BIJBELSTUDIEMETHODIEKEN

Een cursus van 10 lessen door dr. Paul N. Van derLaan

 

Hoofddoelstelling: 

Te groeien in het verstaan en het toepassen van de bijbelse tekst, individueel en collectief, vanuit een volmaakte harmonie tussen Woord en Geest.

 

Doelstellingen:

De basisprincipes van de bijbelse hermeneu­tiek verstaan en toepassen. Kennis te maken en te experimenteren met verschil­lende methoden voor persoonlijke bijbelstudie.

Enkele principes eigen te maken van persoon-tot-persoon bijbel­studie.Doelstellingen concreet weten om te zetten in toetsbare realisatie.

Praktische vaardigheden aanreiken en ontwikkelen voor creatieve bijbelstudievormen voor diverse leeftijds- en/of doelgroepen.

 

Lesschema:         

Les 1 * 14 januari 1989 *  14.30-15.20 uur

Inleiding, Wat is hermeneutiek, Waarom hermeneutiek, Verschil­lende hermeneutische stromingen, Woord en Geest.

 

Les 2 * 14 januari 1989 *  15.30-16.20 uur

Bijbels intermezzo, fundamentele regel, de hermeneutische cir­kel, regels voor de exegese, praktische toepassing, huisop­dracht.

 

Les 3 * 4 februari 1989 *  14.30-15.20 uur

Principes van devotionele bijbelstudie, het verstaan van Gods Geest, de deductieve c.q.  synthetische methode.

 

Les 4 * 4 februari 1989 *  15.30-16.20 uur

Gebruik van naslagwerken, de inductieve c.q. analytische metho­de, praktische toepassing, huisopdracht. 

 

Les 5 * 18 februari 1989 * 14.30-15.20 uur

Persoon-tot-Persoon Bijbelstudie: communica­tievoorwaarden en gespreksprincipes, wederzijd­se betrokkenheid, voorbeelden van studiesche­ma's.

 

Les 6 * 18 februari 1989 * 15.30-16.20 uur

Van doelstelling naar realisatie: Planning, drie doelgebieden, het lesschema, praktische toepassing, huisopdracht.

 

Les 7 * 4 maart 1989 *      14.30-15.20 uur

Kreatieve bijbelstudievormen: algemene inleiding en basismetho­diek, overbrengen motivatie, een termijnprogramma opstellen.

 

Les 8 * 4 maart 1989 *     15.30-16.20 uur


Kreatieve bijbelstudie aan kinderen: algemene principes per leeftijdsgroep, praktische toepassing, huisop­dracht.

 

Les 9 * 18 maart 1989 *    14.30-15.20 uur

Kreatieve bijbelstudie aan jeugd en volwassen: algemene didak­tische principes, klasopstelling, taak groepsleider, creatieve vormen.

 

Les 10 * 18 maart 1989 *    15.30-16.20 uur

Specifieke doelgroepen, gebruik van didactische hulpmiddelen en media, praktische toepassing, bespreking tentamen, resumé.

 

B I B L I O G R A F I E

 

Allison, Joseph D. Bible Study Resource Guide, Revised. Grand Rapids, Michigan: Sagamore Books, 1984 (4e druk)

Berkouwer, G.C. De Heilige Schrift II. Dogmatische Studiën Kampen: J.H. Kok, 1967.

Bruggen, J. van. Het lezen van de bijbel: Een inleiding. Kampen: J.H. Kok, 1987 (3e druk).

Idem. Wie maakte de bijbel?: Over afsluiting en gezag van het Oude en Nieuwe Testament. Kampen: J.H. Kok, 1986 (2e druk).

Bijlsma, R. Schriftgezag en Schriftgebruik: Een herme­neutiek van de Bijbel. Nijkerk: G.F. Cal­lenbach, 1964.

Fee, Gordon D. en Stuart, Douglas.

How to Read the Bible for All Its Worth: A Gui­de to Understanding the Bible. Londen: Scriptu­re Union, 1983.

Henrichsen, Walter A.

A Layman's Guide to Interpreting the Bible. Grand Rapids, Michigan: Zondervan House, 1979 (2e druk)

Grassmick, John D. Principles and Practice of Greek Exegesis: A Classroom Manual. Dallas: Dallas Theolo­gical Seminary, 1976 (2e druk).

Job, John B. (ed.) Studying God's Word. Leicester: Inetr VAr­sity Press, 1977

Kaiser, W.C., Jr. Toward an Exegetical Theology: Biblical Exegesis for Preaching and Teaching. Grand Rapids: Baker, 1981.

Knevel, A.G.; Paul, M.J. en Broekhuis, J. (red).

    Het gezag van de bijbel: Verkenningen in de hermeneutiek. Theologische verkenningen: Bijbel en Exegese 3. Kampen: J.H. Kok, 1987.

Knijff, H.W. de. Sleutel en slot: Beknopte geschiedenis van de bijbelse hermeneutiek. Kampen: J.H. Kok, 1980.

Kuitert, H.M. Verstaat gij wat gij leest? Cahiers voor de gemeente 4. Kampen: J.H. Kok, 1974 (14e druk).

Lum, Ada en Siemens, Ruth.


    Kreatieve Bijbelstudie: Handboek voor het lei­den van bijbelstudiekringen. Arnhem: Interlek­tuur, 1978 (4e druk).

Neil, Stehpen. The Interpretation of the New Testament 1861-1940. Londen: Oxford University Press, 1966.

Polman, Dr. A.D.R. Gereformeerd Katholieke Dogmatiek: Een com­pendium - 1. In de ban der hermeneutiek. Kampen: J.H. Kok, 1969.

Ramm, Bernard. Protestant Biblical Interpretation: A Text­book of Hermeneutics. Grand Rapids: Baker, 1970 (3e herz. druk).

Richards, Lawrence O.

    Creative Bible Teaching. Chicago: Moody Press, 1975 (9e druk).

Reiling, J. Het Woord van God: Over Schriftgezag en Schriftuitleg. Kampen: J.H. Kok, 1987.

Ruiter, T.J. de. "Hermeneutiek: Een cursus ontworpen voor de C.P.B.". Den Haag: C.P.B., z.j.


Les 1 * 14 januari 1989 *  14.30-15.20 uur

Bronnen: J. van Bruggen, Het lezen van de bijbel: een inlei­ding.

H.W. de Knijff, Sleutel en Slot

Bernard Ramm, Protestant biblical Interpretation.

T.J. de Ruiter, "Hermeneutiek"

 

Inleiding

Voorbeelden van "merkwaardige" bijbeluitleg:

1. De vijf extra porties die Benjamin kreeg aan de tafel van Jozef (Gen. 43:34) duiden op de vijf bedienin­gen/gaven aan de gemeente (Ef. 4:11).

 

2.  Omdat het nauwelijks is voor te stellen dat een Engel des Heren in één nacht 185.000 man slaat (Jes. 37: 36-37) zal dit wel een epidemie geweest zijn.

 

De eerste die in de bijbel Gods woord "uitlegt" (verdraait !) is de duivel (vergelijk Gen. 2: 16-17 & Gen 3: 1 ... ook Gen. 3:4-5). Ook Eva voegt toe aan Gods woord : "... noch die aanra­ken"(Gen. 3:3).

 

Jezus kon de verzoekingen van de duivel pareren door een vol­maakte kennis en interpretatie van Gods woord "Er staat ge­schreven ..." en "Er staat ook geschreven ..." (Mattheus 4:1-11 & Lucas 4: 1-13).

 

Wat is hermeneutiek

Etymologie

Hermeneutiek komt van "Hermas", die in de griekse mythologie, de boodschap der goden aan de mensen overbracht.

 

Hebreeuws: p0t0r    = uitleggen van dromen (Gen. 40:22, Gen. 41:13)

 f0resj   = de wet uitleggen     (Neh. 8:9)

 

Grieks:    herménia = vertaling, vertolking (1 Cor. 12:10, 14:26)

 herméneuo= vertalen (Matth. 1:23, Joh. 1:39, Hebr. 7:2)

  uitleggen (Luc. 24:27 ? Emmaüsgangers)

 

Hermeneutiek is een bril: Het verduidelijkt wat er al staat.

 

-Hermeneutiek is een sleutelbos:

Het reikt de juiste sleutel aan om een tekst te ontsluiten.

 

Definitie:

"Hermeneutiek is de wetenschap en de kunst van de  vertolking van de bijbel"

 

Het is een wetenschap omdat er regels zijn om de betekenis van een schriftgedeeelte te bepalen.

 


Het is een kunst omdat deze regels niet mechanisch zijn toe te passen, het vereist kunde en vaardigheid van de vertolker. Bovenal vereist het levende relatie met God, de bron van alle creativiteit.

 

Abraham Kuyper:

"Alleen de wederom geborene (c.q. de-van-omhoog-gebore­ne) kan theologie bedrijven, ieder ander houdt zich bezig met de wetenschap van religie. Theologie impli­ceert God kennen."

 

Marcus Dodds:

"Om de Bijbel te kunnen waarderen en gebruiken, moet de lezer deel hebben aan dezelfde Geest die de schrijvers ervan in staat stelde Gods openbaring te verstaan en weer te geven." (1 Cor. 2: 10-16)

 

Waarom hermeneu­tiek

1.         God heeft gesproken maar wat heeft hij precies gezegd? ? Exegese!

Exegese is de systematisch studie van de bijbel om de oorspron­kelijke betekenis, de bedoelde betekenis, te ontdekken. Dit is hoofdzakelijk een historische taak. Voor deze taak wordt vaak de hulp van de expert ingeroepen. Maar men behoeft geen expert te zijn om een goede exegese te verrichten.

2. Het overbruggen van de afstand tussen het begrip van de bijbelschrijvers en dat van ons inzake taal, cultuur, historische setting en geografie.

Illustratie: Nederlandse brief uit 1787.

De Bijbel is tegelijkertijd menselijk en goddelijk. De bijbel is het woord van God gegeven in de woorden van de menselijke geschiedenis.

Omdat het Gods woord is heeft het eeuwigheidswaarde. Het spre­ekt tot de mensheid in elk tijdperk en in elke cultuur.

Omdat het Gods woord is moeten wij luisteren en gehoorzamen.

Maar omdat God koos om Zijn woord te spreken door menselijke woorden in de geschiedenis, heeft elk bijbelboek tevens een historisch karakter. Elk boek is mede gevormd door de taal, tijd en cultuur waarin het oorspronkelijk is geschreven (en in sommige gevallen ook door de mondelinge overlevering vooraf­gaand aan het neerschrijven).

God sprak door verschillende personen, onder velerlei omstan­digheden, over een periode van 1500 jaar. Gods woord werd uit­gedrukt in de vocabulaire en gedachtenpatronen van deze perso­nen en gevormd door de cultuur van die tijd en omstandigheden. Gods woord was in eerste instantie Zijn woord voor hen. Daarom moest hen tot hen komen op een wijze die zij konden verstaan. Ons probleem is dat wij zover van hen zijn verwijderd, in tijd en soms ook in gedachten Dit is de voornaamste reden dat wij moeten leren de bijbel uit te leggen.

Daarom moeten wij eerst het woord horen wat zij hoorden toen en daar. Daarna moeten wij gaan leren hetzelfde woord te horen in het hier en nu.


Verschillen­de hermeneu­tische stromingen

ALLEGORISCHE school ? Kern: Het mysterie

Vanuit de letterlijke historische tekst moet gezocht worden naar de geestelijk-eeuwige betekenis (z.g. dianoia).

Namen:     Philo van Alexandrië (30 v.Chr.- 50 na Chr.)

Origines (185-254 - De vader van de allegorese genoemd)

 

HISTORISCH DOGMATISCHE school ? Kern: De heilsgeschiedenis

Vanuit de historie zoekt men zoveel mogelijk de naar de letter­lijke betekenis.

Namen:    Antiochië (Deze stad was het centrum van deze school)

Theodorus van Mepsuestia (ong. 400)

 

REFORMATORISCHE of BIBLISISTISCHE school ? Kern: Sola scriptura

De bijbel is zelf zijn eigen vertolker. De Schrift verklaart de schrift.

Namen:    Maarten Luther (1483-1546)

Johannes Calvijn (1509-1564)

 

PIETISTISCHE school ? Kern: De eigen geloofservaring

De bijbel wordt vooral beschouwd als een bron van geestelijk voedsel en persoonlijke onderwijzing. Alle teksten worden in de eerste plaats naar de eigen persoonlijke situatie geïnterpre­teerd.

Namen:    Phillip J. Spener (1635-1705)

August H. Francke (1663-1727)

 

De modernere hermeneutische scholen van de 19e en 20e eeuw worden vanuit de evangelische kringen in de regel kritisch-reactionair beschouwd. We volstaan met het noemen van enkele belangrijke stromingen met hun kenmerken en voormannen:

Heilshistorische school  (idealistisch/humanistisch)

(19e eeuw: J.T. Beck, J.C.K. von Hofman, Ernst Troelsch)

Neo orthodoxie (subjectief/Christologisch)

(Karl Barth: 1886-1968)

Existentiële uitlegging (ontmythologiseren bijbel/ervaringsge­richt)

(Rudolf Bultmann: 1884-1976)

 

EEN BEKNOPT OVERZICHT VAN DE GESCHIEDENIS VAN DE HERMENEUTIEK IS OP EEN APART STENCIL BESCHIKBAAR.

 

Woord en Geest.

In de loop der kerkgeschiedenis is er sprake van een slingerre­actie tussen enerzijds het Woord en anderzijds de Geest. Het gaat om een volmaakte harmonie tussen deze twee essentiële bronnen voor ons geestelijk leven, zoals bij lichaam en ziel.

Zoek de juiste balans in de teksten:

"Hoe lief heb ik u wet! Zij is mijn overdenking  de ganse dag"(Psalm 119:97)

"... de letter doodt, maar de Geest maaktlevend"(2 Cor. 3:6)    Illustratie: Geen bij-bel maar BEL.


 

Les 2 * 14 januari 1989 *  15.30-16.20 uur

Bronnen:     J. van Bruggen, Het lezen van de bijbel: een inlei­ding.

H.N. Kuitert, Verstaat gij wat gij leest?

Bernard Ramm, Protestant biblical Interpretation.

T.J. de Ruiter, "Hermeneutiek"

 

 

Bijbels intermezzo

Hand. 8.:26-40

1. De bijbel moet verstaan worden wil ze functioneren;

2. De bijbel moet vertolkt worden;

   God gebruikt mensen als vertolkers.

3. In en door dit alles speelt werkt de Heilige Geest; 

4. Het doel van de bijbel is Jezus te prediken;

Het openen van de Schriften bij de Emmaüsgangers resulteerde in    het herkennen van Jezus, dat is het hoogste doel (Luc. 24:27-32).

 

 

De Fundamentele Regel

Uitgangspunten:

1. De Goddelijke inspiratie van de gehele Bijbel (2 Tim.3:16)

2. Eenheid van de bijbel, één Auteur en vele schrijvers.

3. De helderheid van de schrift.

4. Geschreven in menselijke taal en begrippen.

 

De hermeneutische basisregel luidt:

 

DE SCHRIFT VERKLAART DE SCHRIFT

 

De betekenis van een schriftgedeelte wordt gevonden in de sa­menhang van het geheel.

 

Dit houdt in dat wij bij het vormen van onze theologie en ge­loofsleer moeten bouwen op schriftgedeelten die duidelijk zijn en maar voor één uitleg vatbaar zijn.

 

De hermeneutische cirkel luidt:

 

      deel

 

 

 

 

 

 

    geheel

 

 

 


Van een deel naar het geheel, van het geheel naar een deel.

 

Regels voor de exegese:

 

1.   Onderzoek de woorden in hun gebruikelijke betekenis, met name zoals deze in de bijbel worden gebruikt.

Bijbelschrijvers schreven om begrepen te worden. Zij maak­ten gebruik van alledaagse woorden in hun gebruikelijke betekenis. Soms is er sprake van een "hebraïsme" (typisch hebreeuwse uitdrukking) of "antropomorfisch spreken" (b.v. Amos 7:3 "Toen berouwde het de Heer" - d.w.z. vanuit mense­lijk standpunt veranderde God van gedachten, maar niet vanuit Goddelijk standpunt). Soms wordt er gesproken in allegoriën (Pred. 12:1-7) of typologiën (Gal. 4:21-28). Jezus bediende zich veel van gelijkenissen (Matth. 13) en metaforen (Joh. 15:1); zoek daarbij altijd eerst het ver­band met de letterlijke betekenis.

2.    Analyseer hoe de woorden gebruikt worden in het specifieke zinsverband.

Met zin bedoelen wij hier de gehele gedachte. Vaak moeten wij verder kijken dan het bijbelvers zelf. Door de (later toegevoegde) versindeling is het gevaar van fragmentatie groot. De betekenis van woorden variëren naar gelang de strekking in de zin. Vergelijk bijvoorbeeld het woord "vle­es" in Ez. 36:26, Rom. 3:20, Gal. 3:3 en 1 Tim. 3:16.

 

 

3.    Bestudeer de tekst in de directe context.

a. Bepaal de kleinste eenheid voor exegese, c.q. het gedeelte waarmee de zin onverbrekelijk verbonden is.

b.    Vergelijk de zin met de gehele strekking van dit ge­deelte.

c. Bestudeer de z.g. literaire context

Literaire context betekent in essentie dat woorden alleen betekenis hebben in zinnen, en meestal hebben bijbelse zinnen alleen betekenis in verband met de zinnen ervoor en erna. De belangrijkste vraag is: "Waar gaat het om (wat is het punt)?". Wij moeten trachten de gedachten van de auteur te volgen. Wat zegt hij en waarom zegt hij het hier? Als dit duidelijk is, wat zegt de auteur nog meer en waarom?

 

4.    Bestudeer de relatie met de opzet en het doel van het boek,

de z.g. Historische context

Verschilt van boek tot boek. Heeft te maken met de tijd en cultuur van de auteur en zijn lezers (geografische, topo­grafische en politieke factoren); en de aanleiding voor het boek, de brief, psalm etc.


Het is belangrijk te weten dat Haggai profeteerde na de ballingschap, of te de Messiaanse verwachtingen van het Joodse volk te kennen toen Johannes de Doper en Jezus ver­schenen. Het verschil te begrijpen tussen Corinthe en Fi­lippi en hoe dit de gemeenten in deze plaatsen beïnvoedden. Het lezen van de gelijkenissen wordt vereenvoudigd door kennis van de gewoonten uit die tijd. Te weten dat de sche­lling van Matt. 20:1-16 het equivalent was van een dagloon. Gebruik een goede Bijbelwoordenboek of -encyclopedie. (Zon­dervan Pictorial Encyclopedia of the Bible, 1975).

 

Belangrijker nog is de aanleiding en doel van het bijbel­boek of gedeelte. Wat zette de auteur er toe aan dit boek te schrijven? Voor Spreuken is dit minder belangrijk, dan b.v. voor 1 Corinthiërs. Gewoonlijk wordt het antwoord in het boek zelf gevonden. Wel moet je leren hierop te letten bij het lezen. Om de eigen bevindingen te controleren kan je een handboek of inleiding op een commentaar gebruiken.

 

5.    Raadpleeg woord- en begripsparallelen

a.    In hetzelfde boek.

b.    Brieven of boeken van dezelfde auteur

c.    Boeken uit dezelfde periode

d.    De gehele bijbel

 

Praktische toepassing:

Uitgangstekst: 1 Johannes 3:9

 

"Een ieder, die uit God geboren is, doet geen zonde; want het zaad (Gods) blijft in hem en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren."

 

Vraagstelling: Is deze tekst niet in tegenstelling met de da­gelijkse praktijk, waar Christenen regelmatig zondigen.

 

Regel 1. Woorden in de gebruikelijke betekenis:

zonde   = Alles wat tegen God opstaat, rebellie tegen Gods verordeningen

zaad    = Hebraïsme voor nageslacht (Gen. 17:7, Luc. 1:55)

geboren = Geworden, voortgekomen uit.

doet    )

   )  Al deze werkwoorden staan in de praesens indicati­vum,

blijft  )

   )  dit impliceert een voortdurend doen,blijven en zondigen.

zondigen)

 

Regel 2. Zinsverband:

De reden waarom men niet zondigt is omdat men uit God geboren is, op dit laatste valt het accent.

Zaad is hier de oorsprong van een goddelijke orde (2 Cor. 5:1­7), zoals het natuurlijke zaad de oorsprong is van de natuur­lijke orde (Gen. 1:11).


Regel 3. Context:

a.   Kleinste eenheid voor exegese: 1 Joh 2:28-3:17

b.   Zondigen staat in de context in tegenstelling tot lief­hebben (agapè - 1 Joh. 3: 10-15). Niet zondigen is synoniem met "rechtvaardig" en "uit God" zijn (1 Joh. 2:29 & 3:10)

Het gaat in het gehele gedeelte om zondigen in absolute zin, niet in praktische, incidentele zin.

 

 

Regel 4.    Doel en opzet van het boek:

De apostel wil door een positieve kijk op de ware christelijke levenswandel, de lezers overtuigen dat zij deze moeten volgen en zich vrij dienen te waren van heidense smetten. Wellicht gebruikten

de lezers termen als "Wij zijn in het licht, wij zijn uit God geboren, wij kunnen niet zondigen" als holle frasen en wilde Johannes de diepere en praktische betekenis van geven.

 

Regel 5. Parallellen:

a. De brief zelf:

1:7 "van onze zonden gereinigd"

1:8-10 "we zondigen allemaal, maar hiervoor is vergeving"

2:2 "Hij is een verzoening voor onze zonden en de gehe­le wereld"

5:18 "Onze zondeloosheid is gebaseerd op Christus!"

 

b.    Dezelfde schrijver:

Joh. 1:29 "Jezus droeg de zonde der wereld.

Joh. 9:16-41 "De grootste zonde is niet in Jezus te gelo­ven"

Joh. 15:22-24 "Jezus maakt de zonde openbaar"

Joh. 16:11 "Jezus overwon de zondemacht"

Op. 1:5 "jezus was zonder zonden"

 

c. Boeken uit dezelfde tijd:

Matth. 7:18 Een goede boom kan geen slechte vruchten dragen.

Rom. 6:2 Hoe zullen wij die de zonde gestorven zijn, daarin nog leven.

1 Petr. 1:23 Elkaar uit onvergankelijk zaad liefhebben.

 

 

 

Conclusie:

In dit vers gaat het niet in de eerste plaats om de incidentele zondedaad, maar om de zondegesteldheid. Voor hen die de nieuwe natuur in Christus hebben is het tegennatuurlijk om te zondi­gen, voor de bekering was dit precies andersom.

De apostel toetst de zondeloze natuur aan de liefde.

De christen dient als hij zondigt, vergeving en reiniging te vragen op grond van het volbrachte werk van Christus. De chris­ten kan echter geen zondige natuur (aard) meer hebben!


Huisopdracht:

Kies een bijbeltekst waarvan de betekenis voor u (nog) onduide­lijk is en pas hier bovengenoemde methode op toe:

1)   Formuleer een duidelijke vraagstelling.

2)   Onderzoek achtereenvolgens de woorden, het zinsverband, de context, het doel en de opzet van het boek en de parallellen.

3)  Werk uw conclusie uit aan de hand van het verrichte onder­zoek. Bepaal in hoeverre u de oorspronkelijke vraagstelling hebt kunnen beantwoorden.


 

 

 

 

 

Les 3 * 4 februari 1989 *    14.30-15.20 uur

Bronnen: Joseph D. Allison, Bible Study Resource Guide,p. 193-205.

Ada Lum en Ruth Siemens, Kreatieve Bijbelstudie, p.15.

Howard F. Vos,  Effective Bible Study - A guide to sixteen methods, Grand Rapids, Michigan: Zondervan Publishing House, 1974, 12e druk, p. 172-178.

 

PRINCIPES VAN DEVOTIONELE BIJBELSTUDIE

Devotie = Vrome toewijding - Godvruchtige oefeningen volbrengen

 

Komt van het Latijnse woord devovere  = een absolute eed zweren

je volledig toewijden

 

Hebreeuws:     CHeReM = afzonderen voor God

(Lev. 27:28,29 & Num. 18:11-14)

 

In onze stille tijd zetten wij ons geheel, naar lichaam en geest, apart voor God. Tevens impliceert dit "een belofte doe­n". (Ps.76:11, Prediker 5:5, Spreuken 20:25, Matth. 5:37).

BELOOF GOD EEN DEEL VAN JE DAG HIERVOOR OPZIJ TE ZETTEN!

Satan zal hier het meeste tegenstand bieden; hij zal er alles aan doen om ons hiervan af te houden en talloze excuses aanrei­ken.

 

Het belangrijkste doel is:  (Drie keer EREN !)

1) God te eren

2) Te communiceren

3) Te reageren.

Devotionele studie van de bijbel heeft niet tot doel:

Een uitputtende exegese te verrichten.

Theologische stokpaardjes te bereiden.

Je al ingenomen standpunten bij voorbaat te bevestigen.

 

Algemene tips:

a.  Zonder je af

-     Ga naar een ruimte waar het rustig is en je ongestoord alleen kunt zijn. (Ps. 46:10)

-     Zonder je dan ook geestelijk af en concentreer je op God zelf (Klaagliederen 3:25 & 28)

b.  Wees je bewust van Gods tegenwoordigheid

-    Aanvaard Zijn aanwezigheid in geloof (Hebr. 11:6).

-    Naar­mate je tot Hem nadert, wordt dit besef intenser (Jac. 4:8).

-  Bid de Heer dat Hij het Woord door Zijn Geest levend zal maken (2 Cor. 3:6)


c.  Lees de Bijbel

-    Kies een bijbelvertaling waar je mee vertrouwd bent of een eenvoudige vertaling (b.v. Groot Nieuws Voor U)

-     Neem geen bijbelgedeelte waarvan de betekenis obscuur of theologisch ingewikkeld is. Howard F. Vos:

"In ons devotionele leven moet te uitgebreide of intensieve schriftstudie vermeden worden"

 

-    Werk volgens een vast rooster

(per onderwerp, per hoofdstuk, per paragraaf)

-    Bepaal je gedachten bij hetgeen in dit schriftgedeelte duidelijk naar voren wordt gebracht.

-  Probeer je in te leven in de stemming het betreffende bijbelgedeel­te

d.  Stem je af op hetgeen de Heer tot je zegt

-   Toets het gelezene met je eigen situatie

-  Laat het Woord een spiegel voor je zijn, die je tot daden aanzet (Jac. 1:22-24, vergelijk Matth. 7:24-27)

-    Stel jezelf persoonlijke vragen, bijvoorbeeld:

*   Wat leer ik hieruit over God? Over Christus? Over      mijzelf? Over het leven?

* Is er in dit gedeelte een voorbeeld die ik moet volgen, of een anti-voorbeeld die ik moet mijden?

*   Zijn er zonden die ik moet belijden en nalaten?

* Moet ik een nieuwe keuze maken c.q. belofte doen?

*   Is er iets dat ik in mijn (geestelijk) leven mis, en waar ik mij op grond van Gods woord naar mag (moet) uitstrekken?

e.  Eindig met dankzegging en aanbidding

-  Verwoord hetgeen je geleerd hebt in een persoonlijke dankzegging.

-    Aanbid Hem omdat Hij zich kenbaar heeft gemaakt.

 

(ABBA   =     Afzondering - Bidden - Bijbel - Aanbidding)

 

TIPS VOOR CREATIEF BIJBELLEZEN

*    Gebruik één bijbel specifiek voor devotioneel gebruik.

*   Hou een persoonlijk dagboek bij waarin je schrijft, wat de Heer je door het bestudeerde gedeelte geleerd hebt.

*   Geef het gedeelte wat je gelezen hebt een eigen titel.

*    Schrijf het sleutelwoord c.q. de sleutelwoorden van dit gedeelte op.

*    Probeer een "outline" te maken.

*    Onderstreep de beloften die God al aan je vervuld hebt.

*    Herschrijf het gelezen gedeelte in je eigen leefwereld.

*   Werk met tekencode's voor bijbel thema's:bijvoorbeeld:

 

= verzoening               = oordeel

 

= doop in de H. Geest       = millenium


 

       Het verstaan van Gods Geest

(Met name in relatie met het lezen van Gods Woord)

Als wij de bijbel lezen dan gebruiken wij ons gezond verstand en passen alles toe wat in onze situatie mogelijk is. Wat niet van toepassing kan zijn voor ons nu laten wij eenvoudig liggen.

Niemand van ons heeft zich ooit door de H.G. geroepen gevoeld om naar Troas te reizen om de mantel van Paulus op te halen en naar Rome te brengen (2 Tim. 4:13), ondanks dat de passage ons gebiedt dit te doen. Toch menen vele gelovigen vanuit dezelfde brief dat God hen roept om als een goed soldaat van Jezus met anderen mee te lijden (2:3). Niemand heeft moeite met de toe­passing van deze twee passages, hoewel velen van ons strijd kennen in het gehoorzamen van de laatste passage.

Het gezond verstand, ook als dit uitgaat van de best denkbare hermeneutische methode, heeft echter zijn beperkingen. Regelma­tig is de verlichting van de Heilige Geest nodig om ons inzicht te geven in bepaalde schriftgedeelten. Hoewel het vanwege onze unieke en intieme omgang met de Heer, onmogelijk is om hier algemeen geldende regels voor te geven zijn er wel een aantal richtpunten en bakens:

RICHTPUNTEN

1)  Is er sprake van een diepe innerlijke overtuiging, die vrede brengt? (Psalm 119:165)

2)  Heeft u een klaarblijkelijke verlichting ontvangen als antwoord op uw gebed om de heilige Geest en wijsheid? (Luc. 11:13 - Jac. 1:5)?

3)  Brengt dit inzicht goede vrucht voort en verheerlijkt het Christus? (Matth. 7: 16-20 - Joh. 16: 14-15)

BAKENS

1)  Pas op voor de ruis van uw persoonlijke emoties (b.v. bij verliefdheid)

2)  Meen niet dat uw inzicht de volledige openbaring is van dit tekstgedeelte, waaraan tot in eeuwigheid niets meer kan worden toegevoegd.

3)  Wees nederig genoeg uw inzicht te laten toetsen door lera­ren en oudsten in uw gemeente.

 

Onderscheid tussen verlichting en inspiratie:

Verlichting is de bijstand van de Heilige Geest aan een persoon bij het verstaan van een bijbeltekst, waardoor een deel van de waarheid wordt geopenbaard. De Heilige Geest beïnvloedt ons verstaan van de Schrift. Verlichting is persoonlijk, inciden­teel en ten dele.

De inspiratie van de bijbel gaat verder en heeft betrekking op de gehele Schrift, die door God is ingegeven (ingeademd) waar­door ons de volle waarheid is geopenbaard.

De functie van de Geest is niet om ons volslagen nieuwe algeme­ne openbaringen door te geven, maar om ons te verlichten om Gods Woord (de Bijbel is een afgesloten openbaring!) te ver­staan.

 


 

 

 

        DE DEDUCTIEVE METHODE

(Synthetische methode)

Deductie = "Afleiding van het bijzondere uit het algemene"

Synthese =    "Samen voegen - Tot één geheel maken"

 

Bij de deductieve methode tracht men een algemene stelling of onderwerp, door bijbelse feiten te onderbouwen.

(Wordt bijvoorbeeld gebruikt bij systematische theologie of cathechisatie)

Dit vereist wel een zeer brede bijbelkennis, anders is het gevaar levensgroot aanwezig dat teksten worden "uitgeknipt" om de eigen overtuigingen te ondersteunen.

 

 

In dit stadium van de cursus willen wij ons uitsluitend beper­ken bij het toepassen van deze methode op één geheel bijbel­boek:

1)  Lees het hele boek in één keer door om het basisthema te ontdekken

-    Verlies je niet in details

-    Probeer de grote lijn te ontdekken

-    Schrijf het hoofdthema in je eigen woorden op

-    Merk op wie de schrijver is en tot wie hij zich richt

(47 van de 66 bijbelboeken kunnen binnen één uur uitgelezen worden)

2)  Lees het boek een tweede keer door teneinde informatie te verzamelen over het hoe en waarom het boek geschreven is

-    Schrijf op wie de schrijver was en wat je over hem weet

-    Beschrijf de lezers tot wie hij zich richt

-  Geef de tijdsperiode aan:

a. dat het plaatsvindt (relatie andere bijbelboe­ken?)

b. dat het geschreven is

-  Vat het doel dat de schrijver t.o.v. zijn lezers wilde bereiken samen.

3)  Lees het boek voor de derde keer en werk een passende  inhoudsopgave uit

-  Probeer je hoofdthema onder te verdelen in subthema's conform de volgorde van het boek

-    Werk het eerst in het klad uit

-    Lees zonodig het boek nog eens door

-  Zorg dat je subthema's elkaar aanvullen en stuk voor stuk in relatie staan met het hoofdthema


 

 

 

Voorbeeld van de deductieve methode:

 

Boek:       Ruth

 

Thema:      De trouw van Ruth

 

Schrijver: Onbekend - Historicus vertrouwd met O.T., stambomen en gewoonten

 

Tijd:       a) Drie generaties voor David (Richteren)

b) Na Richteren (1:1) -

   Tijdens Koning David of erna (4: 17-22)

 

Doel:       Ruth als een voorbeeld voor de joodse vrouw

 

Outline:      Inleiding -     Vlucht naar Moab (1:1-5)

I. Ruth's trouw aan haar schoonmoeder

A. Naomi's terugkeer naar Juda (1: 6-7)

B. Ruth gaat met Naomi mee (1:8-22)

C. Ruth op de velden van Boaz (2)

II. Ruths trouw aan de familie van haar man

A. Ruth vertrouwt zich aan Boaz toe (3)

B. Boaz neemt Ruth als vrouw (4:1-16)

III. God beloont Ruths trouw

De afstammelingen van Ruth tot aan David (4:17-22)


 

 

 

 

Les 4 * 4 februari 1989 *    15.30-16.20 uur

Bronnen: J.D. Allison, Bible Study Resource Guide.

A. Lum en R. Siemens, Kreatieve Bijbelstudie, p.61-68.

Robert A. Traina, Methodical Bible Study - A new appro­ach to Hermeneutics, Wilmore, Kentucky: Asbury College, 1952.

Howard F. Vos,  Effective Bible Study, p. 33-38.

 

   GEBRUIK VAN NASLAGWERKEN

Gewenste uitrusting:

Voor engelse uitgaven: J.D. Allison, Bible Study Resource Gui­de.

A. Voor woordstudie

-    Diverse vertalingen

Studiebijbel "In de Ruimte"

Het Oude & Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

The Discovery Bible - New American Standerd New Testa­ment/­Refe­rence Editon, Chicago: Moody Press

-    Nederlands woordenboek

-    Woordenboeken van oorspronkelijke talen

The New Brown, Driver and Briggs, Hebrew and Chaldee Lexic­on.

Dr. J.F.L. Montijn, Grieks-Nederlands Woordenboek

F.J. Pop, Bijbelse woorden en hun geheim

 

B. Voor tekststudie & parallellen

-    Concordantie

A. Trommius, Nederlandse Concordantie van de Bijbel (S.V.)

Concordantie op de Bijbel, Kampen: J.H. Kok, 1983 (N.B.G.)

-    Topical Bible

A. Huizinga, Bijbelse Wijsheid, Amsterdam: A.J.G. Streng­holt, 1964

(The Treasure  of Scripture Knowledge - 500.000 scripture refe­rences and parallel passages, London: Samuel Bagster, 1974)

-    Commentaren

Korte Verklaring van de Heilige Schrift, Kampen: J.H. Kok

 

C. Voor achtergrond gegevens

-    Bijbelse atlas

J.H. Meesters, De Bijbel in kaart, Groningen:Wolters Noord­hof

-    (Bijbelse) handboeken en encyclopedieën

Lion's handboek bij de bijbel, Den Haag: J.H. Voorhoeve

Bijbelse Encyclopedie, Kampen: J.H. Kok, 1975

Bijbelse Encyclopedie met handboek en concordantie, Baarn: Bosch en Keuning, 1966 (4 delen)

Algemene Bijbelse Encyclopaedie, Wassenaar: Sevire, 1974.

-    Inleidingen op de bijbelboeken

Ernst Aebi, Korte inleiding op de bijbelboeken


-    Archeologie en cultuurachtergronden

James M. Freeman, Manners and Customs in the Bible, Logos, 1972

 

Algemene adviezen bij gebruik van naslagwerken:

-    Gebruik ze als hulp bij moeilijke gedeelten

-    Gebruik ze naast, niet  in plaats, van de eigen bijbelstu­die

-   Kijk of het boek een index heeft op onderwerp en/of schrif­tge­deelten  

-    Gebruik alleen de beste

(niet het vele is goed, maar het goede is veel)

-   Durf gerust kritisch te zijn

-   Bedenk dat vaak vanuit een geheel andere (culturele of kerkelijke) achtergrond geschreven is

-    Vermeldt bij je aantekeningen, wat je bronnen zijn

-   Leen naslagwerken niet uit

 

        DE INDUCTIEVE METHODE

(Analytische Methode)

 

Inductie =    "Van het bijzondere naar het algemene"

Analyse  = "Onderzoek van afzonderlijke delen om het geheel te verstaan"

Howard F. Vos:

"Inductieve bijbelstudie is het proces van be­redenering en het trekken van conclusies vanuit de studie van afzonderlijke gedeelten"

 

We onderscheiden hierin drie achtereenvolgende fasen:

 

I - OBSERVATIE:

"Ik zie, ik zie wat jij (nog) niet ziet"

Observatie is het herkennen en opmerken van de feiten.

Je vraagt je af: "Wat staat er precies?"

In deze fase van de studie moet je trachten nog geen conclusies te trekken.

Kijken - Vragen - Opmerken

A. KIJKEN

-    Schrijf je bevindingen zo overzichtelijk mogelijk op

-    Probeer zo exact mogelijk te observeren

-    Observeer het gedeelte alsof je het voor de eerste keer leest

-   Kijk naar de structuur: hoe is de hoofdindeling?

Is er een?:                   Voorbeeld: Lucas 5:1-11

inleiding                     Lucas 5:1-3

centrale gebeurtenis/thema       Lucas 5:4-9a

conclusie/gevolg                  Lucas 5:9b-11

-    Observeer de tijden van de werkwoorden. Is hun functie passief of actief?

-   Zie naar de ontwikkeling van het verhaal:

B.v. Joh. 4:1-30 - De vrouw noemt Jezus achtereenvolgens "een jood (vs. 9), een profeet (vs. 19) en Christus (vs. 29)


-    Onderken de literaire vorm:

a)    Verhandelende of Logische Literatuur (redevoeringen etc.)

b)    Verhalende proza (b.v. Genesis)

c)    Dichterlijke literatuur (b.v. Hooglied)

d)    Drama (b.v. de oordeelsprofetiën van Jesaja of Malea­chi)

e)    Parabolisch of Allegorisch (b.v. Matth. 13 of Pr. 12:1-7)

f)    Apocalyptisch = visionair/onthullend (b.v. Openbaring)

-    Onderzoek alle verbindingen nauwkeurig (voeg- en bijwoor­den, b.v. Joh. 3:1 "en" kan ook "maar" betekenen)

 

 

B. VRAGEN

- Zeven hoofdvragen: Wie? Wanneer? Waar? Wat? Hoe? Waarom? Waartoe?

- Personen: Wie zijn de mensen (schrijver, lezers, ver­melde personen) Wat kun je over hen te we­ten komen in dit gedeelte? Op wie wordt de aandacht gevestigd? Hoe spelen ze op elkaar in?

- Omstandigheden: Waar zijn ze? Waarom zijn ze daar? Hoe is de sfeer? Wanneer en waarom gebeurt het?

- Inhoud: Wat is het hoofdthema? Zou het verschil uitmaken als dit gedeelte weggelaten was? Hoe wordt het beschreven? Hoe is de relatie met de gebeurtenissen/tekst ervoor en erna?

- Gevolg: Waartoe leidt dit alles? Was dit verwacht? Wat zijn de konsekwenties? Wat gebeurt er als men dit afwijst?

 

C. OPMERKEN

-   Is er een belofte, zoek de vervulling!

Is er een doel zoek de voltooiing!

-    Onderken de poëtische vorm:

Parallellisme: Synoniem (Spr. 3) - Antithetisch (Spr. 15)

 Synthetisch (Ps. 37:4,5,13) - Klimaktisch (Ps. 45:12,13)

-   Merk weglatingen in zaken en gebeurtenissen op, die wel stilzwijgend inbegrepen zijn (b.v. gebeurtenissen na de dood Lucas 16:19-31)

-   Let op verandering in ideeën en/of thematiek

-   Voel de stemming (de onderliggende toon) van de passage aan.

-   Wat is functie van herhalingen (bergrede: "Maar Ik zeg U)

-    Definieer de gebezigde termen.

"Een term is een gegeven woord, zoals het in een bepaald verband gebruikt wordt"

(B.v. "vlees" in Rom. 3:20, Ez. 36:26, 1 Tim. 3:16, Gal. 3:3)

 

II - INTERPRETATIE

Interpretatie = het bepalen van de betekenis van de tekst.

Dit is niet wat jij bedoelt, maar wat de schrijver bedoelt.

Hier is een Goddelijk en menselijk deel (2 Tim. 2:7)

Doel: De centrale betekenis van het stuk te begrijpen.


Het doel is niet om uit elk detail een (geestelijke) betekenis te persen.

 

Er zijn drie fasen te onderscheiden:

1. Verduidelijking (Opheldering)    Kernvraag: Wat betekent dit?

2. Beredenering          Waarom werd dit gezegd? Waarom hier?

3. Gevolgtrekking    Wat impliceert het een en ander in de tek­st?

 

Uitwerking:

a.    Schrijf de hoofdwaarheden op die je gevonden hebt.

b.  Geef een beschrijvende titel van het gedeelte

c.  Maak een schema onderverdeeld in hoofd- en subwaarden

d.  Het kan verhelderend zijn een eigen parafrase te maken

e.  Het kan nuttig zijn een uittreksel te maken van het geheel

 

 

 

Verkeerde vormen van interpretatie:

TYPE                BEZWAAR

a.    Fragmentarische     Versnippert de schrift

b.    Dogmatische         Bijbel wordt buikspreekpop

c. Rationalistische Bijbel wordt onder het gezag van de rede geplaatst

d.   Mythologische Verhulde vorm van rationalisme, alles wat men niet begrijpt wordt verlaagd tot mythe

e. Historische De Bijbel is niet slechts een geschiedenisboek

f. Allegorische Overgeestelijke benadering. Verholen vorm van gnosticisme.

h. Typologische Niet elke zaak in het Oude Tes­ tament verafschaduwt het Nieuwe Testament.

i. Predicatieve Zoekt te veel een bijbelse tekst voor elke actuele gebeur­tenis.

k. Encyclopedische De bijbel is geen vraagbaak voor alles wat men maar beden­ken kan.

 

III EVALUATIE en TOEPASSING

Evaluatie = De uitnemendheid en het nut van de onderzochte passage trachten te bepalen.

 

Hierin zijn twee fasen:

1. Algemene Evaluatie De algemene waarde van de bijbel of een bijbelboek trachten te bepalen.

2. Specifieke Evaluatie Wat is de eigenlijke waarde van een bepaalde passage?

 

De ultieme maatstaf bij het evalueren is Christus zelf, de belichaming van de eeuwige waarheid.


Tracht te bepalen welke bijbelse passages universeel en tijd­loos van toepassing zijn, hoewel zij zijn vervat in een speci­fieke plaatselijke of tijdelijke situatie.

(Een aparte bijlage over de "Culturele bepaaldheid van de Schr­ift"is voor de vorsers beschikbaar)

 

Suggesties voor het evalueren:

a.  Pas op voor te snelle oordeelsvormen. Neem tijd om welover­wogen en biddend je positie te bepalen. Wees niet bang om je oordeel voorlopig op te schorten.

b.  Laat persoonlijke gebeurtenissen en gevoelsmatige elementen je oordeel niet bepalen. De Schrift zelf moet dit aanrei­ken.

c.  Toets je evaluatie aan het doel van het gehele boek of de gehele Schrift. De betekenis is onlosmakelijk verbonden aan de bedoeling van de Auteur.

 

Toepassing    =   De Schrift concretiseren in het heden.

Twee fasen:

1.    Analyse van de huidige situatie in het licht van de passa­ge.

2.  Het concreet toepassen van dit schriftgedeelte op die situ­atie.

Vanuit de theoretische toepassing moeten wij komen tot de prak­tische toepassing. In de eerste plaats voor ons zelf, in de tweede plaats voor anderen.

PRAKTISCHE TOEPASSING

(Uit: Ada Lum & Ruth Siemens, Kreatieve Bijbelstudie, p. 70-71)

 

HUISOPDRACHT

Pas de indicatieve methode toe op een door u zelf uit te kiezen gedeelte uit het Johannes evangelie (b.v. Joh. 1: 1-18).

Geef dit gedeelte een eigen titel en werk uw bevindingen uit in vier naast elkaar geplaatste kolommen. Als volgt:

 

  KOLOM 1        KOLOM 2   KOLOM 3      KOLOM 4

 

Bijbelse tekst   Observatie   Interpretatie    Evaluatie/Toe­passing

 

 

 

 

 

 

 


Les 5 * 18 februari 1989 *    14.30-15.20 uur

Bronnen: Kenneth O. Gangel, Leadership for Church Education, Chicago: Moody Press, p. 270-281.

Ada Lum en Ruth Siemens, Kreatieve Bijbelstudie, p.20-21.

 

  PERSOON-TOT-PERSOON BIJBELSTUDIE

 

Een uitermate geschikte wijze om te groeien in de gave van het leraarschap (Ef. 4:11 en Rom. 12:7) is de methodiek, waarbij twee personen samen Gods woord bestuderen. Het belangrijke voordeel hierbij is dat men op een positieve manier gedwongen wordt om optimaal te participeren. In de instructie van een pas bekeerde is deze methode te verkiezen, omdat zo de best moge­lijke persoonlijke begeleiding kan worden gegeven. Deze methode kan echter ook prima functioneren bij b.v. een echtpaar of twee vriend(inn)en, wanneer beiden samen willen groeien in bijbelse kennis en/of levensprincipes. Een belangrijk voordeel is dat tijd en plaats makkelijk kunnen worden aangepast aan de per­soonlijke levenssfeer. Men moet echter wel afspreken om samen te studeren, anders verliest men zich al snel in gezellige kletspraatjes.

In deze methode onderscheidden wij twee modellen. Achtereenvol­gens worden bij elk model een aantal adviezen gegeven:

1. Leraar-Leerling

B.v. pas bekeerde de elementaire christelijke principes bij­brengen.

a.  Zet jezelf als leraar niet teveel op een voetstuk. Identi­ficeer je zoveel mogelijk met de leerling. Spreek in de wij-vorm.

b.  Ontdek de beginsituatie van de leerling en werk van daaruit verder. Neem de tijd om de cognitieve, geestelijke en emo­tionele vaardigheden van de leerling te leren kennen. Bij­voorbeeld door te beginnen met een kennismakingsgesprek en/of een vragenformulier te laten invullen. Neem niets als vanzelfsprekend aan. Observeer ook waarin de leerling in het bijzonder is geïnteresseerd en probeer daar bij aan te sluiten.

c.  Bepaal je tempo volledig aan de hand van de ontvankelijk­heid en het begripsvermogen van de ander. De leerling is het uitgangspunt en de doelgroep tegelijk. (vgl. Joh. 16:­12)

d.  Ruim veel tijd in voor vragen en pastoraal advies. Neem hier eventueel zelf het initiatief toe. Probeer de stof zo nauw mogelijk aan te laten sluiten bij de behoeften en verlangens van de leerling. (vgl. Matth. 19:21 en Joh. 8:11)

e.  Geef opdrachten mee tussen de studie-ontmoetingen en maak die ook zelf! Deze opdrachten moeten niet alleen kengebie­den bestrijken, maar moeten ook aansporen tot verdieping en actie. (b.v. memoriseer bepaalde kernteksten, neem eens tien minuten stilte om naar God te luisteren, ga bij een ziek gemeentelid op bezoek - geef je getuigenis aan een onbekeerde)

f.  Open en/of eindig met gebed, waarbij de leerling een even­redig deel heeft.

 

 


 

2. Gelijkwaardige partners

B.v. Samen groeien in de kennis en leven vanuit Gods Woord.

a.  Het doel is door elkaar aangespoord en aangevuld te worden. Er mag hierbij geen sprake zijn van een geestelijk of in­tellectueel overwicht van de een over de ander.

b.  Kies een onderwerp of bijbelboek, waar beide interesse naar uitgaat. Durf dit ook tussentijds te wijzigen als het in de praktijk toch niet aan de verwachtingen blijkt te voldoen.

c.  Werk vanuit een bestaand tekst- of studieboek (b.v. Naviga­tors of I.C.I.) óf stel in onderling overleg een werk- c.q. studieschema op. Houdt in ieder geval een aantekenschrift bij. Soms is wijziging van de methodiek wenselijk. Tussen­tijdse evaluatie is daarbij onontbeerlijk.

d.  Maak allebei dezelfde opdrachten en wissel dit aan het begin van iedere les uit. Je kunt ook elkaars werk nakijken en beoordelen. De wetenschap dat de ander je werk "contro­leert" zal je motiveren om de voorbereiding serieus te nemen.

e.  Zorg ervoor dat je allebei evenredig aan het woord bent. Het kan in bepaalde situaties wenselijk zijn dat je wisse­lend een gespreksleider aanstelt (dit kan echter ook rem­mend werken!).

f.  Richt je meer op wat je van de ander kunt ontvangen, dan op wat je kunt zelf kunt (door)geven.

 

Algemene adviezen

a.  Spreek in onderling overleg een vaste frequentie en tijd af.

b.  Wees vriendelijk, beleefd en begripsvol.

c.    Ontwikkel de kunst van het luisteren.

d.    Gebruik positieve woorden die de ander opbouwen in plaats van afstoten.

e.    Verlies jezelf niet in tweeslachtige of onduidelijke taal om je twijfels of onkunde te verhullen.

f.  Wees vooral eerlijk tegen elkaar. Durf het rustig toe te geven als je iets niet begrijpt of als je het tempo niet aan kunt.

g.  Laat duidelijk merken dat je mede afhankelijk bent van de inzet van de ander.

h.    Beoordeel of hetgeen je gezegd hebt wel juist is overgeko­men. Wees zeer gevoelig voor feedback.

i.  Pas op dat je elkaar niet wilt aftroeven (Geen concurren­ten, maar producenten). Probeer daarentegen waar mogelijk de ander te prijzen en aan te moedigen.


 

COMMUNICATIEVOORWAARDEN EN GESPREKSPRINCIPES

Communicatie = "Uitwisseling van gedachten"

"Het geestelijk met elkaar verkeren" (van Dale)

 

Definitie: Communicatie is het overdragen van gedachten en ideeën tussen personen in een taal die voor beide verstaanbaar is.

 

Donald P. Ely schrijft:

"Er is bijna niets wonderbaarlijkers dan een goed idee; er is echter niets zo tragisch als een goed idee niet kan worden overgedragen."

 

Ely heeft het communicatiemodel als volgt in schema gebracht, waarbij de E staat voor het "Encoderen" van de boodschap door de bron en de D voor "Decoderen" van de boodschap door de ont­vanger:

 

 

Om een moderne vergelijking te maken, kan dit gerelateerd wor­den aan het proces van een C.D.. Het gaat er daarbij om dat de oorspronkelijke idee van de bron (de componist) overkomt bij degene die luistert. Daarbij zijn de tussenliggende factoren mede bepalend. Het "encoderen" geschiedt hier door de uitvoer­ders van de muziek en de opnametechniek, het "decoderen" door de kwaliteit van de C.D.-installatie.

Vergelijken wij dit met het overbrengen van Gods Woord, dan is God zelf de bron, zijn o.a. de vertalers en de bijbelstudiele­raar de "encodeerders" en wordt het "decoderen" mede bepaald door de cultuur, levenssituatie en begripsvermogen (geestelijke antenne) van de ontvanger.

 

Bekend zijn de resultaten van het spelletje waarbij de oor­spronkelijke boodschap misvormd wordt als dit door een aantal oren is gecirculeerd. Wij hebben daarom te onderscheiden wat:

1e. Wat de bron wil zeggen

2e. Wat de bron in feite zegt

3e. Wat de bron gezegd heeft (in zijn herinnering)

4e. Wat de ontvanger wil horen

5e. Wat de ontvanger hoort

6e. Wat de ontvanger denkt dat hij gehoord heeft

Alfred Korzybski heeft hierbij terecht opgemerkt "De landkaart is niet het gebied zelf". Communicatie is de landkaart - het leven is het gebied zelf.

 

Feedback

Vergelijk dit met het terugspoelen van een band.


Het doel van feedback is dat de bron er achter komt in hoeverre zijn ideeën juist zijn overgekomen bij de ontvanger. Bij bij­belstudie impliceert dit tevens een gedragsverandering. De mate waarin een "boodschap" succes heeft wordt door de feedback gemeten. Een goede leraar zal hier uitermate gevoelig voor zijn en zonodig zijn coderings-techniek aanpassen.  Hiermee heeft ook de gesteldheid van de leraar te maken. Een dictator zal verwachten dat men zijn woorden blindelings overneemt en uit­voert; een bijbelse leraar heeft als doel dat de algemene bij­belse principes individueel gestalte gaan krijgen. Iedere keer uniek, altijd door de werking van Gods Geest.

 

Ervaringsvelden

Het communicatieproces vindt niet plaats in een vacuum. Er zijn allerlei interne en externe factoren, die dit beïnvloeden. De mens wordt sterk bepaald door zijn sociale omstandigheden. De bijbelleraar moet beseffen dat de ontvanger niet alleen een product is van zijn eigen interne leven (karakter, zondige natuur, frustraties), maar ook van de massa media en de huidige toelaatbare samenleving. Het is de actuele uitdaging en op­dracht hier een bijbelse balans in te vinden. Optimale communi­catie is daarbij essentieel.

 

Algemene adviezen voor goede communicatie bij het les geven

a.  Bereid je degelijk voor.

b.  Ken de personen aan wie je les geeft. Leer de namen kennen en gebruik deze regelmatig, b.v. bij het stellen van vra­gen.

c.    Onderwijs niet met het doel om indruk te maken; maar om de boodschap optimaal te communiceren.

d.    Gebruik visuele hulpmiddelen.

e.  Geef gevarieerd les - Herhaling is nodig, maar kan ook verveling in de hand werken.

f.    Ontwikkel feedback-technieken. Dit moet meetbaar en verge­lijkbaar zijn. Het is daarbij nodig om van te voren je doelstellingen te bepalen.

g.  Bouw tijd in voor vragen, groepsdiscussie en toelichting.

h.    Evalueer of je in het juiste tempo werkt.

 

 

 

 

 


Les 6 * 18 februari 1989 *    15.30-16.20 uur

Bronnen: Findely B. Edge, Teaching for Results, Nashville, Tennessee: Broadman Press, p. 89-166.

R. Standaert & F. Troch, Leren en Onderwijzen - inlei­ding tot de algemene didactiek, Leuven: Acco, p. 9-89.

 

 

       VAN DOELSTELLING NAAR REALISATIE

Als je geen doel hebt, zul je dat zeker bereiken.

Jezus verwacht van Zijn volgelingen resultaat en vrucht

(Joh. 14:15, Matth. 7:20). Zijn doel is om de mens in herstelde relatie met God te brengen. De resultaten zijn dan het uiter­lijke gevolg van de innerlijke verandering, die plaats vindt na de persoonlijke bekering.

De persoonlijke bekering verandert niet automatisch het karak­ter en de levenswijze van het individu. Hier is een leerproces van discipelschap voor nodig.

De bekering zal hier wel het verlangen en de kracht toe geven.

Het is de taak van de bijbelleraar om de meest effectieve mid­delen te ontdekken en toe te passen, waardoor een gedragsveran­dering plaatsvindt die overeenkomt met de idealen die Jezus ons heeft voorgehouden.

Enige didactische principes:

De doelstelling moet specifiek en persoonsgericht zijn.

Een doelstelling wordt het beste in leerlinggedrag geformu­leerd.

Een doelstelling is operationeel als het eindgedrag van de leerling kan waargenomen worden, of tenminste het produkt dat uit het gedrag voortvloeit.

Een doelstelling is concreet als de inhoud, de leerstof waarop het eindgedrag betrekking heeft, nauwkeurig en ondubbelzinnig beschreven is.

 

De doelstelling moet:

a)    Beknoptgenoeg zijn om onthouden te kunnen worden.

b)     Duidelijkgenoeg zijn om opgeschreven te kunnen worden.

c)   Specifiek genoeg zijn om binnen de gestelde termijn te kunnen worden uitgevoerd.

Hierbij stel je jezelf twee vragen:

1)  Wat wil ik dat mijn studenten doen?

2)  Hoe kunnen zij dit tussen nu en de volgende les uitvoeren?

 

Bij bijbels onderwijs moeten wij er voor waken dat:

a)  De leerlingen de stof slechts verbaal beheersen.

Christus kennen is een ervaring; de bijbelse principes moeten daarom in praktijk worden gebracht en beleefd wor­den.

b)  De leerlingen slechts emotioneel en affectief op de stof ingaan binnen het klasverband. Jezus zegt dat wij Zijn getuigen zullen zijn (Hand. 1:8); dat moet dagelijks blij­ken

 

 


  PLANNING

Een marathon bestaat uit een heleboel stappen. Je kunt deze onmogelijk in twee minuten lopen. Zo is het ook niet mogelijk om iemand in één les een volwassen christen te maken. Ook zal het niet lukken om u in deze tien lessen een all-round bijbel­leraar te maken. Zoiets gaat stap voor stap (Ps. 119: 105).

Het is daarom belangrijk dat wij omvangrijke doelstellingen (b.v. iemand een overzichtelijke kennis van alle bijbelboeken bijbrengen) opsplitsen in deel-doelgebieden. Een aantal Ameri­kaanse zondagsschool-programma's zijn op dit principe gebaseerd en nemen in een periode van twee jaar de hele bijbel op ieder niveau door.

 

Veel van onze gemeenteprogramma's kennen geen samenhang. Predi­kingen en bijbelstudies zijn nauwelijks op elkaar afgestemd.

De doelstellingen zien er dan schematisch als volgt uit:

 

 

 

 

Het is niet eerlijk om de Heilige Geest de schuld te geven van deze wanorde. We moeten in overleg werken aan een constructieve opbouw in ons programma op alle niveau's.

Schematisch ziet dat er als volgt uit:

HOOFDDOEL               Dit kun je weer verder opsplitsen in

kleinere eenheden (units):

    

 

 

sub-doelstellingen

Bijvoorbeeld:

Kwartaaldoelstelling: Christelijke deugden ontwikkelen zodat mijn studenten in het dagelijks leven:

a) Hun bijbel kunnen gebruiken in (ethi­sche) beslissingen.

b) Dagelijks omgang hebben met God.

c) Persoonlijk getuigen

Unit Doelstelling: De punten a) b) en c) worden opge­splitst in ieder vier lessen. Dit kan worden aangevuld met een les algemene inleiding en een les totaal-evaluatie.

Les Doelstelling: De vier lessen worden in onderlinge samenhang uitgewerkt - b.v. c)

1)   Wat is persoonlijk getuigen?

2)   De bijbel en persoonlijk getuigen

3)   Hoe persoonlijk getuigen? Opdracht

4)   Wat wel en wat niet? Rollenspel

 


 

      DRIE DOELGEBIEDEN

Edge onderscheidt drie doelgebieden. Per les dient bij voorkeur slechts één doelgebied te worden gekozen. Te vaak gebeurt het dat men alle drie doelgebieden in één les nastreeft en de stu­dent overrompelt achterlaat zonder iets bereikt te hebben.

De drie doelgebieden zijn achtereenvolgens:

 

1. Kennis (knowledge)

Hoofddoel is om feiten en informatie door te geven op logische en systematische wijze, zodat de student(e) deze kennis eigen wordt.

Voorbeeld: "Mijn studenten de belangrijkste feiten van het  scheppingsverhaal te leren."

 

2. Verdieping (inspiration)

Hoofddoel is de studenten te leiden tot een intensere waarde­ring van een christelijke waarheid of te brengen tot een (her)­accepteren van een algemeen ideaal.

Voorbeeld: a. "Een intensere waardering te krijgen voor het feit   dat Jezus waarachtig is opgestaan"

 b. "Het accepteren van het belang dat wij voor elkaar   verantwoordelijk zijn."

 

3. Gedragsreactie (conduct response)

Hoofddoel is de studenten te leiden om het geleerde op een specifieke wijze in praktijk te brengen in het dagelijks leven. Het totale doel van een  "unit" moet hier altijd mee afsluiten.

Voorbeeld: "We maken een plan om in drie maanden elk huis in    wijk A, bereikt te hebben met het evangelie en     voeren dat gezamenlijk uit."

 

Deze doelstellingen kunnen per lesdoel of kwartaaldoel uitge­werkt worden, bijvoorbeeld:

Kwartaaldoel - Onderwerp: Leven van Jezus

a) Kennis: Mijn studenten de belangrijkste gebeurtenissen van het leven Jezus leren in chronologische volgorde.

b) Verdieping: Mijn studenten te brengen tot een diepere waar­dering van het leven en het onderwijs van Je­zus.

c) Gedrag: Mijn studenten aan te zetten om christelijke deug­den concreet toe te passen in het dagelijks leven

Lesdoel     -    Onderwerp: De eerste zendingsreis van Paulus (keuze)

a) Kennis: Mijn studenten de belangrijkste feiten te leren over deze reis.

b) Verdieping: Mijn studenten meer bewogenheid voor zending bij te brengen.

c) Gedrag: Mijn studenten aan te zetten om een bepaald zen­dingsproject te adopteren, b.v. weeshuis op Haïti.

 

 


 

 

   LESPLAN

Wat de kaart is voor de reiziger is het lesplan voor de leraar. Voor elke les dient een lesplan te worden uitgewerkt.

Als bijlage wordt een lesplan uitgereikt. Mocht je van plan zijn dit later te gebruiken, gebruik het uitgereikte exemplaar dan als moedervel. Vul alleen iets in op een copie hiervan.

Werkvolgorde:

a)  Bidden over en persoonlijke bijbelstudie van de te behande­len schriftgedeelten.

b)    Raadpleeg hulpmiddelen en naslagwerken.

c)  Laat de doelgroep (leerlingen) nog eens de revue passeren.

d)  Stel je lesdoel op.

e)  Maak een outline van je les.

f)    Schrijf op hoe je de studenten wilt bereiken in het ver­stand, gevoel en wil. Maak je doelen specifiek en persoons­gericht.

g)  Bedenk een creatieve manier om de les te beginnen en de aandacht te richten op het onderwerp.

h)  Werk uit hoe je het behandelde schriftgedeelte toepasbaar gaat maken (b.v. groepsdiscussie, vragen stellen, brief laten schrijven etc.)

i)  Bedenk hoe je de les handen en voeten kunt geven door een persoonlijk voorbeeld te stellen.

j)  Werk het lesplan nu tot in detail uit.

k)  Laat dit zo mogelijk door anderen beoordelen of test het in het klein uit.

l)  Neem het lesplan kort voor de les nog eens door.

 

PRAKTISCHE TOEPASSING

Klassikaal wordt (zo ver de tijd het toestaat) gezamenlijk een lesplan opgesteld aan de hand van het bekende verhaal van Jezus die de storm stilt (Mattheus 8: 23-27 en Lucas 8: 22-25).

 

SERIEDOEL:    Een discipel van Jezus worden

 

LESONDERWERP:    Vertrouwen in Jezus

 

HUISOPDRACHT

Werk aan de hand van een zelf te kiezen onderwerp en/of bijbel­gedeelte een volledig lesplan uit, conform de instructies zoals deze in het uitgereikte voorbeeld zijn aangegeven. Geef daarbij aan wat je (denkbeeldige) doelgroep is. Werk dit zo nauwkeurig mogelijk uit en probeer het toe te passen. Lever het geheel volgende keer bij mij in. Geef zo nodig aan wat je bij het uitwerken nog onduidelijk bleek. Vergeet niet je naam er op je werkstuk te vermelden. Succes!


Les 7 * 4 maart 1989 *   14.30-15.20 uur

Bronnen: Kenneth O. Gangel, Leadership for Church Education, Chicago: Moody Press, p. 50-61.

Ada Lum en Ruth Siemens, Kreatieve Bijbelstudie, p. 104-113.

Lawrence O. Richards, Creative Bible Teaching, p. 67-143.

 

KREATIEVE BIJBELSTUDIEVORMEN: ALGEMENE INLEIDING

Kreatief:    Scheppend bezig zijn (van Dale)

Impliceert: Inventiviteit, originaliteit, productivi­teit

 

Jezus wist hoe Hij zijn boodschap zo helder en zo levend mogelijk kon doorgeven. Hij maakte God de Vader heel reëel en dichtbij. Hij gebruikte veel gelijkenissen uit het dagelijkse leven om diepere waarheden duidelijk en bevattelijk te maken. Hij betrok aktuele gebeurtenis­sen op eeuwige waarden. Wanneer we eenmaal Jezus hebben leren kennen als de ongeëvenaarde leraar, dan kunnen we ook zelf leren om Zijn woorden op een goede en kreatieve manier over te dragen. Wanneer we in onze Bijbelstudiegroep beginnen met het toepassen van de basis-principes die Hij gebruikte, dan zal er een frisheid en aktieve deelname ontstaan.

Bij kreatief onderwijs willen wij ons bewust en effectief richten op activiteiten die het leerniveau van de leerling verhogen. Daar­bij moeten wij streven naar het hoogste leerniveau: Realisatie

Trapsgewijs kunnen de leerniveau's als volgt worden weergegeven:

 

     REALISATIE    

    |Bekwaamheid

    |om bijbelse

    |waarheden

    |toe te passen

     RELATEREN     |

    |Bekwaamheid   

    |om verbanden te

    |leggen tussen

              |leven & bijbel

     WEERGEVEN     |

    |Bekwaamheid   

    |om bijbelse begrippen

    |in eigen woorden

    |uit te drukken

     HERKENNEN     |

    |Bekwaamheid   

    |om bijbelse   

    |begrippen te

    |herkennen

REPRODUCEREN  |

Bekwaamheid

om begrippen

mechanisch

te herhalen


 

 

Paulus vat de doelstellingen van het bijbelse onderwijs kernach­tig samen in Col. 1: 9b-10

"Daarom houden ook wij sedert de dag, dat wij dit gehoord heb­ben, niet op voor u te bidden en te vragen, dat gij ...

 

1)  met de rechte kennis van Zijn wil vervuld moogt wor­den,

2) in alle wijsheid en geestelijk inzicht,

3) om de Here waardig te wandelen, Hem in alles te behagen,

4) in alle goed werk vru­cht te dragen en

5) op te wassen in de rec­hte kennis van God."

 

 

KENNIS

Kennen van Gods wil (Ef. 5:17); Woord en Geest verstaan

INZICHT

In staat om te onderscheiden

WANDEL

Uitwerking van de bijbelse principes in dagelijks leven

VRUCHT DRAGEN

Onze uitverkiezing: Joh.15:16

OPWASSEN

Hoogste opdracht: God kennen = Groeien in persoonlijke relatie

  BASISMETHODIEK

Richards onderscheidt vier fasen in zijn bijbelstudie-methodiek (HOOK-BOOK-LOOK-TOOK), die toepasbaar zijn voor alle leeftijds­groepen. Als de les optimaal verloopt dan vloeien de fasen niet mechanisch maar automatisch in elkaar over (vergelijk met auto­mati­sche versnellingsbak). Deze vier fasen zijn achtereenvol­gens:

Haak Vangt de aandacht en richt dit op het te bestuderen onderwerp. De gedachte die zwemt in de zee van de eigen leefwereld, moet gevangen worden en in de boot van het bijbelse onderwijs worden gebracht.

Een goede haak:

a) trekt de aandacht;

b) stelt een uitdagende doelstelling;

c) mondt vanzelfsprekend uit in de bijbelstudie.

 

Boek Geeft bijbelse informatie door en helpt de leerlin­gen om dit te begrijpen. De leraar maakt het bijbel­gedeelte- of onderwerp bevattelijk. Dit kan hij doen door een eigen lezing of door in kringverband of in groepjes het bijbelgedeelte te bespreken. Essentieel daarbij is dat zij/hij vaststelt dat de leerlingen het be­grepen hebben op hun eigen niveau.

 

Kijk Betrekt de behandelde bijbelse gedeelten op het le­ven van alledag. De leraar daagt de studenten uit om het gelezene te vergelijken met hun eigen situatie. Een ieder moet voor zich zelf bepalen wat hier de persoonlijke konsekwenties van dienen te zijn. De objectieve waarheid (Gods woord) wordt nu subjectief gemaakt (Hij ? mij).


 

Doe Directe toepassing. Reikt een duidelijke, uitvoerba­re en toetsbare toepassing van het behandelde bij­belgedeelte aan. De leraar moet zijn studenten tonen hoe zij het geleerde kunnen toepassen. Persoonlijke begeleiding en planning is hierbij zeer belangrijk.


 

 

OVERBRENGEN MOTIVATIE

De leraar zelf

Bij het geven van bijbelstudie aan bijvoorbeeld tieners kun je je wel eens vertwijfeld afvragen waar je mee bezig bent. Soms lijken de leerlingen in alles geïnteresseerd behalve in de les. Als bijbelleraren mogen wij ons niet laten degraderen tot een veredelde oppas of entertainer. Wij hebben een heilige taak te doen: Gods woord over te brengen en discipelen te maken (Matth. 28:19). Als het schort aan de motivatie bij de leerlingen moeten wij eerst bij God en onszelf te rade gaan. Zijn wij zelf wel juist gemotiveerd? Of is de wekelijkse (bijbel)studie een ver­plicht nummer? Wentelen wij onze gemakzucht in de voorbereiding niet te makkelijk af door vroom te stellen "dat de Heilige Geest ons wel helpen"?  Laten wij vooral zelf het goede voorbeeld geven en enthousiast (= in God) onze les overbrengen. Kunnen wij met Paulus zeggen: "Neem een voorbeeld aan mij, zoals ik een voorbeeld neem aan Christus" (1 Kor. 11:1).

Verhouding leraar-leerling

Bij kreatief onderwijs vertellen wij niet alleen de feiten, maar gaan wij ook in op de betekenis hiervan. Wij zorgen hierbij dat de leerlingen zelf aktief zijn. De leraar is in dit alles de gids, die de leerlingen helpt om hun eigen conclusies te trek­ken. De leraar is geen protestantse mini-paus, geen middelaar tussen God en mensen (1 Tim 2:15), maar is een leerling tussen de leerlingen.

De apostel Paulus was volledig gericht op het belang van zijn leerlingen, en vergeleek zich daarbij met een moeder en een vader (1 Thess. 2: 7-11). Oprechte belangstelling en liefde voor de studenten bewerkt een optimale motivatie. Probeer als het enigszins mogelijk is de leerlingen ook in hun dagelijkse set­ting te leren kennen. Nodig hen ook eens individueel of gezamen­lijk uit bij je thuis. De leerlingen zijn geen objecten, maar mensen die individue­le aandacht en een levend voorbeeld nodig hebben.

In de les dient de leraar de juiste toon te zetten en een posi­tieve groepsdynamiek te bevorderen, anderzijds moet het de leer­lingen duidelijk zijn dat zij mede-verantwoordelijk zijn om van de les een succes te maken.

Structurele factoren

Naast de bovengenoemde persoonlijke factoren, zijn er een aantal belangrijke inhoudelijke en structurele factoren die de motiva­tie bevorderen. Mensen leren beter als:

a) de les overzichtelijk is en duidelijk naar één doel toe­werkt;

b) het persoonlijke belang van het onderwerp wordt ingezien;

c) zij het idee hebben dat zij de stof (kunnen) beheersen;

d) zij de resultaten van de les in hun eigen leven zien.

 

 

 

 

 


TERMIJNPROGRAMMA EN MATERIAALKEUZE

De genoemde HOOK-BOOK-LOOK-TOOK-methode zal in de regel in één les worden samengevat. Belangrijk is daarbij (afhankelijk van de doelgroep)een tijdsplanning te maken, bijvoorbeeld als volgt:

 

 

In aanvulling op wat in les 6 gezegd is over planning, dient een termijnprogramma te worden opgesteld hetgeen zich over een aan­tal jaren uitstrekt. In een gemeente dient dit bij voorkeur te geschieden in gezamenlijk overleg met alle afdelingen die bij het onderwijs bertrokken zijn, van peuters tot bejaardenkring. In de Verenigde Staten maakt men veel gebruik van zondagsschool-programma's (hetwelk daar alle leeftijdsgroe­pen behelst), die in een periode van twee jaar de hele bijbel doorlopen. Elke leef­tijds­programma is dan op zijn eigen niveau met hetzelfde onder­werp bezig. (Een adreslijst van Amerikaanse organisaties, die dit materiaal leveren is beschikbaar, evenals een engelstalige termijnplanning tot tien jaar).

Ook in Nederland werken momenteel verschillende organisaties aan materiaal voor specifieke doelgroe­pen. Te noemen zijn hier o.a.:

Baruch,     Postbus 15825, 2502 BV Den Haag 

Ezra,       Postbus 148,     3990 DC Houten    

L.Z.C. (NBJB), De Singel 5,    9203 XX Drachten

N.Z.V.,     Bloemgracht 65,1065 KG Amsterdam

Timotheus,    Beukenlaan 28,    5651 CD Eindhoven

Een samenhangend totaal-programma is echter nog niet voorhanden. Het voordeel van dit voorbereide materiaal is dat experts dit hebben afgestemd op de algemene noden en vaardigheden van de doelgroep. Een nadeel is dat er wordt ingeboet op de creativi­teit van de leraar en dat er te weinig wordt ingespeeld op de specifieke plaatselijke situatie. Het is daarom van belang om niet "voor het gemak" klakkeloos materiaal over te nemen. Lessen uit bestaande pakketten dienen zorgvuldig en bijtijds voorbereid te worden en zonodig te worden aangepast. Vul dit ook aan met eigen ideeën.


Les 8 * 4 maart 1989 *   15.30-16.20 uur

Bronnen:Lawrence O. Richards, Creative Bible Teaching, p. 147-222.

Else Vlug, Verhinder ze niet - Kinderen en het evange­lie, Hoornaar: Gideon, 1976, p. 205-214.

 

KREATIEVE BIJBELSTUDIE AAN KINDEREN

Hoewel de bijbel in door en in taal voor volwassenen is geschre­ven, heeft het zeker ook een boodschap voor kinderen. In zeker opzicht zijn de principes van Gods koninkrijk zelfs makkelijker voor een kind te bevatten, dan voor een volwassene (Matth. 18: 2-6, Marcus 10: 14-16, Lucas 9: 46-48).

Het is de taak van de leider om, al biddende, de strekking van de bijbel over te brengen aan het kind. Hierbij zijn twee be­langrijke randvoorwaarden:

1) Ons onderwijs moet bijbelgetrouw en elementair zijn. De Bij­bel heeft in de eerste plaats ten doel God te ontmoeten en te leren kennen. Het is geen wetboek met geboden en verbo­den. De liefde van God staat centraal

2) Ons onderwijs moet aansluiten op de belevingswereld van het kind. Ook kinderen hebben God nodig in hun alledaagse pro­blemen (ruzie met schoolvriendjes enz.). Laten wij van jong­saf aan onze kinderen bijbrengen hoe reëel God is, door de bijbel aan te laten sluiten bij hun noden en ervaringen. Onze lessen moeten afgestemd zijn op hun niveau van denken en besluiten.

 

  ALGEMENE PRINCIPES PER LEEFTIJDSGROEP

Hoewel ieder kind uniek is, zijn er voor de verschillende leef­tijdsgroepen wel gemeenschappelijke richtlijnen te geven, waarop dan natuurlijk de nodige uitzonderingen zijn.

Onderverdeeld per leeftijdsgroep zijn de volgende principes van toepassing:

Kleuters (4-6 jaar)

Algemene eigenschappen:

- Kunnen niet lang stil zitten

- Leren door activiteit en ervaring

- Beginnen te leren om in groepsverband te spelen en te werken

-   Leren langzamerhand het verschil tussen goed en kwaad

- Zijn in staat om een eerste keuze voor de Heer te maken

Adviezen:

- Zorg voor veel afwisseling

-   Zing veel, bij voorkeur bewegingsliedjes

-   Vertel kort: levendig, maar niet al te spannend of griezelig

-   Laat ze hun vraagjes meteen kunnen stellen

-   Leg alles duidelijk uit

Tijdsindeling:

Vrij spelen & zingen      15-20 minuten

Bijbelverhaal          8-12 minuten

Ontspanning            5-10 minuten

Actieve toepassing            20-25 minuten

 


Jonge kinderen (6-9 jaar)

Algemene eigenschappen:

- Zeer gevoelig en leergierig

- Houden kritiekloos van hun onderwijzer

-    Hunkeren naar waardering en aanmoediging

- Hebben veel bewegingsenergie

- Krijgen oog voor de ander - sociale vaardigheden ontluiken

- Hun gebedsleven wordt persoonlijk

Adviezen:

- Bereid u goed voor, want slordigheden worden afgestraft

-    Eenvoudige bijbelteksten kunnen gememoriseerd worden

-   Laat ze voor en na het verhaal even bewegen

-   Bedenk groepsspelletjes, die aansluiten op het thema

-   Maak nooit een kind van deze leeftijd belachelijk

Tijdsindeling:

Groepsgesprek     2-5  minuten

Bidden en zingen    10-15 minuten

Bijbelverhaal     12-17 minuten

Actieve toepassing    20-25 minuten

Schoolkinderen (10-12 jaar)

Algemene eigenschappen:

- Clubvorming en heldenverering

- Ontluikende wereldoriëntatie

-    Proberen de onderwijzer uit (uitlokken en plagen)

- Houden van gezag en overwicht

- Durven kritiek te uiten

- Twijfel steekt soms de kop op

- De meeste bekeringen van kinderen komen in deze leeftijds­groep voor

Adviezen:

- Benadruk de overwinning en heldenrol van Jezus

- Iets moeilijkere en langere bijbelteksten kunnen zij aan

- Stimuleer groepsdiscussie, maar houdt het wel goed in de hand

-   Laat ze zelf dingen verzamelen en onderzoeken

-   Wees duidelijk en standvastig in uw beslissingen

- Niet te kinderachtig doen of te langdradig zijn

Tieners (13-15 jaar)

Algemene eigenschappen:

- Zoeken naar eigen identiteit

- Krijgen belangstelling voor de andere sekse (kalverliefde)

-   Maken zich los van hun ouders, maar zoeken ander houvast

- Krijgen belangstelling voor mode en eigentijdse muziek

Adviezen:

- Wees niet in de eerste plaats hun leraar, maar hun vriend

- Luister goed naar hun mening, die vaak zeer uitgesproken is, en doe daar nooit kleinerend over

- Daar de wereld hard aan hen trekt is voorbede erg belangrijk

- Sta niet tegenover ze, maar zit tussen ze in

- Probeer met ze naar een kamp te gaan

- Kom ook op een doordeweekse avond bij elkaar


- Een nieuwe keuze voor de Heer is in deze fase vaak een keuze voor het leven.


PRAKTISCHE TOEPASSING

Doelgroep:    8-10 jarigen

Verhaal:      Jezus stilt de storm (Lucas 8: 22-25)

Lesdoel:      De angst te overwinnen door op Jezus te vertrou­wen

Per onderdeel worden een aantal mogelijkheden aangereikt. In de uiteindelijke samenstelling de les moet hier per onderdeel één keuze uit worden gemaakt.

HOOK

1)    Groepsgesprek:

a)  Jaap is bang. Waarom is Jaap bang?

b)  Ben jij wel eens bang? Waarvoor dan wel?

Schrijf de antwoorden van a) of b) op het bord.

2)  Iedereen tekent Jaap in een situatie dat hij bang is

3) Je begint een verhaal van Jaap die in het donker liep en je laat dit door de kinderen afmaken.

4)    Patomine: Je laat enkele kinderen een situatie uitbeelden waarin hij of zij bang is. De andere kinderen moeten raden waarvoor.

5) Je laat op een audio-bandje het geluid van een storm horen en vraagt de kinderen naar hun reactie.

6) Je laat enkele platen (of dia's) zien van een schip in de storm op zee en vraagt de kinderen hoe zij zich zouden voe­len als zij op dat schip zaten.

BOOK

1) Je vertelt het verhaal en geeft zelf de toepassing

2) Je vertelt het verhaal en laat de kinderen zelf de toepas­sing bedenken

3) Je hangt een plaat op (of laat dia's zien) en laat de kinde­ren zelf het verhaal vertellen.

4) Je vertelt het verhaal m.b.v. een flanelbord of plastico­graaf en laat de kinderen het zelf navertellen

5) Je vertelt het verhaal en laat de kinderen het naspelen in een toneelstukje.

6) Je vertelt het verhaal en doet alsof jij een journalist bent en de kinderen de apostelen en gaat interviews houden.

LOOK

1) Je grijpt terug op wat de kinderen in de groepsdiscussie hebben gezegd over bange situaties en vraagt ze of ze hier voortaan nog bang voor hoeven te zijn.

2) Je laat ze nu een tekening maken, waarop Jaapje blij en ge­rust is omdat hij op de Here Jezus vertrouwt.

3) Je laat ze een koortje leren, die hierop van toepassing is, b.v. "met Jezus in de boot ben ik veilig in de storm"

4) Je laat ze een striptekening maken, waarbij iedereen een plaatje bedenkt en intekent (b.v. angstige situatie, angstig gezicht, kind dat bidt, een blij en gerust kind)

5) Je vertelt een verhaal uit deze tijd (liefst uit je eigen leven), die hetzelfde thema behandelt.

6) Je laat de kinderen een verhaal bedenken in deze tijd, waar­bij christenen hun angst overwinnen (b.v. geloofsvervolgden)


TOOK

1) Je geeft de kinderen een geadresseerde en gefrankeerde brie­fkaart mee en vraagt ze je deze week te schrijven als ze bang zijn geweest en/of als de Here Jezus ze geholpen heeft. Dit kun je eventueel de volgende zondag kort bespreken.

2) Je geeft ze een boekje mee met b.v. een plaatje en een tekst voor elke dag, over "vertrouwen op Jezus" en vraagt ze hier iedere dag in te kijken.

3) Je geeft ze een bijbeltekst mee om te memoriseren

4) Je geeft ze een (kleur)plaat mee en vraagt ze het verhaal nog eens thuis na te vertellen aan hun ouders. Daarna kunnen ze de plaat voor tenminste één week in hun kamer ophangen.

5) Je spreekt af dat je deze week de kinderen allemaal eens zal bellen of schrijven om te vragen of ze nog bang zijn ge­weest.

6) Je geeft ze het aangeleerde liedje mee en vraagt of ze het thuis willen zingen en eventueel de andere gezinsleden wilt leren.

 

HUISOP­DRACHT

Kies zelf een doelgroep en bijbelgedeelte.

Omschrijf je lesdoel.

Werk je les uit volgens de HOOK-BOOK-LOOK-BOOK methode.

Geef daarbij aan wat jezelf moet doen en wat je van de kinderen verwacht


Les 9 * 18 maart 1989 *   14.30-15.20 uur

Bronnen: Kenneth O. Gangel, Leadership for Church Education, Chicago: Moody Press, p. 159-177 en 282-295.

Ada Lum en Ruth Siemens, Kreatieve Bijbelstudie, p. 27-29 en 104-113.

Lawrence O. Richards, Creative Bible Teaching, p.225-275.

 

KREATIEVE BIJBELSTUDIEVORMEN: AAN JEUGD EN VOLWASSENEN

  ALGEMENE PRINCIPES

Kreatieve bijbelstudiegroepen zijn die groepen waarin echt onder­zoek van de tekst plaatsvindt en waarin de deelnemers de openheid hebben om een persoonlijke inbreng te hebben. Er wordt naar ge­streefd om samen iets nieuws en belangrijks voor ons leven te leren; samen zoeken wij naar een dieper verstaan van de Waarheid (Joh. 14: 6). De Bijbel wijst ons voortdurend op de verantwoorde­lijkheid die wij als gelovigen ten opzichte van elkaar hebben: Gal. 5: 13, 6:2, Rom. 15:7, Ef 4:2, 4:32, 5:19, 5:21, Col. 3:16, 1 Thess. 5:11-15, Hebr. 3:13, 10:24-25, Jac. 5:16. Wanneer dus Christenen bij elkaar komen voor bijbelstudie is het allereerste doel om elkaar op te bouwen in een wederzijdse pastorale betrokken­heid. Uiteindelijk zijn het echter niet onze woorden, maar Gods Woord dat blijvende verandering moet bewerkstelligen (Psalm 19:7-12 en Jes 55:11).

Van adolescenten en volwassenen mag verwacht worden, dat zij het verschil kennen tussen "goed en kwaad" (Deut. 1:39) en hun "rech­terhand kunnen onderscheiden van hun linkerhand" (Jona 4:11). Met andere woorden zij zijn volledig aanspreek­baar op hun keuzen en daden. De uiteengezette methode met concrete en toetsbare doelstel­lingen is daarom zeker op deze groep van toepassing en in zekere zin het beste uitvoerbaar.

Ook hier geldt het principe dat het onderwijs (de doelstelling) moet zijn afgestemd op de actuele nood van de groep. Bijvoorbeeld een onderwerp als "de bijbel en sexualiteit vóór het huwelijk" is uitstekend voor een jeugdgroep maar leent zich niet voor een be­jaarden­kring. Ook zal het leertempo en de groepsparticipatie moeten worden afgestemd op de doelgroep. Bij een jeugdgroep moet alles elkaar vlot afwisselen en is er veel behoefte aan groepspar­ticipa­tie, liefst door gezamenlij­ke activiteiten. Bij een bejaardenkring daarentegen moet men juist niet te veel afwisselen en zal de groep­sdynamiek het beste worden bevorderd door een kringge­sprek­. De basismetho­diek (hook-book-look-took) is echter prima op alle ni­veau's toe te passen, mits kreatief en doelgericht voorbereid.

 

 

 

 

 


GROEPSGESPREK en KLASOPSTELLLING

Groepsgesprek = Coöperatief denken

Een bijbelstudiegespreksgroep biedt de gelegenheid voor coöperatief denken over geestelijke werkelijkheden.

Voordelen van groepsgesprek (als dit optimaal functioneert):

*    Iedereen kan aktief bezig zijn

*   Men wordt aangespoord om zelf conclusies te trekken

*   Een open klimaat om samen van elkaar te leren

*   We leren om kreatief te luisteren

*   Ons verkeerd verstaan van de Bijbel kan gecorrigeerd worden

*   We leren elkaar persoonlijk kennen

*   We leren ons te uiten temidden van Gods gezin

*   We komen geestelijk dichter bij elkaar

*   We worden aangemoedigd om specifieker voor elkaar te bidden

*   We worden versterkt in ons persoonlijk geloof

Beperkingen van groepsgesprek

*   Groep mag niet te groot zijn, maximaal twaalf personen

*   Gevaar van kliekjesvorming binnen het geheel der gemeente

*   Niet elk onderwerp leent zich voor groepsgesprek

*   Is afhankelijk van de kwaliteit en de werklust van de groepsle­den.

*   Je kunt niet te veel ingaan op details

*   Staat of valt met een bekwame, dynamische groepsleid(st)er

*   Bij onrealistische doelstellingen kan men ontmoedigd raken

*   Als men zich niet opgenomen voelt in de groep, kan dit grote frustraties en zelfs afzondering ten gevolg hebben

*   Ter wille van de groep kan men wel eens tot dingen worden aan­gezet, die men feitelijk niet wil (groeps-machtsmisbruik)

Een groep is:


    GEZOND

a)  Alle leden zeggen wat zij denken.

b)    Beslissingen worden gemaakt op basis van algemene con­sensus

c)  Een ieder kan optimaal bij­dragen vanuit zijn specia­lisme

d)  De hele groep is bezig met vragen die de hele groep aangaan

e)    Belangrijke onderwerpen

kri­jgen de meeste tijd

f)  De leden begrijpen elkaars ideeën, plannen en voorstel­len

g)  Vanuit de gezamenlijke doel­stelling wordt verandering bewerkt

h)  De waarde van ieder individu  wordt gerespecteerd

ZIEK

a)  Een paar leden zijn altijd aan het woord

b)    Beslissingen worden opge­drongen door de leiding of door enkelen

c)  Er wordt geen rekening ge­houden met het potentiële specialisme in de groep.

d)  Het maken van beslissingen wordt snel gedelegeerd naar aparte werkgroepen

e)    Onbelangrijke zaken vergen het meeste tijd

f)  Er wordt snel geoordeeld over zaken, die men nog niet goed begrijpt

g)  Er heerst een angst om we­zenlijk te veranderen

 

h)  Het individu wordt geremd

 


 

 

 

Van groot belang voor de groepsdynamiek is de klasopstelling.

De klasopstelling is mede afhankelijk van de methodiek en de fase, waarin men zich bevindt. De vier te onderscheiden fasen zijn hier­onder afgebeeld. Fase 2 t/m 4 kunnen daarbij fysiek allen in de­zelfde kringopstelling plaatsvinden. De aangegeven verschillen geven de daadwerkelijke verhouding tussen leraar en leerling aan:

 

    Fase 1 Passief

    De leraar staat voor de klas. Van hem moeten alle impulsen komen. De leerlin­gen wachten passief af wat hun gebracht wordt.

 

Fase 2    Beperkt aktief

    De leraar staat vóór een kring. Men is al meer op elkaar gericht, maar nog altijd staat de leraar centraal.

 

Fase 3    Begeleid aktief

    De leraar staat naast de kring. Hij heeft meer de rol van begeleider en stimulator.

 

Fase 4    Volledig aktief

    De leraar zit in de kring en is hier volledig deel van. De groep voelt zich collectief verant­woordelijk voor de uitwerking van de doelstelling.

 

Grant Howard* heeft de verschillende soorten van groeps-interactie als volgt weergegeven:

 

 

      TAAK GROEPSLEIDER

Een expert in een bepaald gebied (b.v. bijbelkennis), hoeft nog niet per definitie een goede groepsleider te zijn. Jezus heeft aangegeven dat de belangrijkste eigenschap voor een christelijke leider dienstbaarheid aan de ander is (Joh. 13: 12-17).

De bijbelstudie-groepsleider moet:

a)  EEN OPEN SFEER KREEREN

Moedig een ontspannen en eerlijk klimaat aan. Er moet een gevoel van liefde en vertrouwen heersen, zonder competitie-element. Accep­teer ieder persoon als een uniek individu. Toon dit door belang te stellen in de persoonlijke leefomstandigheden en de gemaakte opmer­kingen in de kring serieus te behandelen. Zorg voor een informeel karakter. Iedereen moet elkaar goed kunnen zien en gelegenheid krijgen elkaar te leren kennen. Geef bovenal het voorbeeld door zelf ontspannen en openhartig te zijn.

b)  DE DISCUSSIE GERICHT LEIDEN


Drie basisvragen moeten beantwoord worden: 1) Wat zegt dit bijbel­gedeelte eigenlijk?; 2) Wat betekende het voor de mensen in die tijd?; Wat heeft het on vandaag te zeggen.

Luisteren dient te worden afgewisseld met vragen en uitleg. De leider moet open staan voor wat de groepsleden verbaal en non-verbaal communiceren. Versta niet alleen wat ze zeggen, maar ook wat ze bedoelen. Stel vragen die het gesprek stimuleren en meervou­dig te beantwoorden zijn. Iedereen heeft de vrijheid om te zeggen wat hij denkt, maar men moet wel bij het onderwerp blijven. Weet ook wanneer er nadere uitleg moet worden gegeven. Schroom ook niet iets uit te stellen totdat dit nader is onderzocht.

c)  EEN OBJECTIEVE EN PERSOONLIJKE BESTUDERING AANMOEDIGEN

Persoonlijke ervaringen mogen niet de boventoon voeren; de Bijbelse waarheid gaat voorop. Dring je mening niet op; vertrouw op de overtuigende kracht van de Heilige Geest (Joh. 16:8). Laat merken, dat je bereid bent zelf te veranderen door wat de anderen zeggen. Vermijd fragmentarisch gebruik van de Bijbel. Ga liever dieper op het eigenlijke bijbelgedeelte in.

d)  ZORGEN DAT DE STUDIE DOELGERICHT IS EN BLIJFT

Hou je doel voor je ene oog en richt je andere oog op de klok. Hou het gesprek in beweging door aan verschillende mensen hun zienswij­ze te vragen. Accepteer niet altijd zonder meer het eerste ant­woord. Zorg dat er genoeg tijd over blijft om de toepassingsvra­gen te bespreken. Vat het gesprek samen in een paar duidelijke punten en sluit de bijeenkomst passend af (gericht gebed, stille overden­king, toepasselijk lied). Beëindig de avond op tijd en laat ruimte over om na te praten.

e)    MOGELIJKE PROBLEMEN OPLOSSEN

Als een vraag slechts ten dele beantwoord is, herformuleer de vraag dan. Wees niet bang voor stiltes, waar men kreatief nadenkt. Zeg nooit dat een antwoord op mening fout is. Blijf tactvol en fijnge­voelig. Vraag liever:"Weet je dat zeker? Staat dat in de Bijbel? Wat vinden de anderen hiervan?" Verlegen deelnemers moeten worden aangemoedigd, te spraakzame deelnemers afgeremd. Stel het lid dat controversiële onderwerpen aansnijdt voor hier privé over te spre­ken. Laat de waarde zien om bij het onderwerp en de gezamenlijke doelstelling te blijven.


 

Les 10 * 18 maart 1989 *    15.30-16.20 uur

Bronnen: Hein Biezeman, Audiovisuele media - in onderwijs en opleiding, Spectrum Paperback 37, 1977, p. 13-35.

Ada Lum & Ruth Siemens, Kreatieve Bijbelstudie,p. 35-51.

Lawrence O. Richards, Creative Bible Teaching,p.225-275.

 

SPECIFIEKE DOELGROEPEN

Het is al eerder gesteld: Hoe nauwer de doelstelling aansluit bij de noden van de groep, des te hoger de motivatie, des te beter de resultaten. Er is daarom veel voor te zeggen om bijbelstudie te houden voor specifieke doelgroepen. Men kan onderscheiden naar leeftijd (tieners, 50+, bejaarden etc.), geslacht (mannen, vrou­wen), burgelijke staat (alleenstaanden, jong-gehuwden etc.), gees­telijk niveau (onbekeerden, pas-bekeerden, gemeentekader etc.), beroep (studenten, zakenmensen etc.), enzovoorts, enzovoorts. Belangrijk is dat een dergelijke groep op een of andere manier verbonden is met een plaatselijke gemeente (b.v. doordat de groeps­leider dit uitvoert in overleg met en onder het geestelijke gezag van de oudsten en/of voorganger). Het valt buiten het bestek van deze studie om iedere mogelijke doelgroep apart te bespreken. Uiteraard dient de doelstelling expliciet op de groep te zijn afgestemd. Van groot belang is daarom de specifieke eigenschappen en noden te kennen en te onderzoeken in hoeverre hier bijbels op valt aan te sluiten. Inventariseer wat er al aan ervaring en kennis voor handen is; het wiel hoeft niet voor de 30e keer te worden uitgevonden. Maak zo mogelijk een bijeenkomst bij een soortgelijke doelgroep mee als toeschouwer. Als er weinig ervaring is op uw terrein, bouw dan veel tijd in voor tussentijdse evaluaties b.v. door gesprekken (invidividueel en in de groep) of door een enquête.

Voor enkele specifieke doelgroepen zijn al landelijke organisaties:

    TIENERS Stichting Tiener Toekomst, Postbus 20018, 7302 HA Apeldoorn, Tel. 055-427549

GASTARBEIDERS Gospel for Guests, Volbedastraat 22, 7009 HX Doe­tinchem, Tel. 08340-27569

    STUDENTEN Ichtus - I.F.E.S, Johan de Meesterstraat 1, 3532 EJ Utrecht.

VERPLEGING Hospital Christian Fellowship, Noordersingel 90, 3781 XK Voorthuizen, Tel. 03429-2620

ZAKENMENSEN F.G.B.M.F.I.-Nederland, Postbus 421, 3700 AK Zeist, Tel. 03404-58342


Een bijzondere vorm van de specifieke doelgroep is de zogenaamde Evangelisatie Bijbelstudie (EBS). De Christelijke gemeenschap is nooit een doel in zichzelf, maar is van nature zendingsgericht. William Temple heeft eens gezegd:"De kerk is het enige instituut in de wereld dat bestaat voor haar niet-leden". Een EBS-groep bestaat uit één of meer toegewijde christenen, die gedeelten uit de bijbel (bij voorkeur evangeliën) bestuderen, samen met een even groot aantal niet-gelovige vrienden. De inductieve methode is hierbij het beste geschikt. Doel op lange termijn is de laatstgenoemden Jezus Christus gaan vertrouwen als hun Redder en Heer. Het doel op korte termijn is de niet-gelovige deelnemers zover te krijgen, dat ze op een of andere wijze positief reageren op Jezus Christus.

 

DIDACTISCHE HULPMIDDELEN EN MEDIA

Het is berekend dat een mens 10% onthoudt van wat hij hoort, 50% van wat hij ziet en 80% van wat hij doet. Audiovisuele middelen zijn daarom in het bijbel-onderwijs uitermate belangrijk. Aan deze hulpmiddelen zit niets kinderachtigs en kan ook voor volwassenen van groot nut zijn, mits de inhoud op de leeftijdsgroep is afge­stemd. Een bijzonder praktisch middel voor bijbelstudiegroepen is de video. Er komen steeds meer videobanden voor handen, die uitste­kend als inleiding op een bijbelstudie kunnen dienen. Ook kan men bepaalde programma's van de E.O. hier prima voor gebruiken. Het is momenteel tevens goed betaalbaar een eigen camera aan te schaffen en zelf een produktie te maken, die is toegesneden op de plaatse­lijke doelgroep. In de kinderschoenen staat tevens het gebruik van de Personal Computer voor bijbelstudie. De Stichting Timotheus heeft onlangs de eerste nederlandstalige bijbelkwis uitgegeven. Tegen de tijd dat de P.C. thuis even vanzelfsprekend wordt als de telefoon, zijn ook hier legio mogelijkheden te bedenken. Durf kreatief in te zijn! Zet eens ter inleiding een stukje muziek op of een preekgedeelte van bekende spreker. Onderbreek de bijbelstudie met een passend stukje video (b.v. een getuigenis). Neem eens een gebruiksvoorwerp mee. Hang een landkaart op. Als je het b.v. over "het huwelijk" hebt, laat dan eens aan elkaar de trouwalbums zien of vraag enkelen de tekst op hun trouwring voor te lezen. Geef bij een studie over Joh. 13 een objectles door iemands voeten te was­sen. Maak met elkaar een papieren muur van Jericho, loop hier zeven keer om heen en laat de kinderen de muur dan juichend in stukken scheuren.

Bedenk wel dat het hulpmiddelen zijn, die het bereiken van de gestelde doelstelling moeten ondersteunen. Gebruik deze middelen nooit om "modern" of "apart" te zijn. Als je de vraag "Maakt het verschil of ik dit medium wel of niet gebruik?" moet beantwoorden met "nee", laat het middel dan liever achterwege. Het medium hoeft ook niet persé "duur" te zijn. Het klassieke schoolbord blijft een voortreffelijk hulpmiddel; een flipover is ook goed te gebruiken en heeft als voordeel dat men dit kan voor bewerken.

Bij de mediakeuze van audiovisuele hulpmiddelen zijn een aantal factoren van belang, in volgorde van belangrijkheid zijn dit:

1. Leerstof

Stel je de vragen - Is de leerstof?:

* visueel of auditief   (b.v. "het land Israël" of "Davids muziek")

* omvangrijk of beperkt ("Nieuwe Testament" of "Brief aan Filemon")

* complex of enkelvormig ("Gods raadsbesluiten" of "Gebed")

* abstract of concreet ("Het leven na de dood" of "Evangelisatie")

* statisch of dynamisch ("Rechtvaardigmaking" of "Bekering")


Pas je medium hierop aan. Soms kan een bepaald medium één kenmerk uitstekend weergeven, maar een ander onderdeel nauwelijks belich­ten. Een keuze van meerdere media is dan wellicht nodig. Bij een studie over b.v. de tabernakel zijn dia's (bij de E.O. verkrijg­baar) of wandplaten uitstekend, een maquette zelfs nog beter. Voor een overzicht van de Nieuw Testamentische literatuur of een deduc­tieve studie van een bijbelboek, leent zich een schema­tisch over­zicht op b.v. een overhead-transparant zich beter.

 

2. Werkvormen

De toegemeten tijd moet uitgekiend worden ingedeeld. Bij een dis­cussie hoort een schrijfbord of flipover. Als het erom gaat op indringende wijze informatie aan te dragen of de toeschouwers sterk te motiveren is het aan te bevelen een projectiemedium te gebruiken waarbij verduisterd moet worden. In een donkere omgeving wordt alle aandacht op het geprojecteerde beeld gericht en neemt de kritische instelling af.

3. Weergavesituatie

Wandplaten, hecht- en schrijfborden zijn bruikbaar tot een groeps­grootte van maximaal 60 personen. Een overheadprojector kan men tot 100 personen gebruiken, mits het beeld in grootte wordt aangepast. Video blijft bruikbaar zolang er voldoende monitoren zijn (kijkaf­stand tot maximaal 10 maal de beeldgrootte) of men gebruik maakt van een video-kanon. Film- en diaprojectie is alleen te gebruiken als de ruimte voldoende verduisterd kan worden en de schermgrootte is aangepast op de groep.

4. Levertijd en beschikbaarheid

Een medium kan nog zo gewenst blijken, als het niet op tijd be­schikbaar is heeft men er niets aan. De beschikbaarheid betreft zowel de apparatuur en programmatuur. Ook bij eigen produkties moet men de planning goed in de gaten houden.

5. Kosten

Hierbij kunnen de volgende elementen een rol spelen:

- totale produktiekosten       - produktiekosten per presentatie

- produktiekosten per student - kosten voor apparatuur

- kosten voor programmatuur     - terugkerende kosten per presenta­tie

- kosten voor onderhoud

De (potentiële) herhalingsfactor is een belangrijk element in de kostenwaardering. De aanloopkosten kunnen soms erg hoog lijken, rekent men dit echter om per bereikte student dan kan het vaak toch zo verrassend laag blijken, dat men tot verantwoorde aanschaffing kan overgaan.

Tot slot wordt hieronder een matrix overgenomen van Hein Biezeman, met een indicatie in welke mate een medium in aanmerking komt bij een bepaald criterium. De matrix biedt een globaal inzicht. In een concrete situatie zullen nuanceverschillen in waardering optreden. De aangegeven media zijn gewaardeerd in geval van direct gebruik:


 

 

PRAKTISCHE TOEPASSING

VOORBEELD A

Doelgroep:        Jeugd of jong-volwassenen 20-35 jaar

Schriftgedeelte:    Joh. 14: 22-24

Lesdoel: Elke leerling te doen ervaren dat Jezus Chris­tus een Persoon is, die leeft en ervaren kan worden.

Per onderdeel worden een aantal mogelijkheden aangereikt. In de uiteindelijke samenstelling de les moet hier per onderdeel één keuze uit worden gemaakt.

HOOK

    1) Noem de volgende stelling en vraag de studenten hier op te reageren: "Als ik de tegenwoordig­heid van Christus niet elke dag ervaar, dan twijfel ik aan de waarachtigheid van het Christendom". Dit kun je spontaan doen of de hele kring rondgaan.

2)  Begin met het koortje "Open mijn ogen" en vraag de groep eens hardop na te denken over de woorden van dit lied.

3)  Vraag twee studenten in een rollenspel te discussiëren over de vraag "Kunnen wij zeker zijn dat Jezus vandaag leeft?" Eén van de twee wil een wetenschappelijke zekerheid, de ander getuigt vanuit zijn levenservaring.

4)  Als de leden binnenkomen geef je een ieder een blaadje met een meerkeuzevraag. B.v. Hoe zou jij reageren als een vriend zei: "Jezus is toch niets meer dan gewoon een goed mens?"

a)  Uit de profetieën in de Bijbel laten zien dat Jezus Gods Zoon is

b)  Laten zien hoe Jezus in de evangeliën zelf duidelijk maakte  dat Hij de Zoon van God is

c)  De Goddelijkheid van Jezus aantonen vanuit de geschiede­nis en/of verhalen van mensen

d)  Over mijn dagelijkse omgang met Jezus vertellen

Werk de resultaten uit en bespreek dit kort in de groep

5)  Geef ieder lid een stukje blanco papier en vraag hen een be­knopt (liefst recent) voorval op te schrijven, waarbij zij zich erg bewust waren van Jezus tegenwoordigheid. Haal de briefjes op en lees er enkelen voor.

BOOK

1) De leraar licht de achtergronden van het verhaal nader toe en gaat in op de verschillen­de betekenis­sen van het sleutelbe­grippen "openbaren" en "woord bewaren".

2)  Je vraagt twee studenten vooraf om een woordstudie te verrich­ten door middel van concordantie-vergelijking. Zij geven hier­van kort verslag, waarna de leider dit verder toepast in de uitleg van de tekst.

3)  In plaats van zelf een lezing te geven, activeer je de studen­ten door ze individueel of in groepsverband vragenlijst­jes te laten beantwoorden, b.v.:

a.     Waarom stelde Judas deze vraag (vergelijk 14: 18-21)?


b.  Wat betekent openbaren in deze context?

c.  Op welke voorwaarden openbaart Christus zich aan ons?

d.  Welke beloften zijn aan deze voorwaarden verbonden?

 

4)    Verdeel de klas in kleine groepjes van 4-6 personen. Geef aan ieder groepje een papiertje met twee of meer te beantwoorden vragen. Doe daarna verslag in plenair verband.

5)  Vraag de studenten een week van te voren dit gedeelte te bestu­deren (eventueel aan de hand van een vragenlijst). De tijd in de groep kun je dan besteden aan het uitwisselen van elkaars bevindingen.

LOOK

1) Geef iedere student een lijstje (checklist) waarbij zij moeten aangeven in welke terreinen van het le­ven, zij het meeste moeite hebben "Zijn Woorden te bewaren". B.v.

Familie:     Man/vrouw, broers/zus­sen, kinderen, verdere familie

Werk:     Chef, collega's, ondergeschikten, klanten

Gemeente: Voorganger, oudsten, leden, bezoekers, vrienden

Omgeving: Buren, school van kinderen, huisarts

Vergelijk de resultaten en evalueer dit. Bedenk samen hoe een en ander kan worden verbeterd in het licht van Gods Woord.

2)  Laat één of twee groepsleden vertellen van een situatie in hun leven de tegenwoordigheid hebben ervaren en vergelijk dit met de uitgangstekst. Vraag dan of er enkelen zijn die Gods tegen­woordigheid niet ervaren en hoe zij nu op grond van deze tekst hier verandering in willen brengen.

3)  Vraag twee leden een rollenspel te spelen, waarbij een persoon de rol speelt van iemand die denkt dat de hemel van koper is en bij zijn vriend om raad komt. Na enkele basisgegevens over de verschillende te spelen typen, laat je hen vrijuit improvise­ren. Als de raadgever zijn antwoord duidelijk heeft gegeven stop je het spel en vraagt de groep hierop te reageren. Is het probleem afdoende behandeld? Wat zijn onze problemen? Hoe los­sen wij dit op?

4)    Schrijf op het bord een aantal stellingen en vraag of de klas hier in het licht van Joh. 14:22-24 op wil reageren, b.v.:

*  "De meeste Christenen ontvangen niet het allerbeste wat God hun geven wil"

*  "Wij kunnen elkaar helpen, als familie en vrienden, om Jezus persoonlijk te ervaren"

*  "Het is te idealistisch om iedere dag precies dat te doen wat Jezus van ons verwacht."

TOOK

1) Vraag aan iedereen, in welk deel van hun leven zij Jezus tastbaarder willen ervaren. Ga er daarna (b.v. twee aan twee) voor bidden

2)  Daag de groep uit om (b.v. door dit op een briefje te schrij­ven) een concreet doel te stellen voor deze week. Laat hen hier de volgende week over getuigen.

3)  Geef aan (of stuur) elk echtpaar een opdracht voor de komende week. "Hoe laten wij onze kinderen thuis zien, dat wij Jezus persoonlijk ervaren"


4)  Vraag de groepsleden deze week een brief aan Jezus te schrij­ven, waarin zij aangeven op hoe zij Hem reëler willen ervaren.

 

 

VOORBEELD B

Doelgroep:        Volwassenen 25-50 jaar

Schriftgedeelte:    Fillipenzen hoofdstuk 1 - 2 en 4

Lesdoel: De inhoud van christelijke blijdschap verduide­lijken

 

HOOK

1. Schrijf in een halve minuut dingen op die u blij maken

2. Laat mensen spontaan dingen noemen die hen blij maken en schrijf die op een bord

3. Zing het koortje "De vreugde des Heren is mijn kracht"en ga op de inhoud kort in.

4.  Lees een actueel krante- of tijdschriftartikel over iemand die heel blij is (b.v. bij een sportoverwinning)

5.  Laat iedereen zijn buurman hierover interviewen

 

BOOK

1. Verdeel iedereen in 3 groepjes en stel groep­leiders aan.

Groep A leest hoofdstuk 1

Groep B leest hoofdstuk 2

Groep C leest hoofdstuk 4

    Opdracht: Bestudeer waar en waarom Paulus het woordje blijdschap gebruikt.

2.  Alle teksten over blijdschap voor (laten) lezen. Na ieder tekst vraag je waarom blij is. Dit schrijf je op het bord.

3.  Je geeft van te voren een vragenlijst mee en bespreekt dit nu in de groep.

 

LOOK

1. Laat iedereen een opstel schrijven over de vra­ag: "Stel dat iemand in de gemeente jouw leven filmde? Wat ziet hij aan blijdschap? Wat zou hij moeten zien?

2.  Kom terug op hetgeen op het bord geschreven is bij Hook 2, vergelijk dit met de studie en bespreek de verschillen.

3.    Schrijf elkaar of de leider een briefje met adviezen over chri­stelijke blijdschap.

 

TOOK

1. Geef een enquêteformulier mee, die deze week moet worden ingevuld.

2. Je geeft iedereen een blanco vel en je gaat is stil gebed. Vraag een ieder om één ding op te schrijven, waar de Heer hen bij bepaalt om deze week te doen.


3.    Opdracht: Let er deze week eens op hoe aanstekelijk je eigen blijdschap werkt op het leven van de anderen om je heen. Hou hierover een dagboekje bij.

4.  Bel elkaar op (of ga bij elkaar langs) om elkaars ervaringen nader uit te wisselen


 

 

    RESUME

Aan de basis van onze bijbelstudie ligt de overtuiging dat de hele Schrift door Gods Geest is geïnspireerd. Vandaar onze hermeneuti­sche basisregel: DE SCHRIFT VERKLAART DE SCHRIFT.

Dit kan echter niet mechanisch worden toegepast, het vereist een persoonlijke relatie met God, zodat Zijn Geest het Woord levend kan maken (2 Cor. 3:6).

Er zijn verschillende methodieken om de bijbel persoonlijk te bestuderen, afhankelijk van de doelstelling: voor persoonlijke stichting (devotioneel), voor een algemeen overzicht (deductief) of voor tekst-voor-tekst studie (inductief). Goede naslagwerken kunnen daarbij dienstbaar zijn, maar mogen nooit de plaats van de persoon­lijke studie innemen.

Indien men nog weinig ervaring heeft als bijbelleraar is de per­soon-tot-persoon bijbelstudie een prima aanzet. Van groot belang is daarbij dat men uitgaat van het beginsel van gelijkwaardigheid van de studiepartners en men gericht bezig is.

Aan de basis van al het onderwijs ligt de doelstelling; deze moet beknopt, duidelijk en uitvoerbaar zijn. De hoofddoelstelling moet worden opgesplitst in sub-doelstellingen. Zo bouwt men een doelge­richt tijdpad op (planning). De drie doelgebieden die men wil bestrijken zijn: Kennis, verdieping en gedragsreaktie. Bijbelstudie moet in dit laatste uitmonden.

De basisvolgorde voor groepsstudie is de z.g. HOOK-BOOK-LOOK-TOOK. Ieder onderdeel moet bewust afgestemd zijn op de doelgroep en het geheel moet op een vloeiende wijze op elkaar aansluiten. Het is de taak van de leider om het geheel kreatief in te kleuren en de gehele groep er aktief bij te betrekken. Daarbij kan een origineel gebruik van hulpmiddelen en media zeer ten dienste zijn. De inzet en het voorbeeld van de leraar zelf blijven echter de belangrijkste ingredienten om een optimale motivatie over te brengen.

 

   


HERMENEUTIEK    BIJLAGE

PROFETEN F/S 149-167

 

Profetische boeken vormen de grootste categorie bijbelse boe­ken.

Vier hoofdprofeten (Jesaja, Jeremia, Ezechiël en Daniël) en de twaalf kleine profeten vallen hieronder. Zij zijn geschreven tussen 760 en 460 BC. De kleine profeten zijn zo genoemd vanwege hun kleine omvang, niet vanwege een ondergeschikt belang.

 

KARAKTER VAN PROFETIE

Profetische boeken zijn moeilijk uit te leggen, vanwege misver­standen over hun functie en vorm.

Meestal wordt het begrip profetie niet goed verstaan. Voor velen betekent profetie hetgeen als eerste definitie in woordenboe­ken wordt gegeven: "het voorzeggen of voorspellen van hetgeen gaat gebeuren". Daarom verwijzen vele christenen alleen naar de profeten voor de voorspellingen aangaande de komst van Jezus of voor bijzon­derheden aangaande het nieuwe verbond. In feite is dit een zeer selectief gebruik. Minder dan 2% van de O.T.-profetie is messiaans. Minder dan 5% beschrijft uitdrukkelijk het nieuwe verbond. Minder dan 1% betreft nog toekomstige gebeurtenissen.

De profeten voorspelden inderdaad toekomstige gebeurtenissen, maar dit betrof gewoonlijk de nabije toekomst voor Israel, Juda of de omringende naties en niet onze toekomst. Een van de sleutels om de profeten te verstaan is daarom hun profetiën vervuld te zien. Wij kijken terug naar tijden die voor hen toekomstig waren.

Als wij de profeten hoofdzakelijk als voorspellers van de toekomst zien, dan missen wij hun voornaamste doel, n.l. het spre­ken van het woord van God voor hun tijdgenoten.

Van de honderden profeten werden slechts zestien uitverkozen om boodschappen van God te spreken die verzameld zouden worden en opgeschreven. Andere profeten zoals Elia en Elisa hadden ook een belangrijke rol in het doorgeven van Gods woord. Maar van deze profeten weten we meer van hetgeen zij deden, dan van hetgeen zij spraken. En wat van hun woorden wordt verteld wordt duidelijk in een specifieke context geplaatst. Van weinige profeten hebben wij een combinatie van profetie en biografie. Over het algemeen horen wij in de verhalen van het O.T. veel over profeten, maar heel weinig van de profeten. In de profetische boeken horen wij echter veel van God via de profeet en heel weinig over de profeet zelf. Dit verschil maakt het moeilijk om de profetische boeken te ver­staan.

Voorts is het moeilijk een van de langere profetische boeken achter elkaar uit te lezen. Dit komt omdat zij waarschijnlijk niet geschreven zijn om zo gelezen te worden. Deze langere boeken be­staan hoofdzakelijk uit collecties van gesproken uitingen, niet altijd in chronologische volgorde, vaak zonder aanwijzingen waar de ene uiting eindigt en de andere begint en vaak zonder aanwijzing aangaande de historische context. Bovendien zijn de meeste uitingen in dichtvorm!

 

FUNKTIE VAN PROFETIE


Wat was de rol en funktie van profetie in Israel?

1. De profeten waren mensen die het verbond bekrachtigden

De wet van Israel vormde een verbond tussen God en het volk. Dit verbond bevatte niet alleen maar regels die gehouden moesten wor­den, maar ook beschrijvingen van straffen (vloeken) die zouden volgen bij ongehoorzaamheid, alsook beloningen (zegeningen) bij gehoorzaamheid. God geeft niet alleen zijn wet, maar hij bekrach­tigt deze ook. Dit gebeurde door de profeten. God kondigde bekrach­tiging van de wet (hetzij positief of negatief) aan via de profeet. Mozes was de bemiddellaar van Gods wet en derhalve een model voor de latere profeten. De zegeningen en vloeken zijn beschreven in Lev. 26, Deut 4 en 28-32. De latere profeten grepen hier steeds op terug. Lijst zegeningen: leven, gezondheid, voorspoed, agrarische overvloed, respekt en veiligheid. Lijst van vloeken: dood, ziekte, droogte, schaarste, gevaar, vernietiging, verlies, deportatie, armoede en schande. Dezelfde categorieën vinden wij terug bij de profeten.

Statistisch is het merendeel van de profetieën gesproken in de achtste, zevende en begin zesde eeuw een vervloeking, omdat het verlies en vernietiging van het noordenrijk niet eerder dan 722 BC plaatsvond en dat van het zuidenrijk niet eerder dan 587 BC. De Israelieten in noord en zuid gingen een bestraffing tegemoet en daarom spreekt God meer over vloek dan over zegen om het volk tot bekering te brengen. Na de vernietiging van noord en zuid, na 587 BC, werden de profeten vaker gebruikt om zegen uit te spreken dan vloek. Omdat de straf is uitgevoerd, hervat God zijn plan met het tonen van genade.

2. De boodschap van de profeten was niet van hun, maar van God

God koos de profeet uit. Als de profeet zichzelf had gekozen, dan was het een valse profeet (cf. Jer. 14:14; 23:21). De profeet gaf gehoor aan een goddelijke oproep. Het Hebreeuws voor profeet (nabi) komt van het werkwoord roepen (nabu). De uitingen worden vaak voorafgegaan of besloten met een "Zo spreekt de Heer" of "Zegt de Heer". Meestal wordt de uiting in de eerste persoon gegeven. Zie b.v. Jer. 27 en 28.

De profeten brachten niets nieuws. Zij brachten hetgeen al in de wet was geopenbaard. Ongeacht wie de wet van God overtrad, de profeet bracht het woord van God getrouw over. Profeten zetten koningen af of aan (1 Kon. 19:16; 21:17-22), verklaarden oorlogen of stopten een oorlog (2 Kon. 3:18-19; 2 Kron. 20:14-17; Hos. 5:5-8; Jer. 27:8-22).

3. De boodschap van de profeet was niet origineel

De profeten werden door God geinspireerd om de essentiele inhoud van de verbonds waarschuwingen en beloften te presenteren. De inhoud was dezelfde, maar de vorm was elke keer anders.

Ook de messiaanse profetieën waren niet nieuw. Wel zijn de details welke wij in Jesaja 42, 49, 50 en 3 vinden nieuw, maar God had al eerder de komst van de messias aangekondigd. Jezus vertelde immers dat zijn leven de wet van Mozes vervulde (Luk. 24:44)? Deut. 18:18 voorspelde een andere profeet. De wet sprak reeds van X (Joh. 1:45), maar de vorm, de stijl en de gedetaileerdheid waarmede de profeten over hem spraken, was niet beperkt tot wat de Pentateuch reeds bevatte.

 

 


EXEGETISCHE TAAK

Hulp van buitenaf

Profetische boeken hebben hulp van buitenaf nodig. Lees eerst een bijbelwoordenboek, een inleiding van een commentaar of een bijbel­handboek. Onderzoek de historische context, het schema van het boek, bijzonderheden van het boek, betekenis van bepaalde versen.

Historische context

Grotere context: de tijdsperiode van de profeet

Specifieke context: context van een enkele uiting

Isolatie van individuele uitingen

Bij het feitelijk bestuderen van de tekst van profetische boeken moet men leren in uitingen te denken (zoals bij de brieven in paragrafen). Meestal zijn de uitingen van de profeet uitgesproken gedurende vele jaren verzameld en achter elkaar geplaatst zonder onderverdelingen om aan te wijzen wanneer de ene uiting eindigt en de andere begint. Sommige uitingen zijn gedateerd, maar de meeste niet. Vaak zal hulp van buitenaf nodig zijn om de progressie van de uitingen in hun historische context te volgen.