorzaakte een behoorlijke controverse vanwege de weglating van verschillende fundamen­tele waarheden. Nog bedreigender voor de conser­vatieve Katholieken en de Roomse curie was het zogenaamde "Pastorale Concilie van de Nederlandse Kerkprovincie", dat gehouden werd in zes plenaire sessies van 1968 tot 1970 te Noordwijkerhout. Geholpen door het feit dat dit Concilie geen mandaat had beslissingen te nemen, werden heer­sende kwesties zoals het celibaat en de wijding van vrouwen openlijk besproken. In dit klimaat van vernieuwing en wederzijdse toenadering kwam de oecumenische voortgang tot bloei. In 1961 deden negen Nederlands Hervormde en negen Gere­formeerde predikanten een historische poging hun kerkelijke afscheidingen van 1834 en 1886 te herstellen. Uiteindelijk leidde dit tot de tot­standkoming van een intersy­nodaal studie-comité genaamd "Samen op Weg", dat voor het eerst sa­menkwam in 1971 om de mogelijkheden van een samensmel­ting te onderzoeken. De spanning tussen de Nederlands Hervorm­de en de Roomskatholieke Kerk (RKK) nam weer toe toen Prinses Irene toe­trad tot de Roomskatholieke Kerk en dientengevol­ge gedoopt werd in januari 1964. De Synodale Raad van de Neder­lands Hervormde Kerk protesteerde bij de opvatting dat hun doop niet werd erkend. Ui­teindelijk leidde dit tot een weder­zijdse erken­ning van een doop toegediend in een Nederlands Hervormde, Gereformeerde, Lutherse of Roomskatho­lieke Kerk (1967\1968) en een erkenning van huwe­lijken tussen partners van verschillende kerkge­nootschappen (1970\1971). Op 21 juni 1968 werd de Oecumenische Raad van Kerken de "Raad van Kerken in Nederland". De preambule van haar statuten bevatte:

citaat


De belangrijkste veranderingen waren de uitbrei­ding van het lidmaatschap en de formatie van een meer bindende participatie van leden. Van bijzon­der betekenis was het feit dat voor het eerste ergens in de wereld de Roomskatholieke Kerk toe­trad tot een nationale raad van kerken. De andere leden waren: De Nederlands Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerk, de Evange­lisch Lutherse Kerk, de Oud-Katholieke Kerk, de Remonstrantse Broeder­schap. de Mennonieten, de Moravische Broederschap en de Gemeenschap van Vrienden (Quakers). De Nederlandse Protestant­se Unie en het Leger des Heils ontvingen het gastlidmaatschap. De Vrije Evangelische Gemeenten en de Baptistische Unie trok­ken zich terug. De verschillende studies die sociale kwesties een theologische basis wilden geven, zoals de bevrijdingstheo­logie of de femi­nistische theologie, leidden ertoe dat de Evang­elicalen vreesden dat de verticale dimensie van de rela­tie tussen God en mens teniet gedaan werd door de horizontale kwesties van de politiek en sociale hervormingen. Op dezelfde wijze protes­teerden de Evangelicalen tegen het feit dat in de zending van de traditionele kerken het werelddia­konaat over­heerste in plaats van de verkondiging van het evangelie. Hoewel sommigen trachtten deze ontwikkeling een halt toe te roepen, zoals bij­voorbeeld 24 Nederlands Hervormde predikan­ten deden die protesteerden met een emotionele open brief in 1967, trad politieke en sociale betrok­kenheid in toenemende mate op de voorgrond in de traditionele kerken.


Terwijl de Nederlandse Charismatische beweging meeging in deze ontwikkeling, was de Pinksterbe­weging sterk gekant tegen dit "horizontalisme". Binnen hun eigen gelederen ervoeren zij eveneens turbulente jaren van verandering en heroriënta­tie. Tijdens het begin van de jaren zestig trachtte de Broederschap van Pinkstergemeenten te dienen als een brede paraplu voor de Nederlandse Pinksterbeweging. Voor dit doel werden ze gereor­ganiseerd in 1959 en ontvingen officiële erken­ning als een denominatie in februari 1960. Voor het eerst konden gemeenten ook lid worden en vertegenwoordigd worden door hun voorganger of een van de oudsten. De periodieken Volle Evang­elie Koerier en Pinksterklanken fuseerden in De Pinksterboodschap en in oktober 1960 werd de eerste Nederlandse Pinkster Bijbelschool geopend in Groningen. Korte tijd  stonden uiteenlopende per­soonlijkheden zoals J.E. v.d. Brink, J. Zijl­stra (van de Volle Evangelie Zending van J. Maas­bach) en zelfs David du Plessis op de lijst van het lidmaatschap. Op initiatief van de Broe­der­schap werd er een "Oral Roberts Comité" in het leven geroe­pen om een evangelisatiecampagne te organiseren met Oral Roberts in 1964. De hechte samenwerking van de verschillende Pinkstersto­mingen was zo opmerkelijk dat de Broederschap besloot een "Pinkster Raad" te organiseren ten einde de moge­lijkheid van een hechtere eenheid bespreekbaar te stellen. Toen de Pinkster Bijbel­school mislukte ten gevolge van interne spanning­en en financiële tekorten, verzocht men de Assem­blies of God in de VS om hulp hetgeen leidde tot de stichting van de Centrale Pinkster Bijbel­school in Den Haag in 1967 met de Assemblies of God zendeling R.L. Leach als de eerste direc­teur. Een gevolg van deze samenwerking was een tweede reorga­nisatie. Er werden nieuwe statuten naar Amerikaans model samengesteld en geaccepteerd op 26 februari 1966. Velen die vreesden dat de Broe­derschap een al te gestructureerde organi­satie zou worden of niet konden instemmen met de uitge­breide geloofsbelijdenis trokken zich terug. Sommigen van hen sticht­ten de "Federatie van Volle Evangelie Gemeenten in Nederland", maar deze organisatie duurde minder dan een jaar van­wege onoplosbare interne conflicten. In 1969 werd de "Volle Evange­lie Gemeenschap" in het leven geroepen met als belangrijkste doel een hechtere gemeenschap met elkaar te hebben. In veel opzich­ten hebben de jaren zestig de ideologische funde­ring gelegd voor onze huidige generatie, hetgeen zeer zeker ook van toepassing is op de verdeelde Nederlandse Pinksterbeweging.

B. Meningsuitwisseling in de Oecumenische Raad van Kerken

Net voordat de roerige jaren zestig begonnen, bezon de "Oecu­menische Raad van Kerken" (van nu af aan genoemd O.R.v.K.) zich op de Pinksterbewe­ging. Aangezien dit het decennium inluidde waarin de uitdaging van Pinksteren een zaak van discus­sie was in bijna alle denominaties die deelnamen in de O.R.v.K., wordt deze interessante studie en discussie over de Pinksterbeweging in dit hoofd­stuk onder de loep genomen on­danks het feit dat dit gebeurde in het laatste kwartaal van 1959.



Op haar vergadering van 27 februari 1959 besprak de O.R.v.K. het onderwerp "De sekten en de W.C.C.", uitgaande van een studie van Dr. W.F. Golterman. Golterman (geboren 1898) was Menno­niet, die vanaf 1946 docent was aan het Mennonie­ten Seminarie te Amsterdam. In 1953 werd hij benoemd tot studie-secretaris van de O.R.v.K., en diende in deze functie tot 1960 waarna hij docent werd aan de universiteit in Amsterdam. In zijn studie over de sekten was Golterman het eens met K. Hutten, de beroemde Duitse specialist van het sektarisme. dat de kerken het fanatisme van de sekten zouden moeten benaderen met veel geduld en moesten trachtten hen terug te brengen tot de gehoorzaamheid aan Gods Woord. Hij voegde er echter aan toe dat de kerken in deze dialoog bereid moesten zijn gecorrigeerd te  worden op gebieden waar deze groepen terecht wezen op bij­belse denkwijzen en praktijken. Hij was het eens met Les­slie Newbigin dat de zogenaamde "pinkster­achtige" christen een belangrijk nieuw element zou kunnen bijdragen in de relatie met de W.C.C., en hij bemerkte een openheid naar de kerken toe binnen de internationale Pinksterbeweging. De O.R.v.K. had waarschijnlijk nooit verwacht om zo spoedig met dit feit op nationaal niveau gecon­fronteerd te worden, maar op 4 juli 1959 vroegen de gezamenlijke Pinkstergemeenten om een gesprek. De aanleiding tot dit verrassend initiatief van de Pentecostalen was het feit dat de IBRA (de Zweedse Pinkster radio-omroep) niet meer mocht uitzenden naar Nederland. Sinds 1955 had de IBRA Nederlandse programma's met groot succes uitge­zonden door radio Tanger, maar toen de Marokkaan­se regering dit verbood vanaf 1 januari 1960, werden ze gedwongen te stoppen. De Pentecostalen probeerden nu zendtijd te verkrijgen via de I.K.O.R., die werkte onder auspiciën van de O.R.v.K.. De broeders J.E.v.d. Brink, H.A. Luu­ring en J.W. van Petegem werden afgevaardigd om met de O.R.v.K. te spreken, die op haar beurt geheel verlegen was met dit verzoek. Een botte weigering was echter niet de gangbare manier om dit probleem te benade­ren. In hun vergadering van 25 september 1959 viel het besluit dat Dr. W.F. Golterman contact met hen op zou nemen en een studie-rapport zou samenstellen over de Pinkster­beweging in Nederland. In zijn voorbereiding voor dit laatste, had Golter­man verschillende gesprek­ken met H.A. Luuring (1914-1985), een fulltime voorganger van de "Volle Evangelie Kerk" te Utrecht. Het resultaat was een goed gebalanceerde studie, die op de man af was, voldoende accuraat en van goede analytische waarde. Het rapport werd gezonden naar alle leden van de O.R.v.K. en be­sproken in hun vergadering van 27 november 1959 te Utrecht. Ds. A.H. v.d. Heuvel, die fungeerde als de secretaris van de Jeugdraad van de O.R.v.K. van 1958 tot 1960, zei dat hij in nauw contact stond met deze groepen en volgens hem waren de excessen voornamelijk veroorzaakt door de wrede manier waarop de kerken hen hadden be­handeld. Prof.Dr. P. Boendemaker merkte op dat deze groepen een grotere interesse hadden opge­wekt in de Bijbel. Prof.Dr. J.C. Hoekendijk was negatiever. Volgens hem was de belangrijkste verandering onder de sekten dat ze nu duidelijker "nee" zeiden tegen de kerken dan voorheen. Ten­slotte concludeerde Prof.Dr. W.F. Dankbaar (pre­sident van de O.R.v.K.) dat verdere contacten uitgesteld zouden worden totdat er meer informa­tie over de sekten beschikbaar zou zijn. Dr. H. Berkhof verzocht hen dringend hier haast mee te maken "want er ging een golf van wederdoop door het land". Op ver­zoek van ds. M.N.W. Smit werd er een heel kritische lezing over de Pinkstergroepe­ringen, gehouden door ds. A.D. Bakker op het Nederlands Hervormd district van Den Haag op 30 september 1959, gezonden aan alle leden van de O.R.v.K.


Goltermans studie over de Pinksterbeweging in Nederland ver­scheen in twee delen in het perio­diek In de Waagschaal van januari 1960. Het eer­ste deel was een beschrijving van de geschiede­nis, de theologie en de liturgie van de Pinksterbewe­ging wereldwijd. Gezien het feit dat Golterman zelf nooit een pinkstersamenkomst had bezocht, was dit een eerlijke uiteen­zetting met slechts een paar onnauwkeurigheden. Het tweede deel van zijn studie ging over de aspecten van evangelisatie, organisatie, relatie tot de kerken en eindigde met een evalua­tie. Wat betreft de doop merkte Golterman terecht op dat dit niet een wederdoop genoemd kon worden, want de Pentecosta­len erkenden de kinderdoop niet en ook niet de doop van volwasse­nen zonder onderdompeling. De oproep van de Pentecostalen werd samengevat in vier vragen:

1. Op welke manier kunnen de kerken de emotionele noden van de mensen integreren?

2. Waarom ervaren de kerken de gelukzalige ver­wachting van de toekomende eeuw zo weinig?

3. Wat doet de kerk met de gave van genezing?

4. Hoe kunnen de kerken hun warme en beschermende gemeenschap stimuleren?

Natuurlijk merkte hij ook "geweldige gevaren" op zoals subjec­tivisme, wanorde, fragmentatie en elitairisme. Zijn belang­rijkste bezwaar was ech­ter dat de Pentecostalen de Geestesdoop veel meer benadrukten dan het verzoeningswerk van Christus. Dit laatste is een klassieke misvatting; de Pink­sterbeweging is nadrukkelijk gecentreerd op Christus. In een analyse van Nederlandse liede­renboeken van de pinksterbeweging ontdekte Luc Meijer dat 16% van de liederen over Jezus Chris­tus ging en slechts 4% over de Heilige Geest. Hoewel dit nog niet statis­tisch onderzocht is, zal hetzelfde waarschijnlijk ook van toepassing zijn op onderwerpen van pinksterpreken. In hun literatuur treden hun pneumatologische inzichten meer op de voorgrond aangezien dit hun onder­scheidende factor is. Om deze reden is het be­grijpelijk dat westerse geleerden die geen pink­sterachtergrond hebben en die van nature aangewe­zen zijn op geschreven bronnen, geneigd zijn te denken dat de Pentecos­talen voornamelijk bezig zijn met de Geest. Dit verklaart ook waarom Gol­terman niet heeft opgemerkt dat het Pentecosta­lisme overwegend een mondelinge traditie is. Om deze reden wordt het best onderzocht door per­soonlijke deelneming, zelfs als dit slechts ge­daan wordt als toeschouwer. Zijn ander punten van kritiek die reeds genoemd zijn, zijn van toepas­sing. Niettemin was Golterman van mening dat behoedzame contacten met de Pinksterbeweging aanbevolen zouden moeten worden. In zijn slotop­merkingen merkte hij op:

citaat


De Pentecostalen zelf regeerden nauwelijks op deze artikelen; Alleen J.E. v.d. Brink schreef een jaar later dat "Golterman een grondig werk had verricht". Na hun eerste kennismaking met de O.R.v.K. verloren ze de belangstelling en tracht­ten een eigen radio-associatie op te richten. Binnen de O.R.v.K. werd de uitdaging ook niet aangenomen. Het voorstel om verdere studie aan dit onderwerp te wijden bleek een probaat genees­middel om het probleem opzij te schuiven. In oktober 1960 verscheen er in hun tijdschrift Gemeenschap der Kerken opnieuw een artikel van Dr. F. Boerwinkel waarin weer eens de oecume­ni­sche openheid van de Pinkstergroeperingen werd genoemd en in zijn boek Eenheid in de chaos der Kerken herhaalde Golterman weer zijn gedachten betreffende deze zaak. De oecu­menische en sociale kwesties van de jaren zestig overschaduw­den ech­ter hun kortstondige kennismaking met de Pinksterbewe­ging. Er had zich een unieke relatie kunnen ontwikkelen als de hand die aarze­lend uitgestoken was door de Pentecostalen gekust zou zijn door de leden van de O.R.v.K. in plaats van zorgvuldig onder­zocht.

C. Pastorale brief van de Nederlands Hervormde Kerk

In 1960 publiceerde de Nederlands Hervormde kerk een merkwaar­dige pastorale brief getiteld "De Kerk en de Pinkstergroepen". Ondanks de korte lengte (78 pagina's) en betrekkelijk eenvou­dige inhoud werd deze met enthousiasme en goedkeuring ontvan­gen door de meeste traditionele kerken evenals door de Pente­costa­len. W.J. Hollenweger noemde hem zelfs "een mijlpaal in rela­ties tussen een nationale kerk en de Pinksterbeweging, die aanwezig zou moeten zijn in iedere theologische bibliotheek". Hij is zeer waarschijnlijk de eer­ste officiële publikatie waar dan ook ter wereld waarin een traditionele kerk de belangrijke bij­drage erkent van de Pinksterbeweging aan de kerk en die antwoorden zoekt binnen zijn eigen  kerke­lijke context. Wegens zijn historische en oecume­nische betekenis volgt hieronder een beschouwing van de achtergrond, ontwikkeling en resultaten van dit belangrijk document:


Op 4 februari 1958 gaf de Algemene Synode van de Nederlands Hervormde Kerk haar bestuur een man­daat om een commissie te benoemen voor de bestu­dering van het sectewezen. De Synodale Raad stel­de dit voor "voornamelijk vanwege de groeiende in­vloed van bewegingen als Stromen van Kracht". In haar aanvan­kelijke brief aan de voorgestelde commissieleden van 13 febru­ari 1958 werd het doel als volgt  uiteengezet:

citaat

Op 16 september 1958 werd deze commissie offi­cieel opgericht met de specifieke taak om "een pastorale brief voor te berei­den waarin in het bijzonder de zogenaamde "Pinksteruitdaging aan de Kerk en haar reactie" zou worden besproken".

De commissie bestond uit de volgende leden:

Dr. F. Boerwinkel (1906-1987) - Voorzitter (crea­tief & onbe­vooroordeeld), directeur van de acade­mie "De Horst" en mede­werker van "Kerk en Wereld" te Driebergen.

Ds. J. Swijnenburg (geboren 1912) - Secretaris (punctueel & voorzichtig), predikant van de Ne­derlands Hervormde Kerk sinds 1936, vanaf 1955 te Amersfoort.

Dr. J.W. Doeve (1918-1979) - lid (intellectueel & kritisch), predikant te Musselkanaal sinds 1957, professor aan de Rijks­universiteit van Utrecht vanaf 1962.

Jhr. L. de Geer (geboren 1911) - lid (pragmatisch & behulp­zaam), secretaris van de "Algemene Visi­tatie" te Zeist; een voormalig ouderling.

Ds. W. Glashouwer (1913-1983) - lid (fundamenta­listisch & bewogen), predikant sinds 1939 te Amsterdam, mede-redacteur van het tijdschrift Vuur.

Ds. S.P. de Roos (1912-1982) - lid (eerlijk & cultureel), predikant sinds 1937, vanaf 1958 directeur van het jeugdcen­trum "ons Huis" te Rotterdam.

Ds. J.R. Wolfensberger (1898-1985) - lid (opti­mistisch & filosofisch), predikant sinds 1926, vanaf 1945 te Amsterdam, sinds 1957 voorzitter van de "Centrale Kerkeraad te Amster­dam"; vanaf 1951 tot 1953 fungeerde hij als de praeses van de Algemene Synode.



De benoeming van Dr. Feitse Boerwinkel als voor­zitter van deze commissie laat de richting zien waarin de Algemene Synode zich bewoog en bewees inderdaad verreikend te zijn in haar eindre­sul­taat. Boerwinkel werd geboren op 12 mei 1906 te Amersfoort en opgevoed als lid van de Gerefor­meerde Kerk. Na het belang­rijke dispuut in 1926 over de onfeilbaarheid van de Schrift voegde hij zich bij Dr. J.G. Geelkerken die afgezet was vanwe­ge zijn liberalisme. Als lid van de pas opgerichte "Gerefor­meerde Kerk in Hersteld Ver­band" ervoer hij de pijn te behoren tot een klei­ne en versmade denominatie. Dit werd nog verhe­vigd toen hij trouwde met een Katholiek Apostoli­sche vrouw. Nadat hij zijn studie in de Neder­landse Letterkunde in Utrecht (1924-1932) had afgemaakt, werkte hij een aantal jaren als jeugd­leider van het humanistische "Zuidervolkshuis" te Rotter­dam. Hier ging hij, zoals hij zelf zei, "door een bekering van de middenklasse naar de lagere klasse". Van 1936 tot 1945 was hij direc­teur van het Montessori Lyceum te Amersfoort. In 1945 werd hij benoemd tot een van de directeuren van de pas opge­richte academie "kerk & Wereld" te Driebergen. In 1953 werd hij de directeur van hun onderwijscentrum "De Horst", waar lekewerkers onderwezen werden hen te bereiken die vervreemd waren van het evangelie. In het begin van de jaren vijftig Begon Boerwinkel lezingen te houden over "Kerk en Sekten", waarin hij op radicale wijze brak met de traditie de sekten te beschou­wen vanuit een zelfgenoegzaam uitgangspunt. Hij baande de weg voor een echte ontmoeting waardoor naar zijn oprechte overtuiging ook de Kerk door verrijkt zou worden. Deze lezin­gen werden uitge­breid in boekvorm gegoten met als titel Kerk en Sekte, waarvan de eerste editie verscheen in 1953. Het is Boerwinkels verdienste dat hij de poging heeft gedaan authen­tiek materiaal en au­thentieke literatuur te bestuderen, die hem aan­bevolen waren door de sekten en bewegingen zelf. Hij beschouwde dit zelfs als essentiële informa­tie ten einde bekend te raken  met deze groepen. Hij concentreerde zich op de vraag op welke ma­nier de verschillende sekten een bijdrage waren tot de Kerk als geheel. Het schijnt dat hij op dat moment de Pinksterbeweging reeds beschouwde als een belangrij­ke uitdaging. Via dit boek werd de provocerende oproep van Lesslie Newbigin om een integratie van een Pinksteren-gericht Chris­tendom een kwestie in de Nederlands Hervormde Kerk. Andere gebieden van interesse tijdens deze periode waren de relatie tussen Kerk en cultuur en de stopzetting van nucleaire proeven. Boer­winkel werd spoedig erkend als een autoriteit in de benadering van de sekten, die niet meer be­schouwd werden als verbasteringen maar als inte­grale delen van het lichaam van Christus. Met zijn benoeming als voorzitter van de "com­missie voor de bestudering van het sectewezen" stond hij voor de uitdaging zijn ideeën toe te passen op een beweging die even veelbelovend was als schri­kaanjagend. Hij slaagde met lof.

De commissie kwam acht maal bijeen in de periode van 16 sep­tember 1958 tot 25 september 1959. Er werd veel tijd besteed aan zittingen met promi­nente Pinksterleiders (P. v.d. Woude en D. du Plessis) en zij die nauw betrokken waren bij het Pente­costalisme in Nederland (F. Stroefhoff en W.W. Verhoef) of op het zendingsveld (Dr. F.C. Kamma, die negatieve ervaringen had in de ontmoe­ting met Pentecostalen in Irian Jaya, en ds. H. Zunnenberg die werkte onder gerepatrieerde Indo­nesiërs). Het oecumenische aspect trad het sterkst op de voorgrond in de vergadering met David du Plessis op 24 juni 1959 te Drieber­gen. Du Plessis geloofde niet dat de tijd rijp was voor de Pinksterbeweging om het lidmaatschap van de Wereldraad van Kerken in overweging te nemen, maar hij merkte een opmerkelij­ke openheid op ten opzichte van elkaar. Hij vergeleek de Pentecosta­len met een druk, lastig kind en de Kerk met een oude man die ligt te slapen in een stoel en con­cludeerde: "beiden hebben hun problemen, maar in het eerste geval is er iets wat leeft!"


Als onderdeel van de voorbereiding hield Dr. F. Boerwinkel een lezing met als titel "De Kerk en de oproep van de Pinkster­groepen" op 1 april 1959 op een voorgangersconferentie te Utrecht. De inhoud werd vooraf besproken door de commissie en na de presentatie fungeerden de commissie-leden als leiders van de discussiegroep. Deze lezing werd gedrukt in tenminste vier periodieken en gepubliceerd als een apart boekje. Betref­fende de oecumenische openheid merkte Boerwinkel op:

citaat

In reactie op deze lezing schreef D. du Plessis aan Boerwin­kel: "Enige van uw medevoorgangers kunnen u misschien beschul­digen te pro-Pinksteren te zijn. De inhoud kan beschouwd worden als de kern van het Herderlijk Schrijven, hetgeen niet ver­rassend is als men beseft dat Boerwinkel het originele ontwerp van hetzelfde schreef.

Op 8 februari 1960 kwam de Algemene Synode van de Nederlands Hervormde Kerk samen te Woudschoten. De hoofdonderwerpen op het programma waren "de dooppraktijk, de zogenaamde geloofs­zending, de leerstelling van de uitverkiezing en de Pinkster­beweging". De commissie voor de bestudering van het sectewezen presenteerde haar concept van het Herderlijk Schrijven, verge­zeld met, zoals de gewoonte was, een kritiek van een "verslag-co­mité". Over het algemeen werd dit eerste ontwerp goed geac­cepteerd. De kritiek was voornamelijk gericht op het feit dat de specifieke positie van de Hervormde traditie niet genoeg op de voorgrond trad. In de langdurige discussie die volgde pleitten sommigen voor een kritischer benadering (Prof.Dr. H. Jonker, Prof.Dr. A.J. Raskar, Ds. A. Dronkers) en anderen voor een sociologische scan­ning (Ds. G. Juckema & de heer H.W. Kuipers). Op de volgende Algemene Synode op 27 juni 1960 werd een aangepast ontwerp gepresenteerd. De belang­rijkste verande­ringen waren:

a) Het citaat van L. Newbigin, die een oproep deed om een Pinksteren-gericht Christendom, ver­viel.

b) Hoofdstuk IV ("Het antwoord van de Kerk") werd uitgebreid met een meditatie over "Woord en Geest" (geschreven door Prof.Dr. H. Jonker) en Kurt Huttens stelling dat de meeste sekten, waar­onder de Pentecostalen, "een stap boven rechtvaar­digmaking stonden".

c) Hoofdstuk V (De Kerk en de vervulling met de Heilige Geest) werd uitgebreid met een gedeelte over "Het Oude Testament en het werk van de Hei­lige Geest" en een oproep om meer "diakoni­a" en "koinonia" als middel om de gaven van de Geest in de Kerk te handhaven.


In de discussie die volgde wierpen sommigen (ds. P.M. van Galen en ds. R. Kaptein) weer de vraag op of de opvatting van de Pentecostalen al of niet te positief was, maar tenslotte accepteerde de Synode het aangepaste ontwerp met twee stemmen tegen. In december 1960 werd het Herderlijk Schrijven uitein­delijk gepubliceerd, met een inleiding van de Synodale Raad. Over een tijdsbe­stek van negen jaar verschenen er vier her­drukken en werd er een totaliteit van 12.000 exemplaren ver­kocht.

De reacties waren nogal uiteenlopend, maar over het algemeen werd hij gewaardeerd als waardevol en uitdagend. Een uiteen­zetting van de verschil­lende kritieken, onderverdeeld per  denominatie toont de brede en intense belangstelling:

Nederlands Hervormde Kerk

P.M. van Galen (9 juli 1960):

citaat

L.H. Ruitenberg (9 juli 1960)

citaat

J.H. van Beusekom (4 maart 1961)

citaat

A.P. van der Haas (11 maart 1961)

citaat

Presbyter (31 maart 1961)

citaat

A. Groot (14 september 1961)

citaat

C.M. Luteijn (14 april 1962)

citaat

Gereformeerde Kerken

J.M. van Minnen (4 februari 1961)

citaat

G. Toornvliet (18 februari 1961)

citaat

Lutherse Kerk

C.J. Munter (april 1961)

Remonstrantse Kerk

D.C.J. van Peype (27 mei 1961):

citaat

Oecumenische Raad van Kerken\Mennonieten

W.F. Golterman (1 april 1961)

citaat

Oud-Katholieke Kerk


M.J. Aarents (13 mei 1961)

citaat

Vrije Evangelische Gemeenten (15 januari 1961)

citaat

Unie van Baptistengemeenten

J. Reiling (17 februari 1961)

citaat

Leger des Heils

W.H.A.G. Folmer (april 1961):

citaat

Pentecostalen

J.E. van den Brink (13 januari 1961):

citaat

P. van der Woude (1 februari 1961):

citaat

Tijdens het begin van de jaren zestig was de Pinksterbeweging een heftig besproken kwestie in de kerkelijke pers, hoewel de pennen meer in beweging kwamen dan de harten. In Kracht van Omhoog kon men een speciale rubriek getiteld "Pinksteren in de pers" vullen van 1962 tot 1964 met veel, over het algemeen polemische artikelen. De schrijver ontdekte ze slecht aan de oppervlak­te bleven. Behalve deze papieren oorlog met zo nu en dan wapenstilstanden, vonden er enige interes­sante dialogen op plaatselijk niveau plaats. In Haarlem was bijvoorbeeld een gezamenlijke aanbid­dingsdienst van de Nederlands Hervormde kerk en de plaatselijke Pinkstergemeenten op 11 juni 1961. In Driebergen werd Jan van Gijs uitgenodigd om te spreken over het thema "Pinksteren in het dagelijks leven". De groep voor­gangers die sa­menkwamen in Baarn (zie IV D 1) gaven "een ver­klaring van adhesiebetuiging" uit met betrekking tot het Herderlijk Schrijven, waarin ze de hoop uitspraken dat:

citaat


Deze verklaring van adhesiebetuiging was onderte­kend door J. Braaksma (Apostolisch), W.W. Verhoef (Nederlands Hervormd), H.J. Hegger (Gereformeerd) en P. van der Woude (Pentecostaal) in naam van 70 pastores en functionarissen van verschillende denominaties. Hij beklemtoonde de oproep tot nederigheid en zelfonderzoek, onderstreepte de bewering dat geestelijke gaven ook bedoeld waren voor de tegenwoordige bedeling en vermeldde: "de vraag waarvoor de Kerk permanent zal staan is: Leven we ten volle door de Heilige Geest?"

Enige tijd bleven de leden van de "commissie voor de bestude­ring van het sectewezen" hierin betrok­ken. Tenminste vier bisdommen nodigden hen uit voor een informatieve vergadering. Op 17 maart 1960 werd er een radioprogramma uitgezonden met Dr. F. Boerwinkel, j. Swijnenburg en P. van der Woude, dat op Pinksteren werd uitgezonden. In 1960 begon ds. W. Glashouwer een "training voor evangelische gemeenteleden", die de nadruk legde op de doop in de Heilige Geest en de geestelijke gaven. Op 11 januari 1961 hield ds. W. Glashouwer een radiotoespraak over het thema "De oproep van de Pinksterbeweging" en in mei 1961 hield hij nogmaals vier radiopraatjes over het onderwerp "De Kerk en de Pinkstergroeperingen", die later gepubliceerd werden in Vuur. Toen  Glashouwer ruimte wilde maken voor de volwassendoop binnen de Nederlands Hervormde Kerk, heerste er enige tumult, maar dit werd de kop ingedrukt toen hij ver­klaarde dat hij niet tegen de kinderdoop was. In het midden van de jaren zestig vervaagde Glas­houwers interesse naar mate hij in toenemende mate begon te waarschuwen tegen ketterijen in bepaalde gebieden van de Pinksterbeweging. In mei 1961 schreef J. Swijnenburg een artikel dat nog steeds de toon weergeeft van het Herderlijk Schrijven:

citaat

Tenslotte, in 1962, schreef Boerwinkel een brochure voor de "oecumenische Leergang" getiteld "de Pinkstergroepen", waarin hij de oecumenische uitdaging nogmaals beklemtoonde:

citaat

Op initiatief van ds. W. Glashouwer besloot de "Broederschap van Pinkstergemeenten in Nederland (van nu af aan genoemd "Broederschap") een offi­cieel antwoord uit te geven op het Herderlijk Schrijven. De Algemene Raad van 8 februari 1961 benoemde een commissie om hetzelfde voor te be­reiden. De commissie bestond uit:

A. van Polen (geboren 1923) - uitgever (officieel en nuchter), voorganger te Den Haag sinds 1957.


P. van der Woude (1895-1978) - secretaris (punc­tueel & intro­vert), voorganger te Rotterdam sinds 1932, secretaris van de "Broederschap".

C. Visser (geboren 1916) - lid (ernstig & mys­tiek), voorganger te Den Haag sinds 1949.

De commissie maakte een ontwerp van wat het ant­woord moest omvatten en verdeelde de onderwerpen onder elkaar: A. van Polen schreef de inleiding en conclusie. P. van der Woude de historische en pneumatologische commentaren en C. Visser droeg achtergrond-informatie aan. Het ontwerp werd doorgenomen en van commentaar voorzien door K. van Balen, E.A. Graf en P. Klaver. In de Algemene Raad van 29 februari 1962 werd het ontwerp aang­enomen en men besloot om het te laten drukken na een laatste revisie door G. Mik en G. Susan. Op 13 oktober 1962 presenteerde de commissie offi­cieel haar "Antwoord op het Herderlijk Schrijven" aan de grote Synodale Raad van de Neder­lands Hervormde Kerk. Bij deze gelegenheid sprak P. van der Woude de Synode voorzitter ds. P.G. van den Hooff toe met de woorden:

citaat

Op 20 november 1962 werd dit "Antwoord op het Herderlijk Schrijven" besproken op de Algemene Synode van de Nederlands Hervormde Kerk en men besloot dat de leden van de "Commissie voor de bestudering van het sectewezen" zouden trachten een dialoog te beginnen met de "Broederschap". Hoewel dit boekje, dat slecht bestond uit 15 pagina's, niet zoveel aandacht trok als het Her­derlijk Schrijven, werden er enige interessante conclu­sies getrokken:

Nederlands Hervormde Kerk

F.H. Landsman (10 november 1962):

citaat

W.W. Verhoef (juni 1963):

citaat

Gereformeerde Kerken

H.J. Hegger (januari 1963):

citaat

Unie van Baptistengemeenten

J.  Reiling (november 1962):

citaat

Maranatha-beweging


J.A. Monsma (24 november 1962):

citaat

Pentecostalen

J.E. van den Brink (2 november 1962)

citaat

A. van Polen (november 1962):

citaat

A. van Polen organiseerde in verschillende plaat­sen in Neder­land openbare lezingen  waarin hij de "pastorale brief" en het  "Broederschap-antwoord" besprak, die veel publiek trokken.

Als resultaat van de Synodale beslissing  van 20 november 1962 kwam de "commissie voor de bestude­ring van het sectewezen" eenmaal bijeen, die het antwoord van de "broederschap" voorbe­reidde. Hoewel geen van de deelnemers die nog in leven zijn zich veel van deze historische ontmoeting schijnen te herinne­ren die plaatsvond op 28 mei 1963, openbaren de notulen een interessante en veelbelovende discussie. Het gekozen hoofdthe­ma was: "Wat houdt ons tegen samen de Kerk van Jezus Christus te zijn?" In een verslag in de Pinkster­boodschap werd vermeld dat de ontmoeting plaats­vond "in een geest van wederzijdse eerlijkheid hetgeen resulteerde in enkele nieuwe inzichten". Als antwoord op hun houding ten opzichte van de Wereldraad van Kerken antwoordde de delegatie dat ze bezwaar aantekenden tegen het liberale ele­ment. Beweringen van bijvoorbeeld C.H. Dodd en T.C. Chao boezemde hen de vrees in dat de Bijbel niet volledig geaccepteerd werd als het Woord van God en dat de W.C.C. te sympathiek stond tegen­over het communisme:

citaat

Ze verwachtten niet dat de "Broederschap" toe zou treden tot de W.C.C., maar stonden open om samen te werken op praktische gebieden. Wat betreft de Roomskatholieke Kerk waren de Pente­costalen ver­heugd over de vernieuwing die plaatsvond. Aan de andere kant beschouwden ze de macht van Rome als een gevaar voor de Christelijke kerk en voegden er aan toe:

citaat


Ds. J.R. Wolfensberger pleitte ervoor dat de zorg van de Broederschap niet de hoop moest uitslui­ten, zelfs niet voor Rome. Volgens hem was het krampachtige vastklampen aan de eigen denominatie een groter kwaad dan het "gevaar van Rome". Ten­slotte kwam men overeen nog twee vergaderingen te houden, een in de herfst van 1963 over de "exege­se van bepaalde schri­ftgedeel­ten" en een in het voorjaar van 1964 over "het werk van de Heilige Geest". Deze vergaderingen vonden echter nooit plaats. In een brief van 12 mei 1964 vroeg J. Swijnenburg aan de Synodale

Raad of het wenselijk zou zijn dat de commissie deze dialoog zou voortzetten:

citaat

De Synodale Raad die nooit verwachtte dat deze dialoog langer dan een vergadering zou duren, scheen snel bereid dat zij volledig instemden met de commissie, en dat een discussie met de radica­lere groepen niet van veel nut zouden zijn en dat de commissie haar taak als voleindigd kon be­schouwen. Volgens Boerwinkel verloor men langza­merhand de belangstelling omdat de Nederland Hervormde Kerk teveel verstrikt was in politieke kwesties zoals de wapenwedloop, terwijl de Pente­costalen al hun aandacht nodig hadden voor de roerige gebeurtenissen binnen hun eigen gelede­ren.

Zodoende werd een veelbelovende dialoog de kop ingedrukt voordat hij reeds was begonnen. Het Herderlijk Schrijven had geen blijvende effecten. In een artikel dat gepubliceerd was in Hervormd Nederland in 1967, werd de Pinksterbeweging weer­legd door af te geven op hun hooghartige preten­ties en ver­deelde geest. Het scheen alsof het Herderlijk Schrijven nooit ge­schreven was.

Tot slot van dit gedeelte past het om te eindigen met een kritische analyse van de inhoud en metho­dologie van zowel de "pastorale brief" als het "antwoord van de Broederschap". De "pastorale brief" was zeer zeker een uniek document, ver voor zijn tijd verschenen. Het bevestigde wat David du Plessis had waargenomen toen hij Neder­land in 1959 bezocht:

citaat


De openheid ten opzichte van de Pentecostalen en de bereidheid om de zwakheden van zichzelf toe te geven was verfrissend. De "commissie voor de bestudering van het sectewezen" had gelijk toen hij opmerkte dat "deze brief slechts het begin kon zijn van een hoogst noodzakelijke bestudering van de pneumatologie binnen de kerk". De inhoud was tamelijk eenvoudig en samenge­vat. Om deze reden was hij toegankelijk voor zowel Pentecosta­len als lekewerkers in de kerk. Behalve de vele commentaren die eerder zijn geciteerd moeten er ook enkele kritische kanttekeningen worden ge­plaatst die tot nu toe onaangeroerd zijn geble­ven. In de eerste plaats is de titel nogal preten­tieus. De inhoud in aanmerking genomen zou de titel "De Nede­rlands Hervormde Kerk en de Pinkstergroepen" gepaster zijn geweest. Ten twee­de, de op zichzelf juiste beschouwing van de aarzelende oecumenische interesse binnen de gele­deren van het Pentecostalisme wereldwijd, die beschouwd werd als een van de drie motieven voor deze brief, werd niet onderzocht binnen hun eigen nationale context. De interkerkelijke pogin­gen van bijvoorbeeld het Osborn-comité, "Kracht van Omhoog" of "Vuur" werden nauwelijks ter discussie gesteld (p. 20). Het feit dat "Stromen van Kracht" haar aanvankelijke oecumenische ijver had verloren werd eenvoudigweg afgedaan met de opmer­king dat "Aangezien zij waren begonnen met hun eigen avondmaals­diensten en doopdiensten, waren ze onherroepelijk gekomen in een sekta­rische vaargeul" (p.20). Aangezien de activiteiten van "Stro­men van Kracht" juist de oorzaak waren van dit onder­zoek is het ondenkbaar dat er geen verd­ere aandacht werd gegeven aan dit verschijnsel. In dit opzicht is het jammer dat van het aanvank­elijke idee om Karel Hoekendijk uit te nodigen voor een zitting werd afgezien vanwege zijn con­troversieel gedrag. Een unieke gelegenheid om de roep om zelfonderzoek toe te passen met betrek­king tot de vraag waarom "de Kerk lijdt aan een tekort aan de Heilige Geest", het tweede doel van deze brief, ging zodoende verloren.



Ten derde deed de commissie haar historisch huis­werk niet op de juiste manier.  Wat de internati­onale achtergrond betreft beriep zij zich enkel en alleen op de boeken van Leonhard Steiner, Mit folgenden Zeichnen en Donald Gee, The Pentecostal Movement. Het is onvergeeflijk dat het uitsteken­de werk van hun Nederlands Hervormde collega Dr. G.A. Wumkes, De Pinkster­beweging voornamelijk in Nederland, blijkbaar niet geraad­pleegd is. Het overzicht van de Nederlandse Pinkstergroeperin­gen, voornamelijk ontleend aan de zittingen, bevatte tenminste drie historische fouten. Het is pijnlijk dat een student uit Zurich (Walter J. Hollenweger) erin slaagde om grote hoeveel­heden en meer accurate informatie te verzamelen over de Neder­landse Pinkstertoneel van die dagen, hoewel hij toen Nederland nooit had bezocht. Ten vierde lijkt het merk­waardig om de praktijk van de vol­wassendoop te beschouwen als het essentiële teken van het sectewezen (zoals voorgesteld is in ver­band met "Stromen van Kracht" en "Maasbach" op p. 20 & 21) en vreemd om de Pinkstergroeperingen te verdelen in ruim van opvatting en bekrompen enkel en alleen afgaande op het feit of ze al dan niet geloven dat het spreken in tongen het eerste teken is van de doop in de Heilige Geest (p.20). Al met al is het de mening van de schrijver dat ondanks alle oprechte pogingen de Pente­costalen gade te slaan en naar hen te luiste­ren, aan de essen­tie van de "Pinksteruitdaging" voorbij is gegaan. De brief laat de indruk na, zoals Pente­costalen inderdaad zelf doen, dat de kerk ten volle bekrachtigd zal worden als individuele gelovigen eenmaal de emotionele gebeurtenis ge­noemd "de doop met de Heilige Geest" ervaren (al of niet vergezeld met het spreken in tongen). De dagelijkse praktijk binnen de Pinkster­gemeenten en het bijbels getuigenis (e.g. hand. 4:31) tonen dat de "volheid van de Heilige Geest" geen sie­raad is dat men kan bezitten, maar het is een voortdurend resultaat van be­dauwd te zijn met Zijn eeuwige tegenwoordigheid. Dit kan men niet gestructureerd of samengeperst worden in een enkele gebeurtenis. De commissie heeft de klas­sieke fout gemaakt om binnen het theologische gebied te zoeken naar de Pinksteruit­daging. Men kon hen dit nauwelijks kwalijk nemen, omdat hun onderwijs voornamelijk beperkt was tot dit speci­fieke gebied. Er is echter een belangrijkere bijdrage te vinden binnen het gebied van de soci­alisatie van de kerk door de opwaardering van het individu. Met de term "socialisatie" bedoelt de schri­jver de gelijkwaardige waardering tussen de armen en de rij­ken, de jongeren en de ouderen, de geletterden en de ongelet­terden, kleurlingen en blanken, mannen en vrouwen, rationele en verha­lende wijze van uitdrukking. In het vroege Pentecosta­lisme werd bijna op natuurlijke wijze de verbinding tussen de geestelijke gaven en het functioneren van het totale lichaam van Christus (b.v. 1 Cor.12) in praktijk gebracht. Van ieder lid werd een bijdrage verwacht van zijn of haar specifieke gave; iedereen werd gelijkwaardig geacht maar verschillend.

Zodoende werd er een zeldzame balans ontdekt tussen de wens van het individu om goddelijke tussenkomst in hun persoonlijk leven en de ver­vulling van de nood om een actief en waardevol deel van de gemeenschap te zijn. Maar aangezien de samenleving de Pentecostalen verwierpen als een fanatieke sekte, werd de gemeenschapszin beperkt tot hun eigen sub-groep. Omdat ze een tegenbeweging was van de al te gestructureerde kerk, versmal­den de Pentecostalen de kloof tussen de geestelijkheid en de leken. Tot op vandaag zijn een persoonlijke roeping en charis­ma belang­rijker kwaliteiten voor een toekomstige voorgang­er in een Nederlandse Pinkstergemeente dan een gedegen opleiding. Ten gevolge hiervan voert de mondelinge theologie de boven­toon, die op zich­zelf gezien een belangrijke bijdrage blijkt te zijn in de interculturele ontmoeting. Dit aspect raakt echter juist de beginselen van de Neder­lands Hervormde kerk­structuur en kan om deze reden een te grote sprong zijn ge­weest die men van deze pastorale brief kon verwachten.


De commissie die het "antwoord van de Broeder­schap" voorbe­reidde maakt de fout zich te veel te concentreren op de "pas­torale brief", zonder na te denken over hun eigen beeld van de Pinksterbe­weging. Zij trachtte de Hervormde theologen te doen passen in hun eigen specialiteit, hetgeen moedig was maar dwaas. Na een jaar van voorberei­ding was alles wat tot stand gebracht kon worden slechts 15 kleine pagina's text waaronder vele blanco bladzijden. Er werd geopend met de volgen­de belo­vende stelling:

citaat

Maar deze open oecumenische deur werd weer dicht­geslagen met de onzorgvuldige uitspraak dat "lei­dinggevende personen in de Wereldraad van Kerken loochenen de basiswaarheden van de Schrift, zoals de goddelijkheid van Christus en de maagdelijke geboorte van Maria". Door het uitspreken van deze ongegronde beschuldigingen stelden de Pentecosta­len zichzelf gelijk met hun tegenstanders die hen eenvoudigweg aan de kant zetten door het nazeggen van laster zonder enig persoonlijk onderzoek. Nog een inconsequentie betrof de vurig besproken kwestie of het spreken in tongen al dan niet het eerste teken is van de doop in de Heilige Geest. Aan de ene kant erkend men dat dit niet het enige teken is (p.14); aan de andere kant wordt er gezegd dat "dit schriftuurlijk teken de regel is" (p.18-19). Ten derde  toonden de Pentecostalen een beschamend gebrek aan zelfkritiek, hetgeen karakteriserend is voor hun triomfante­lijke eufo­rie. Er werd bijvoorbeeld in hun discussie over de doop (p.19) geen antwoord gegeven op de cruci­ale vraag of dit al dan niet zou kunnen uitmonden in een gevaarlijke verschui­ving van de objectivi­teit naar de subjectiviteit van het geloof. Op dezelfde wijze ging het "antwoord van de Broeder­schap" niet in op de gevaren van de dichotomie (p.39) en de verbijstering (p.51) die het Herder­lijk Schrijven terecht onder­scheidde in de Pink­sterbeweging. Niettemin was de belang­rijk­ste tekortkoming van het "antwoord van de Broeder­schap" wat zij niet gaf, en wel een analyse van haar eigen identiteit waarin zij de kerk en de samenleving moet dienen.

D. De penetratie van Pinksteren loopt op een dood spoor


Tijdens het begin van de jaren zestig vonden er drie verschil­lende gebeurtenissen bijna tegelij­kertijd plaats: dialogen in Baarn, conferenties in Beukestein en nationale conventies in Utrecht. Iedere gebeurtenis was georganiseerd met als doel de Pinksterboodschap te doen opgaan in het grote lichaam van het Christendom, en wel elk op zijn eigen individuele manier. Uiteindelijk liepen deze drie pogingen uit op een dood spoor om ver­schillende redenen. Een uiteenzetting en evalua­tie van deze drie voorbeelden van integratie kunnen ons helpen om bepaalde problemen en belof­ten in soortgelijke confrontaties te voorzien.

1. Dialoog in Baarn

Het bezoek van David du Plessis in juni 1959 en Boerwinkels lezing over de oproep van Pinkster­groepen gaf Wim Verhoef inspiratie tot het oproe­pen van een dialoog tussen de Pink­stervoorgangers en pastores uit verschillende denominaties. In een vurig artikel in Vuur van september 1959 verwees hij nar een uitspraak van David du Ples­sis op "Kerk en Wereld" waar de Kerk werd verge­leken met een goede carrosserie van een auto met een slecht lopende machine en de Pinksterbeweging met een lawaaierige machine die van geen nut was zonder carrosserie. Verhoef voegde er aan toe:

citaat

Naar zijn mening was er slechts een voorwaarde nodig:

citaat

Een maand later kon hij reeds schrijven dat hij veel reacties had gekregen, zowel van Pentecosta­len als van andere leiders en kon er een begin gemaakt worden met de dialoog. Ten einde zoveel mogelijk mensen deel te laten nemen, weerlegde Verhoef de belangrijkste bezwaren door de volgen­de voorwaarden voor te stellen:

1. Er moet genoeg oecumenische openheid zijn om in vrede naast elkaar te leven met twee verschil­lende dooppraktijken.

2. Ons begrip van de Bijbel is verbonden met onze persoonlijke ervaring en interpretatie; daarom moeten we leren luisteren naar de Bijbel in ge­meenschap met elkaar.

3. De Pentecostalen kunnen zich niet uitsluitend vastpinnen op getuigen, maar moeten komen tot een theologische overdenking.


4. Eenheid komt niet tot stand door te proberen de anderen in onze groep te krijgen, maar is slechts mogelijk als we ons beiden schuldig voe­len over de verdeeldheid van de Kerk van Chris­tus.

5. Zolang men niet zoekt naar een gestructureerde eenheid gebaseerd op de eenheid van geloof, is men gewoonlijk bezig met zondige competitie.

In een gepubliceerde reactie schreef P. van der Woude dat de Pentecostalen ten volle bereid waren om mee te doen als het een discussie zou worden tussen individuele voorgangers en dominees geba­seerd op de Bijbel en met de bereidheid het nieu­we licht toe te passen op het Schriftgedeelte dat men wel moest ontvangen.


Uiteindelijk vond de eerste ontmoeting plaats op 9 december 1959 met 24 deelnemers onder wie Ne­derlands Hervormde, Gere­formeerde en Baptisten predikanten, enkele Pinkstervoorgan­gers, een Majoor van het Leger des Heils en een paar vertegen­woordigers uit de zogenaamde "Vrije Groe­peringen". Het onder­werp waarover gesproken werd was de doop in de Heilige Geest. Zowel de Charis­matische als de Pinkstertijdschriften gaven ver­slag van een veelbelovende ontmoeting waarin de broederlij­ke harmonie werd ervaren ondanks enkele belangrijke ongelijk­heden. Verhoef sprak de hoop uit dat deze verschillend uitein­delijk aanwinsten zouden blijken te zijn in plaats van tegen­spra­ken. Deze unieke dialoog zette zich meet dan twee jaar voort. Elke maand werden er vergaderingen gehouden in Baarn, gewoonlijk op dinsdag van 10.00 uur tot 3.30 uur. Zij vonden plaats in het centrum "De Reddingsark", Adelheidlaan 8, van J. Braaksma, een onafhankelijk evangelist die toen verbonden was met de Apostolische (Pinkster) Kerk van Denemarken. De verga­deringen waren uitslui­tend voor voorgangers, pastores of leiders en stonden onder voorzitterschap van W.W. Verhoef of W. Glashouwer. De onderwerpen voor discussie werden unaniem gekozen en een lid van de groep kreeg het verzoek een inlei­ding voor te bereiden. Hierop volgde een plenaire zitting en een lunch. Gewoonlijk besloot men de dag met een open gebeds­sessie. Er werden een paar liederen gezong­en uit de liederen­boeken die gebruikt werden door de Nederlandse Pentecostalen. De eerste acht zittingen werden gewijd aan de discussie over de geestelijke gaven; er werden enkele inleidingen gehouden door Pentecostalen (P. Klaver en H.A. Luuring). Na een jaar van deze dialoog evalueerde Verhoef:

citaat

In 1961 gaf deze groepsvergadering te Baarn, die zich uitge­breid had tot 70 voorgangers, de reeds genoemde verklaring van adhesiebetuiging uit aan het Herderlijk Schrijven van de Nederlands Her­vormde Kerk (vgl. p.258). Een hoogtepunt van dit jaar was het bezoek van David du Plessis op 30 mei 1961, waarin hij een beschouwing gaf over de wereldwijde en in alle kerken voorko­mende inte­resse in de doop en de gaven van de Geest.  Toen echter het zwaartepunt veranderde in een discus­sie van enkele eigentijdse controversiële kwes­ties zoals de profetieën die uitgesproken waren door de voormalige Gerefor­meerde dominee A.A. Leenhouts en de praktijk van het excorcis­me van het Beukenstein-team, begon de interesse te ver­vagen. In 1962 dreigde de dialoog helemaal weg te ebben toen de onderwerpen die besproken werden voornamelijk overgelaten werden aan J. Braaksma. In september werd er een poging gedaan het getij te keren, hetgeen aldus werd aangekondigd in Vuur:

citaat

Dit nieuwe plan scheen veelbelovend te zijn, maar in de prak­tijk bleek het te ambitieus te zijn. Binnen een jaar liep het hele project op een dood spoor. In november 1963 kwam Verhoef tot de con­clusie dat Baarn op niets was uitgelopen omdat men zich daar enkel en alleen bepaalde bij het samen praten in plaats v an het samen werken. Terugblikkend op dit artikel, voegde J.E. v.d. Brink eraan toe:

citaat

Deze commentaren vertegenwoordigden een gezamen­lijk gevoel van teleurstelling over de manier waarop de dialoog te Baarn zich ontwikkelde. De volgende analyse voegt nog enkele andere sugges­ties toe aan de vraag waarom deze dialoog nooit verder kwam dan het eerste stadium van de me­ningsuitwisselingen:


1. Het is opmerkelijk dat de uitspraak dat deze dialoog ook de Pentecostalen zou bevoordelen slechts uitgesproken werd door de Niet-Pentecos­talen. De Pentecostalen zelf kwamen alleen met het doel de anderen te bekeren tot hun overtui­gingen. Toen de discussies voornamelijk uitliepen op intellectuele beschouwin­gen verloren zij lang­zamerhand de belangstelling. De Pentecos­talen waren op hun best als ze de kans kregen te getui­gen over hun persoonlijke ervaring en bediening, zoals dit inderdaad zo nu en dan gebeurde, maar het ontbrak de groep aan "tweetalige vertolkers" die hun boodschap konden vertalen in de terminolo­gie van de Westerse academische theolo­gie.

2. Het ontbrak het leiderschap aan de noodzaak van flexibili­teit en gevoeligheid. Dit waren zeker niet de meest op de voorgrond tredende eigenschappen van W. Glashouwer en J. Braaksma die naast W.W. Verhoef de meest vooraanstaande perso­nen  waren tijdens de eerste jaren van de dialoog. Tijdens de discussies bracht Glashouwer steeds maar weer controversiële kwesties ter tafel die hem dwars zaten en zodoende bracht hij schade toe aan de kwetsbare relatie. Het was ook verdacht dat de vergaderingen aanvankelijk geleid werden door slechts twee Nederlands Hervormde predikanten. Dit veranderde in 1962, maar toen had de dialoog reeds aan gewicht verloren. Als men vanaf het begin een Pentecostaal had gevraagd om deel te nemen in het leiderschap, zou het initiatief zich zeker hebben ontwik­keld op een andere en meer gebalanceerde manier.

3. Baarn was niet de juiste plaats om controver­siële kwesties op te lossen die de Pinksterfunde­ring deed schudden tijdens de jaren zestig. Aang­ezien dit diende als een platform voor menings­uitwisselingen en gemeenschap was er een toene­mende interesse en toeloop. Er was echter veel meer tijd nodig om de onmetelijke kloven te over­bruggen tussen de verschillende kerkelijke tradi­ties en culturen voordat hier interne Pink­ster­vraagstukken konden worden besproken.


4. Tenslotte is de sleutelvraag of er veel ver­wacht kan worden van een rationele confrontatie met de Pentecostalen. Er is reeds eerder beargu­menteerd dat de Pinksterbeweging meer een erva­ring is dan een leerstelling, een verhaal in plaats van een exegese. Om deze reden moet er ruim tijd besteed worden aan aanbidding en eigen­lijke beoefening van de geestelijke gaven. In deze dialoog voelden de Pentecostalen zich als een vis op het droge, happend naar stromen van levend water.

2. Exorcisme in Beukenstein

Hier is reeds beschreven hoe het tijdschrift Kracht van Omhoog de Pinksterboodschap trachtte te propageren binnen de ver­schillende denomina­ties (Hoofdstuk II F). De interactie met de be­diening te Beukenstein resulteerde in een opmer­kelijke verandering van het karakter van dit tijdschrift, hetgeen beneden zal worden beschre­ven.

Na de terugtrekking van Henk van den Brink in 1958 nam Jo de positie van zijn broer als hoofd­redacteur van Kracht van Omhoog over. Datzelfde jaar begon J.E. v.d. Brink een Pink­stergemeente in zijn huis te Gorinchem. De interkerkelijke samenstelling van de redactie bleef, hoewel het tijdschrift veel meer openlijk Pinksteren-gericht werd. In 1960 bestond de redactionele staf uit twee Pentecostalen, twee Gereformeerden en een Nederlands Hervormde vertegenwoordiger. Datzelfde jaar begon J.E. v.d. Brink full-time te werken voor Kracht van Omhoog. In die hoedanigheid kwam hij in contact met de gebeur­tenis­sen te Beuken­stein, hetgeen zijn bediening drastisch zou ve­randeren.

Op zondag 6 november 1960 om half twaalf ontving Izaak Roose (geboren 1919) de opdracht van de Heer om "Heilige Geest samenkomsten" te houden in het gebouw "Beukenstein" te Drie­bergen. Hij deel­de dit met de echtparen Hijink en De Groot met wie hij en zijn vrouw vele avonden in het afgelo­pen jaar hadden gebeden voor een opwekking. Allen waren in de Pinkster­beweging gekomen door Stromen van Kracht evenals het echtpaar Emeis die de huisbewaarders waren van Beukenstein. Het eerste weekend vond plaats op 17-18 december 1960. Het gebouw was tot de uiterste capaciteit gevuld (68 bedden). Op zondagmorgen was J.E. v.d. Brink uitgenodigd als hun gastspreker.


De echtparen Roose, Hijink, De Groot en Emeis samen met J.E. v.d. Brink  en Riemer de Graaf (Nederlands Hervormd jeugdlei­der te Amersfoort) vormden het zogenaamde "Beukenstein team".  In het eerste jaar werden Jan van Gijs (Nederlands Hervormd jeugdouderling te Amsterdam) en zijn vrouw eraan toegevoegd. Acht jaar lang vonden er talrijke weekeinden en opbouwweken plaats. Er werden speciale jeugdweekeinden georganiseerd en in 1965 breidden de activiteiten zich uit met "voorgangers-dagen" en weken voor buitenlandse gasten. Christenen uit verschillen­de denominaties en uit een ruim geografisch gebied kwamen om naar het "volle evangelie" te luisteren en deze te ervaren. Dientengevolge doopte Het Beukenstein-team meer dan 2.000 mensen, gewoonlijk in een zwembad in Amersfoort, maar in noodgevallen in de badkamer in Beukenstein. Een statistisch verslag van een doopdienst in 1966 toont het brede kerke­lijk gebied:

23 Nederlands Hervormden, 17 Gereformeerden, 3 Christelijk Gereformeerden, 1 Mennoniet (!), 3 Pentecostalen, 1 Vrije Evangelische, 3 Roomska­tholieken en 10 niet-Christenen. Hoewel de uitno­diging voor het eerste Beukenstein weekeinde nadrukke­lijk vermeldde dat "Deze samenkomsten alleen zijn voor Gods kinderen die zoeken naar meer kracht en heiliging, en er dus geen gebed zal zijn voor de  zieken of hen die gebonden zijn", werd het exorcisme de mest betekenisvolle en in het oog lopen­de praktijk. In 1962 schreef J.E. v.d. Brink:

citaat


De gedachte ontwikkelde zich dat bevrijding van demonen de noodzakelijke voorbereiding was voor de vervulling van de Heilige Geest, zoals heili­ging dit was in het vroege Pentecos­talisme. Er werd speciale aandacht gegeven aan de vraag of men al dan niet geestelijk gebonden was door afgodische attributen zoals wajang-poppen en amuletten of zelfs Roomskatholieke crucifixen of rozenkransen.  Regelmatig rapporteerde men hoe homosexuelen bevrijd werden en dientengevolge heterosexueel werden. Exorcisme werd geprakti­seerd op een dramatische en agressieve wijze, en in deze bediening trad I. Roose het meest op de voorgrond. Later gaf hij toe dat hij in het begin nauwe­lijks wist of dit bijbels verantwoord was, maar hij handelde zoals hij zich geleid voelde door de Geest.

De bediening in Beukenstein was geheel onafhank­elijk, zonder enige officiële bindingen met een denominatie of Pinkster­groep. Na een jaar schreef v.d. Brink:

citaat

Langzamerhand groeide het bewustzijn dat Beuken­stein de tot­standkoming van plaatselijke gemeen­ten zou moeten stimuleren waar deze  "volle raad van God" werd onderwezen en geprakti­seerd. n 1964 stelde v.d. Brink voor:

citaat

In 1965 voegde zijn schoonzoon, Peter Bronsveld, hier radica­ler aan toe

citaat

Toen tenslotte in 1968 het gebouw Beukenstein werd verkocht en afgebroken, was dit een teken voor het team te stoppen met hun vereende poging­en, en v.d. Brink concludeerde:

citaat

Evenals de vroege Pinksterbeweging stond het Beukenstein-team onder zware kritiek, bespotting en tegenstand. Het feit dat vanaf het allereerste begin er bij het publiek werd aangedron­gen zich te laten dopen door onderdompeling, hetgeen ge­daan werd door het team als de plaatselijke gees­telijkheid dit weigerde te doen, was natuurlijk aanleiding voor veel wantrou­wen in de traditione­le kerken. De klassieke Pentecostalen waren nog sceptischer. Zij verwierpen de praktijken in Beuken­stein op de leerstellige basis dat Gods kinderen niet gebonden of bezeten konden zijn door demonen, maar waarschijnlijk was de belang­rijkste reden voor hun tegenstand de onderliggen­de factor van een klasseconflict. Zij vertegen­woordigden voorna­melijk de arbeidersklasse, ter­wijl Beukenstein voornamelijk de intellectuele middenklasse trok. Op deze wijze was het een voortzetting van het dispuut met Stromen van kracht in de jaren vijftig. In 1964 reageerde  v.d. Brink op deze kritiek:


citaat

In verschillende artikelen verbond v.d. Brink deze tegenstand met het vroege Pentecostalisme en beschuldigde  de klassieke Pentecostalen die toen gedefinieerd werden als oud-Pinksteren, en die niet meer bereid waren het kruis van de verwer­ping te dragen en op huichelachtige wijze zochten naar erkenning door de kerken. De vroege Pente­costalen gebruikten echter nooit tegenstand als een argument om te bewijzen dat zij de enige ware gemeente waren waarin God zichzelf ten volle had geopen­baard. Door hun methode van stil verzet dat uitliep op isola­tie, leden zij echt wegens de verdeeldheid van het lichaam van Christus. De aanhangers van Beukenstein gebruikten de tegen­stand hun radicale afscheiding te rechtvaardigen van diegene die hen niet volgden op  "de hoge weg". Als v.d. Brink aan het einde van de jaren zestig een vers op vers studie van het boek Open­baring publiceert zet hij dit in het procrustes­bed van de voortdurende strijd tussen de valse kerk en de ware gemeente. In dit boek wordt het duidelijk hoe Van den Brink zichzelf en zijn volgelingen heeft vervreemd van hun vroegere Pinksterge­lijken. De Pentecostalen die niet voortgaan zich te ontwikke­len in Gods volledige openbaring (i.e. de leerstellingen van v.d. Brink) gaan ook deel uitmaken van die valse kerk die beheerst wordt door een geveinsde oecumene.



Terwijl I. Roose de eigenlijke praktijk van het exorcisme beoefende in Beukenstein, ontwikkelde J.E. v.d Brink de leer­stellige structuur die enkele merkwaardige overeenkomsten vertoont met het Perzisch dualisme en de Christelijke gnos­tiek. In de jaren zestig ontwikkelde hij een aantal afwijkende leerstellingen  die verworpen werden door de klassieke Pente­costalen. De essen­tie van zijn inzichten was zijn definitie van de zonde die hij beschreef als "een vrucht van het­geen in de onzienlijke wereld loskomt als de mens in gemeenschap met de duivel is". Volgens v.d. Brink wordt de zonde veroorzaakt door de infil­tratie van boze geesten waarvoor alleen Jezus bevrijding kon geven. Van nature is de mens goed. De leerstel­ling van de originele zonde is een verkeerde stelling die de tactieken van de voort­durende beschuldiging van de duivel openbaart. Op een bepaalde wijze was van den Brinks theorie creatiever en logischer dan de meeste Pentecosta­le "onsystema­tische theologie" die tot nu toe tot stand was gekomen. Toen deze "nieuwe openbaring van de Geest" echter maar nauwelijks open kwam te staan voor discussie en toen de kritiek resul­teerde in de veroordeling dat men niet meer be­hoorde tot de ware gemeente van Jezus Christus, werd hij een molensteen om de nek van het oecume­nisch belang. Vanaf het begin van de jaren zestig werd Kracht van Omhoog gratis gezonden aan alle (!) Gereformeerde, Christelijk Gereformeerde, Vrije Evangeli­sche, Baptisten, Nederlands Her­vormde predikanten en uiteinde­lijk ook aan de Roomskatholieke geestelijkheid. A.H. van den Heuvel noemde dit een uitstekende oecumenische daad en merkte op dat Kracht van Omhoog de "Pink­sterbijbel" was geworden voor honderden voorgang­ers. Toen echter het tijdschrift Kracht van Om­hoog de belangrijkste spreekbuis werd van Beuken­stein en J.E. v.d. Brinks onderwijs, werd er een getekend beeld gegeven van het oecumenisch poten­tieel van de Pinksterbeweging. De fanatieke wijze waarop Kracht van Omhoog haar inzichten pre­sen­teerde, bevestigde de heersende overtuiging dat "deze sekten slechts uit waren op eigen gewin". Ondanks het feit dat J.E. v.d Brink in 1961 en in 1963 nog steeds waarschuwde dat een meningsver­schil of verschil in leerstelling nooit ruzie of verdeeldheid mocht veroorzaken, viel hij juist zelf in deze put. Van den Brink accepteerde de isolatie die door deze controverse was veroor­zaakt als de prijs die betaald moest worden om trouw te blijven aan zijn openbaringen. De aanvanke­lijke oecumenische ijver van Kracht van Omhoog ging echter geheel verloren naar mate het tijdschrift overwegend de koe­rier werd van Van den Brinks specifieke onderwijs dat bekend werd als "De strijd in de hemelse gewesten" of "De hoge weg". De historische ontwikkeling van Kracht van Omhoog bewijst dat leerstellige verschillen inderdaad belangrijke verdeeldheid kunnen veroor­zaken, maar als men niet bereid is de beperkingen van zijn eigen overtuiging te erkennen worden deze verschillen vernietigend. De ontwikkeling binnen Kracht van Omhoog leert de Pentecostalen dat de absolute wijze waarop zij hun leer­stel­lingen presenteren gevaarlijk wordt als dit de oorzaak wordt dat ze zich afsluiten van andere Christenen met andere ideeën. Als dit gedaan wordt komen ze verontrustend dicht bij Boerwink­els definitie van een sekte:

citaat

Heden beschuldigen de meeste klassieke Pentecos­talen v.d. Brink van ketterij en hierom verwerpen zij de vijftig gemeen­ten die zijn leer aanhangen. Van den Brink van zijn kant stelt de Pentecosta­len aan de kaak die zijn opvatting niet deelden van "teruggekeerd te zijn naar Babel", i.e. te­ruggekeerd naar dode kerkelijke structuren. Beide groepen lopen echter het gevaar van vervreemding, isolatie en doelloosheid als hun horizon niet wordt verruimd buiten hun eigen opvatting van waarheid.

3. Oecumene in het zakenleven


In december 1960 werd de stichting "Volle Evang­elie Zakenlie­den Nederland", beter bekend als de afkorting "VEZA" opgericht in Utrecht. Het lid­maatschap stond open voor zakenmannen en zaken­vrouwen, werknemers, functionarissen en zelf­standigen. Voorgangers en dominees konden ook toetreden, maar zij waren niet bevoegd om comité-lid te worden. De VEZA was de Neder­landse tak van de "Full Gospel Business Men"s Fellowship Inter­national" (van nu af aan genoemd F.G.B.M.F.I.), een organisatie die opgericht was door de Armeni­sche Amerikaan Demos Shakarian in 1951 ten einde zakenlieden te winnen voor Christus. Tegen de tijd dat de VEZA in Nederlands begon was de F.G.B.M.F.I. uitgegroeid tot een aanzienlijk belangrijke organisatie in de V.S. en was erin geslaagd, zoals Hollenweger het stelde, "een gehoor te pakken voor de Pinkster genezings­evang­elisten in de niet-Pinksterkerken en in de Angli­caanse orde van Sint Lucas". Aan het einde van de jaren vijftig en het begin van de jaren zestig begon de F.G.B.M .F.I. in toene­mende mate nieuwe typen van publiek uit de middenlaag van de samen­leving te bereiken met de Pinksterboodschap bin­nen hun eigen sociologische setting. Vanwege hun nadrukkelijke onker­kelijke benadering vormden zij een belangrijke factor in de opkomst van de zoge­naamde neo-Pentecostale of Charismatische bewe­ging. Hoewel de Nederlandse Charismatische bewe­ging haar wortels heeft in Stromen van Kracht, droeg de VEZA zeker bij aan haar populariteit en groei.

Christelijke eenheid lag ten grondslag aan de VEZA. In een stimulerend traktaat werd het hoofd­doel van de VEZA beschreven als:

citaat

In een andere omschrijving van hun doelstelling kwam hun protest tegen de Christelijke status quo en de oecumenische pogingen voor eenheid nog duidelijker tot uitdrukking:

Hun president Peter Willem van den Dries (1905-1975), een succesvol zakenman en directeur van vier bouwbedrijven gaf gestalte aan deze ambi­ties. Hij  had een paar samenkomsten van Zaiss in 1952 bezocht, maar pas na de campagne van Osborn in 1958 werd hij een vurige stimulator van de Pinksterboodschap, terwijl hij zelf lid bleef van de Gereformeerde kerk. Vroeger zou zijn eerste vraag zijn geweest "Tot welke kerk behoort u?", en nu was het eerste wat hij vroeg: "Bent u ook een kind van God?" Van 1960 tot 1967 was Van den Dries de stimulerende kracht van de VEZA. Een van zijn voornaamste zorgen was het bevorderen van eenheid onder de Pentecostalen.

In haar eerste jaar concentreerde de VEZA zich op plaatselijke samenkomsten voor zakenlieden. Spre­kers uit verschillende denominaties en Pinkster­groeperingen waren uitgenodigd hun publiek toe te spreken. Zij trokken velen aan die geïnteres­seerd waren in de Pinksterbeweging. In een overzicht van het eerste jaar concludeerde Van den Brink:


In 1961 sponsorde de VEZA ook een rondreis van Donald Gee waarin zij afzonderlijke samenkomsten organiseerden voor Nederlands Hervormde en Gere­formeerde predikanten. Gee was zo verrast door de positieve belangstelling van de Hervormde kerken dat hij schreef: "Ik voel dat God probeert iet te doen en we moeten de betekenis hiervan voor Ne­derland begrijpen en misschien wel voor de we­reldwijde Pinksterbeweging als ge­heel". Terug­blikkend op de zittingen waar hij vragen moest beantwoorden die gesteld waren door verschillende Hervormde predikanten, schreef Gee:

citaat

In oktober 1962 trachtte de VEZA de kloven te overbruggen tussen de verschillende Pinksterstro­mingen in Nederland. Op 6 oktober kwamen verte­genwoordigers uit bijna alle groepen samen te Baarn om te komen, zoals Van den Brink het uit­drukte, "uit het moeras van disharmonie". De Engelse evangelist William Hacking die toevallig aanwezig was, bracht op enthousiaste wijze ver­slag uit:

citaat

De samenkomst had een vervolg in Beukenstein op 27 oktober 1962. De mate waarin eerste indrukken misleidend kunnen zijn werd duidelijk in een commentaar op diezelfde samenkomsten in de Pink­sterboodschap:

citaat

Hoewel de eenheid onder de Pentecostalen  een moeizamer proces bleek te zijn dan de VEZA had voorzien, resulteerden deze samenkomsten in de deelneming van bijna alle Pinkstergroepe­ringen in de nationale conventies die de VEZA organiseerde vanaf 1963: de zogenaamde "Vreugdedagen". De planning van de eerste "Vreugdedag" op 27 april 1963 in de Margriet-hal in Utrecht toonde de nauwgezetheid van de organisatie om iedereen aan het woord te laten. De drie belangrijkste spre­kers waren S.R. Sagström (Voorzitter van de Broe­derschap), K. Hoekendijk (Stromen van Kracht) en J. Maasbach (Volle Evangelie Zending), maar ook ds. W.W. Verhoef (Nederlands Hervormd), ds. H. Schut (Gereformeerd) en ds. M. de Jong (Baptist) werden gevraagd een inleidende toespraak te ge­ven. De verwachtingen waren hoog gespannen. Ben Hoekendijk betitelde dit als de "Dag van Ver­zoe­ning" en voegde eraan toe:

citaat


Ongeveer 6.000 mensen woonden deze veelbelovende gebeurtenis bij. J.E. v.d. Brink schreef dat "dit boven alle verwachting uitging", maar Verhoef merkte een bepaalde spanning op en Sagström miste "geestelijke diepte en volwassenheid". Tijdens de tweede "Vreugdedag" op 21 september 1963, kwamen meer dan 8.000 mensen luisteren naar de hoofd­sprekers David du Plessis, Samuel Doctorian en Ben Hoekendijk. Nogmaals gaven enkele vertegen­woordigers uit de traditionele kerken een inlei­ding. Terwijl tijdschriften als Kracht van Om­hoog, Stromen van Kracht en Opwekking voortgingen met het uitbrengen van jube­lende verslagen, gaf Verhoef een nuchterder evaluatie:

citaat

In 1964 werden er weer twee "Vreugdedagen" gehou­den, van 1965 tot 1970 werden deze eenmaal per jaar georganiseerd in de herfst. De samenkomst in 1965 werd nog steeds aangekondigd in Opwekking als een "belijdenis dat we dezelfde dingen gelo­ven en beu zijn van verdeeldheid", maar de in het oog lopende leerstellige en organisatorische verschillen konden niet lang door deze leuzen bedekt worden. Omdat P.W. van den Dries zijn sympathie voor Beukenstein en Kracht van Omhoog niet verborg en J.E. v.d Brink een van de comité-leden was raakte de VEZA tegen haar zin betrokken in de scheuring die de Pinksterbewe­ging uiteen scheurde in de jaren zestig. Van den Brink be­schreef deze periode in zijn eigen woorden:

citaat


De spanningen tussen de leidinggevende broeders droeg er zelfs toe bij dat het VEZA-comité de "Vreugdedag" liet vervallen die gehouden zou worden in september 1967. Na een verzoeningssa­menkomst vond deze "Vreugdedag" plaats op 11 november te Hilversum. Op deze dag verkondigde de jonge sprekers vanaf het podium openlijk hun uiteenlopende meningen. Dit werd afgedaan met de stelling dat dit de "veelkleurige wijsheid van God" was, maar niettemin stond het publiek ver­stomd. Van den Dries kondigde aan dat na een poging van zeven jaar om de broeders dichter bij elkaar te brengen, de VEZA zich nu weer zou con­centreren op haar oorspronkelijke doel om zaken­lieden voor Christus te bereiken. De scheuring binnen het VEZA-comité trad op de voorgrond op de algemene vergadering van 24 november 1967 toen het gehele comité aftrad en slechts Jhr. F.W.P.M. van Panhuys, burgemeester van Hummelo en Keppel zich herkies­baar stelden. De belangstelling in de VEZA nam snel af. Op de "Vreugdedag" in 1970 waren er slechts 900 mensen aanwezig. In 1973 waren er niet meer dan drie hoofdstukken over. Op 9 februari 1974 werd de VEZA officieel ontbonden. Vijf jaar later werd er een nieuwe tak van de F.G.B.M.F.I. opgericht in Nederland, met het nadrukkelijk advies om als sprekers in het bij­zonder leken uit te nodige in plaats van geeste­lijken.

De "Vreugdedagen" werden georganiseerd in de naïeve veronder­stelling dat de viering van de­zelfde ervaring van het kind­schap Gods en de doop in de Heilige Geest alle bestaande verschillen zou doen wegebben. Het feit alleen dat de VEZA erin slaagde verschillende Pinksterstomingen samen te brengen, die elkaar nog steeds beschul­digden van ketterij of starheid, toont dat dit een goed beginpunt kan zijn. De evangelistische fase moet echter opgevolgd worden door het proces van disci­pelschap en op dit punt stagneerden de pogingen van de VEZA. Een discipel van Christus te zijn impliceert aanpassing bij en instemming met alle anderen die behoren tot Zijn kudde. Op deze weg scheen echter niemand bereid te praten over hun overtuigingen, en helemaal niet deze kritisch te onderzoeken terwille van de eenheid. Een belangrijke voorwaarde voor het proces van de eenheid is de erkenning dat de status quo  van verbrokenheid en separatisme onacceptabel is. Het is jammer dat de echte geestelijke eenheid die tijdens de eerste "Vreug­dedagen" werd ervaren niet gehandhaafd konden worden vanwege wederzijd­se rivaliteit en intolerantie. Het bewustzijn echter dat Pentecostalen uit verschillende ach­tergronden samen kunnen aanbidden in dezelfde Geest, brengt de verplichting met zich mee naar elkaar te luisteren en onszelf open te stellen voor de aanvulling die we in deze ontmoeting zeker zullen ontvan­gen.

E. De Gereformeerde kerken terug in de loopgraven


In 1967 accepteerde de Algemene Synode van de "Gereformeerde Kerken in Nederland" (van nu af aan genoemd GK) een voorlich­tend geschrift met als titel "Het werk van de Heilige Geest in de gemeente". De ondertitel vat de inhoud beter samen:  "Voor­lichtend geschrift­ over de Pinkster­groepen". In tegen­stel­ling tot het Herderlijk Schrijven van de Nederlands Her­vormde Kerk, was dit document een klassieke weerlegging van de Pink­sterbe­weging gebaseerd op de arrogante over­tuiging dat men zelf op het juiste spoor was. In het perspectief van het Pentecosta­lisme gezien was deze veel behoudender dan het Herderlijk schrijven dat zeven jaar eerder was gepubliceerd. De belang­rijkste overeen­komst tussen de twee boekjes was hun afmeting. Het is niette­min betekenis­vol dat de op een na grootste Her­vormde denomina­tie in Neder­land de behoefte voelde het Herder­lijk Schrijven aan te vullen met een docu­ment "dat de schrif­tuurlij­ke gege­vens in grotere diepte zou navolgen". Om deze reden volgt hier een verdere uiteenzetting van de achter­grond, ontwikkeling, reacties en resultaten.

In de loop van deze studie is erop gewezen dat vanaf het begin de GK de Pinksterbeweging veel omzichtiger en negatiever hebben benaderd dat de Nederlands Hervormde Kerk. Dit kan misschien verklaard worden uit het feit dat vanwege het strik­te biblicisme en de nauwere banden met het piëtisme, de GK dichter stonden bij de Pentecos­talen en dat hierom de laatsten  een grotere bedreiging waren. Deze overeenkomst wordt ook onderstreept door het feit dat de GK een grotere interesse in de pneumatologie hebben getoond. Hun leider Abraham Kuyper (1837-1920) werd zelf ge­noemd "de theoloog van de Heilige Geest". In 1888 werd zijn eerste deel over een werk van de Heili­ge Geest gepubliceerd, dat jarenlang beschouwd werd als het standaardwerk over dit onderwerp. In 1949 werd een tweede belangrijk werk (geschreven door twintig beroemde Gereformeer­de theologen) gewijd aan dit onderwerp, met de bedoeling Kuy­pers studie te moderniseren en uit te breiden. In de epi­loog van dit boek concludeerde J.H. Ba­vinck:

citaat


Hierin klinkt het verlangen van een nieuwe aanra­king van de Geest in door, dat G. Brillenburg Wurth reeds te kennen gaf in 1933:

citaat

In het slot van het Synodale verslag over "De Positie van het Geestelijk Leven" in 1959 waarin werd vermeld onder het op­schrift "therapie van het geestelijk leven", werd dezelfde nood tot uitdrukking gebracht:

citaat

In de jaren vijftig werd de theorie dat de gees­telijke gaven slechts bedoeld waren voor de vroe­ge kerk in toenemende mate betwijfeld. D.G. Mole­naar beschreef dit proces als een keer­punt in de Gereformeerde theologie. Deze wijziging ontwik­kelde zich echter langzaam en te dele. In 1958 voelde ds. A.A. Leenhouts zich gedwongen af te treden als Gereformeerd predi­kant toen zijn pro­fetische uitingen niet serieus werden geno­men. Niettemin keerde het getij. In 1960 schreef Bril­lenburg Wurth: "De stroom van de Heilige Geest is absoluut niet opge­droogd. Pinksteren behoort zeker niet tot het verleden". Een half jaar later voegde H. Ridderbos hier in hetzelfde tijd­schrift aan toe:

citaat

Deze uitspraken onderstrepen de ontvankelijke atmosfeer van de Gereformeerde kerk in het begin van de jaren zestig, hetgeen ook bewezen is door een verslag door David du Plessis van een bezoek op 22 juli 1960:

citaat


De pogingen van de Gereformeerd notaris en ouder­ling H.J. Zweers om de kloof te versmallen tussen de Pentecostalen en de Reformatorische kerken zijn reeds genoemd (Hoofdstuk III B 4 -p.168-169). Nog indrukwekkender was de betrokkenheid van enkele predikanten. In het tijdschrift De Strijdende Kerk, waarvan de Gereformeerde radio-evangelist G.J. Toornvliet de hoofdredacteur was, werden veel positieve artikelen gewijd aan de oproep van Pinksteren. In 1961 traden ds. J. Bonda (geboren 1918) en ds. H. Schut (geboren 1921) toe tot de redactie van het charismatisch tijdschrift Vuur. De voormalige Roomskatho­lieke vader H.J. Hegger (geboren 1916), die in 1951 gerefor­meerd predikant was geworden, stimuleerde eveneens de Pink­sterleerstellingen. Hij was be­trokken in de vergaderingen te Baarn en tekende de adhesiebetuiging (vgl. p. 258) uit naam van de Gereformeerde broeders. In zijn boek Ik zag Gods heer­lijkheid gaf hij een uiteenzetting van de geestelijke gaven vanuit de klassieke wijze van Pinksteren,hoewel hij besefte dat dit protest en verwerping zou veroorzaken. In zijn conclu­sie schreef hij:

citaat


Een man echter overtrof allen in zijn beklemto­ning op de noodzaak van de doop in de Heilige Geest: ds. D.G. Molenaar (1911-1961), een onop­vallende predikant in de kleine Gerefor­meerde kerk te Renswoude. Molenaar had een bezoek ge­bracht aan een van de Keswick-conferenties in Engeland en keerde met hooggespannen verwachting terug. Aan al zijn vrienden en naaste collega"s stelde hij de beslissende vraag: "Bent u vervuld met de Heilige Geest?" In Utrecht begon hij met een zogenaamde "Predikantenkring" waar predikan­ten uit uiteenlo­pende denominaties, onder wie W.W. Verhoef en de Gereformeerde predikant K.J. Kraan, op praktische wijze beschouwingen gaven over de Pinksterboodschap. Twee weken voor zijn dood op 16 november 1961  overhandigde hij zijn manuscript met als titel "De doop met de Heilige Geest". Hollenweger analyseerde dat het eerste exegetische deel van dit boek, dat was gepubli­ceerd in 1961, "een verontrustende onwetendheid van de Nieuwtesta­mentische bestudering van de laatste dertig jaar" aan het licht bracht. Mole­naar, zoals een oprecht Gereformeerd predi­kant in die dagen was geacht, was inderdaad voor zijn theolo­gie voornamelijk afhankelijk van Gerefor­meerde bronnen die, zoals hijzelf moest toegeven, "soms wel blind leken te zijn wat betreft dit onderwerp". Hij was het eens met de Pentecos­talen dat de Geestesdoop een "plus"  is, maar daagde hen uit in hun onderscheid tussen het natuurlijke en het bovennatuur­lijke door de charismata t e verklaren door middel van filoso­fische en psycho­logische inzichten. Meer dan de helft van het boek werd besteed aan historische illustraties, waarin Mole­naar overeenkomstig de heiligingstra­ditie de doop in de Heili­ge Geest gelijkstelde met emotionele religieuze ervaringen. Ondanks deze verschillen waren de Nederlandse Pentecosta­len zeer ingenomen met deze publikatie en raadden hun lezers aan om hem als een gift aan te bieden aan hen die weinig wisten over de doop in de Heilige Geest. Met merendeel van de Gere­formeer­den bleven echter voorzichtig of waren de Pente­costalen ongunstig gezind, in het bijzonder wan­neer zij opdoken in hun eigen plaatselijke kerk.

De onmiddellijke aanleiding tot het voorlichtend geschrift was een brief van de Plaatselijke Syno­de in Zuid-Holland (oosten) ondersteund door brieven van de Gereformeerde kerk te Lands­meer, aan de Algemene Synode van de GK. De brieven, die behan­deld werd op de Algemene Synode van 4 maart 1964, verzochten:

citaat

Deze gebeurtenis vertoonde een opmerkelijke over­eenkomst met de aanleiding tot het Herderlijk Schrijven van de Nederlands Her­vormde kerk (vgl. p. 242), de benadering van deze Algemene Synode was echter onbuigzamer. Er werd uitdrukkelijk vermeld dat:

1. De uitspraken betreffende wederdopen door Stromen van Kracht (vgl. Hoofdstuk III D) waren ook van toepassing op de Pinksterbeweging:

2. Die leden die (vanwege dit feit) onder tucht werden gezet door het te weigeren aan het Heilig Avondmaal deel te laten nemen zouden op dezelfde wijze behandeld moeten worden in andere Gerefor­meerde kerken;

3. Men moest onderzoeken of gasten in aanmerking kwamen op del te nemen aan het Heilig Avondmaal;

4. Voor ambtsdragers is het tegenstrijdig met hun ambt om in een dusdanige relatie te treden met de Pinksterbe­weging waar zij medeverantwoordelijk zijn voor het propageren van onder­wijs dat in strijd is met de geloofsbelijdenis van de kerk;

5. Kerkeraden moeten in hun zorg voor de gemeente hun volle aandacht schenken aan vragen met be­trekking tot de Pinksterbe­weging en indien nodig moeten zij vermaningen uitvaardigen.


Men besloot een studiecommissie in het leven te roepen die een voorlichtend geschrift zou voorbe­reiden over de Pinkster­groe­perin­gen. In hun keuze van de afgevaardigden ging de Algemene Synode omzichtiger te werk dan de Nederlands Hervorm­de Synode in 1959. Ds. G.Y. Vellenga (geboren 1920), lid van de Synode en voorzitter van deze commis­sie, was medeschrijver van een verpletterend boek over Stromen van Kracht dat in 1957 ver­scheen. Ds. A.G. Kornet (geboren 1922) had kort geleden een boek gepubliceerd waarin hij de Bijbelse bezwaren tegen de Pinksterbeweging had uiteeng­ezet. De derde afgevaardigde ds. H.C. Endedijk (geboren 1926) was totaal verrast met deze benoe­ming; de enige aannemelijke verklaring die in hem op kwam was het feit dat hij tijdens zijn bedie­ning in de Zaanstreek (1951-1953) een negatieve ervaring met het Pentecostalisme had gehad. Ten­slotte trad Dr. Herman H. Ridderbos (geboren 1909), professor in de Nieuwtestamentische theo­logie op de Gerefor­meerde hogeschool te Kampen en bekend om zijn bewaking van de Gereformeerde traditie, toe als adviseur.


De drie afgevaardigden en hun adviseur kwijten zichzelf op resolute wijze van hun opdracht. Tijdens de eerste vergadering werden de taken verdeeld. Kornet zou de historische introduc­tie schrijven en het gedeelte over de gaven en de vruchten van de Geest; Endedijk zou het hebben over de Geestesdoop en de waterdoop; Vellenga zou de relatie tot de kerk en de geeste­lijke ambten onderzoeken en Ridderbos zou de conclusie samen­stellen. De afgevaardigden kwamen verschillende malen bijeen in Arnhem om de wederzijdse bijdra­gen de bespreken en te bekritiseren. Ondanks enkele minieme meningsverschillen werden de ver­gaderingen altijd in goede harmonie gehouden. Een Pente­costaal, Karel Hoekendijk, werd uitgenodigd voor een verdedi­ging maar toen hij antwoordde dat "de Heilige Geest hem gezegd had hen niet toe te spreken" waren ze niet geneigd iemand anders uit te nodigen. In mei 1965 werd een eerste ontwerp aangeboden, met uitzondering van de conclusie van Ridderbos. Zeven leden van de Synode zonden ge­schreven commentaren in en de zogenaamde "Commis­sie I" (i.e. de permanente commissie voor onder­wijs en geloofsbelijdenis) had eveneens enkele belangrij­ke bezwaren; de voornaamste struikel­blokken waren:

1. Het is zeer de vraag of dit ontwerp tegemoet komt aan de originele vereisten van de Algemene Synode van 1964. Het is nog niet acceptabel als een semi-officieel gezaghebbend docu­ment.

2. Er wordt te weinig aandacht geschonken aan de achtergrond van de Pinksterbeweging en de vraag waarom deze zo opbloeit. De historische gegevens vragen om nadere toelichting.

3. Het concept staat nog steeds wankel en er is weinig samen­hang. Enkele gedeelten, bijvoorbeeld over genezing en de doop, zijn nog niet voldoende doordacht.


Gedurende een langdurige discussie in de Algemene Synode van 21 oktober 1965 stelde Dr. C. Gilhuis voor om het hele project te laten vallen, omdat het nauwelijks het uitstekende Herder­lijk Schrij­ven van de Nederlands Hervormde Kerk comple­menteer­de. Dr. F.L. Bos merkte op dat de afge­vaardigden dezelf­de fout maakten als de Pentecos­talen zelf, en wel dat zij een te idealistisch beeld van de kerk of de gemeente vooronder­stel­den. "Commissie I" adviseerde hen om beter te luisteren naar de Pentecostalen zelf en was de mening toegedaan dat het document ook de Pink­sterbroeders zelf zou moeten aanspreken. Tenslot­te besloot men dat de afgevaardigden hun ontwerp zouden herschrijven en dat zij daarbij rekening zouden houden met de kritiek van de Synode. In 1967 werd er een laatste ontwerp aangeboden. "Com­missie I" betwijfelde nog steeds of dit hen zou aanspreken die sympathiseerden met de Pink­sterbeweging en drongen er bij en op aan om mee uit weiden over het probleem van waarom de gaven van de Geest zo sporadisch aanwezig zijn in de kerken. De vraag werd zelfs opgeworpen of het document al dan niet op deze wijze gepubliceerd moest worden. Echter op 14 september 1967 op de Algemene Synode te Lunteren kwam men nauwelijks zonder enige discussie tot een overeenstemming dat het voor­lichtend geschrift uitgegeven zou worden nadat de kritiek van de "com­missie I" was opgenomen. Vier leden, onder wie twee professo­ren, tekenden bezwaar aan en enigen onthielden zich van stem­ming. Prof.Dr. J. van den Berg ont­hield zich omdat het docu­ment te menslievend achtte en van mening was dat het veel strenger zou moeten waarschuwen tegen de "heidense demonolo­gie" van Kracht van Omhoog.

In 1968 werd het voorlichtend geschrift in boek­vorm gepubli­ceerd. Ondanks het feit dat Kilian McDonnell  een volledige vertaalde versie liet opnemen in zijn Presence, Power, Praise en het "een belangrijk docu­ment van de historische ker­ken" noemde, werd het nauwelijks opgemerkt in Nederland. De publi­katie wekte weinig interesse en er bleek geen herdruk nodig te zijn. Zelfs de schrijvers van het voorlichtend geschrift moesten achteraf toegeven dat "het niet was geland". Men kon slechts een paar reacties en recensies na­trekken. In Amsterdam gebruikte een groep van vijfentwintig charismatici het voor­lichtend ge­schrift als richt­lijn voor hun avondgebeden. In het tijd­schrift Kerk en Theolo­gie werd het be­treurd dat de publi­katie gen vereende poging was geweest van de Nederlands Her­vormde en Gerefor­meerde kerken, met de bedoeling het Herd­erlijk Schrijven van 1960 te moderniseren. Het Vrije Evangeli­sche tijd­schrift Ons Orgaan merkte op dat de schrijvers een ideale toestand be­schreven van de kerk die niet overeenkwam met de realiteit. Vanuit de Pentecostalen gaf alleen de "Broe­der­schap" een serieus antwoord. In een brief aan de Algemene Synode van de GK spraken zij hun waarde­ring uit en gaven te kennen:

citaat

Het feit dat de Broederschap zo"n positief ant­woord gaf op zo"n kritisch document kan slechts verklaard worden uit het feit dat in dat jaar de Broederschap op het hoogtepunt van oecumenische openheid was. Hun jonge voorzitter Dick Voorde­wind (geboren 1937)  was begonnen aan een rubriek in hun tijdschrift De Pinksterboodschap, getiteld "Tussen Kerk en Pinksteren", waarin hij openlijk pleitte voor een dialoog met andere denominaties. In hun informatieboekje vermeldde de Broeder­schap:

citaat


De brief van de Broederschap werd tijdens de Algemene Synode van de GK te Lunteren op 6 maart 1968 voorgelezen en men nam er slechts notitie van. De Broederschap publiceerde het ook gedeel­telijk in De Pinksterboodschap en adviseerde de Pente­costalen dit voorlichtend geschrift te le­zen. De enige kriti­sche noot die geplaatst werd was het feit dat de historische informatie over de Broederschap niet actueel was. Tijdens de Algemene Raad van de Broederschap te Ede op 27-28 september 1968 werd er een commissie in het leven geroepen, die een officieel antwoord op het voor­lichtend geschrift van de GK zou voorbereiden. De commissie bestond uit de Pinkstervoorgangers K. van Balen, H.Ch. Sleebos (waarnemend secretaris van de Broederschap) en P. van der Woude en de Gereformeerde (!) broeder J. van der Stoep die zo nu en dan gast was op de Algemene Raad van de "Broederschap". Deze commissie produceer­de een eerste ontwerp tegen juni 1969, maar de publika­tie werd uitgesteld omdat de Uitvoerende


Raad van mening was dat de inhoud nog niet bevre­digend was. Ondanks enkele dringende brieven van P. van der Woude waarin hij zelfs vermeldde dat de "Broederschap" zichzelf bespotte­lijk zou maken als deze publikatie die reeds aangekondigd was in verschillende kranten nog langer zou worden uit­gesteld, scheen de Uitvoerende Raad geen zin te hebben zich te haasten. Behalve het feit dat ze niet zozeer tevreden waren met de inhoud, zijn er misschien twee andere redenen voor deze plot­se­linge aarzeling. In april 1969 trad Voordewind af als Voor­zitter vanwege een hartaanval en met hem verdween de stimule­rende kracht achter dit initi­atief. Ten tweede moesten de schulden voor de publikaties, in het bijzonder van De Pink­ster­boodschap waarvan de publikatie helemaal stopge­zet moest worden, dringend worden voldaan. Ten­slotte liep het project op een dood spoor. De notulen van de Uitvoerende Rad van 14 september 1970 vermeldden eenvoudigweg dat "het manuscript zoekgeraakt was". Intussen probeerde K. van Balen een uitge­breider antwoord te publiceren dat hij zelf had geschreven, maar deze poging bloedde eveneens dood vanwege onoverkomelijke financiële problemen. Achteraf gezien is het zeer betreurens­waardig dat deze dialoog nooit plaats­vond. Van Balen (geboren 1932) zou een competent gesprekspartner zijn geweest. Sinds 1957 was hij medevoorganger van de G.G. in Rotterdam, die geleid werd door A.G. Rijnen. In een artikel dat gepubliceerd werd in 1961 gewaagde hij van de authentieke oecumenische ijver van de vroege Pinksterbeweging met de woorden:

citaat

Met uitzondering van enkele merkwaardige uitwei­dingen is zijn niet gepubliceerde manuscript van veel betere kwaliteit dat het "antwoord van de Broederschap" op het Herderlijk Schrijven van de Nederlands Hervormde kerk. In zijn inleiding vermeldde hij dat het voorlichtend geschrift van de GK het op een be­paalde manier teleurstelde en dat de Pentecostalen zichzelf niet erkend voel­den. Tevens gaf hij toe dat de Pinksterbewe­ging geen reden had hoogmoedig te zijn ten opzicht van de kerken, want "ook onder hen waren er dingen die tegen de Geest ingin­gen en Hem bedroefden". Zijn belangrijkste argumenten tegen het voorlich­tend geschrift waren:

1. Er bestaat geen antithese tussen de "Kerk" en de "Pinkster­gemeente". Er bestaat slecht één ware Kerk die door Jezus zelf is gesticht; deze Kerk omvat de Pentecostalen (p.3-4).

2. De doop in de Heilige Geest is geen tweede basis voor de zekerheid van het geloof. Onze redding is enkel en alleen gebaseerd op het ver­zoeningswerk van Christus (p.5-7). Het­zelfde is van toepassing op de waterdoop (p.12-13).

3. Het spectaculaire element is een essentieel deel van de Bijbel, in het bijzonder in het Nieu­we Testament (p.8-9).

4. De doop voor gelovigen moet onderscheiden worden van de doop in de Heilige Geest en behoeft geen buitengewone ver­schijnselen. Het meningsver­schil aangaande de doop zou geen struikelblok moeten zijn voor wederzijdse meditatie over het werk van de Heilige Geest (p.12-13).

5. De Pinksterbeweging onderwijst niet dat deel­name aan het Heilig Avondmaal een middel is om de doop in de Heilige Geest te ontvangen (p.16).


6. De doop in de Heilige Geest is geen afgeschei­den spectacu­laire gebeurtenis, maar een geïnte­greerd deel van de Nieuwtes­tamentische gemeente. Deze ervaring behoort tot de fundamenten van het Christendom (p.17-19).

7. Als de Heilige Geest de ruimte krijgt, worden gelovigen vervuld met de Geest waarvan het spre­ken in tongen het bijbel­se teken is (p.20-24).

8. De gaven en de vruchten van de Geest moeten gelijktijdig gemanifesteerd worden, maar kunnen afzonderlijk tot stand gebracht en ontwikkeld worden (p.33).

9.

De bewering dat alle gelovigen alle geestelijke gaven bezitten is niet kenmerkend voor de Pink­sterbeweging als geheel (p.34).

10. Ongepast tentoongestelde volwassenheid kan ons ervan weerhouden de Heilige Geest te ontvang­en (p.35).

11. De geestelijke gaven zijn van een geheel andere orde dan de natuurlijke gaven (p.37).

Het manuscript besluit met een uiteenzetting van de geestelij­ke gaven (p.41-56) en het gezichts­punt van de Pinksterbeweging aangaande de doop (p.57-59). In zijn conclusie beklemtoont Van Balen:

citaat


Het voorlichtend geschrift was ook teleurstellend voor de Gereformeerde geestelijken die nauw be­trokken waren in de dialoog met Pinkstergroepe­ringen. In 1970 trachtte Dr. K.J. Kraan (1912-1970) hun belangrijkste bezwaren uiteen te zetten in een boekje getiteld Ruimte voor de Geest? Kraan was Gere­formeerd predikant geweest in Lon­den van 1949-1956 en stond tijdens die periode in contact met de Anglicaanse genezingsbe­diening. Toen hij terug was in Nederland wekte zijn voor­malige studiegenoot D.G. Molenaar het verlangen in hem op in de doop in de Heilige Geest. In 1963 trad hij toe tot de redactie van Vuur en in 1964 gaf hij het initiatief tot de opening van een sociaal-religieus centrum, genaamd "Oase", dat zich in toene­mende mate concentreerde op de dienst der genezing en het exorcisme. In zijn reactie op het voorlichtend geschrift begon Kraan met de bijbelse aantoonbaarheid van de "tweede zegen" van de doop in de Heilige Geest, die de levensheiliging ver­diepte en vernieuwde (p.7-13). Dit ontving men op basis van het geloof en niet van de ervaring (p.17-23). Hij vermeldde eveneens dat de veronderstelde scheiding tussen Christenen die wel of niet gedoopt waren in de Geest opper­vlakkig was aange­zien het Christendom zelfs nog veel pluriformer was (p.23-27). Zijn opmerkingen aangaande de volwassendoop waren in het bijzonder van oecumenisch belang, bijvoorbeeld:

citaat

Het werd zelfs betwijfeld of de Bijbel bewees dat men slecht eenmaal in het leven kon worden ge­doopt (p.32). Het kritisch waren Kraans commenta­ren op het gedeelte aangaande de geeste­lijke gaven waarvan men zich niet simpelweg kon ontdoen door deze te betitelen als "kenmerkend voor een onvolwassen kerk" of "louter spectaculaire of extatische uitingen" (p.34-40). Er was niets spectaculairs aan de glossolalie als deze werd gebruikt als een gave voor het gebed (p.40-42). Tenslotte voegde hij er de correctie aan toe dat de Pentecostalen de genezing niet baseerden op de doop in de Geest, maar alleen op de verzoening (p.42-49). Het boekje besloot met de woorden:

citaat


De meeste kritiek aangaande het Herderlijk Schrijven van de Neder­lands Hervormde Kerk (p.258-261) is eveneens van toepas­sing op het voorlichtend geschrift van de GK. Het sociologi­sche ver­schijnsel van de Pinksterbeweging werd nauwelijks opgemerkt en het korte historische overzicht in de appendix was vol met fouten. Zelfs nog erger was echter de karikatuur van de Pente­costalen. Het document weerlegde een bewe­ging die slechts bestond in haar verbeelding. In het voorwoord vermeld­de de Synodale raad dat "zij verwachtten dat kerkeraden en kerkleden een juist inzicht zouden krijgen aangaande de aard en de achtergrond van de Pinksterbeweging". Dit boekje gaf echter een vertekend beeld. Als men zich realiseert dat dit verslag voorbereid was over een periode van drie jaar en tweemaal was gecor­rigeerd door meer dan honderd mensen waaron­der veel geleerden, zou men bijna twijfelen aan het academisch gehalte van Nederland. Het document laat de indruk na dat er bijna geen authentieke Pinksterliteratuur was gelezen. Klaar­blijke­lijk was hun belangrijkste bron het tijdschrift Kracht van Omhoog dat ze gratis met de post ontvingen. In de discus­sie in 1965 beloofde de commissie meet van de Pentecostalen zelf te citeren, maar uiteindelijk verscheen er slechts één kort citaat in de appendix. Deze onwetendheid betreffende (Neder­landse) Pinksterliteratuur is nog pijnlij­ker als men zich realiseert dat er in 1964 een uitstekende bibliografie van deze literatuur was verschenen in het befaamde tijdschrift Nederlands Theologisch Tijdschrift. Ondanks de extreme reac­tie van Karel Hoekendijk sloeg de commissie een grote blunder door geen enkele Pentecostaal uit te nodigen voor een zitting. In de discussie met de Nederlands Hervormde Kerk Had de "Broeder­­schap" zich zeer welwillend getoond om een dia­loog aan te gaan. Behalve hen waren er velen binnen hun eigen gelederen nar wie men had kunnen luisteren, omdat zij in nauw contact stonden met de Pinksterbeweging (bijvoorbeeld H.J. Hegger, K.J. Kraan, j. Bonda, H. Schut, P.W. van den Dries, H.J. Zweers). De synode bleek zeer kort­zichtig te zijn door geen van hen toe te laten tot de commissie. Met het oog op deze feiten lijkt de zinsnede in de inleiding van het voor­lichtend geschrift dat de  schrijvers "hoopten bij te dragen aan een positieve gedachtenuitwis­seling met voorstanders van de Pink­sterbewe­ging" nogal verrassend. De kritiek van Van Balen en Kraan kwam overeen met de volgende misverstanden:

1. p.19 In de Pinkstergemeente wordt niemand gedwongen opnieuw gedoopt te worden, omdat men de doop in de Heilige Geest niet heeft ontvangen en de doop is geen middel om deze ervaring te ont­vangen. Dit sacrament wordt toegediend als iemand te kennen geeft dat hij gelooft dat Jezus de Zoon van God is en zijn persoonlijke Verlosser, zelfs als men niet gelooft in de eigenlijke manifesta­ties van de geestelijke gaven.


2. p.24 De uitspraak dat de "vaste zekerheid dat we kinderen van God zijn slechts plaatsvindt op de buitengewone manier" is niet van toepassing op de hoofdstroom binnen de Pinksterbewe­ging.

3. p.27 Pentecostalen komen overeen dat de zeker­heid van het geloof niet gebaseerd kan worden op tekenen, wonderen of extatische uitingen. Zij geloven niet in deze manifestaties om te ontkomen aan de saaie prediking in de kerken, maar omdat deze voorkomen in de Bijbel en er is geen aanlei­ding te veron­derstellen dat God niet meer het­zelfde zou doen.

4. 9.33 Volgens de "Pinkster" exegese behandelt 1 Cor. 12 niet de doop in de Heilige Geest, maar bespreekt het gebruik van de geestelijke gaven in de gemeente. Hun theorie van het "eerste teken" (i.e. spreken in tongen na de doop in de Heilige Geest) is uitsluitend gebaseerd op de Bijbelse gegevens in het Boek Handelingen. Men kan betwij­felen of de Bijbel voorziet in een specifiek bewijs voor deze ervaring, maar de vervanging van dit eerste teken naar "eenvoudig dienstbetoon" schijnt nog bizarrer dan de Pinkster-hypothese.

5. p.38 Het is niet waar dat "alle Pentecostalen gekant zijn tegen de institutionele opvatting van het ambt zoals de kerken het zien". Er bestaat in feite een verbazingwekkende overeen­komst tussen het Gereformeerde standpunt aangaande ambten en bijvoorbeeld de Broederschap, waaronder de benoe­ming van een voorganger of dominee, oudsten en diakenen. De veronderstel­ling dat de Pinksterbe­weging geheel opgaat in individualisme doet af aan haar bijdrage in het sociale gebied en haar nadruk op participatie van alle leden.

6. p.44 Het is niet juist dat er een verschuiving was geweest van het gebruik van de glossolalie tijdens de samenkomsten naar de binnenkamer. Beide waren tot dan toe voorgekomen vanaf het begin zonder enige belangrijke verandering.


7. p.58ff Het feit dat een kind niet gedoopt is betekent niet dat het geen deel heeft aan Gods volk. De Pentecostalen dragen hun baby"s op in de overtuiging dat hun kinderen geheiligd zijn door het geloof van hun ouders (1 cor. 7:14). Er is altijd een uitgebreid zondagsschoolprogramma geweest voor de kinderen in de Pinkstergemeenten en het bewustzijn dat zij deel uitmaken van het Lichaam van Christus is veel sterker dan in de kerken.


Het voorlichtend geschrift vat drie oorzaken samen aangaande de vraag waarom velen zich aang­etrokken voelen tot de Pink­sterbe­weging: a. het persoonlijke element, b. het element van de ze­kerheid en c. het spectaculaire element (p.8-11), maar volgens deze schrijver zijn de elementen van gemeenschap en participatie essentiëler. Tenslot­te ontbrak er een conclusie, hetgeen illustreert dat het boekje niet echt afgesloten was. Er moe­ten echter ook een paar positieve opmerkingen worden geplaatst. Ten eerste  keerde het voor­lichtend geschrift zich af van het klassieke standpunt van de GK dat de bijbelse geestelijke gaven in deze tijd niet meer verwacht moesten worden. Ten tweede ging het document terecht in op het werk van de Heilige Geest binnen de con­text van de gemeenschap als geheel, waarin het het Herderlijk Schrijven overtrof. Ten derde verweet het voorlichtend geschrift de Pentecosta­len terecht dat de natuurlijke gaven tenminste even belangrijk zijn als de bovennatuurlijke gaven (p.23-26). Ten vierde was de bijbelse ana­lyse van de geestelijke gaven (p.30-36), on­danks zijn compactheid, vollediger dan de klassieke Pinkster-uiteenzet­ting die zich slechts concen­treert op 1 cor. 12. Een van de belangrijkste doelen van het voorlichtend geschrift was om de uittocht van Gereformeerden naar de Pinksterge­meenten stop te zetten. De statistieken tonen aan dat het omgekeerde tot stand werd gebracht; in 1968, het jaar van de publikatie, verdubbel­de het aantal zich bijna. Sinds 1954 zijn er offi­cieel 5.000 Gereformeerden geregistreerd die zich bij een Pinkstergemeente hebben aangesloten, en het juiste aantal is waarschijnlijk veel hoger. De schrijver is ervan overtuigd dat dit aantal ver­laagd had kunnen worden als de impuls van de Pentecostalen serieuzer zou zijn opgevat. Zelfs indien hij het niet juist ziet zou het een bete­kenisvol gebaar zijn als de Gereformeer­den tijd zouden nemen om zelf naar de Pentecostalen te luiste­ren, bijvoorbeeld door hen uit te nodigen als waarne­mers in de delegatie die de relatie met de Charismatische beweging onder­houdt (vgl. Hoofdstuk V B - p.369). Op de vie­ring van "Zeven­tig jaren Pinksteren" in 1976 pleitte Dr. R. Kranenborg, een van de leden van de Synodale Raad van de GK, voor een dialoog tussen de GK en de Pinkstergroepen. Als die uitnodiging nog steeds van kracht is, is de schrijver van zijn kant ten volle bereid deze te accepteren.

F. Baptisten en Pentecostalen raken betrokken in een dialoog

Aan het einde van de jaren zestig riepen de Bap­tisten, georga­niseerd in de "Unie van Baptisten Gemeenten in Nederland" (van nu af aan genoemd "Unie") op tot een unieke dialoog met de Pente­costalen van de Broederschap. Ondanks het feit dat bijna allen die deelnamen in deze confronta­tie hoge verwachtingen koesterden, waren er geen blijvende resultaten. Aangezien er weinig is gepubliceerd over deze interessante oecumenische gebeurtenis, wordt in deze studie een gedetail­leerde beschrij­ving over de achtergrond, vorde­ring en de voltooiing gepresen­teerd.

De Baptisten historicus Jack Hoad vat de kenmer­ken van de erfenis van de Baptisten als volgt samen:

1. De Bijbel is het gezaghebbende en onfeilbare Woord van God, waaraan de christen zich in alles moet onderwerpen.

2. De kerk is het verzameld gezelschap van weder­geboren perso­nen, in iedere lokaliteit, waarvan een ieder persoonlijk berouw heeft getoond en gedoopt is door onderdompeling.

3. Noodzakelijkheid van een godsvruchtig leven, zowel heilig als rechtvaardig.

4. De Baptist is in de wereld om het evangelie te prediken aan ieder schepsel.

Ieder Nederlandse Pentecostaal zal het met deze vier punten eens zijn met een luid AMEN!


Niettemin duurde het vijftien jaar voordat er enige toenade­ring tussen de twee plaatsvond. In Hoofdstuk II (vgl. p.51 en opmerking 53 & 54) is aangetoond dat de Baptisten zich bevon­den onder de vurigste tegenstanders van de vroege Pinksterbe­weging. Toen de Baptistenpredikant Gerrit de Wilde werd ge­doopt in de Geest nadat hij een bezoek had gebracht aan J. Paul in Ber­lijn en A.A. Boddy tijdens de conferentie in Am­sterdam in september 1908, ware leden van zijn gemeente in Sneek en Harlingen geschokt. Sommigen weigerden zelfs de psalmen te zingen die de Hei­lige Geest noemden. In januari 1909 schreef De Wilde dat zich "fatale insinuaties en leugens hadden verspreid over het hele land" en dat "broeders en zusters godslasterlijke taal spraken en spotten", niettemin had hij niet de bedoeling een scheuring of een afscheiding te veroorzaken. In juli 1909 verliet De Wilde Nederland om voor­ganger te worden van de Nederlandse Baptisteng­emeente te Patterson, New Jersey in de VS, in welke functie hij diende tot zijn dood op 23 februari 1914. Na zijn vertrek bereikte het con­flict tussen de aanhangers en tegenstanders van de zogenaamde "Geestesbeweging" spoedig haar hoogtepunt. Sommigen van de aanhangers in Sneek werden berispt door de oudsten en tenslotte ver­lieten tien mensen de gemeente om een onafhanke­lijke Pinkstergroep te beginnen. In Harlingen verlieten zes leden de gemeente. Op 28 oktober 1909 was de zogenaamde Ber­lijn-verklaring het hoofdartikel in het officiële Baptisten­tijd­schrift De Christen. Dezelfde editie bevatte eveneens een serie waarschuwingen om zich niet in te laten met "deze bewe­ging waarvan de vruchten allerbedroevends zijn". Tijdens de Algemene Raad van de Unie op 13 juli 1911 te Stadskanaal, wierp B. Roeles uit Deventer (die De Wilde had gedoopt in 1903 en nog steeds nauw contact met hem onder­hield) de vraag op van hoe de Baptisten werden geacht zich op te stellen tegenover de Pentecos­talen. Na een emotionele discussie werd het vol­gende voorstel op tafel gelegd:

citaat


Men betwijfelde of de doop van de Pentecostalen acceptabel was, maar er werd op dit punt gen beslissing genomen. Op 11 juli 1912 presenteerde F.J. van Meerlo een opzienbarende studie over de Pinksterbeweging aan de vergadering van de Alge­mene Raad te Amsterdam. Na zijn toespraak stelde K. Kui­pers voor om de lezing in een apart boekje te laten drukken met een oplage van 100.000 (!). Dit voorstel werd aangenomen met luid gejubel aangenomen. De volgende veertig jaar werd de Pinksterbeweging in de doofpot gestopt, en het voorstel van 1911 werd tot op de letter uitge­voerd.

De campagnes van Zaiss en Osborn  in de jaren vijftig  wekten weer een heftige controverse op. Deze generatie van Baptisten reageerde echter positiever en stond open voor wat God te zeggen had temidden van deze beroering. Overeenkomstig de Reformatorische reacties onderstreepten de publikaties over de bediening van de genezing voornamelijk dat dit te veel bena­drukt moest worden en dat goddelijke genezing nooit uitge­voerd kon worden op de wijze waarop bijvoorbeeld Osborn dat deed. In 1958  schreef Ds. J. Louw, die door sommigen beschouwd werd als de eerste Nederlandse Baptistische theoloog, een serie van drie artikelen over de Pinksterbeweging waarin hij in het bijzonder inging op haar eschatologie. Louw gaf toe dat het zeer waarschijnlijk was dat boze machten de Pinksterbeweging hadden geïnfil­treerd; niettemin merkte hij op dat van alle mensen de Baptisten de laatsten zouden moeten zijn hen alleen maar te beoordelen naar hun symp­tomen, fouten of extremiteiten en voegde hier aan toe:

citaat


Ds. Louw erkende dat de geestelijke gaven een aanwinst waren in de vroege gemeente en een be­langrijke eschatologische functie hadden. In 1961 werd het Baptisten Seminarie "De Vinkenhof" on­verwachts geconfronteerd met de Pinksterbodschap op een zeer directe wijze. Een van hun briljant­ste studenten, Dick Voordewind (geboren 1937) ontving de doop in de Heilige Geest na twee dagen en nachten van gebed op 16 januari 1961. Met de ijver van een nieuwe bekeerling begon hij deze ervaring uit te dragen in nogal absolute bewoor­dingen. Natuurlijke veroorzaakte dit een sensatie in de gesloten gemeenschap. Hun directeur J. Reiling (geboren 1923) deed zijn uiterste best de storm te stillen, maar tenslotte was hij van mening dat hij geen andere keuze had dan voor te stellen aan de Algemene Raad dat zij hem de sta­tus als student van de Unie zouden ontnemen. Dit voorstel werd aangenomen op de vergadering van 3 mei 1961. Het incident echter deed Reiling, die tot nu toe weinig con­tact had met de Pinksterbe­weging, bewust doen worden dat de Baptisten over de Pinksteroproep moesten nadenken. Datzelfde jaar schreef hij:

citaat

In zijn boek Gemeenschap der Heiligen gaf Reiling een theolo­gische beschouwing over de gaven van de Geest waarin hij open bleek te staan voor een voorzichtige toepassing van deze gaven inde kerk. In het begin van de jaren zestig stond ds. Marius de Jong, een Baptistische evangelist en voorgang­er te Ensche­de, in nauw contact met de Pinkster­beweging. Toen hij echt begon de geestelijke gaven in zijn gemeente te laten functio­neren, waaronder het gebed om de doop in de Heilige Geest met handoplegging, ontstond er een contro­verse en in 1965 werd hij als hun voorganger door stemming uitgesloten. Datzelfde jaar hield ds. J. van Dam een lezing in Friesland over het onder­werp "Oefent de Pinksterbeweging invloed uit in onze gemeen­ten?", die later gepubliceerd werd in wee artikelen in De christen. Hoewel hij eigen­lijk geen antwoord gaf op de vraag die opgeworpen werd in de titel en de beweging weerlegde met enkele klassieke argumenten, merkte hij op dat de Mennonieten en Baptisten de natuurlijkste ge­sprekspartners waren voor de Pentecostalen en concludeerde:

citaat

De reorganisatie van de Broederschap van Pink­stergemeenten motiveerden in 1967 J. Reiling een verder toenadering voor te stellen. In een kort artikel getiteld "Samen met Pinksteren?" stelde hij voor:

citaat

D. Voordewind die intussen Voorzitter van de Broederschap was geworden, reageerde met een interview van J. Reiling. Het interview verscheen in de serie "Tussen Kerk en Pinksteren" in De Pinksterboodschap van maart en april 1967. Toen men hem vroeg welke praktische stappen moesten worden ondernomen, reageerde Reiling:


citaat

De onmiddellijke aanleiding tot de dialoog met de Broederschap was echter het verzoek van de Bap­tistengemeente van Eindhoven om nauwere banden aan te knopen met soortgelijke denominaties of groepen. Na een langdurige discussie werd het volgende voorstel aangenomen:

citaat


In december 1968 kregen de Broederschap, de Ver­gadering van Gelovigen en de Vrije Evangelischen het verzoek of ze geïnte­resseerd waren in een dialoog met de Baptisten. Toen de Broe­derschap op positieve wijze reageerde werden de comité-leden C. Mostert, Th. van der Laan en J. Bouritius afgevaardigd het initiatief te nemen tot het eerste gesprek. De eerste vergade­ring vond plaats op 13 juni 1969 te Amersfoort. De delegatie van de Broederschap bestond ook uit drie van hun leden van hun uitvoerende raad, en wel J.J. Frin­sel, J. Verwoert en D. Voordewind. Ze stemden overeen dat hun belangrijkste gemeen­schappelijke basis hun persoonlijk geloof in de persoon en het werk van jezus Christus was, hetgeen leidt naar de gemeente. Aan het slot werd er opgemerkt dat er niet alleen een bereid­heid was om naar elkaar te luisteren, maar ook een bewustzijn dat ze beiden dezelfde Heer en zaak dienden. Allen waren dezelfde mening toegedaan dat deze dialoog voort­gezet moest worden. Terwijl men voortging met deze vergaderingen werd het spoedig duidelijk dat men dit moet verbreden en met toestem­ming van het comité van de Unie besloot men een zogenaamde "oriëntatie-conferentie" te organiseren, waarin 15 Baptisti­sche en 15 Pinkstervoorgangers van elke denominatie zouden deelnemen. Het programma voor deze dag werd samengesteld met wederzijdse instemming en aan alle deelnemers werd enige basisinformatie gezonden over de ander groep samen met een uitnodiging. Tenslotte vond de vergadering plaats op zaterdag 14 februari 1970 in de Baptistenkerk te Arnhem; 14 Baptisti­sche en 12 Pinkstervoorgangers waren aanwezig. "s Morgens gaf D. Voordewind een nogal academische uiteen­zetting van de Pinksterbeweging, terwijl J. Bou­ritius de Unie van Baptisten introduceerde waarin hij uitvoerig inging op hun pneumatolo­gie. "s Middags werden allen verdeeld in drie discussiegroe­pen. Iedere groep zou een specifiek onderwerp bespreken. Naderhand werden de versla­gen van de discussie gedeeld in een plenaire zitting. In de eerste groep waarin gediscussieerd was over "De Gemeente", viel de opmerking dat Pentecostalen minder zeker waren over hun gemeen­schappelijk geloof als ze in groep­sverband waren. Het werd duidelijk dat er nog veel verwarring bestond over tongen in de confrontatie tussen Baptisten en Pentecostalen, die alleen stopgezet kon worden door een voort­gaande dialoog. De twee­de groep had het onderwerp "Het werk van de Hei­lige Geest" onder de loep genomen. Tot hun eigen verbazing ontdekten ze dat ze overeenstemden in de hoofdzaken, hoewel enkele verschillen bleven. De Baptisten benadrukten het voortdurende werk van de Heilige Geest gedurende welk proces de waterdoop en de Geestesdoop niet gescheiden kon­den worden, terwijl de Pentecostalen de doop in de Geest beschreven als een onderscheidende en niet voor herhaling vatbare gebeurte­nis. Dien­tengevolge ontkenden de Baptisten dat het spreken in tongen het uiterlijk teken was van de doop in de Heilige Geest. Groep drie wisselde van gedach­ten over "Evangelisatie", waarin geen belangrijke verschillen werden genoteerd. De Baptistische secretaris Th. van der Laan zag hierop terug met de woorden:

citaat

F.E. Huizinga, destijds Baptistenvoorganger te Hengelo, regis­treerde een broederlijke en open atmosfeer en gaf zijn wens te kennen voor een nauwer contact met de woorden:

citaat

De kleinere ad hoc comités van drie afgevaardig­den van ieder raad bleven samenkomen vanaf 1969 tot 1971, en wel ongeveer eenmaal per maand. Op 5 feburari 1971 kwamen zij tot een overeenstemming over het volgende voorstel:


1. Het comité van de Unie en de Uitvoerende Raad van de Broe­derschap zullen hun gemeenten advise­ren om contact met elkaar te zoeken als beide denominaties gemeenten hebben in dezelfde stad of hetzelfde gebied. Plaatselijk en regionaal moet onder­zocht worden op welke concrete wijze samen­werking en overleg mogelijk is. De gemeenten zullen verslag moeten geven binnen een periode van twee jaar aan hun Raden over de resultaten van deze contacten.

2. De Alliantie van Vrije Evangelische Gemeen­ten", de "Broe­derschap van Pinkstergemeenten" en de "Unie van Baptistenge­meenten" zullen de tot­standkoming van een kleine studiecom­missie moeten overwegen, bestaande uit twee leden van elke denomina­tie, dat zal bestuderen of er voldoende vooruitzichten zijn om te komen tot een advise­rende organisatie die blijvend bepaalde pogingen zoals evangelisatie, onderwijs, uitwisseling van jeugdwerk, uitwisseling van informatie met redac­tionele doel­einden etc. zal stimuleren.


Het comité van de Unie besloot echter dat voorlo­pig alleen het eerste voorstel acceptabel was; als de samenwerking zich op positieve wijze zou ontwikkelen op plaatselijk of regionaal niveau, zou het tweede doel in ogenschouw worden genomen. aan alle Baptistengemeenten werden brieven gezon­den waarin het eerste voorstel werd medegedeeld, met de toevoeging dat deze relatie geen schade zou toebrengen aan de contacten die reeds gelegd waren met de Vrije Evangelische Gemeenten op plaatse­lijk niveau. In zeventien plaatsen waren zowel Unie- als Broeder­schapsgemeenten, maar in geen van deze resulteerde de oproep in een of andere dialoog of samenwerking. De ontmoeting tussen de Nederlandse Baptisten en de Pentecosta­len kwam even snel tot een stilstand als hij was begonnen. In 1972 schreef F.E. Huizinga, die nu de voorzitter van het Commissie van de Unie was geworden, een vriendelijke brief aan Voordewind waarin hij zich afvroeg waarom er niets was ge­beurd sinds hun vergadering in feburari 1970 in Arnhem. Weer eens deed hij een oproep tot een hechtere gemeenschap, aangezien er geen funda­mentele verschillen tussen hen bestonden. De aanvankelijke ijver voor een hechtere gemeenschap veranderde in een formele vriendelijkheid. Enkele jaren werden er afgevaardigden gezon­den naar hun wederzijdse Algemene Raden. In 1980 registreerde H. PLoeger, uitgever van De Christen, nog steeds de overeen­komsten tussen het stichten van Baptis­tengemeenten en Pink­stergemeenten. Om dit stadium is er nauwelijks van enig con­tact sprake; een brief van de Algemene Secretaris van de Broeder­schap met de aanzet de dialoog weer op gang te brengen, werd nooit beantwoord. Vanaf de tijd dat de Unie zich terug­trok uit de Oecumenische Raad van Kerken in 1963, veranderen ze langzamerhand in een introverte en behoudende denominatie. In 1986 werd Drs. Th. van der Laan, die 25 jaar lang had gefungeerd als hun Algemene Secretaris, doopsgezind predikant, gedeeltelijk omdat hij niet langer opgewassen was tegen de oppositie tegen zijn oecumenische inspanningen. De fundamente­le evangelische vleugel schijnt de overhand te krijgen. Prof. J. Reiling registreer­de een toenemend gevoel van vrees en terughou­dendheid. Een grondiger en gevoeliger dialoog met de Pentecostalen zou de atmosfeer hebben kunnen veranderen, maar het eerste stadium van uitwisse­ling van informatie werd nooit voortgezet door een tweede stap van integratie.

Ondanks het feit dat deze gebeurtenissen slechts recentelijk plaatsvonden lijkt het moeilijk de exacte oorzaken van deze plotselinge afkoeling te schatten. De volgende redenen zijn misschien een gedeeltelijke verklaring van de reden waarom:

1. Het comité van de Unie trachtte in te korte tijd aan het voorstel tegemoet te komen om tot een hechtere relatie te komen met soortgelijke denominaties. Bijna gelijktijdig werden er con­tacten gelegd met de Vrije Evangelischen, de Vergadering van Gelovigen en de Pentecostalen. Het bleek heel moeilijk te zijn om drie pijlen tegelijkertijd met dezelfde boog af te schieten. Toen men de Baptistengemeenten vroeg samenwerking te zoeken op plaatselijk niveau met de Broeder­schap, waren sommi­gen reeds in beslag genomen in het opbouwen van een relatie met de Vrije Evang­elischen zodat aan dit verzoek niet tegemoet kon worden gekomen.


2. Er was te weinig bereidheid tot oprechte be­trokkenheid. De conclusie dat er geen fundamente­le verschillen zijn zou een verplichting moeten teweegbrengen om te zoeken naar een meer zichtba­re eenheid op plaatselijk en nationaal niveau. De Baptisten hadden gebaat kunnen zijn met een beter begrip en integratie van de geestelijke gaven in het dagelijks leven van de gemeente. De Pentecos­talen hadden een aanwinst kunnen hebben door meer te leren over een juiste kerkelijke structuur en een gezond evenwicht tussen ambtsdragers en leken ingebed in het priesterschap van alle gelovigen.

3. De discussie was te rationeel. Een dialoog tussen Christe­nen die dezelfde Heer dienen kan niet stil blijven staan bij het simpelweg erken­nen van de verschillen en het daar bij laten. Als we bijvoorbeeld praten over de doop in de Heilige Geest, is het Pentecostaalse begrip van deze gebeurtenis of de ervaring hiervan totaal aan elkaar verschillend. Om deze reden zou een dia­loog met de Pentecostalen altijd het samen bidden en aanbidden en het luisteren naar hun getuige­nissen moeten omvatten.

4. De Pentecostalen toonden zelf nauwelijks enig initiatief. Tijdens de hele dialoog reageerden ze slechts op de voorstel­len van de Unie. Toen men de Baptistengemeenten verzocht contacten op plaatselijk niveau te zoeken, zond de Broeder­schap geen brief hierover aan hun gemeenten en deed over het algemeen weinig om dit initiatief te stimuleren waartoe men met gezamenlijke in­stemming was gekomen. Deze terughoudendheid droeg ertoe bij hun stempel van opdringerigheid te overwinnen, maar ontmoedigde uiteindelijk hun eigen mensen om hierin betrokken te raken.


Hoewel het resultaat van de dialoog nogal teleur­stellend lijkt, was deze wel van nut om hinderpa­len van saaiheid en droogheid te overwinnen. De Baptisten worden stellig steeds maar weer gecon­fronteerd met de Pentecostaalse oproep. Heden zijn twee van de Unie-gemeenten betrokken in charismatische uitingen. . Het Pentecostaalse liederenboek Opwekkingsliederen wordt in veel gemeenten gebruikt en in enkele gevallen is het zelfs het enige boek waaruit wordt gezongen. De overgang van een Baptistengemeente naar een Pink­stergemeente schijnt nogal natuurlijk te verlo­pen. Om deze reden lijkt het wenselijk en nuttig de dialoog van het begin van de jaren zeventig voort te zetten met een praktische toepassing van onze wederzijdse wens om te komen tot  een volle­dige openbaring van de gemeente van Jezus Chris­tus.


Hoofdstuk IV

Het vraagstuk van de oecumene

A. Inleiding - De roerige jaren zestig

De jaren zestig waren het hoogtepunt van de na­oorlogse hoog­conjunctuur en tegelijkertijd luid­den zij een nieuwe tijd in van protest en kriti­sche evaluatie van de heersende normen en waar­den. De oude politieke ideeën schenen uitgeput te zijn en in bijna alle gebieden van de samenleving trad een herleving van ideologieën naar voren. De meest betekenisvolle gebeurte­nis wereldwijd was de dekolonialisatie van Afrika. In de stroomver­snelling van dit proces groeide er een toenemende weerstand tegen racisme en apartheid. De Baptis­tische dominee Martin Luther King (1929-1968) slaagde erin wereldwijd de aandacht te vestigen op dit onrecht. Te Uppsala besloot de W.C.C. een krachtig actieprogramma te ontwikkelen ten einde het racisme te bestrijden. Tijdens dit decennium traden drie Zuidamerikaanse Pinksterdenominaties toe tot de W.C.C. en te Uppsala sprak de Pente­costaal Krust hun vergadering toe. In 1969 voeg­den de Gereformeerde Kerken zich bij de W.C.C.


In Nederland werden de oude grenspalen van de "verzuiling" afgebroken; sociale premies en de inflatie groeiden drastisch en dientengevolge verloor Nederland haar status van "eiland van goedkoopheid". Behalve hun materiële eisen, zoch­ten de vakbonden naar minder tastbare voorwaarden zoals de democrati­sering van de macht en naar betere werkomstandigheden. Mede­zeggenschap werd een tendens. Samen met de koelkast en de auto, werd de televisie het belangrijkste produkt, die een symbool werd van materiële vooruitgang. Via dit medium ontwik­kelde zich een nieuwe vorm van informatie en communicatie, die alle lagen van de samenleving omvatte. In hun eigen woonkamer raak­ten de mensen op de hoogte van andere etnische groepen waarvan ze zo lang geïsoleerd waren ge­weest. De sexuele revo­lutie beïnvloedde Nederland in sterke mate. Het gebruik van voorbehoedmidde­len werd gemeengoed en de ethiek van het huwe­lijk onderging drastische veranderingen. De jongere generatie keerde zich in toenemende mate tegen de gevestigde orde, hetgeen zijn uitdrukking vond in hun onconventionele kleding, haarstijl en muziek. Het werk populair om in te gaan tegen de sociale taboes. Drugs en oosters mystiek werden populaire demonstraties van hun verlangen om het leven te richten naar een ander waardensysteem. Ze protes­teerden tegen de bourgeoi­sie door in grote groe­pen te gaan zitten op het plein van de Dam of te slapen in het Vondelpark in Amsterdam. De anarchis­tische provo's waren gewelddadiger in hun gedrag. De regering was er snel bij om met macht deze activiteiten de kop in te drukken, maar dit resulteerde slechts in een toename van populari­teit ten opzichte van de provo's. Nederland werd langzamerhand een "toegeeflijke samenleving" waarin het ontwa­kend bewustzijn van het individu tot op een unieke hoogte steeg. Met de aankomst van de vele gastarbeiders uit de over­wegend Isla­mitische landen, werd Nederland ook hoe langer hoe meer multi-raciaal en multi-religieus. Het zou echter nog jaren duren voordat de integratie van de minderheidsgroepen een politieke kwestie werd.


De geestelijke stroming werd ook beheerst door vernieuwing en dialoog, maar tegelijkertijd was er een toenemende onverschil­ligheid en seculari­satie. De Roomskatholieken ondergingen de radi­caalste gedaanteverandering. Onder het bekwaam leiderschap van B.J. Kardinaal Alfrink (1900-1987) pasten de Nederlandse bisschoppen de "Aggi­ornamento" (de modernisering van de Kerk) waar Paus Johannes XXIII en Het Tweede Vaticaans Con­cilie om hadden gevraagd, gretig toe op de situa­tie in Nederland. Leken werden opgeroepen om actief deel te nemen in de aanbidding en hun bijdrage te leveren in de totstandkoming van het Kerkbe­leid. De steeds herhaalde roep was "reali­satie van autoriteit in dialoog". De "Nieuwe Catechismus voor volwassenen". die verscheen in 1966, veroorzaakte een behoorlijke controverse vanwege de weglating van verschillende fundamen­tele waarheden. Nog bedreigender voor de conser­vatieve Katholieken en de Roomse curie was het zogenaamde "Pastorale Concilie van de Nederlandse Kerkprovincie", dat gehouden werd in zes plenaire sessies van 1968 tot 1970 te Noordwijkerhout. Geholpen door het feit dat dit Concilie geen mandaat had beslissingen te nemen, werden heer­sende kwesties zoals het celibaat en de wijding van vrouwen openlijk besproken. In dit klimaat van vernieuwing en wederzijdse toenadering kwam de oecumenische voortgang tot bloei. In 1961 deden negen Nederlands Hervormde en negen Gere­formeerde predikanten een historische poging hun kerkelijke afscheidingen van 1834 en 1886 te herstellen. Uiteindelijk leidde dit tot de tot­standkoming van een intersy­nodaal studie-comité genaamd "Samen op Weg", dat voor het eerst sa­menkwam in 1971 om de mogelijkheden van een samensmel­ting te onderzoeken. De spanning tussen de Nederlands Hervorm­de en de Roomskatholieke Kerk (RKK) nam weer toe toen Prinses Irene toe­trad tot de Roomskatholieke Kerk en dientengevol­ge gedoopt werd in januari 1964. De Synodale Raad van de Neder­lands Hervormde Kerk protesteerde bij de opvatting dat hun doop niet werd erkend. Ui­teindelijk leidde dit tot een weder­zijdse erken­ning van een doop toegediend in een Nederlands Hervormde, Gereformeerde, Lutherse of Roomskatho­lieke Kerk (1967\1968) en een erkenning van huwe­lijken tussen partners van verschillende kerkge­nootschappen (1970\1971). Op 21 juni 1968 werd de Oecumenische Raad van Kerken de "Raad van Kerken in Nederland". De preambule van haar statuten bevatte:

citaat


De belangrijkste veranderingen waren de uitbrei­ding van het lidmaatschap en de formatie van een meer bindende participatie van leden. Van bijzon­der betekenis was het feit dat voor het eerste ergens in de wereld de Roomskatholieke Kerk toe­trad tot een nationale raad van kerken. De andere leden waren: De Nederlands Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerk, de Evange­lisch Lutherse Kerk, de Oud-Katholieke Kerk, de Remonstrantse Broeder­schap. de Mennonieten, de Moravische Broederschap en de Gemeenschap van Vrienden (Quakers). De Nederlandse Protestant­se Unie en het Leger des Heils ontvingen het gastlidmaatschap. De Vrije Evangelische Gemeenten en de Baptistische Unie trok­ken zich terug. De verschillende studies die sociale kwesties een theologische basis wilden geven, zoals de bevrijdingstheo­logie of de femi­nistische theologie, leidden ertoe dat de Evang­elicalen vreesden dat de verticale dimensie van de rela­tie tussen God en mens teniet gedaan werd door de horizontale kwesties van de politiek en sociale hervormingen. Op dezelfde wijze protes­teerden de Evangelicalen tegen het feit dat in de zending van de traditionele kerken het werelddia­konaat over­heerste in plaats van de verkondiging van het evangelie. Hoewel sommigen trachtten deze ontwikkeling een halt toe te roepen, zoals bij­voorbeeld 24 Nederlands Hervormde predikan­ten deden die protesteerden met een emotionele open brief in 1967, trad politieke en sociale betrok­kenheid in toenemende mate op de voorgrond in de traditionele kerken.


Terwijl de Nederlandse Charismatische beweging meeging in deze ontwikkeling, was de Pinksterbe­weging sterk gekant tegen dit "horizontalisme". Binnen hun eigen gelederen ervoeren zij eveneens turbulente jaren van verandering en heroriënta­tie. Tijdens het begin van de jaren zestig trachtte de Broederschap van Pinkstergemeenten te dienen als een brede paraplu voor de Nederlandse Pinksterbeweging. Voor dit doel werden ze gereor­ganiseerd in 1959 en ontvingen officiële erken­ning als een denominatie in februari 1960. Voor het eerst konden gemeenten ook lid worden en vertegenwoordigd worden door hun voorganger of een van de oudsten. De periodieken Volle Evang­elie Koerier en Pinksterklanken fuseerden in De Pinksterboodschap en in oktober 1960 werd de eerste Nederlandse Pinkster Bijbelschool geopend in Groningen. Korte tijd  stonden uiteenlopende per­soonlijkheden zoals J.E. v.d. Brink, J. Zijl­stra (van de Volle Evangelie Zending van J. Maas­bach) en zelfs David du Plessis op de lijst van het lidmaatschap. Op initiatief van de Broe­der­schap werd er een "Oral Roberts Comité" in het leven geroe­pen om een evangelisatiecampagne te organiseren met Oral Roberts in 1964. De hechte samenwerking van de verschillende Pinkstersto­mingen was zo opmerkelijk dat de Broederschap besloot een "Pinkster Raad" te organiseren ten einde de moge­lijkheid van een hechtere eenheid bespreekbaar te stellen. Toen de Pinkster Bijbel­school mislukte ten gevolge van interne spanning­en en financiële tekorten, verzocht men de Assem­blies of God in de VS om hulp hetgeen leidde tot de stichting van de Centrale Pinkster Bijbel­school in Den Haag in 1967 met de Assemblies of God zendeling R.L. Leach als de eerste direc­teur. Een gevolg van deze samenwerking was een tweede reorga­nisatie. Er werden nieuwe statuten naar Amerikaans model samengesteld en geaccepteerd op 26 februari 1966. Velen die vreesden dat de Broe­derschap een al te gestructureerde organi­satie zou worden of niet konden instemmen met de uitge­breide geloofsbelijdenis trokken zich terug. Sommigen van hen sticht­ten de "Federatie van Volle Evangelie Gemeenten in Nederland", maar deze organisatie duurde minder dan een jaar van­wege onoplosbare interne conflicten. In 1969 werd de "Volle Evange­lie Gemeenschap" in het leven geroepen met als belangrijkste doel een hechtere gemeenschap met elkaar te hebben. In veel opzich­ten hebben de jaren zestig de ideologische funde­ring gelegd voor onze huidige generatie, hetgeen zeer zeker ook van toepassing is op de verdeelde Nederlandse Pinksterbeweging.

B. Meningsuitwisseling in de Oecumenische Raad van Kerken

Net voordat de roerige jaren zestig begonnen, bezon de "Oecu­menische Raad van Kerken" (van nu af aan genoemd O.R.v.K.) zich op de Pinksterbewe­ging. Aangezien dit het decennium inluidde waarin de uitdaging van Pinksteren een zaak van discus­sie was in bijna alle denominaties die deelnamen in de O.R.v.K., wordt deze interessante studie en discussie over de Pinksterbeweging in dit hoofd­stuk onder de loep genomen on­danks het feit dat dit gebeurde in het laatste kwartaal van 1959.



Op haar vergadering van 27 februari 1959 besprak de O.R.v.K. het onderwerp "De sekten en de W.C.C.", uitgaande van een studie van Dr. W.F. Golterman. Golterman (geboren 1898) was Menno­niet, die vanaf 1946 docent was aan het Mennonie­ten Seminarie te Amsterdam. In 1953 werd hij benoemd tot studie-secretaris van de O.R.v.K., en diende in deze functie tot 1960 waarna hij docent werd aan de universiteit in Amsterdam. In zijn studie over de sekten was Golterman het eens met K. Hutten, de beroemde Duitse specialist van het sektarisme. dat de kerken het fanatisme van de sekten zouden moeten benaderen met veel geduld en moesten trachtten hen terug te brengen tot de gehoorzaamheid aan Gods Woord. Hij voegde er echter aan toe dat de kerken in deze dialoog bereid moesten zijn gecorrigeerd te  worden op gebieden waar deze groepen terecht wezen op bij­belse denkwijzen en praktijken. Hij was het eens met Les­slie Newbigin dat de zogenaamde "pinkster­achtige" christen een belangrijk nieuw element zou kunnen bijdragen in de relatie met de W.C.C., en hij bemerkte een openheid naar de kerken toe binnen de internationale Pinksterbeweging. De O.R.v.K. had waarschijnlijk nooit verwacht om zo spoedig met dit feit op nationaal niveau gecon­fronteerd te worden, maar op 4 juli 1959 vroegen de gezamenlijke Pinkstergemeenten om een gesprek. De aanleiding tot dit verrassend initiatief van de Pentecostalen was het feit dat de IBRA (de Zweedse Pinkster radio-omroep) niet meer mocht uitzenden naar Nederland. Sinds 1955 had de IBRA Nederlandse programma's met groot succes uitge­zonden door radio Tanger, maar toen de Marokkaan­se regering dit verbood vanaf 1 januari 1960, werden ze gedwongen te stoppen. De Pentecostalen probeerden nu zendtijd te verkrijgen via de I.K.O.R., die werkte onder auspiciën van de O.R.v.K.. De broeders J.E.v.d. Brink, H.A. Luu­ring en J.W. van Petegem werden afgevaardigd om met de O.R.v.K. te spreken, die op haar beurt geheel verlegen was met dit verzoek. Een botte weigering was echter niet de gangbare manier om dit probleem te benade­ren. In hun vergadering van 25 september 1959 viel het besluit dat Dr. W.F. Golterman contact met hen op zou nemen en een studie-rapport zou samenstellen over de Pinkster­beweging in Nederland. In zijn voorbereiding voor dit laatste, had Golter­man verschillende gesprek­ken met H.A. Luuring (1914-1985), een fulltime voorganger van de "Volle Evangelie Kerk" te Utrecht. Het resultaat was een goed gebalanceerde studie, die op de man af was, voldoende accuraat en van goede analytische waarde. Het rapport werd gezonden naar alle leden van de O.R.v.K. en be­sproken in hun vergadering van 27 november 1959 te Utrecht. Ds. A.H. v.d. Heuvel, die fungeerde als de secretaris van de Jeugdraad van de O.R.v.K. van 1958 tot 1960, zei dat hij in nauw contact stond met deze groepen en volgens hem waren de excessen voornamelijk veroorzaakt door de wrede manier waarop de kerken hen hadden be­handeld. Prof.Dr. P. Boendemaker merkte op dat deze groepen een grotere interesse hadden opge­wekt in de Bijbel. Prof.Dr. J.C. Hoekendijk was negatiever. Volgens hem was de belangrijkste verandering onder de sekten dat ze nu duidelijker "nee" zeiden tegen de kerken dan voorheen. Ten­slotte concludeerde Prof.Dr. W.F. Dankbaar (pre­sident van de O.R.v.K.) dat verdere contacten uitgesteld zouden worden totdat er meer informa­tie over de sekten beschikbaar zou zijn. Dr. H. Berkhof verzocht hen dringend hier haast mee te maken "want er ging een golf van wederdoop door het land". Op ver­zoek van ds. M.N.W. Smit werd er een heel kritische lezing over de Pinkstergroepe­ringen, gehouden door ds. A.D. Bakker op het Nederlands Hervormd district van Den Haag op 30 september 1959, gezonden aan alle leden van de O.R.v.K.


Goltermans studie over de Pinksterbeweging in Nederland ver­scheen in twee delen in het perio­diek In de Waagschaal van januari 1960. Het eer­ste deel was een beschrijving van de geschiede­nis, de theologie en de liturgie van de Pinksterbewe­ging wereldwijd. Gezien het feit dat Golterman zelf nooit een pinkstersamenkomst had bezocht, was dit een eerlijke uiteen­zetting met slechts een paar onnauwkeurigheden. Het tweede deel van zijn studie ging over de aspecten van evangelisatie, organisatie, relatie tot de kerken en eindigde met een evalua­tie. Wat betreft de doop merkte Golterman terecht op dat dit niet een wederdoop genoemd kon worden, want de Pentecosta­len erkenden de kinderdoop niet en ook niet de doop van volwasse­nen zonder onderdompeling. De oproep van de Pentecostalen werd samengevat in vier vragen:

1. Op welke manier kunnen de kerken de emotionele noden van de mensen integreren?

2. Waarom ervaren de kerken de gelukzalige ver­wachting van de toekomende eeuw zo weinig?

3. Wat doet de kerk met de gave van genezing?

4. Hoe kunnen de kerken hun warme en beschermende gemeenschap stimuleren?

Natuurlijk merkte hij ook "geweldige gevaren" op zoals subjec­tivisme, wanorde, fragmentatie en elitairisme. Zijn belang­rijkste bezwaar was ech­ter dat de Pentecostalen de Geestesdoop veel meer benadrukten dan het verzoeningswerk van Christus. Dit laatste is een klassieke misvatting; de Pink­sterbeweging is nadrukkelijk gecentreerd op Christus. In een analyse van Nederlandse liede­renboeken van de pinksterbeweging ontdekte Luc Meijer dat 16% van de liederen over Jezus Chris­tus ging en slechts 4% over de Heilige Geest. Hoewel dit nog niet statis­tisch onderzocht is, zal hetzelfde waarschijnlijk ook van toepassing zijn op onderwerpen van pinksterpreken. In hun literatuur treden hun pneumatologische inzichten meer op de voorgrond aangezien dit hun onder­scheidende factor is. Om deze reden is het be­grijpelijk dat westerse geleerden die geen pink­sterachtergrond hebben en die van nature aangewe­zen zijn op geschreven bronnen, geneigd zijn te denken dat de Pentecos­talen voornamelijk bezig zijn met de Geest. Dit verklaart ook waarom Gol­terman niet heeft opgemerkt dat het Pentecosta­lisme overwegend een mondelinge traditie is. Om deze reden wordt het best onderzocht door per­soonlijke deelneming, zelfs als dit slechts ge­daan wordt als toeschouwer. Zijn ander punten van kritiek die reeds genoemd zijn, zijn van toepas­sing. Niettemin was Golterman van mening dat behoedzame contacten met de Pinksterbeweging aanbevolen zouden moeten worden. In zijn slotop­merkingen merkte hij op:

citaat


De Pentecostalen zelf regeerden nauwelijks op deze artikelen; Alleen J.E. v.d. Brink schreef een jaar later dat "Golterman een grondig werk had verricht". Na hun eerste kennismaking met de O.R.v.K. verloren ze de belangstelling en tracht­ten een eigen radio-associatie op te richten. Binnen de O.R.v.K. werd de uitdaging ook niet aangenomen. Het voorstel om verdere studie aan dit onderwerp te wijden bleek een probaat genees­middel om het probleem opzij te schuiven. In oktober 1960 verscheen er in hun tijdschrift Gemeenschap der Kerken opnieuw een artikel van Dr. F. Boerwinkel waarin weer eens de oecume­ni­sche openheid van de Pinkstergroeperingen werd genoemd en in zijn boek Eenheid in de chaos der Kerken herhaalde Golterman weer zijn gedachten betreffende deze zaak. De oecu­menische en sociale kwesties van de jaren zestig overschaduw­den ech­ter hun kortstondige kennismaking met de Pinksterbewe­ging. Er had zich een unieke relatie kunnen ontwikkelen als de hand die aarze­lend uitgestoken was door de Pentecostalen gekust zou zijn door de leden van de O.R.v.K. in plaats van zorgvuldig onder­zocht.

C. Pastorale brief van de Nederlands Hervormde Kerk

In 1960 publiceerde de Nederlands Hervormde kerk een merkwaar­dige pastorale brief getiteld "De Kerk en de Pinkstergroepen". Ondanks de korte lengte (78 pagina's) en betrekkelijk eenvou­dige inhoud werd deze met enthousiasme en goedkeuring ontvan­gen door de meeste traditionele kerken evenals door de Pente­costa­len. W.J. Hollenweger noemde hem zelfs "een mijlpaal in rela­ties tussen een nationale kerk en de Pinksterbeweging, die aanwezig zou moeten zijn in iedere theologische bibliotheek". Hij is zeer waarschijnlijk de eer­ste officiële publikatie waar dan ook ter wereld waarin een traditionele kerk de belangrijke bij­drage erkent van de Pinksterbeweging aan de kerk en die antwoorden zoekt binnen zijn eigen  kerke­lijke context. Wegens zijn historische en oecume­nische betekenis volgt hieronder een beschouwing van de achtergrond, ontwikkeling en resultaten van dit belangrijk document:


Op 4 februari 1958 gaf de Algemene Synode van de Nederlands Hervormde Kerk haar bestuur een man­daat om een commissie te benoemen voor de bestu­dering van het sectewezen. De Synodale Raad stel­de dit voor "voornamelijk vanwege de groeiende in­vloed van bewegingen als Stromen van Kracht". In haar aanvan­kelijke brief aan de voorgestelde commissieleden van 13 febru­ari 1958 werd het doel als volgt  uiteengezet:

citaat

Op 16 september 1958 werd deze commissie offi­cieel opgericht met de specifieke taak om "een pastorale brief voor te berei­den waarin in het bijzonder de zogenaamde "Pinksteruitdaging aan de Kerk en haar reactie" zou worden besproken".

De commissie bestond uit de volgende leden:

Dr. F. Boerwinkel (1906-1987) - Voorzitter (crea­tief & onbe­vooroordeeld), directeur van de acade­mie "De Horst" en mede­werker van "Kerk en Wereld" te Driebergen.

Ds. J. Swijnenburg (geboren 1912) - Secretaris (punctueel & voorzichtig), predikant van de Ne­derlands Hervormde Kerk sinds 1936, vanaf 1955 te Amersfoort.

Dr. J.W. Doeve (1918-1979) - lid (intellectueel & kritisch), predikant te Musselkanaal sinds 1957, professor aan de Rijks­universiteit van Utrecht vanaf 1962.

Jhr. L. de Geer (geboren 1911) - lid (pragmatisch & behulp­zaam), secretaris van de "Algemene Visi­tatie" te Zeist; een voormalig ouderling.

Ds. W. Glashouwer (1913-1983) - lid (fundamenta­listisch & bewogen), predikant sinds 1939 te Amsterdam, mede-redacteur van het tijdschrift Vuur.

Ds. S.P. de Roos (1912-1982) - lid (eerlijk & cultureel), predikant sinds 1937, vanaf 1958 directeur van het jeugdcen­trum "ons Huis" te Rotterdam.

Ds. J.R. Wolfensberger (1898-1985) - lid (opti­mistisch & filosofisch), predikant sinds 1926, vanaf 1945 te Amsterdam, sinds 1957 voorzitter van de "Centrale Kerkeraad te Amster­dam"; vanaf 1951 tot 1953 fungeerde hij als de praeses van de Algemene Synode.



De benoeming van Dr. Feitse Boerwinkel als voor­zitter van deze commissie laat de richting zien waarin de Algemene Synode zich bewoog en bewees inderdaad verreikend te zijn in haar eindre­sul­taat. Boerwinkel werd geboren op 12 mei 1906 te Amersfoort en opgevoed als lid van de Gerefor­meerde Kerk. Na het belang­rijke dispuut in 1926 over de onfeilbaarheid van de Schrift voegde hij zich bij Dr. J.G. Geelkerken die afgezet was vanwe­ge zijn liberalisme. Als lid van de pas opgerichte "Gerefor­meerde Kerk in Hersteld Ver­band" ervoer hij de pijn te behoren tot een klei­ne en versmade denominatie. Dit werd nog verhe­vigd toen hij trouwde met een Katholiek Apostoli­sche vrouw. Nadat hij zijn studie in de Neder­landse Letterkunde in Utrecht (1924-1932) had afgemaakt, werkte hij een aantal jaren als jeugd­leider van het humanistische "Zuidervolkshuis" te Rotter­dam. Hier ging hij, zoals hij zelf zei, "door een bekering van de middenklasse naar de lagere klasse". Van 1936 tot 1945 was hij direc­teur van het Montessori Lyceum te Amersfoort. In 1945 werd hij benoemd tot een van de directeuren van de pas opge­richte academie "kerk & Wereld" te Driebergen. In 1953 werd hij de directeur van hun onderwijscentrum "De Horst", waar lekewerkers onderwezen werden hen te bereiken die vervreemd waren van het evangelie. In het begin van de jaren vijftig Begon Boerwinkel lezingen te houden over "Kerk en Sekten", waarin hij op radicale wijze brak met de traditie de sekten te beschou­wen vanuit een zelfgenoegzaam uitgangspunt. Hij baande de weg voor een echte ontmoeting waardoor naar zijn oprechte overtuiging ook de Kerk door verrijkt zou worden. Deze lezin­gen werden uitge­breid in boekvorm gegoten met als titel Kerk en Sekte, waarvan de eerste editie verscheen in 1953. Het is Boerwinkels verdienste dat hij de poging heeft gedaan authen­tiek materiaal en au­thentieke literatuur te bestuderen, die hem aan­bevolen waren door de sekten en bewegingen zelf. Hij beschouwde dit zelfs als essentiële informa­tie ten einde bekend te raken  met deze groepen. Hij concentreerde zich op de vraag op welke ma­nier de verschillende sekten een bijdrage waren tot de Kerk als geheel. Het schijnt dat hij op dat moment de Pinksterbeweging reeds beschouwde als een belangrij­ke uitdaging. Via dit boek werd de provocerende oproep van Lesslie Newbigin om een integratie van een Pinksteren-gericht Chris­tendom een kwestie in de Nederlands Hervormde Kerk. Andere gebieden van interesse tijdens deze periode waren de relatie tussen Kerk en cultuur en de stopzetting van nucleaire proeven. Boer­winkel werd spoedig erkend als een autoriteit in de benadering van de sekten, die niet meer be­schouwd werden als verbasteringen maar als inte­grale delen van het lichaam van Christus. Met zijn benoeming als voorzitter van de "com­missie voor de bestudering van het sectewezen" stond hij voor de uitdaging zijn ideeën toe te passen op een beweging die even veelbelovend was als schri­kaanjagend. Hij slaagde met lof.

De commissie kwam acht maal bijeen in de periode van 16 sep­tember 1958 tot 25 september 1959. Er werd veel tijd besteed aan zittingen met promi­nente Pinksterleiders (P. v.d. Woude en D. du Plessis) en zij die nauw betrokken waren bij het Pente­costalisme in Nederland (F. Stroefhoff en W.W. Verhoef) of op het zendingsveld (Dr. F.C. Kamma, die negatieve ervaringen had in de ontmoe­ting met Pentecostalen in Irian Jaya, en ds. H. Zunnenberg die werkte onder gerepatrieerde Indo­nesiërs). Het oecumenische aspect trad het sterkst op de voorgrond in de vergadering met David du Plessis op 24 juni 1959 te Drieber­gen. Du Plessis geloofde niet dat de tijd rijp was voor de Pinksterbeweging om het lidmaatschap van de Wereldraad van Kerken in overweging te nemen, maar hij merkte een opmerkelij­ke openheid op ten opzichte van elkaar. Hij vergeleek de Pentecosta­len met een druk, lastig kind en de Kerk met een oude man die ligt te slapen in een stoel en con­cludeerde: "beiden hebben hun problemen, maar in het eerste geval is er iets wat leeft!"


Als onderdeel van de voorbereiding hield Dr. F. Boerwinkel een lezing met als titel "De Kerk en de oproep van de Pinkster­groepen" op 1 april 1959 op een voorgangersconferentie te Utrecht. De inhoud werd vooraf besproken door de commissie en na de presentatie fungeerden de commissie-leden als leiders van de discussiegroep. Deze lezing werd gedrukt in tenminste vier periodieken en gepubliceerd als een apart boekje. Betref­fende de oecumenische openheid merkte Boerwinkel op:

citaat

In reactie op deze lezing schreef D. du Plessis aan Boerwin­kel: "Enige van uw medevoorgangers kunnen u misschien beschul­digen te pro-Pinksteren te zijn. De inhoud kan beschouwd worden als de kern van het Herderlijk Schrijven, hetgeen niet ver­rassend is als men beseft dat Boerwinkel het originele ontwerp van hetzelfde schreef.

Op 8 februari 1960 kwam de Algemene Synode van de Nederlands Hervormde Kerk samen te Woudschoten. De hoofdonderwerpen op het programma waren "de dooppraktijk, de zogenaamde geloofs­zending, de leerstelling van de uitverkiezing en de Pinkster­beweging". De commissie voor de bestudering van het sectewezen presenteerde haar concept van het Herderlijk Schrijven, verge­zeld met, zoals de gewoonte was, een kritiek van een "verslag-co­mité". Over het algemeen werd dit eerste ontwerp goed geac­cepteerd. De kritiek was voornamelijk gericht op het feit dat de specifieke positie van de Hervormde traditie niet genoeg op de voorgrond trad. In de langdurige discussie die volgde pleitten sommigen voor een kritischer benadering (Prof.Dr. H. Jonker, Prof.Dr. A.J. Raskar, Ds. A. Dronkers) en anderen voor een sociologische scan­ning (Ds. G. Juckema & de heer H.W. Kuipers). Op de volgende Algemene Synode op 27 juni 1960 werd een aangepast ontwerp gepresenteerd. De belang­rijkste verande­ringen waren:

a) Het citaat van L. Newbigin, die een oproep deed om een Pinksteren-gericht Christendom, ver­viel.

b) Hoofdstuk IV ("Het antwoord van de Kerk") werd uitgebreid met een meditatie over "Woord en Geest" (geschreven door Prof.Dr. H. Jonker) en Kurt Huttens stelling dat de meeste sekten, waar­onder de Pentecostalen, "een stap boven rechtvaar­digmaking stonden".

c) Hoofdstuk V (De Kerk en de vervulling met de Heilige Geest) werd uitgebreid met een gedeelte over "Het Oude Testament en het werk van de Hei­lige Geest" en een oproep om meer "diakoni­a" en "koinonia" als middel om de gaven van de Geest in de Kerk te handhaven.


In de discussie die volgde wierpen sommigen (ds. P.M. van Galen en ds. R. Kaptein) weer de vraag op of de opvatting van de Pentecostalen al of niet te positief was, maar tenslotte accepteerde de Synode het aangepaste ontwerp met twee stemmen tegen. In december 1960 werd het Herderlijk Schrijven uitein­delijk gepubliceerd, met een inleiding van de Synodale Raad. Over een tijdsbe­stek van negen jaar verschenen er vier her­drukken en werd er een totaliteit van 12.000 exemplaren ver­kocht.

De reacties waren nogal uiteenlopend, maar over het algemeen werd hij gewaardeerd als waardevol en uitdagend. Een uiteen­zetting van de verschil­lende kritieken, onderverdeeld per  denominatie toont de brede en intense belangstelling:

Nederlands Hervormde Kerk

P.M. van Galen (9 juli 1960):

citaat

L.H. Ruitenberg (9 juli 1960)

citaat

J.H. van Beusekom (4 maart 1961)

citaat

A.P. van der Haas (11 maart 1961)

citaat

Presbyter (31 maart 1961)

citaat

A. Groot (14 september 1961)

citaat

C.M. Luteijn (14 april 1962)

citaat

Gereformeerde Kerken

J.M. van Minnen (4 februari 1961)

citaat

G. Toornvliet (18 februari 1961)

citaat

Lutherse Kerk

C.J. Munter (april 1961)

Remonstrantse Kerk

D.C.J. van Peype (27 mei 1961):

citaat

Oecumenische Raad van Kerken\Mennonieten

W.F. Golterman (1 april 1961)

citaat

Oud-Katholieke Kerk


M.J. Aarents (13 mei 1961)

citaat

Vrije Evangelische Gemeenten (15 januari 1961)

citaat

Unie van Baptistengemeenten

J. Reiling (17 februari 1961)

citaat

Leger des Heils

W.H.A.G. Folmer (april 1961):

citaat

Pentecostalen

J.E. van den Brink (13 januari 1961):

citaat

P. van der Woude (1 februari 1961):

citaat

Tijdens het begin van de jaren zestig was de Pinksterbeweging een heftig besproken kwestie in de kerkelijke pers, hoewel de pennen meer in beweging kwamen dan de harten. In Kracht van Omhoog kon men een speciale rubriek getiteld "Pinksteren in de pers" vullen van 1962 tot 1964 met veel, over het algemeen polemische artikelen. De schrijver ontdekte ze slecht aan de oppervlak­te bleven. Behalve deze papieren oorlog met zo nu en dan wapenstilstanden, vonden er enige interes­sante dialogen op plaatselijk niveau plaats. In Haarlem was bijvoorbeeld een gezamenlijke aanbid­dingsdienst van de Nederlands Hervormde kerk en de plaatselijke Pinkstergemeenten op 11 juni 1961. In Driebergen werd Jan van Gijs uitgenodigd om te spreken over het thema "Pinksteren in het dagelijks leven". De groep voor­gangers die sa­menkwamen in Baarn (zie IV D 1) gaven "een ver­klaring van adhesiebetuiging" uit met betrekking tot het Herderlijk Schrijven, waarin ze de hoop uitspraken dat:

citaat


Deze verklaring van adhesiebetuiging was onderte­kend door J. Braaksma (Apostolisch), W.W. Verhoef (Nederlands Hervormd), H.J. Hegger (Gereformeerd) en P. van der Woude (Pentecostaal) in naam van 70 pastores en functionarissen van verschillende denominaties. Hij beklemtoonde de oproep tot nederigheid en zelfonderzoek, onderstreepte de bewering dat geestelijke gaven ook bedoeld waren voor de tegenwoordige bedeling en vermeldde: "de vraag waarvoor de Kerk permanent zal staan is: Leven we ten volle door de Heilige Geest?"

Enige tijd bleven de leden van de "commissie voor de bestude­ring van het sectewezen" hierin betrok­ken. Tenminste vier bisdommen nodigden hen uit voor een informatieve vergadering. Op 17 maart 1960 werd er een radioprogramma uitgezonden met Dr. F. Boerwinkel, j. Swijnenburg en P. van der Woude, dat op Pinksteren werd uitgezonden. In 1960 begon ds. W. Glashouwer een "training voor evangelische gemeenteleden", die de nadruk legde op de doop in de Heilige Geest en de geestelijke gaven. Op 11 januari 1961 hield ds. W. Glashouwer een radiotoespraak over het thema "De oproep van de Pinksterbeweging" en in mei 1961 hield hij nogmaals vier radiopraatjes over het onderwerp "De Kerk en de Pinkstergroeperingen", die later gepubliceerd werden in Vuur. Toen  Glashouwer ruimte wilde maken voor de volwassendoop binnen de Nederlands Hervormde Kerk, heerste er enige tumult, maar dit werd de kop ingedrukt toen hij ver­klaarde dat hij niet tegen de kinderdoop was. In het midden van de jaren zestig vervaagde Glas­houwers interesse naar mate hij in toenemende mate begon te waarschuwen tegen ketterijen in bepaalde gebieden van de Pinksterbeweging. In mei 1961 schreef J. Swijnenburg een artikel dat nog steeds de toon weergeeft van het Herderlijk Schrijven:

citaat

Tenslotte, in 1962, schreef Boerwinkel een brochure voor de "oecumenische Leergang" getiteld "de Pinkstergroepen", waarin hij de oecumenische uitdaging nogmaals beklemtoonde:

citaat

Op initiatief van ds. W. Glashouwer besloot de "Broederschap van Pinkstergemeenten in Nederland (van nu af aan genoemd "Broederschap") een offi­cieel antwoord uit te geven op het Herderlijk Schrijven. De Algemene Raad van 8 februari 1961 benoemde een commissie om hetzelfde voor te be­reiden. De commissie bestond uit:

A. van Polen (geboren 1923) - uitgever (officieel en nuchter), voorganger te Den Haag sinds 1957.


P. van der Woude (1895-1978) - secretaris (punc­tueel & intro­vert), voorganger te Rotterdam sinds 1932, secretaris van de "Broederschap".

C. Visser (geboren 1916) - lid (ernstig & mys­tiek), voorganger te Den Haag sinds 1949.

De commissie maakte een ontwerp van wat het ant­woord moest omvatten en verdeelde de onderwerpen onder elkaar: A. van Polen schreef de inleiding en conclusie. P. van der Woude de historische en pneumatologische commentaren en C. Visser droeg achtergrond-informatie aan. Het ontwerp werd doorgenomen en van commentaar voorzien door K. van Balen, E.A. Graf en P. Klaver. In de Algemene Raad van 29 februari 1962 werd het ontwerp aang­enomen en men besloot om het te laten drukken na een laatste revisie door G. Mik en G. Susan. Op 13 oktober 1962 presenteerde de commissie offi­cieel haar "Antwoord op het Herderlijk Schrijven" aan de grote Synodale Raad van de Neder­lands Hervormde Kerk. Bij deze gelegenheid sprak P. van der Woude de Synode voorzitter ds. P.G. van den Hooff toe met de woorden:

citaat

Op 20 november 1962 werd dit "Antwoord op het Herderlijk Schrijven" besproken op de Algemene Synode van de Nederlands Hervormde Kerk en men besloot dat de leden van de "Commissie voor de bestudering van het sectewezen" zouden trachten een dialoog te beginnen met de "Broederschap". Hoewel dit boekje, dat slecht bestond uit 15 pagina's, niet zoveel aandacht trok als het Her­derlijk Schrijven, werden er enige interessante conclu­sies getrokken:

Nederlands Hervormde Kerk

F.H. Landsman (10 november 1962):

citaat

W.W. Verhoef (juni 1963):

citaat

Gereformeerde Kerken

H.J. Hegger (januari 1963):

citaat

Unie van Baptistengemeenten

J.  Reiling (november 1962):

citaat

Maranatha-beweging


J.A. Monsma (24 november 1962):

citaat

Pentecostalen

J.E. van den Brink (2 november 1962)

citaat

A. van Polen (november 1962):

citaat

A. van Polen organiseerde in verschillende plaat­sen in Neder­land openbare lezingen  waarin hij de "pastorale brief" en het  "Broederschap-antwoord" besprak, die veel publiek trokken.

Als resultaat van de Synodale beslissing  van 20 november 1962 kwam de "commissie voor de bestude­ring van het sectewezen" eenmaal bijeen, die het antwoord van de "broederschap" voorbe­reidde. Hoewel geen van de deelnemers die nog in leven zijn zich veel van deze historische ontmoeting schijnen te herinne­ren die plaatsvond op 28 mei 1963, openbaren de notulen een interessante en veelbelovende discussie. Het gekozen hoofdthe­ma was: "Wat houdt ons tegen samen de Kerk van Jezus Christus te zijn?" In een verslag in de Pinkster­boodschap werd vermeld dat de ontmoeting plaats­vond "in een geest van wederzijdse eerlijkheid hetgeen resulteerde in enkele nieuwe inzichten". Als antwoord op hun houding ten opzichte van de Wereldraad van Kerken antwoordde de delegatie dat ze bezwaar aantekenden tegen het liberale ele­ment. Beweringen van bijvoorbeeld C.H. Dodd en T.C. Chao boezemde hen de vrees in dat de Bijbel niet volledig geaccepteerd werd als het Woord van God en dat de W.C.C. te sympathiek stond tegen­over het communisme:

citaat

Ze verwachtten niet dat de "Broederschap" toe zou treden tot de W.C.C., maar stonden open om samen te werken op praktische gebieden. Wat betreft de Roomskatholieke Kerk waren de Pente­costalen ver­heugd over de vernieuwing die plaatsvond. Aan de andere kant beschouwden ze de macht van Rome als een gevaar voor de Christelijke kerk en voegden er aan toe:

citaat


Ds. J.R. Wolfensberger pleitte ervoor dat de zorg van de Broederschap niet de hoop moest uitslui­ten, zelfs niet voor Rome. Volgens hem was het krampachtige vastklampen aan de eigen denominatie een groter kwaad dan het "gevaar van Rome". Ten­slotte kwam men overeen nog twee vergaderingen te houden, een in de herfst van 1963 over de "exege­se van bepaalde schri­ftgedeel­ten" en een in het voorjaar van 1964 over "het werk van de Heilige Geest". Deze vergaderingen vonden echter nooit plaats. In een brief van 12 mei 1964 vroeg J. Swijnenburg aan de Synodale

Raad of het wenselijk zou zijn dat de commissie deze dialoog zou voortzetten:

citaat

De Synodale Raad die nooit verwachtte dat deze dialoog langer dan een vergadering zou duren, scheen snel bereid dat zij volledig instemden met de commissie, en dat een discussie met de radica­lere groepen niet van veel nut zouden zijn en dat de commissie haar taak als voleindigd kon be­schouwen. Volgens Boerwinkel verloor men langza­merhand de belangstelling omdat de Nederland Hervormde Kerk teveel verstrikt was in politieke kwesties zoals de wapenwedloop, terwijl de Pente­costalen al hun aandacht nodig hadden voor de roerige gebeurtenissen binnen hun eigen gelede­ren.

Zodoende werd een veelbelovende dialoog de kop ingedrukt voordat hij reeds was begonnen. Het Herderlijk Schrijven had geen blijvende effecten. In een artikel dat gepubliceerd was in Hervormd Nederland in 1967, werd de Pinksterbeweging weer­legd door af te geven op hun hooghartige preten­ties en ver­deelde geest. Het scheen alsof het Herderlijk Schrijven nooit ge­schreven was.

Tot slot van dit gedeelte past het om te eindigen met een kritische analyse van de inhoud en metho­dologie van zowel de "pastorale brief" als het "antwoord van de Broederschap". De "pastorale brief" was zeer zeker een uniek document, ver voor zijn tijd verschenen. Het bevestigde wat David du Plessis had waargenomen toen hij Neder­land in 1959 bezocht:

citaat


De openheid ten opzichte van de Pentecostalen en de bereidheid om de zwakheden van zichzelf toe te geven was verfrissend. De "commissie voor de bestudering van het sectewezen" had gelijk toen hij opmerkte dat "deze brief slechts het begin kon zijn van een hoogst noodzakelijke bestudering van de pneumatologie binnen de kerk". De inhoud was tamelijk eenvoudig en samenge­vat. Om deze reden was hij toegankelijk voor zowel Pentecosta­len als lekewerkers in de kerk. Behalve de vele commentaren die eerder zijn geciteerd moeten er ook enkele kritische kanttekeningen worden ge­plaatst die tot nu toe onaangeroerd zijn geble­ven. In de eerste plaats is de titel nogal preten­tieus. De inhoud in aanmerking genomen zou de titel "De Nede­rlands Hervormde Kerk en de Pinkstergroepen" gepaster zijn geweest. Ten twee­de, de op zichzelf juiste beschouwing van de aarzelende oecumenische interesse binnen de gele­deren van het Pentecostalisme wereldwijd, die beschouwd werd als een van de drie motieven voor deze brief, werd niet onderzocht binnen hun eigen nationale context. De interkerkelijke pogin­gen van bijvoorbeeld het Osborn-comité, "Kracht van Omhoog" of "Vuur" werden nauwelijks ter discussie gesteld (p. 20). Het feit dat "Stromen van Kracht" haar aanvankelijke oecumenische ijver had verloren werd eenvoudigweg afgedaan met de opmer­king dat "Aangezien zij waren begonnen met hun eigen avondmaals­diensten en doopdiensten, waren ze onherroepelijk gekomen in een sekta­rische vaargeul" (p.20). Aangezien de activiteiten van "Stro­men van Kracht" juist de oorzaak waren van dit onder­zoek is het ondenkbaar dat er geen verd­ere aandacht werd gegeven aan dit verschijnsel. In dit opzicht is het jammer dat van het aanvank­elijke idee om Karel Hoekendijk uit te nodigen voor een zitting werd afgezien vanwege zijn con­troversieel gedrag. Een unieke gelegenheid om de roep om zelfonderzoek toe te passen met betrek­king tot de vraag waarom "de Kerk lijdt aan een tekort aan de Heilige Geest", het tweede doel van deze brief, ging zodoende verloren.



Ten derde deed de commissie haar historisch huis­werk niet op de juiste manier.  Wat de internati­onale achtergrond betreft beriep zij zich enkel en alleen op de boeken van Leonhard Steiner, Mit folgenden Zeichnen en Donald Gee, The Pentecostal Movement. Het is onvergeeflijk dat het uitsteken­de werk van hun Nederlands Hervormde collega Dr. G.A. Wumkes, De Pinkster­beweging voornamelijk in Nederland, blijkbaar niet geraad­pleegd is. Het overzicht van de Nederlandse Pinkstergroeperin­gen, voornamelijk ontleend aan de zittingen, bevatte tenminste drie historische fouten. Het is pijnlijk dat een student uit Zurich (Walter J. Hollenweger) erin slaagde om grote hoeveel­heden en meer accurate informatie te verzamelen over de Neder­landse Pinkstertoneel van die dagen, hoewel hij toen Nederland nooit had bezocht. Ten vierde lijkt het merk­waardig om de praktijk van de vol­wassendoop te beschouwen als het essentiële teken van het sectewezen (zoals voorgesteld is in ver­band met "Stromen van Kracht" en "Maasbach" op p. 20 & 21) en vreemd om de Pinkstergroeperingen te verdelen in ruim van opvatting en bekrompen enkel en alleen afgaande op het feit of ze al dan niet geloven dat het spreken in tongen het eerste teken is van de doop in de Heilige Geest (p.20). Al met al is het de mening van de schrijver dat ondanks alle oprechte pogingen de Pente­costalen gade te slaan en naar hen te luiste­ren, aan de essen­tie van de "Pinksteruitdaging" voorbij is gegaan. De brief laat de indruk na, zoals Pente­costalen inderdaad zelf doen, dat de kerk ten volle bekrachtigd zal worden als individuele gelovigen eenmaal de emotionele gebeurtenis ge­noemd "de doop met de Heilige Geest" ervaren (al of niet vergezeld met het spreken in tongen). De dagelijkse praktijk binnen de Pinkster­gemeenten en het bijbels getuigenis (e.g. hand. 4:31) tonen dat de "volheid van de Heilige Geest" geen sie­raad is dat men kan bezitten, maar het is een voortdurend resultaat van be­dauwd te zijn met Zijn eeuwige tegenwoordigheid. Dit kan men niet gestructureerd of samengeperst worden in een enkele gebeurtenis. De commissie heeft de klas­sieke fout gemaakt om binnen het theologische gebied te zoeken naar de Pinksteruit­daging. Men kon hen dit nauwelijks kwalijk nemen, omdat hun onderwijs voornamelijk beperkt was tot dit speci­fieke gebied. Er is echter een belangrijkere bijdrage te vinden binnen het gebied van de soci­alisatie van de kerk door de opwaardering van het individu. Met de term "socialisatie" bedoelt de schri­jver de gelijkwaardige waardering tussen de armen en de rij­ken, de jongeren en de ouderen, de geletterden en de ongelet­terden, kleurlingen en blanken, mannen en vrouwen, rationele en verha­lende wijze van uitdrukking. In het vroege Pentecosta­lisme werd bijna op natuurlijke wijze de verbinding tussen de geestelijke gaven en het functioneren van het totale lichaam van Christus (b.v. 1 Cor.12) in praktijk gebracht. Van ieder lid werd een bijdrage verwacht van zijn of haar specifieke gave; iedereen werd gelijkwaardig geacht maar verschillend.

Zodoende werd er een zeldzame balans ontdekt tussen de wens van het individu om goddelijke tussenkomst in hun persoonlijk leven en de ver­vulling van de nood om een actief en waardevol deel van de gemeenschap te zijn. Maar aangezien de samenleving de Pentecostalen verwierpen als een fanatieke sekte, werd de gemeenschapszin beperkt tot hun eigen sub-groep. Omdat ze een tegenbeweging was van de al te gestructureerde kerk, versmal­den de Pentecostalen de kloof tussen de geestelijkheid en de leken. Tot op vandaag zijn een persoonlijke roeping en charis­ma belang­rijker kwaliteiten voor een toekomstige voorgang­er in een Nederlandse Pinkstergemeente dan een gedegen opleiding. Ten gevolge hiervan voert de mondelinge theologie de boven­toon, die op zich­zelf gezien een belangrijke bijdrage blijkt te zijn in de interculturele ontmoeting. Dit aspect raakt echter juist de beginselen van de Neder­lands Hervormde kerk­structuur en kan om deze reden een te grote sprong zijn ge­weest die men van deze pastorale brief kon verwachten.


De commissie die het "antwoord van de Broeder­schap" voorbe­reidde maakt de fout zich te veel te concentreren op de "pas­torale brief", zonder na te denken over hun eigen beeld van de Pinksterbe­weging. Zij trachtte de Hervormde theologen te doen passen in hun eigen specialiteit, hetgeen moedig was maar dwaas. Na een jaar van voorberei­ding was alles wat tot stand gebracht kon worden slechts 15 kleine pagina's text waaronder vele blanco bladzijden. Er werd geopend met de volgen­de belo­vende stelling:

citaat

Maar deze open oecumenische deur werd weer dicht­geslagen met de onzorgvuldige uitspraak dat "lei­dinggevende personen in de Wereldraad van Kerken loochenen de basiswaarheden van de Schrift, zoals de goddelijkheid van Christus en de maagdelijke geboorte van Maria". Door het uitspreken van deze ongegronde beschuldigingen stelden de Pentecosta­len zichzelf gelijk met hun tegenstanders die hen eenvoudigweg aan de kant zetten door het nazeggen van laster zonder enig persoonlijk onderzoek. Nog een inconsequentie betrof de vurig besproken kwestie of het spreken in tongen al dan niet het eerste teken is van de doop in de Heilige Geest. Aan de ene kant erkend men dat dit niet het enige teken is (p.14); aan de andere kant wordt er gezegd dat "dit schriftuurlijk teken de regel is" (p.18-19). Ten derde  toonden de Pentecostalen een beschamend gebrek aan zelfkritiek, hetgeen karakteriserend is voor hun triomfante­lijke eufo­rie. Er werd bijvoorbeeld in hun discussie over de doop (p.19) geen antwoord gegeven op de cruci­ale vraag of dit al dan niet zou kunnen uitmonden in een gevaarlijke verschui­ving van de objectivi­teit naar de subjectiviteit van het geloof. Op dezelfde wijze ging het "antwoord van de Broeder­schap" niet in op de gevaren van de dichotomie (p.39) en de verbijstering (p.51) die het Herder­lijk Schrijven terecht onder­scheidde in de Pink­sterbeweging. Niettemin was de belang­rijk­ste tekortkoming van het "antwoord van de Broeder­schap" wat zij niet gaf, en wel een analyse van haar eigen identiteit waarin zij de kerk en de samenleving moet dienen.

D. De penetratie van Pinksteren loopt op een dood spoor


Tijdens het begin van de jaren zestig vonden er drie verschil­lende gebeurtenissen bijna tegelij­kertijd plaats: dialogen in Baarn, conferenties in Beukestein en nationale conventies in Utrecht. Iedere gebeurtenis was georganiseerd met als doel de Pinksterboodschap te doen opgaan in het grote lichaam van het Christendom, en wel elk op zijn eigen individuele manier. Uiteindelijk liepen deze drie pogingen uit op een dood spoor om ver­schillende redenen. Een uiteenzetting en evalua­tie van deze drie voorbeelden van integratie kunnen ons helpen om bepaalde problemen en belof­ten in soortgelijke confrontaties te voorzien.

1. Dialoog in Baarn

Het bezoek van David du Plessis in juni 1959 en Boerwinkels lezing over de oproep van Pinkster­groepen gaf Wim Verhoef inspiratie tot het oproe­pen van een dialoog tussen de Pink­stervoorgangers en pastores uit verschillende denominaties. In een vurig artikel in Vuur van september 1959 verwees hij nar een uitspraak van David du Ples­sis op "Kerk en Wereld" waar de Kerk werd verge­leken met een goede carrosserie van een auto met een slecht lopende machine en de Pinksterbeweging met een lawaaierige machine die van geen nut was zonder carrosserie. Verhoef voegde er aan toe:

citaat

Naar zijn mening was er slechts een voorwaarde nodig:

citaat

Een maand later kon hij reeds schrijven dat hij veel reacties had gekregen, zowel van Pentecosta­len als van andere leiders en kon er een begin gemaakt worden met de dialoog. Ten einde zoveel mogelijk mensen deel te laten nemen, weerlegde Verhoef de belangrijkste bezwaren door de volgen­de voorwaarden voor te stellen:

1. Er moet genoeg oecumenische openheid zijn om in vrede naast elkaar te leven met twee verschil­lende dooppraktijken.

2. Ons begrip van de Bijbel is verbonden met onze persoonlijke ervaring en interpretatie; daarom moeten we leren luisteren naar de Bijbel in ge­meenschap met elkaar.

3. De Pentecostalen kunnen zich niet uitsluitend vastpinnen op getuigen, maar moeten komen tot een theologische overdenking.


4. Eenheid komt niet tot stand door te proberen de anderen in onze groep te krijgen, maar is slechts mogelijk als we ons beiden schuldig voe­len over de verdeeldheid van de Kerk van Chris­tus.

5. Zolang men niet zoekt naar een gestructureerde eenheid gebaseerd op de eenheid van geloof, is men gewoonlijk bezig met zondige competitie.

In een gepubliceerde reactie schreef P. van der Woude dat de Pentecostalen ten volle bereid waren om mee te doen als het een discussie zou worden tussen individuele voorgangers en dominees geba­seerd op de Bijbel en met de bereidheid het nieu­we licht toe te passen op het Schriftgedeelte dat men wel moest ontvangen.


Uiteindelijk vond de eerste ontmoeting plaats op 9 december 1959 met 24 deelnemers onder wie Ne­derlands Hervormde, Gere­formeerde en Baptisten predikanten, enkele Pinkstervoorgan­gers, een Majoor van het Leger des Heils en een paar vertegen­woordigers uit de zogenaamde "Vrije Groe­peringen". Het onder­werp waarover gesproken werd was de doop in de Heilige Geest. Zowel de Charis­matische als de Pinkstertijdschriften gaven ver­slag van een veelbelovende ontmoeting waarin de broederlij­ke harmonie werd ervaren ondanks enkele belangrijke ongelijk­heden. Verhoef sprak de hoop uit dat deze verschillend uitein­delijk aanwinsten zouden blijken te zijn in plaats van tegen­spra­ken. Deze unieke dialoog zette zich meet dan twee jaar voort. Elke maand werden er vergaderingen gehouden in Baarn, gewoonlijk op dinsdag van 10.00 uur tot 3.30 uur. Zij vonden plaats in het centrum "De Reddingsark", Adelheidlaan 8, van J. Braaksma, een onafhankelijk evangelist die toen verbonden was met de Apostolische (Pinkster) Kerk van Denemarken. De verga­deringen waren uitslui­tend voor voorgangers, pastores of leiders en stonden onder voorzitterschap van W.W. Verhoef of W. Glashouwer. De onderwerpen voor discussie werden unaniem gekozen en een lid van de groep kreeg het verzoek een inlei­ding voor te bereiden. Hierop volgde een plenaire zitting en een lunch. Gewoonlijk besloot men de dag met een open gebeds­sessie. Er werden een paar liederen gezong­en uit de liederen­boeken die gebruikt werden door de Nederlandse Pentecostalen. De eerste acht zittingen werden gewijd aan de discussie over de geestelijke gaven; er werden enkele inleidingen gehouden door Pentecostalen (P. Klaver en H.A. Luuring). Na een jaar van deze dialoog evalueerde Verhoef:

citaat

In 1961 gaf deze groepsvergadering te Baarn, die zich uitge­breid had tot 70 voorgangers, de reeds genoemde verklaring van adhesiebetuiging uit aan het Herderlijk Schrijven van de Nederlands Her­vormde Kerk (vgl. p.258). Een hoogtepunt van dit jaar was het bezoek van David du Plessis op 30 mei 1961, waarin hij een beschouwing gaf over de wereldwijde en in alle kerken voorko­mende inte­resse in de doop en de gaven van de eest.  Toen echter het zwaartepunt veranderde in een discus­sie van enkele eigentijdse controversiële kwes­ties zoals de profetieën die uitgesproken waren door de voormalige Gerefor­meerde dominee A.A. Leenhouts en de praktijk van het excorcis­me van het Beukenstein-team, begon de interesse te ver­vagen. In 1962 dreigde de dialoog helemaal weg te ebben toen de onderwerpen die besproken werden voornamelijk overgelaten werden aan J. Braaksma. In september werd er een poging gedaan het getij te keren, hetgeen aldus werd aangekondigd in Vuur:

citaat

Dit nieuwe plan scheen veelbelovend te zijn, maar in de prak­tijk bleek het te ambitieus te zijn. Binnen een jaar liep het hele project op een dood spoor. In november 1963 kwam Verhoef tot de con­clusie dat Baarn op niets was uitgelopen omdat men zich daar enkel en alleen bepaalde bij het samen praten in plaats v an het samen werken. Terugblikkend op dit artikel, voegde J.E. v.d. Brink eraan toe:

citaat

Deze commentaren vertegenwoordigden een gezamen­lijk gevoel van teleurstelling over de manier waarop de dialoog te Baarn zich ontwikkelde. De volgende analyse voegt nog enkele andere sugges­ties toe aan de vraag waarom deze dialoog nooit verder kwam dan het eerste stadium van de me­ningsuitwisselingen:


1. Het is opmerkelijk dat de uitspraak dat deze dialoog ook de Pentecostalen zou bevoordelen slechts uitgesproken werd door de Niet-Pentecos­talen. De Pentecostalen zelf kwamen alleen met het doel de anderen te bekeren tot hun overtui­gingen. Toen de discussies voornamelijk uitliepen op intellectuele beschouwin­gen verloren zij lang­zamerhand de belangstelling. De Pentecos­talen waren op hun best als ze de kans kregen te getui­gen over hun persoonlijke ervaring en bediening, zoals dit inderdaad zo nu en dan gebeurde, maar het ontbrak de groep aan "tweetalige vertolkers" die hun boodschap konden vertalen in de terminolo­gie van de Westerse academische theolo­gie.

2. Het ontbrak het leiderschap aan de noodzaak van flexibili­teit en gevoeligheid. Dit waren zeker niet de meest op de voorgrond tredende eigenschappen van W. Glashouwer en J. Braaksma die naast W.W. Verhoef de meest vooraanstaande perso­nen  waren tijdens de eerste jaren van de dialoog. Tijdens de discussies bracht Glashouwer steeds maar weer controversiële kwesties ter tafel die hem dwars zaten en zodoende bracht hij schade toe aan de kwetsbare relatie. Het was ook verdacht dat de vergaderingen aanvankelijk geleid werden door slechts twee Nederlands Hervormde predikanten. Dit veranderde in 1962, maar toen had de dialoog reeds aan gewicht verloren. Als men vanaf het begin een Pentecostaal had gevraagd om deel te nemen in het leiderschap, zou het initiatief zich zeker hebben ontwik­keld op een andere en meer gebalanceerde manier.

3. Baarn was niet de juiste plaats om controver­siële kwesties op te lossen die de Pinksterfunde­ring deed schudden tijdens de jaren zestig. Aang­ezien dit diende als een platform voor menings­uitwisselingen en gemeenschap was er een toene­mende interesse en toeloop. Er was echter veel meer tijd nodig om de onmetelijke kloven te over­bruggen tussen de verschillende kerkelijke tradi­ties en culturen voordat hier interne Pink­ster­vraagstukken konden worden besproken.


4. Tenslotte is de sleutelvraag of er veel ver­wacht kan worden van een rationele confrontatie met de Pentecostalen. Er is reeds eerder beargu­menteerd dat de Pinksterbeweging meer een erva­ring is dan een leerstelling, een verhaal in plaats van een exegese. Om deze reden moet er ruim tijd besteed worden aan aanbidding en eigen­lijke beoefening van de geestelijke gaven. In deze dialoog voelden de Pentecostalen zich als een vis op het droge, happend naar stromen van levend water.

2. Exorcisme in Beukenstein

Hier is reeds beschreven hoe het tijdschrift Kracht van Omhoog de Pinksterboodschap trachtte te propageren binnen de ver­schillende denomina­ties (Hoofdstuk II F). De interactie met de be­diening te Beukenstein resulteerde in een opmer­kelijke verandering van het karakter van dit tijdschrift, hetgeen beneden zal worden beschre­ven.

Na de terugtrekking van Henk van den Brink in 1958 nam Jo de positie van zijn broer als hoofd­redacteur van Kracht van Omhoog over. Datzelfde jaar begon J.E. v.d. Brink een Pink­stergemeente in zijn huis te Gorinchem. De interkerkelijke samenstelling van de redactie bleef, hoewel het tijdschrift veel meer openlijk Pinksteren-gericht werd. In 1960 bestond de redactionele staf uit twee Pentecostalen, twee Gereformeerden en een Nederlands Hervormde vertegenwoordiger. Datzelfde jaar begon J.E. v.d. Brink full-time te werken voor Kracht van Omhoog. In die hoedanigheid kwam hij in contact met de gebeur­tenis­sen te Beuken­stein, hetgeen zijn bediening drastisch zou ve­randeren.

Op zondag 6 november 1960 om half twaalf ontving Izaak Roose (geboren 1919) de opdracht van de Heer om "Heilige Geest samenkomsten" te houden in het gebouw "Beukenstein" te Drie­bergen. Hij deel­de dit met de echtparen Hijink en De Groot met wie hij en zijn vrouw vele avonden in het afgelo­pen jaar hadden gebeden voor een opwekking. Allen waren in de Pinkster­beweging gekomen door Stromen van Kracht evenals het echtpaar Emeis die de huisbewaarders waren van Beukenstein. Het eerste weekend vond plaats op 17-18 december 1960. Het gebouw was tot de uiterste capaciteit gevuld (68 bedden). Op zondagmorgen was J.E. v.d. Brink uitgenodigd als hun gastspreker.


De echtparen Roose, Hijink, De Groot en Emeis samen met J.E. v.d. Brink  en Riemer de Graaf (Nederlands Hervormd jeugdlei­der te Amersfoort) vormden het zogenaamde "Beukenstein team".  In het eerste jaar werden Jan van Gijs (Nederlands Hervormd jeugdouderling te Amsterdam) en zijn vrouw eraan toegevoegd. Acht jaar lang vonden er talrijke weekeinden en opbouwweken plaats. Er werden speciale jeugdweekeinden georganiseerd en in 1965 breidden de activiteiten zich uit met "voorgangers-dagen" en weken voor buitenlandse gasten. Christenen uit verschillen­de denominaties en uit een ruim geografisch gebied kwamen om naar het "volle evangelie" te luisteren en deze te ervaren. Dientengevolge doopte Het Beukenstein-team meer dan 2.000 mensen, gewoonlijk in een zwembad in Amersfoort, maar in noodgevallen in de badkamer in Beukenstein. Een statistisch verslag van een doopdienst in 1966 toont het brede kerke­lijk gebied:

23 Nederlands Hervormden, 17 Gereformeerden, 3 Christelijk Gereformeerden, 1 Mennoniet (!), 3 Pentecostalen, 1 Vrije Evangelische, 3 Roomska­tholieken en 10 niet-Christenen. Hoewel de uitno­diging voor het eerste Beukenstein weekeinde nadrukke­lijk vermeldde dat "Deze samenkomsten alleen zijn voor Gods kinderen die zoeken naar meer kracht en heiliging, en er dus geen gebed zal zijn voor de  zieken of hen die gebonden zijn", werd het exorcisme de mest betekenisvolle en in het oog lopen­de praktijk. In 1962 schreef J.E. v.d. Brink:

citaat


De gedachte ontwikkelde zich dat bevrijding van demonen de noodzakelijke voorbereiding was voor de vervulling van de Heilige Geest, zoals heili­ging dit was in het vroege Pentecos­talisme. Er werd speciale aandacht gegeven aan de vraag of men al dan niet geestelijk gebonden was door afgodische attributen zoals wajang-poppen en amuletten of zelfs Roomskatholieke crucifixen of rozenkransen.  Regelmatig rapporteerde men hoe homosexuelen bevrijd werden en dientengevolge heterosexueel werden. Exorcisme werd geprakti­seerd op een dramatische en agressieve wijze, en in deze bediening trad I. Roose het meest op de voorgrond. Later gaf hij toe dat hij in het begin nauwe­lijks wist of dit bijbels verantwoord was, maar hij handelde zoals hij zich geleid voelde door de Geest.

De bediening in Beukenstein was geheel onafhank­elijk, zonder enige officiële bindingen met een denominatie of Pinkster­groep. Na een jaar schreef v.d. Brink:

citaat

Langzamerhand groeide het bewustzijn dat Beuken­stein de tot­standkoming van plaatselijke gemeen­ten zou moeten stimuleren waar deze  "volle raad van God" werd onderwezen en geprakti­seerd. n 1964 stelde v.d. Brink voor:

citaat

In 1965 voegde zijn schoonzoon, Peter Bronsveld, hier radica­ler aan toe

citaat

Toen tenslotte in 1968 het gebouw Beukenstein werd verkocht en afgebroken, was dit een teken voor het team te stoppen met hun vereende poging­en, en v.d. Brink concludeerde:

citaat

Evenals de vroege Pinksterbeweging stond het Beukenstein-team onder zware kritiek, bespotting en tegenstand. Het feit dat vanaf het allereerste begin er bij het publiek werd aangedron­gen zich te laten dopen door onderdompeling, hetgeen ge­daan werd door het team als de plaatselijke gees­telijkheid dit weigerde te doen, was natuurlijk aanleiding voor veel wantrou­wen in de traditione­le kerken. De klassieke Pentecostalen waren nog sceptischer. Zij verwierpen de praktijken in Beuken­stein op de leerstellige basis dat Gods kinderen niet gebonden of bezeten konden zijn door demonen, maar waarschijnlijk was de belang­rijkste reden voor hun tegenstand de onderliggen­de factor van een klasseconflict. Zij vertegen­woordigden voorna­melijk de arbeidersklasse, ter­wijl Beukenstein voornamelijk de intellectuele middenklasse trok. Op deze wijze was het een voortzetting van het dispuut met Stromen van kracht in de jaren vijftig. In 1964 reageerde  v.d. Brink op deze kritiek:


citaat

In verschillende artikelen verbond v.d. Brink deze tegenstand met het vroege Pentecostalisme en beschuldigde  de klassieke Pentecostalen die toen gedefinieerd werden als oud-Pinksteren, en die niet meer bereid waren het kruis van de verwer­ping te dragen en op huichelachtige wijze zochten naar erkenning door de kerken. De vroege Pente­costalen gebruikten echter nooit tegenstand als een argument om te bewijzen dat zij de enige ware gemeente waren waarin God zichzelf ten volle had geopen­baard. Door hun methode van stil verzet dat uitliep op isola­tie, leden zij echt wegens de verdeeldheid van het lichaam van Christus. De aanhangers van Beukenstein gebruikten de tegen­stand hun radicale afscheiding te rechtvaardigen van diegene die hen niet volgden op  "de hoge weg". Als v.d. Brink aan het einde van de jaren zestig een vers op vers studie van het boek Open­baring publiceert zet hij dit in het procrustes­bed van de voortdurende strijd tussen de valse kerk en de ware gemeente. In dit boek wordt het duidelijk hoe Van den Brink zichzelf en zijn volgelingen heeft vervreemd van hun vroegere Pinksterge­lijken. De Pentecostalen die niet voortgaan zich te ontwikke­len in Gods volledige openbaring (i.e. de leerstellingen van v.d. Brink) gaan ook deel uitmaken van die valse kerk die beheerst wordt door een geveinsde oecumene.



Terwijl I. Roose de eigenlijke praktijk van het exorcisme beoefende in Beukenstein, ontwikkelde J.E. v.d Brink de leer­stellige structuur die enkele merkwaardige overeenkomsten vertoont met het Perzisch dualisme en de Christelijke gnos­tiek. In de jaren zestig ontwikkelde hij een aantal afwijkende leerstellingen  die verworpen werden door de klassieke Pente­costalen. De essen­tie van zijn inzichten was zijn definitie van de zonde die hij beschreef als "een vrucht van het­geen in de onzienlijke wereld loskomt als de mens in gemeenschap met de duivel is". Volgens v.d. Brink wordt de zonde veroorzaakt door de infil­tratie van boze geesten waarvoor alleen Jezus bevrijding kon geven. Van nature is de mens goed. De leerstel­ling van de originele zonde is een verkeerde stelling die de tactieken van de voort­durende beschuldiging van de duivel openbaart. Op een bepaalde wijze was van den Brinks theorie creatiever en logischer dan de meeste Pentecosta­le "onsystema­tische theologie" die tot nu toe tot stand was gekomen. Toen deze "nieuwe openbaring van de Geest" echter maar nauwelijks open kwam te staan voor discussie en toen de kritiek resul­teerde in de veroordeling dat men niet meer be­hoorde tot de ware gemeente van Jezus Christus, werd hij een molensteen om de nek van het oecume­nisch belang. Vanaf het begin van de jaren zestig werd Kracht van Omhoog gratis gezonden aan alle (!) Gereformeerde, Christelijk Gereformeerde, Vrije Evangeli­sche, Baptisten, Nederlands Her­vormde predikanten en uiteinde­lijk ook aan de Roomskatholieke geestelijkheid. A.H. van den Heuvel noemde dit een uitstekende oecumenische daad en merkte op dat Kracht van Omhoog de "Pink­sterbijbel" was geworden voor honderden voorgang­ers. Toen echter het tijdschrift Kracht van Om­hoog de belangrijkste spreekbuis werd van Beuken­stein en J.E. v.d. Brinks onderwijs, werd er een getekend beeld gegeven van het oecumenisch poten­tieel van de Pinksterbeweging. De fanatieke wijze waarop Kracht van Omhoog haar inzichten pre­sen­teerde, bevestigde de heersende overtuiging dat "deze sekten slechts uit waren op eigen gewin". Ondanks het feit dat J.E. v.d Brink in 1961 en in 1963 nog steeds waarschuwde dat een meningsver­schil of verschil in leerstelling nooit ruzie of verdeeldheid mocht veroorzaken, viel hij juist zelf in deze put. Van den Brink accepteerde de isolatie die door deze controverse was veroor­zaakt als de prijs die betaald moest worden om trouw te blijven aan zijn openbaringen. De aanvanke­lijke oecumenische ijver van Kracht van Omhoog ging echter geheel verloren naar mate het tijdschrift overwegend de koe­rier werd van Van den Brinks specifieke onderwijs dat bekend werd als "De strijd in de hemelse gewesten" of "De hoge weg". De historische ontwikkeling van Kracht van Omhoog bewijst dat leerstellige verschillen inderdaad belangrijke verdeeldheid kunnen veroor­zaken, maar als men niet bereid is de beperkingen van zijn eigen overtuiging te erkennen worden deze verschillen vernietigend. De ontwikkeling binnen Kracht van Omhoog leert de Pentecostalen dat de absolute wijze waarop zij hun leer­stel­lingen presenteren gevaarlijk wordt als dit de oorzaak wordt dat ze zich afsluiten van andere Christenen met andere ideeën. Als dit gedaan wordt komen ze verontrustend dicht bij Boerwink­els definitie van een sekte:

citaat

Heden beschuldigen de meeste klassieke Pentecos­talen v.d. Brink van ketterij en hierom verwerpen zij de vijftig gemeen­ten die zijn leer aanhangen. Van den Brink van zijn kant stelt de Pentecosta­len aan de kaak die zijn opvatting niet deelden van "teruggekeerd te zijn naar Babel", i.e. te­ruggekeerd naar dode kerkelijke structuren. Beide groepen lopen echter het gevaar van vervreemding, isolatie en doelloosheid als hun horizon niet wordt verruimd buiten hun eigen opvatting van waarheid.

3. Oecumene in het zakenleven


In december 1960 werd de stichting "Volle Evang­elie Zakenlie­den Nederland", beter bekend als de afkorting "VEZA" opgericht in Utrecht. Het lid­maatschap stond open voor zakenmannen en zaken­vrouwen, werknemers, functionarissen en zelf­standigen. Voorgangers en dominees konden ook toetreden, maar zij waren niet bevoegd om comité-lid te worden. De VEZA was de Neder­landse tak van de "Full Gospel Business Men"s Fellowship Inter­national" (van nu af aan genoemd F.G.B.M.F.I.), een organisatie die opgericht was door de Armeni­sche Amerikaan Demos Shakarian in 1951 ten einde zakenlieden te winnen voor Christus. Tegen de tijd dat de VEZA in Nederlands begon was de F.G.B.M.F.I. uitgegroeid tot een aanzienlijk belangrijke organisatie in de V.S. en was erin geslaagd, zoals Hollenweger het stelde, "een gehoor te pakken voor de Pinkster genezings­evang­elisten in de niet-Pinksterkerken en in de Angli­caanse orde van Sint Lucas". Aan het einde van de jaren vijftig en het begin van de jaren zestig begon de F.G.B.M .F.I. in toene­mende mate nieuwe typen van publiek uit de middenlaag van de samen­leving te bereiken met de Pinksterboodschap bin­nen hun eigen sociologische setting. Vanwege hun nadrukkelijke onker­kelijke benadering vormden zij een belangrijke factor in de opkomst van de zoge­naamde neo-Pentecostale of Charismatische bewe­ging. Hoewel de Nederlandse Charismatische bewe­ging haar wortels heeft in Stromen van Kracht, droeg de VEZA zeker bij aan haar populariteit en groei.

Christelijke eenheid lag ten grondslag aan de VEZA. In een stimulerend traktaat werd het hoofd­doel van de VEZA beschreven als:

citaat

In een andere omschrijving van hun doelstelling kwam hun protest tegen de Christelijke status quo en de oecumenische pogingen voor eenheid nog duidelijker tot uitdrukking:

Hun president Peter Willem van den Dries (1905-1975), een succesvol zakenman en directeur van vier bouwbedrijven gaf gestalte aan deze ambi­ties. Hij  had een paar samenkomsten van Zaiss in 1952 bezocht, maar pas na de campagne van Osborn in 1958 werd hij een vurige stimulator van de Pinksterboodschap, terwijl hij zelf lid bleef van de Gereformeerde kerk. Vroeger zou zijn eerste vraag zijn geweest "Tot welke kerk behoort u?", en nu was het eerste wat hij vroeg: "Bent u ook een kind van God?" Van 1960 tot 1967 was Van den Dries de stimulerende kracht van de VEZA. Een van zijn voornaamste zorgen was het bevorderen van eenheid onder de Pentecostalen.

In haar eerste jaar concentreerde de VEZA zich op plaatselijke samenkomsten voor zakenlieden. Spre­kers uit verschillende denominaties en Pinkster­groeperingen waren uitgenodigd hun publiek toe te spreken. Zij trokken velen aan die geïnteres­seerd waren in de Pinksterbeweging. In een overzicht van het eerste jaar concludeerde Van den Brink:


In 1961 sponsorde de VEZA ook een rondreis van Donald Gee waarin zij afzonderlijke samenkomsten organiseerden voor Nederlands Hervormde en Gere­formeerde predikanten. Gee was zo verrast door de positieve belangstelling van de Hervormde kerken dat hij schreef: "Ik voel dat God probeert iet te doen en we moeten de betekenis hiervan voor Ne­derland begrijpen en misschien wel voor de we­reldwijde Pinksterbeweging als ge­heel". Terug­blikkend op de zittingen waar hij vragen moest beantwoorden die gesteld waren door verschillende Hervormde predikanten, schreef Gee:

citaat

In oktober 1962 trachtte de VEZA de kloven te overbruggen tussen de verschillende Pinksterstro­mingen in Nederland. Op 6 oktober kwamen verte­genwoordigers uit bijna alle groepen samen te Baarn om te komen, zoals Van den Brink het uit­drukte, "uit het moeras van disharmonie". De Engelse evangelist William Hacking die toevallig aanwezig was, bracht op enthousiaste wijze ver­slag uit:

citaat

De samenkomst had een vervolg in Beukenstein op 27 oktober 1962. De mate waarin eerste indrukken misleidend kunnen zijn werd duidelijk in een commentaar op diezelfde samenkomsten in de Pink­sterboodschap:

citaat

Hoewel de eenheid onder de Pentecostalen  een moeizamer proces bleek te zijn dan de VEZA had voorzien, resulteerden deze samenkomsten in de deelneming van bijna alle Pinkstergroepe­ringen in de nationale conventies die de VEZA organiseerde vanaf 1963: de zogenaamde "Vreugdedagen". De planning van de eerste "Vreugdedag" op 27 april 1963 in de Margriet-hal in Utrecht toonde de nauwgezetheid van de organisatie om iedereen aan het woord te laten. De drie belangrijkste spre­kers waren S.R. Sagström (Voorzitter van de Broe­derschap), K. Hoekendijk (Stromen van Kracht) en J. Maasbach (Volle Evangelie Zending), maar ook ds. W.W. Verhoef (Nederlands Hervormd), ds. H. Schut (Gereformeerd) en ds. M. de Jong (Baptist) werden gevraagd een inleidende toespraak te ge­ven. De verwachtingen waren hoog gespannen. Ben Hoekendijk betitelde dit als de "Dag van Ver­zoe­ning" en voegde eraan toe:

citaat


Ongeveer 6.000 mensen woonden deze veelbelovende gebeurtenis bij. J.E. v.d. Brink schreef dat "dit boven alle verwachting uitging", maar Verhoef merkte een bepaalde spanning op en Sagström miste "geestelijke diepte en volwassenheid". Tijdens de tweede "Vreugdedag" op 21 september 1963, kwamen meer dan 8.000 mensen luisteren naar de hoofd­sprekers David du Plessis, Samuel Doctorian en Ben Hoekendijk. Nogmaals gaven enkele vertegen­woordigers uit de traditionele kerken een inlei­ding. Terwijl tijdschriften als Kracht van Om­hoog, Stromen van Kracht en Opwekking voortgingen met het uitbrengen van jube­lende verslagen, gaf Verhoef een nuchterder evaluatie:

citaat

In 1964 werden er weer twee "Vreugdedagen" gehou­den, van 1965 tot 1970 werden deze eenmaal per jaar georganiseerd in de herfst. De samenkomst in 1965 werd nog steeds aangekondigd in Opwekking als een "belijdenis dat we dezelfde dingen gelo­ven en beu zijn van verdeeldheid", maar de in het oog lopende leerstellige en organisatorische verschillen konden niet lang door deze leuzen bedekt worden. Omdat P.W. van den Dries zijn sympathie voor Beukenstein en Kracht van Omhoog niet verborg en J.E. v.d Brink een van de comité-leden was raakte de VEZA tegen haar zin betrokken in de scheuring die de Pinksterbewe­ging uiteen scheurde in de jaren zestig. Van den Brink be­schreef deze periode in zijn eigen woorden:

citaat


De spanningen tussen de leidinggevende broeders droeg er zelfs toe bij dat het VEZA-comité de "Vreugdedag" liet vervallen die gehouden zou worden in september 1967. Na een verzoeningssa­menkomst vond deze "Vreugdedag" plaats op 11 november te Hilversum. Op deze dag verkondigde de jonge sprekers vanaf het podium openlijk hun uiteenlopende meningen. Dit werd afgedaan met de stelling dat dit de "veelkleurige wijsheid van God" was, maar niettemin stond het publiek ver­stomd. Van den Dries kondigde aan dat na een poging van zeven jaar om de broeders dichter bij elkaar te brengen, de VEZA zich nu weer zou con­centreren op haar oorspronkelijke doel om zaken­lieden voor Christus te bereiken. De scheuring binnen het VEZA-comité trad op de voorgrond op de algemene vergadering van 24 november 1967 toen het gehele comité aftrad en slechts Jhr. F.W.P.M. van Panhuys, burgemeester van Hummelo en Keppel zich herkies­baar stelden. De belangstelling in de VEZA nam snel af. Op de "Vreugdedag" in 1970 waren er slechts 900 mensen aanwezig. In 1973 waren er niet meer dan drie hoofdstukken over. Op 9 februari 1974 werd de VEZA officieel ontbonden. Vijf jaar later werd er een nieuwe tak van de F.G.B.M.F.I. opgericht in Nederland, met het nadrukkelijk advies om als sprekers in het bij­zonder leken uit te nodige in plaats van geeste­lijken.

De "Vreugdedagen" werden georganiseerd in de naïeve veronder­stelling dat de viering van de­zelfde ervaring van het kind­schap Gods en de doop in de Heilige Geest alle bestaande verschillen zou doen wegebben. Het feit alleen dat de VEZA erin slaagde verschillende Pinksterstomingen samen te brengen, die elkaar nog steeds beschul­digden van ketterij of starheid, toont dat dit een goed beginpunt kan zijn. De evangelistische fase moet echter opgevolgd worden door het proces van disci­pelschap en op dit punt stagneerden de pogingen van de VEZA. Een discipel van Christus te zijn impliceert aanpassing bij en instemming met alle anderen die behoren tot Zijn kudde. Op deze weg scheen echter niemand bereid te praten over hun overtuigingen, en helemaal niet deze kritisch te onderzoeken terwille van de eenheid. Een belangrijke voorwaarde voor het proces van de eenheid is de erkenning dat de status quo  van verbrokenheid en separatisme onacceptabel is. Het is jammer dat de echte geestelijke eenheid die tijdens de eerste "Vreug­dedagen" werd ervaren niet gehandhaafd konden worden vanwege wederzijd­se rivaliteit en intolerantie. Het bewustzijn echter dat Pentecostalen uit verschillende ach­tergronden samen kunnen aanbidden in dezelfde Geest, brengt de verplichting met zich mee naar elkaar te luisteren en onszelf open te stellen voor de aanvulling die we in deze ontmoeting zeker zullen ontvan­gen.

E. De Gereformeerde kerken terug in de loopgraven


In 1967 accepteerde de Algemene Synode van de "Gereformeerde Kerken in Nederland" (van nu af aan genoemd GK) een voorlich­tend geschrift met als titel "Het werk van de Heilige Geest in de gemeente". De ondertitel vat de inhoud beter samen:  "Voor­lichtend geschrift­ over de Pinkster­groepen". In tegen­stel­ling tot het Herderlijk Schrijven van de Nederlands Her­vormde Kerk, was dit document een klassieke weerlegging van de Pink­sterbe­weging gebaseerd op de arrogante over­tuiging dat men zelf op het juiste spoor was. In het perspectief van het Pentecosta­lisme gezien was deze veel behoudender dan het Herderlijk schrijven dat zeven jaar eerder was gepubliceerd. De belang­rijkste overeen­komst tussen de twee boekjes was hun afmeting. Het is niette­min betekenis­vol dat de op een na grootste Her­vormde denomina­tie in Neder­land de behoefte voelde het Herder­lijk Schrijven aan te vullen met een docu­ment "dat de schrif­tuurlij­ke gege­vens in grotere diepte zou navolgen". Om deze reden volgt hier een verdere uiteenzetting van de achter­grond, ontwikkeling, reacties en resultaten.

In de loop van deze studie is erop gewezen dat vanaf het begin de GK de Pinksterbeweging veel omzichtiger en negatiever hebben benaderd dat de Nederlands Hervormde Kerk. Dit kan misschien verklaard worden uit het feit dat vanwege het strik­te biblicisme en de nauwere banden met het piëtisme, de GK dichter stonden bij de Pentecos­talen en dat hierom de laatsten  een grotere bedreiging waren. Deze overeenkomst wordt ook onderstreept door het feit dat de GK een grotere interesse in de pneumatologie hebben getoond. Hun leider Abraham Kuyper (1837-1920) werd zelf ge­noemd "de theoloog van de Heilige Geest". In 1888 werd zijn eerste deel over een werk van de Heili­ge Geest gepubliceerd, dat jarenlang beschouwd werd als het standaardwerk over dit onderwerp. In 1949 werd een tweede belangrijk werk (geschreven door twintig beroemde Gereformeer­de theologen) gewijd aan dit onderwerp, met de bedoeling Kuy­pers studie te moderniseren en uit te breiden. In de epi­loog van dit boek concludeerde J.H. Ba­vinck:

citaat


Hierin klinkt het verlangen van een nieuwe aanra­king van de Geest in door, dat G. Brillenburg Wurth reeds te kennen gaf in 1933:

citaat

In het slot van het Synodale verslag over "De Positie van het Geestelijk Leven" in 1959 waarin werd vermeld onder het op­schrift "therapie van het geestelijk leven", werd dezelfde nood tot uitdrukking gebracht:

citaat

In de jaren vijftig werd de theorie dat de gees­telijke gaven slechts bedoeld waren voor de vroe­ge kerk in toenemende mate betwijfeld. D.G. Mole­naar beschreef dit proces als een keer­punt in de Gereformeerde theologie. Deze wijziging ontwik­kelde zich echter langzaam en te dele. In 1958 voelde ds. A.A. Leenhouts zich gedwongen af te treden als Gereformeerd predi­kant toen zijn pro­fetische uitingen niet serieus werden geno­men. Niettemin keerde het getij. In 1960 schreef Bril­lenburg Wurth: "De stroom van de Heilige Geest is absoluut niet opge­droogd. Pinksteren behoort zeker niet tot het verleden". Een half jaar later voegde H. Ridderbos hier in hetzelfde tijd­schrift aan toe:

citaat

Deze uitspraken onderstrepen de ontvankelijke atmosfeer van de Gereformeerde kerk in het begin van de jaren zestig, hetgeen ook bewezen is door een verslag door David du Plessis van een bezoek op 22 juli 1960:

citaat


De pogingen van de Gereformeerd notaris en ouder­ling H.J. Zweers om de kloof te versmallen tussen de Pentecostalen en de Reformatorische kerken zijn reeds genoemd (Hoofdstuk III B 4 -p.168-169). Nog indrukwekkender was de betrokkenheid van enkele predikanten. In het tijdschrift De Strijdende Kerk, waarvan de Gereformeerde radio-evangelist G.J. Toornvliet de hoofdredacteur was, werden veel positieve artikelen gewijd aan de oproep van Pinksteren. In 1961 traden ds. J. Bonda (geboren 1918) en ds. H. Schut (geboren 1921) toe tot de redactie van het charismatisch tijdschrift Vuur. De voormalige Roomskatho­lieke vader H.J. Hegger (geboren 1916), die in 1951 gerefor­meerd predikant was geworden, stimuleerde eveneens de Pink­sterleerstellingen. Hij was be­trokken in de vergaderingen te Baarn en tekende de adhesiebetuiging (vgl. p. 258) uit naam van de Gereformeerde broeders. In zijn boek Ik zag Gods heer­lijkheid gaf hij een uiteenzetting van de geestelijke gaven vanuit de klassieke wijze van Pinksteren,hoewel hij besefte dat dit protest en verwerping zou veroorzaken. In zijn conclu­sie schreef hij:

citaat


Een man echter overtrof allen in zijn beklemto­ning op de noodzaak van de doop in de Heilige Geest: ds. D.G. Molenaar (1911-1961), een onop­vallende predikant in de kleine Gerefor­meerde kerk te Renswoude. Molenaar had een bezoek ge­bracht aan een van de Keswick-conferenties in Engeland en keerde met hooggespannen verwachting terug. Aan al zijn vrienden en naaste collega"s stelde hij de beslissende vraag: "Bent u vervuld met de Heilige Geest?" In Utrecht begon hij met een zogenaamde "Predikantenkring" waar predikan­ten uit uiteenlo­pende denominaties, onder wie W.W. Verhoef en de Gereformeerde predikant K.J. Kraan, op praktische wijze beschouwingen gaven over de Pinksterboodschap. Twee weken voor zijn dood op 16 november 1961  overhandigde hij zijn manuscript met als titel "De doop met de Heilige Geest". Hollenweger analyseerde dat het eerste exegetische deel van dit boek, dat was gepubli­ceerd in 1961, "een verontrustende onwetendheid van de Nieuwtesta­mentische bestudering van de laatste dertig jaar" aan het licht bracht. Mole­naar, zoals een oprecht Gereformeerd predi­kant in die dagen was geacht, was inderdaad voor zijn theolo­gie voornamelijk afhankelijk van Gerefor­meerde bronnen die, zoals hijzelf moest toegeven, "soms wel blind leken te zijn wat betreft dit onderwerp". Hij was het eens met de Pentecos­talen dat de Geestesdoop een "plus"  is, maar daagde hen uit in hun onderscheid tussen het natuurlijke en het bovennatuur­lijke door de charismata t e verklaren door middel van filoso­fische en psycho­logische inzichten. Meer dan de helft van het boek werd besteed aan historische illustraties, waarin Mole­naar overeenkomstig de heiligingstra­ditie de doop in de Heili­ge Geest gelijkstelde met emotionele religieuze ervaringen. Ondanks deze verschillen waren de Nederlandse Pentecosta­len zeer ingenomen met deze publikatie en raadden hun lezers aan om hem als een gift aan te bieden aan hen die weinig wisten over de doop in de Heilige Geest. Met merendeel van de Gere­formeer­den bleven echter voorzichtig of waren de Pente­costalen ongunstig gezind, in het bijzonder wan­neer zij opdoken in hun eigen plaatselijke kerk.

De onmiddellijke aanleiding tot het voorlichtend geschrift was een brief van de Plaatselijke Syno­de in Zuid-Holland (oosten) ondersteund door brieven van de Gereformeerde kerk te Lands­meer, aan de Algemene Synode van de GK. De brieven, die behan­deld werd op de Algemene Synode van 4 maart 1964, verzochten:

citaat

Deze gebeurtenis vertoonde een opmerkelijke over­eenkomst met de aanleiding tot het Herderlijk Schrijven van de Nederlands Her­vormde kerk (vgl. p. 242), de benadering van deze Algemene Synode was echter onbuigzamer. Er werd uitdrukkelijk vermeld dat:

1. De uitspraken betreffende wederdopen door Stromen van Kracht (vgl. Hoofdstuk III D) waren ook van toepassing op de Pinksterbeweging:

2. Die leden die (vanwege dit feit) onder tucht werden gezet door het te weigeren aan het Heilig Avondmaal deel te laten nemen zouden op dezelfde wijze behandeld moeten worden in andere Gerefor­meerde kerken;

3. Men moest onderzoeken of gasten in aanmerking kwamen op del te nemen aan het Heilig Avondmaal;

4. Voor ambtsdragers is het tegenstrijdig met hun ambt om in een dusdanige relatie te treden met de Pinksterbe­weging waar zij medeverantwoordelijk zijn voor het propageren van onder­wijs dat in strijd is met de geloofsbelijdenis van de kerk;

5. Kerkeraden moeten in hun zorg voor de gemeente hun volle aandacht schenken aan vragen met be­trekking tot de Pinksterbe­weging en indien nodig moeten zij vermaningen uitvaardigen.