S Y L L A B U S
II Cursus: Zending en Gemeente
Leraar: dr. P.N. van der Laan
Lesuren: 10 uur
III Cursusomschrijving
In deze cursus
wordt de student geïnformeerd over de bijbelse en historische achtergronden van
christelijke zending en uitgedaagd om zich vanuit zijn/haar plaats in de
plaatselijke gemeente in te zetten voor de wereldwijde zending. Er worden
praktische handreikingen gegeven hoe dit te concretiseren, ondermeer door
gebed, geven of gaan.
IV Doelstellingen
Na
afloop van de cursus dient de student:
a) Inzicht te hebben over de bijbelse opdracht
inzake wereldzending.
b) De hoofdlijnen van de zendingsgeschiedenis
van de afgelopen 20 eeuwen te kennen.
c) De taak van de plaatselijke gemeente met
betrekking tot zending te verstaan.
d) Gemotiveerd te zijn om de betrokkenheid van
zijn/haar thuisgemeente ten opzichte van zending te stimuleren.
e) Op de hoogte te zijn van de huidige stand van
zaken inzake wereldzending.
f) Zich te hebben voorgenomen om intensiever te
bidden voor de concrete noden op het zendingsveld nu.
g) Uitgedaagd te zijn om als onderdeel van het
Lichaam van Christus in onze generatie de Grote Opdracht (Matth. 28:19) te
vervullen.
VI Leerinhouden
a.
Tekstmateriaal
Als basis voor
de cursus geldt het lespakket en aanvullend dictaat van de leraar.
b.
Cursusoverzicht
Les
1 De bijbel en zending
Les
2 De grote lijnen van de zendingsgeschiedenis
Les
3 De Grote Opdracht - Roeping
Les
4 De taak op het zendingsveld
Les
5 De plaats van de achterban en
thuisgemeente
Les
6 Een gemeente-zendingsprogramma
Les
7 Samenwerking met een
zendingsorganisatie
Les
8 Obstakels op het zendingsveld
Les
9 Wat is er tot op heden in zending
bereikt?
Les
10 De zendingsuitdaging voor onze
generatie
VII Didactische
werkvormen
a) De student dient tenminste 8 van de 10 lessen
persoonlijk bij te wonen en het lespakket te leren voor het eindexamen.
b) De student dient een onderzoek te verrichten
naar de zendingsbetrokkenheid van zijn/haar thuisgemeente aan de hand van een
questionaire. Dit dient uiterlijk bij de aanvang van de 9e les te worden
ingeleverd.
c) De student dient tijdens het semester een
(auto)biografie naar keuze te lezen van een zendeling of zendingsgebeurtenis
(b.v. Alan Burgess, Een kleine vrouw over Gladys Aylward of Marshall
Broomhall, De man die in God geloofde over Hudson Taylor). Hiervan
dient een kort boekverslag (1 à 2 pagina's) te worden ingeleverd uiterlijk op
de examendag.
VIII Toetsen en beoordeling
Iedere opdracht
(zie VII) wordt afzonderlijk beoordeeld in percentages. Voor het eindcijfer
geldt de volgende verdeelsleutel:
Eindexamen 60%
Biografie 30%
Questionaire
thuisgemeente 10%
IX Bibliografie
Augustiny,
Waldemar Ga heen en verkondig - Twintig eeuwen christelijke zending
Wageningen: Zomer Keunings, z.j..
Bavinck,
Prof.Dr. J.H., Ons Zendingsboek Uitgave van de vereeniging de
Gereformeerde Jongelingsbond, g.j..
Berg,
ds. M.R. van den, Communicatie en Zending, Amsterdam: Buijten &
Schipperheijn (Telos), 1979.
Blokker,
J., Zending en Gemeente (Missiologie) GemeenteKader Training regio
oost/centrum, Lunteren: C.P.B., 1993.
EZA., Zo
word je een zendingswerker, EZA-brochure, z.j..
Johnstone,
Patrick, Wereldvisie - Dagelijks bidden voor de wereld - een handleiding,
Arnhem: 1986.
Jongeneel,
J.A.B., Missiologie, I Zendingswetenschap, Den Haag: Boekencentrum, 1986.
Newbigin,
Lesslie, Zending in het voetspoor van Christus Sliedrecht: Merweboek,
1989.
Phillips, D.E. Roeping,
Zeist: Ezra-brochure, z.j..
Stott,
John, Zending in de moderne wereld Arnhem: Interlektuur, 1978.
Taylor, John
V. The Go Between God - The Holy Spirit & the Christian Mission,
London: SCM Press Ltd, 1972.
Verkuyl,
J. Inleiding in de nieuwere zendingswetenschap Kampen: J.H. Kok, 1975.
Verstraelen,
Dr. F.J. eindredacteur, Oecumenische Inleiding in de Missiologie - Teksten
en Konteksten van het Wereld-Christendom Kampen: J.H. Kok, 1988.
Wagner, C.
Peter, Frontiers in Missionary Strategy Chicago: Moody Press, 1971.
Wind,
Dr. A., Zending en Oecumene in de twintigste eeuw 2 delen, Kampen: J.H.
Kok 1984
Les 1 De bijbel
en zending
Onze God is God van de zending, de
bijbel een zendingsboek, het Christendom een zendingsgeloof en de gemeente een
uitgangsplaats voor zending. De hele bijbel van Genesis tot Openbaring
vertelt van een liefdevolle en
verlossende God, die van alle mensen houdt en zich naar hen uitstrekt.
De hele schepping ziet uit naar het moment zoals beschreven in Openbaring 5:9
"Gij zijt waardig de boekrol te nemen en haar zegels te openen; want Gij
zijt geslacht en Gij hebt (hen) voor God gekocht met uw bloed, uit elke stam en
taal en volk en natie."
Oude Testament
Na de zondeval zocht God de mens
(Gen. 3:9) en beloofde de verlossing door het zaad van de vrouw (Jezus), die de
slang (Satan) zou vermorzelen (Gen. 3:15 - vergelijk Op. 12:9-12; dit zelfde
thema wordt nader door Paulus uitgewerkt in Rom. 5:12-21).
Na de zondvloed sluit God met Noach
opnieuw een verbond met de hele mensheid (Gen. 9:8-17).
Dit wordt verder geconcretiseerd in
Abra(ha)m, die met zijn roeping de belofte krijgt: "met u zullen alle
geslachten des aardbodems gezegend worden." (Gen. 12:1-3) Deze belofte
wordt nog tweemaal aan Abraham herhaald (Gen. 18:18 en 22:18) en ook nog eens
aan zijn zoon Isaäk (Gen. 26:4).Door Jozef komt de Egyptische Farao te weten
van de God des hemels, die de enige is die zijn dromen kan verklaren (Gen.
41:16 & 28)
Opvallend is ook hoe de
Kanaänitische Rachab (Jozua 2) en de Moabitische Ruth in Gods heilsplan worden
betrokken en uiteindelijk zelfs in het geslachtsregister van Jezus voorkomen
(Mattheus 1:5).
Een van de eerste
"zendelingen" is het joodse slavinnetje, die haar heer Naäman
verwijst naar de profeet Elisa om genezing te vinden voor zijn melaatsheid (2
Kon. 5:2-3).
Ook in de profeten blijkt telkens
weer dat het heil van JHWH verder reikt dan het volk Isral:
"Het is te gering, dat gij Mij
tot een knecht zoudt zijn om de stammen van Jakob weder op te richten en de
bewaarden van Isral terug te brengen; Ik stel u tot een licht der volken,
opdat mijn heil reike tot het einde der aarde." (Jes. 49:6 - vergelijk
Hand. 13:47)
"Te dien dage zal ik de
vervallen hut van David weder oprichten, Ik zal haar scheuren dichten en wat
daarvan is ingestort, overeind zetten; Ik zal haar herbouwen als in de dagen
van ouds, opdat zij berven de rest van Edom en van al de volken over wie mijn
naam is uitgeroepen, luidt het woord van de Here, die dit doet." (Amos
9:11-12 - vergelijk Hand. 15:16-18). Danil getuigde met zijn drie vrienden bij
de Babylonische koning van hun God.In Jol wordt de uitstorting van de Geest
belooft over al wat leeft (Jol 2:28-29 - vergelijk Hand. 2:17-21).
De profeet Jona werd, tegen zijn
zin, naar Ninivé gezonden om het volk te waarschuwen welk oordeel hun te
wachten stond.
Zo blijkt uit het hele Oude
Testament, dat Gods heil bedoeld is voor de gehele mensheid. De belijdenis
(sjema) uit Deut. 6:4 (de Here is onze God; de Here is één), die de gelovige
jood driemaal daags uitspreekt, stond in schril contrast met het polytheïsme
van de omringende volkeren. Het feit dat deze belijdenis is blijven bestaan en
al die andere godsdiensten zijn verdwenen, is wellicht het grootste wonder van
de menselijke geschiedenis. Ook wij christenen zijn geroepen deze boodschap
uit te dragen: er is maar één God die de hele mensheid liefheeft en door Jezus
het eeuwige leven wil schenken (Joh. 3:16).
Intertestementaire periode
(Tijd tussen het oude en nieuwe
testament)
Na de deportaties van het
tienstammenrijk Isral naar Assyri en het tweestammenrijk Juda naar Babylon,
bleven vele joden ook na de terugkeer tijdens de Perzische heerschappij achter
in de gebieden waar zij naar toe waren gevoerd. Zodoende werd het joodse geloof
bij vele volkeren bekend. De vertaling van de Tenach (=Hebreeuws Oude
Testament) in het grieks (de zogenaamde Septuaginta) in de derde eeuw voor Christus
heeft ook veel bijgedragen aan de
verdere verspreiding van het joodse geloof. Zij die uit de heidenen zich
hiertoe bekeerden werden proseliet (lieten zich besnijden en hielden de wet) of
godvrezend (lieten zich niet besneden, maar aanvaardden wel JHWH als de enige
ware God).
Nieuwe Testament
Hoewel Jezus expliciet stelde dat
Hij primair gezonden was tot Isral (Matth. 15:24), blijkt uit de evangelin dat
Zijn bediening zich ook daar buiten uitstrekte: Samaritaanse vouw (Joh.
4:1-42), Kanaänitische vrouw (Matth. 15:21-28), Romeinse hoofdman (Lucas
7:1-10).
In Zijn rede over de laatste dingen
vermeldt Jezus duidelijk, dat het ultieme teken van Zijn wederkomst de
prediking van het evangelie over de gehele wereld is (Matth. 24:14).
Vlak voor Zijn hemelvaart geeft
Jezus aan zijn discipelen het zendingsbevel, ook wel de GROTE OPDRACHT
genoemd:
Gaat dan henen,
maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en
des Zoons en des Heiligen Geestes en leert hen onder onderhouden al wat ik U
bevolen heb. (Mattheus 28:19)
Deze opdracht staat tussen de twee
beloften dat aan Jezus alle macht in hemel en op aarde is gegeven en Hij altijd
met ons is (Matth. 28:18 & 20 - vergelijk ook Marcus 16:15-16 en Lucas
24:47-49).
Opvallend is de relatie tussen de
komst van de Heilige Geest en de zendingsopdracht in Joh. 20:21-22 en Hand.
1:8. Het is dan ook niet toevallig dat zowel de eerste gemeenten in de eerste
eeuw en de Pinksterbeweging in deze eeuw een grote zendingsijver hebben
betracht.
Het boek Handelingen zou als
subtitel kunnen dragen "van Jeruzalem tot Rome". Het beschrijft de
chronologische invulling van Hand. 1:8; eerst Jeruzalem (Hand. 2-7), dan Judea
(Hand. 5:16 en 8:2), Samaria (Hand. 8:4-25) en vanaf de Ethiopische kamerling
tot aan Paulus gevangenschap te Rome (Hand. 8:26 t/m Hand. 28:31), zien wij hoe
de heilige Geest stap voor stap, en soms met de nodige aandrang (Hand.
10:14-16), de gelovigen leidt naar de uiterste grenzen van de toenmalig bekende
wereld. De voormalige christenvervolger Saulus, wordt door een soevereine
interventie van Jezus de zendeling Paulus (Hand. 26:16-18).
In de brieven klopt ook voortdurend
het zendingshart van God (Rom. 1:16-17, Rom. 10:14,15, 1 Cor. 9:20-23, 2 Cor.
5:5, Ef. 3:6, Col. 3:11, 1 Thess. 2:9 etc. etc.).
Tenslotte blijkt uit de Openbaring
aan Johannes hoe de eindtijd en wederkomst van Jezus van toepassing is voor
alle mensen (Op. 1:7, Op. 11:9, 13:7, 14:6) Uit alle volkeren en stammen komen
gelovigen samen voor de troon van God (Op. 5:9, 7:9).
Het is de uitdaging van onze
generatie om de Grote Opdracht uit te voeren in onze tijd om zo de wederkomst
van de Heer waardig voor te bereiden!
Les
2 De grote lijnen van de
zendingsgeschiedenis
1. Na apostolische tijd
Tijd van spontane verbreiding van
het evangelie.
De eerste christenen hadden een
onstuitbare drang tot evangelieverkondiging. De eerste
"zendelingen" waren voornamelijk rondreizende kooplui,
handwerkslieden en soldaten. Ook de vrouwen speelden een belangrijke rol in het
zendingswerk.
Kenmerken van de eerste christenen:
a. Vastheid en overtuiging van hun
geloof
b. Hoge zedelijke en geestelijke
levensstandaard
c. Sociale bewogenheid en
hulpverlening.
Geografische verspreiding:
1e eeuw: Grootste
deel van het Romeinse Rijk (Col. 1:6): Palestina, Klein Azi, Macedoni,
Griekenland, Itali, Spanje en mogelijk Zuid Frankrijk.
2e eeuw: naar het
oosten: Armeni & Mesopotami
naar
het zuiden: Egypte & Noordkust van Afrika
naar
het Noorden: Frankrijk, Engeland, Duitsland
3e eeuw: Meer
kwantitatieve in plaats van geografische uitbreiding. Rome telde in 250
ongeveer 30.000 christenen; in Egypte en Armeni was het Christendom de
voornaamste religie. Ook in Voor-Indi waren reeds vele gemeenten (mogelijk door
het zendingswerk van de apostel Thomas).
Het Christendom verspreidde zich
onder alle lagen van de bevolking, hoewel het zich voornamelijk in de steden
concentreerde.
2. Periode van de grote
zendingshelden
Na de bekering van keizer
Constantijn (312) begint de kerstening van het Romeinse Rijk. In plaats van
spontane verbreiding werd de zendingsfakkel nu overgenomen door grote
godsmannen met een bijzondere roeping en bediening, b.v.
* Ulfias
(311-380) Arbeidde vooral onder de
Gothen en vertaalde de Bijbel in hun landstaal.
* Patrick
(390-460) werkte onder extreme
omstandigheden onder de Ieren.
* Willibrord
658-739 de apostel der Friezen. In 695 tot
bisschop der Friezen gewijd.
* Bonifatius
672-754 Onder de Friezen en Saksen in
Duitsland. Betrok vrouwen in zijn werk.
Kenmerken van deze tijd:
a. De zendelingen
handelden uit roeping: vaak door dromen of gezichten.
b. Van hulp van
wereldlijke overheid werd dankbaar gebruik gemaakt.
c. Men probeerde
heidense gedachten en gewoonten een christelijke inhoud te geven (b.v. feest
der lichten werd kerstfeest).
d. Men stelde zich
in op de bekering van het gehele volk middels de leiders.
e. Zendelingen
waren dragers van een hoge cultuur.
f. Zendelingen
waren door hun kloosterleven en ascese sterk geoefend voor het harde
zendingswerk.
3. Tijd der geestelijke orden
Naarmate Europa meer gekerstend
werd, namen de kloosterorden steeds meer de zendingstaak over. De kruistochten
wakkerde de zendingsroeping van de Kerk op militante wijze aan.
Franciscus van Assisi (1181-1226)
predikte o.a. onder de Mohamedanen.
Dominicus (1170-1221) legde zich
toe op de prediking onder de heidenen. Zijn orde (Dominicanen) had grote
invloed onder de Mohammedanen en de Mongoolse dynastie in China t.t.v. Koeblai
Khan (1275).
De Jezuïetenorde, op militaire
leest geschoeid en in de 16e eeuw door Ignatis van Loyola gesticht, bracht ook
enkele bekwame zendingswerkers voort. Bekend is met name Franciscus van Xavier,
ook wel Xaverius genoemd (1504-1552). De laatste elf jaar van zijn leven legde
deze monnik zich toe op zending in het oosten. Hij bereikte ondermeer Voor
Indi, de Oostindische archipel, Ambon, Malakka, de zuidkust van Indi, Japan en
China.
Fouten van de Roomse zending:
a. Men was in de
regel te weinig voorbereid op de vreemde taal en cultuur.
b. Men ging te ver
mee in de aanpassing aan bestaande volksgewoonten.
c. Er werd teveel
vertrouwen gehecht aan de wereldlijke machthebbers.
d. Er werd te
oppervlakkig gezaaid.
4. Zending onder koloniaal bestuur
De Reformatie bracht
verrassenderwijs weinig zendingsijver voort. Dit kwam vooral omdat:
a. De meeste
Reformatoren (o.a. Luther en Calvijn) meenden dat de Grote Opdracht in principe
voltooid was.
b. De roomse
landen destijds het meeste contact hadden met Amerika en het Verre Oosten.
c. Men teveel in
beslag genomen was in de bittere strijd tegen de Roomse Kerk en interne
twisten.
d. Men geen
kloosterorden kende en zodoende een eigen zendingsstrategie moesten
ontwikkelen.
e. Men teveel
leunde op de "christelijke" overheid.
Door de kolonialisatie braken er
nieuwe zendingsmogelijkheden aan, die maar zeer ten dele benut zijn. De
handelsbelangen stonden voorop en geloofsverandering van de inheemse bevolking
werd door het ontstane rumoer door de bewindvoerders meestal als lastig en
ongewenst ervaren. Door de Oostindische Compagnie werd maar mondjesmaat
zending bedreven. De predikanten kwamen vooral voor de Nederlanders aldaar. Wel
werd er in de 17e eeuw een speciaal seminarie opgericht (1662) voor de
opleiding van zendelingen naar Indi (het huidige Indonesi).
5. Zending onder invloed van het
Pitisme en de Hernhutters
Als reactie op het sterke
dogmatisme ontstond in de 17e eeuw het Pitisme. F.J. Spener 1635-1705) en
A.H. Francke (1663-1727) waren de Duitse leiders. Hun centrum was in Halle.
Onder impuls van koning Frederik van Denemarken werden op 9 juli 1706 vanuit
Halle de eerste zendelingen naar Indi gestuurd. In 1798 telde men daar reeds
35.000 gedoopte gelovigen.
Op het landgoed Hernhutt van de
graaf Nikolaus Ludwig von Zinzendorff vonden vanuit de Bohemen de Moravische
Broeders (afstammelingen van Jan Hus) een nieuw geestelijk thuis, waar zij in
vrede hun geloof konden beleven. Onder impuls van Zinzendorff ontwikkelde zich
hier een ongekende zendingsijver. In 1732 vertrokken de eerste zendelingen
naar Indi. Al snel volgden anderen hun voorbeeld en vertrokken ondermeer naar
Groenland, Amerika en Afrika.
Gustav Warneck zegt:"De kleine
Broedergemeente had in 20 jaar meer zendelingen uitgezonden dan de gehele
Protestantse kerk in 200 jaar."
De Hernhutters richtten zich niet
op het volk als geheel, maar op de enkeling die tot geloof wilde komen. Zij
voorzagen ook in onderwijs en ziekenverpleging.
6. De nieuwe zendingsbeweging
Tijd van de zendingsgenootschappen
Periode I: Het bereiken van de
kustlanden
De man die wel als de vader van de
moderne (evangelische) zendigsbeweging wordt beschouwd is de voormalige schoenmakersleerling William
Carey (1761-1834). Toen hij de implicaties van de Grote Opdracht ernstig nam,
stuitte hij op grote weerstand bij de kerken. Als baptistenpredikant schreef
hij een verhandeling getiteld: en onderzoek naar de verplichtingen om de
christelijke middelen ter bekering van de heidenen aan te wenden." In 1792
richtte hij met enkele vrienden een zendingsgenootschap op (Baptist Missionary
Society). In 1793 vertrok hij zelf met zijn gezin naar India. Door alle ontberingen
werd zijn vrouw krankzinnig en stierf zijn zoon Peter op 5-jarige leeftijd.
Maar Carey zette door, vertaalde de bijbel in het Bengaals en hielp mee aan 35
vertalingen van het Nieuwe Testament.
Kenmerken van Carey:
a. Hij zag de
noodzakelijkheid om zo spoedig mogelijk inheemse evangelisten te trainen om
hun eigen volk te bereiken.
b. Hij had een
sterke nadruk op onderwijs en richtte vele scholen op.
c. In het
zendingswerk dient men tevens te streven naar een verbetering van het welzijn
van het gehele volk. Dit bracht hij in praktijk.
d. Hij erkende de
noodzaak van degelijke bijbelvertalingen.
Naar het voorbeeld van Carey
schoten de zendingsgenootschappen op als paddestoelen uit de grond.
Bijvoorbeeld de London Missionary Society (opgericht als interkerkelijk
initiatief) in 1795. Zij zond ondermeer John Williams (apostel der Stille
Zuidzee en Australi), Robert Maffat (stammen in Zuid Afrika), David Livingstone
(Afrika) en Robert Morrison (China) uit.
In 1797 werd te Rotterdam onder
leiding van dr. J.v.d.Kemp het "Nederlands Zendingsgenootschap"
opgericht. Men werkte voornamelijk in Zuid Afrika en in verschillende delen
van de Indische archipel. Later ontstonden van hieruit ook de "Nederlandse
Zendingsvereniging" (1858) en de "Utrechtse Zendingsvereniging"
(1859).
Periode II: Het bereiken van de
binnenlanden
De aanzetter van deze fase is de
engelse medicus James Hudson Taylor (1832-1905). In 1853 vertrok hij onder
auspicin van de "Chinese Evangelisation Society" naar China. De
geestelijke nood aldaar greep hem zo aan, dat hij naar Engeland terugkeerde
met het vastberaden plan om zoveel mogelijk arbeiders te recruteren om het
evangelie in China te verspreiden. In 1865 richtte hij de "China Inland
Mission" op (thans: Overzeese Zendingsgemeenschap).
Enkele opmerkelijke, en afwijkende,
grondregels waren:
a. Zendelingen uit
alle kerkgenootschappen werden aangenomen, mits zij oprecht geloofden in de
Bijbel als het Woord van God.
b. Van zendelingen
werd geen wetenschappelijke opleiding vereist.
c. Er werd nooit
om zendingsbijdragen gevraagd. Het genootschap bestaat uit vrijwillige giften
(Geloofszending: de Here zal voorzien).
d. Het
zendingsland moet zo spoedig mogelijk bereikt worden met het evangelie. De
zendelingen trekken daarom bij voorkeur rond.
e. Er wordt
getracht een zo groot mogelijke schare van toegewijde zendelingen uit te
sturen.
Toen Taylor stierf had het C.I.M.
828 zendelingen in dienst. Beproevingen bleven hem niet bespaard. In China
verloor hij door ziekte in enkele jaren zijn vrouw en kinderen.
Vele onafhankelijke en/of
interkerkelijke zendingsorganisaties gingen op dezelfde basis als de C.I.M. aan
de slag, bijvoorbeeld de Christian and Missionary Alliance (CAMA) en de
Wereld Evangelisatie Kruistocht (W.E.K.).
Periode III: Het bereiken van de
verborgen groepen
Deze periode begon met William
Cameron Townsend (1896- ), een studentenvrijwilliger
uit Los Angeles, die zo'n haast had op het zendingsveld te komen, dat hij zijn
studie erbij liet zitten. In 1919 vertrok hij naar Guatemala. Al snel bemerkte
hij dat de inheemse bevolking de spaanse bijbel niet kon lezen. Toen een
indiaan hem vroeg:"als uw God zo knap is, waarom kan hij dan niet onze
taal spreken?", begon hij plannen te maken om de bijbel toegankelijk te
maken in alle bestaande talen. Achtereenvolgens richtte hij het "Summer
Institute of Linguistics" (1936) en de "Wycliffe Bible
Translators" (1942) op.
In de nieuwe zendingsstrategie
richten wij ons vooral op het bereiken van alle verschillende etnische groepen
in de samenleving. Dit doen wij ondermeer door studie van hun taal en cultuur.
In deze eeuw is er vanwege de moderne
transportmiddelen een groeiende invloed uitgegaan van rondreizende predikers
zoals Billy Graham, William Branham, Tommy Lee Osborn, Reinhard Bonnke of in
eigen land Johan Maasbach en Karel Hoekendijk.
Massa-evangelisatie is zo op een
ongekende schaal mogelijk geworden. Voor het vervullen van de Grote Opdracht
blijft het werk van de lokale zendeling echter onontbeerlijk.
In deze eeuw heeft met name de
Pinksterbeweging een grote impuls gegeven aan de zending. Haar nadruk op het
werk van de Heilige Geest en de zelfstandige plaatselijke gemeente heeft
bijzonder veel succes geboekt met name in Afrika, Zuid Amerika en delen van
Azi.
Les 3 De Grote
Opdracht - Roeping
Ons mandaat voor zending is
gebaseerd op de opdracht, die Jezus aan Zijn discipelen gaf:
Matth. 28: 19 Gaat
dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des
Vaders en des Zoons en des Heilige Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u
bevolen heb.
Marc. 16:15 En
Hij zeide tot hen: Gaat heen in de gehele wereld, verkondigt het evangelie aan
de ganse schepping.
Luc. 24:46-47 En
Hij zeide tot hen: Aldus staat er geschreven, dat de Christus moest lijden en
ten derden dage opstaan uit de doden, en dat in zijn naam moest gepredikt
worden bekering tot vergeving der zonden aan alle volken te beginnen in Jeruzalem.
Joh. 20:21 [Jezus]
dan zeide nogmaals tot hen: Vrede zij u! Gelijk de Vader Mij gezonden heeft,
zend Ik ook u.
Hand. 1:8 Maar
gij zult kracht ontvangen, wanneer de Heilige Geest over u komt, en gij zult
mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot het
uiterste der aarde.
De tekst Matth. 28:19 wordt ook wel
de GROTE OPDRACHT genoemd.
De apostelen die eerst alleen tot
Israël waren gezonden (Matth. 10:5-6) krijgen nu de opdracht uit te gaan naar
alle volkeren. De Oud-Testamentische profetieën dat Gods heil tot de volkeren
komt (Jes. 2:2-5; Micha 4:1-5; Zach. 8:20-23) komt nu tot vervulling (vergelijk
ook Matth. 8:11).
Het zendingsbevel heeft de volgende
elementen:
Gaat dan henen (poreuthentes)
In het Nieuwe Testament wordt, dit woord 150 keer gebruikt en opvallend genoeg
bijna altijd in de betekenis van ergens heen gaan met een bepaald doel. In het
grieks staat dit woord niet in de gebiedende wijs, hieruit blijkt dat dit
"heengaan" een gevolg is van vs. 18, namelijk dat aan Jezus alle
macht is gegeven in hemel en op aarde.
Maak discipelen (matheteusate)
De enige gebiedende wijs in vers 19 en 20. Een discipel (leerling, volgeling)
van Jezus is iemand, die een persoonlijke relatie met Hem heeft en Zijn
onderwijs ook weer aan anderen doorgeeft.
Al de volken (panta
ta ethné) Letterlijk: alle etnische eenheden. Dit reikt dus verder dan alle
landen. Wij dienen alle bevolkingsgroepen te bereiken.
Doop hen in ... (baptizontes)
letterlijk: onderdompelen. Dit is dus de eerste stap van het discipelen
maken. Het voorzetsel "in" (eis) duidt eerder op een inwijding, dan
op een doopformule (vergelijk Hand. 8:16 e.a.).
Leer onderhouden (didaskontes
... térein) Lettelijk: hen voortdurend onderwijzen om vast te houden.
De zendingsopdracht is dus samen te
vatten in de woorden:
GA - MAAK - DOOP - LEER.
Centraal staat hierin het
"discipelen maken", dit proces is pas voltooid als het onderwijs van
Jezus in de discipel zo gegroeid is dat hij/zij het zelfstandig kan vasthouden.
In Marcus 16:15 staat dat wij het
evangelie (eu-angelion = goede nieuws) dienen te verkondigen aan de hele
schepping.
Verkondigen (kéruxate) Letterlijk: proclameren. Zoals een heraut de
overwinning proclameerde, mogen wij het goede nieuws rond bazuinen.
de ganse schepping (pasé
té ktisei) Dit goede nieuws kondigt het nieuwe rijk van Jezus aan en heeft
daarom haar gevolgen voor heel de schepping, d.w.z. alles wat door God
geschapen is (vgl. 2 Cor. 5:17-20).
COLLECTIEVE ROEPING
De zendingsopdracht conform
bovengenoemde teksten heeft twee bijzondere aspecten:
1e) Het
tijdstip
De Heer gaf de opdracht om uit te
gaan naar alle volkeren pas na Zijn opstanding. Onze zending is er dan
ook gebaseerd op het heilsfeit uitdragen, dat Jezus voor onze zonden gestorven
is. Nu is de in het Oude Testament voorspelde heilsboodschap aangebroken en
moet de hele wereld worden opgeroepen zich tot Hem te bekeren (Lukas 24:47-49).
2e) Aan wie de
opdracht gegeven wordt
De Heer geeft deze opdracht niet
aan individuele gelovigen, maar aan al Zijn discipelen. Zending is dan ook een
zaak van de hele gemeente, Zijn lichaam. Hoewel sommigen zijn geroepen om uit
te gaan, heeft de hele gemeente er deel aan.
Hoewel Paulus bij zijn bekering een
duidelijke, expliciete roeping ontving om uit te gaan naar de heidenen (Hand.
26:16-18); heeft hij gewacht met zijn eerste zendingsreis tot de heilige Geest
sprak tot de leiders in zijn thuisgemeente te Antiochië sprak (Hand. 13:1-3).
Van God uit gezien heeft Hij ons
collectief reeds geroepen. De grote opdracht vraagt om gehoorzaamheid. Het is
dus niet zo zeer de vraag: Ben ik geroepen voor het zendingswerk? maar veeleer:
Welk deel heb ik in het uitvoeren van de Grote Opdracht in onze generatie?
Moet ik zelf gaan, of zendelingen ondersteunen door gebed, bemoediging en
financieel. De hele gemeente (wij allemaal dus) is betrokken bij de geestelijke
strijd, die onlosmakelijk met zending verbonden is.
INDIVIDUELE ROEPING
God wil ons helpen om de juiste
richting van ons leven te bepalen (Psalm 32:8). Menen wij te verstaan dat Hij
ons heeft apart gezet om uit te gaan naar andere volkeren om het evangelie te
verkondigen, dan is het belangrijk dit te toetsen.
De wijze waarop God zijn roeping
meedeelt, verschilt voor ieder persoonlijk. Er zijn geen vaste richtlijnen,
waarnaar men nauwkeurig kan bepalen wat wel en wat niet een roeping voor het
zendingsveld vormt. Toch zijn er een aantal bakens waar wij acht op moeten
slaan.
Toetsingscriteria:
a) Onderscheid
tussen beschikbaarheid en roeping.
Het is
belangrijk dat wij ons leven toewijden aan de dienst voor God. Elke christen
dient zich in feite hiervoor beschikbaar te stellen (1 Petrus 2:9). Als wij
ons na een gezalfde prediking in bijvoorbeeld een zendingsconferentie
ingegaan zijn op de oproep tot toewijding voor zending, kan dat een eerste
stap zijn. Wij moeten echter leren te ontdekken wat Gods volmaakte wil voor ons
is (Ef. 2:10).
b) Toets van de
tijd
Ga langzaam en
kalm te werk en zie of uw overtuiging vaster wordt. Het is beter twee jaar te
wachten, dan een voorbarige stap te doen. Het uitgaan in de zending vereist
veel en vergt een geestelijke volwassenheid. Wees er zelf van bewust "de
maat van de wasdom der volheid in Christus" (Ef. 4:13) voor je je aan zo
een moeilijke opdracht als buitenlandse zending waagt. De roeping moet ook na
verloop van tijd een dwingend karakter hebben.
c) Toets van de
gedachtenwisseling
Luister
onbevooroordeeld naar alles wat wordt ingebracht tegen uw plan naar het
buitenland te gaan. Laat uw worsteling met deze argumenten gepaard gaan met
voortdurend gebed en onderzoek van Gods woord (Marcus 14:38). Het is beter deze
geestelijke strijd doorworsteld te hebben, voordat je op het zendingsveld bent.
Er blijven daar nog meer dan voldoende beproevingen over.
d) Toets van de
thuisgemeente
Zoals hierboven
gesteld is zending een zaak van de hele (thuis)gemeente. Spreek uw verlangen
door met de leiding van de gemeente, die dit na bidden en vasten dan voor de hele
gemeente kunnen brengen. Zet in de voorbereidingsfase u waar mogelijk in
binnen de thuisgemeente. Het is een illusie te denken dat u het evangelie kunt
verkondigen binnen een vreemde cultuur, als u dat in uw eigen woonplaats niet
eens kunt.
e) Toets van de
kennis
Tracht na te
gaan, wat de werkelijke problemen zijn in het leven van de zendeling. Bereken
de kosten. Verzamel zoveel mogelijk gegevens over het gebied waar u heen wilt
gaan te verzamelen. Probeer alvast de taal te leren. Overdenk de mogelijke
problemen: klimaat, eetgewoonten, huisvesting, onderwijs voor de kinderen,
cultuurverschillen enz.. Overweeg ook of u wel genoeg geestelijke en bijbelse
bagage heeft. Het is niet niets dat de meeste zendingsverenigingen van hun
kandidaten minimaal een bijbelschoolopleiding vragen.
f) Toets
van de familieplicht
Als u getrouwd
bent, dan is het absoluut noodzakelijk dat beide partners overtuigd zijn van
dezelfde roeping. Is dit (nog) niet het geval, dan moet u wachten tot de Heer
hetzelfde verlangen bij uw partner heeft gelegd. Onze eerste
verantwoordelijkheid ligt bij onze huisgenoten (1 Tim. 5:8). Overweeg in
hoeverre u aan uw ouderplicht in het buitenland kunt voldoen.
g) Toets
van de financiën
Een goede
manier om het geloof te testen, is om een begroting te maken van alle
onkosten, die je op het zendingsveld kunt verwachten. Verdeel dit in twee
hoofdrubrieken:
i) Eigen kosten: denk ondermeer aan reiskosten,
huisvesting, kosten voor levensonderhoud, kleding, verzekeringen, medische
verzorging, vakantie, onderwijs voor jezelf of de kinderen, visa, porto,
huisvesting tijdens verlof, reservepotje voor noodgevallen enz.
ii) Kosten voor het zendingswerk: b.v.
evangelisatie-materiaal, huur lokalen, kerkbouw, sociale hulp etc.
Ga voor je zelf
eerlijk na of je hier geloof voor kunt opbrengen. Als jezelf nog financiële
schulden hebt, zorg dan dat deze volledig afgelost zijn voordat je vertrekt.
Hudson Taylor
heeft gezegd:"Van elke zendeling wordt verwacht, dat hij erkent dat zijn
totale afhankelijkheid voor het voorzien in al zijn noden in God is, en niet in
een menselijke organisatie."
Alfred Buxton heeft eens gezegd:
"Als God u voor de zending geroepen heeft, bent u een gelukkig mens."
Het is inderdaad een veelzijdig en fascinerend werk. Maar die gelukkige man of
vrouw moet zeer geduldig en volhardend zijn, wil die roeping meer blijken dan
een voorbijgaand jeugdvisioen.
Les 4 Voorbereiding
en taak op het zendingsveld
VOORBEREIDING
Vele zendelingen hebben onnodig
veel tijd en middelen vergooid door slecht voorbereid aan hun zendingstaak te
beginnen. Als je de in les 3 genoemde toetsingscriteria op jezelf hebt
toegepast, is het zaak je stelselmatig voor te bereiden op je nieuwe taak.
Hierbij zijn de volgende elementen van groot belang:
a) Groei
geestelijk
Dagelijks gebed en bijbellezing
zijn absoluut noodzakelijk om geestelijk stand te kunnen houden. Als je dit
thuis al niet lukt, zal het op het zendingsveld zeker niet gaan. Bezoek trouw
de gemeentsamenkomsten, wees hongerig naar geestelijke lectuur, lees
zendingsboeken. Groei in het gebruik
van de geestelijke gaven ook in je persoonlijk leven. De gave welke de heilige
Geest u heeft toebedeeld ter opbouw van het Lichaam van Christus (1 Cor. 12) is
vaak een heenwijzing naar uw toekomstige bediening op het zendingsveld. Dick
Hillis heeft zelfs gesteld dat de roeping en gave onafscheidelijk zijn.
b) Vergroot je
wereldvisie
Hang een actuele wereldkaart op in
je gebedsruimte en geef de ontwikkeling van de zending en de gebedsnoden hier
op aan. Houd je goed op de hoogte van de ontwikkelingen in de wereld: politiek,
sociaal, maar vooral geestelijk (b.v. Patrick Johnstone, Operation World.
Bezoek zendingsconferenties. Spreek met zendelingen, lees
zendingstijdschriften.
c) Ontwikkel
intellectueel
Lees boeken over missiologie,
antropologie en wereldtrends. Probeer zo veel mogelijk gegevens te verzamelen
over het gebied waar je heen denkt te gaan, met name inzake de cultuurverschillen.
Neem contact op met de ambassade en/of het desbetreffende verkeersbureau. Zij
verstrekken in de regel (gratis) veel nuttige informatie. Probeer taallessen te
volgen en (b.v. bij asielzoekerscentra) contact te krijgen met mensen uit dat
land. Bereid je voor op een mogelijke cultuurschok.
d) Zorg dat je
fysiek fit bent
Laat je grondig medisch controleren
en zonodig vaccineren (N.B. sommige injecties moeten reeds zes weken voor
vertrek te zijn toegediend). Vaak eist het bestemmingsland ook een gezondheidsverklaring
alvorens een verblijfsvergunning te verlenen. Zorg hoe dan ook dat je er een,
liefst in de landstaal van het bestemmingsland of anders in het engels, bij je
hebt.
e) Bouw een
thuisfront op
Nogmaals zending is een zaak van de
hele gemeente. Zorg dat er een biddend thuisfront is, die geestelijk met je mee
strijdt en waarop je in crises-tijden kunt terugvallen. Laat een gebedskaart
achter met foto, veldadres en concrete gebedspunten. Wees ervan verzekerd dat
voor je vertrekt een zendingscommissie of contactpersoon is, liefst binnen
je eigen thuisgemeente, die je persoonlijke belangen tijdens je verblijf op
het zendingsveld behartigt en zorgdraagt voor de verzending van je nieuwsbrief.
f) Laat er een
solide financiële basis zijn
Spreek de begroting die je hebt
opgesteld bij je toetsing (zie les 3 sub g), door met ervaren zendelingen uit
het beoogde zendingsgebied en met financieel deskundige mensen in je gemeente.
Pas deze zonodig aan en leg deze voor aan de leiding van je thuisgemeente of
met de zendingsorganisatie die je uitzendt. Breng je geloof nu reeds in actie
door geloofsbeloften te vragen (gemeenten en/of personen die in geloof toezeggen
je met een vast maandelijks bedrag te ondersteunen tijdens je eerste periode op
het zendingsveld). Probeer zo veel als mogelijk dit geregeld te hebben voor je
vertrekt, zodat je tijdens het werk op het zendingsveld niet onnodig geremd
wordt door financiële zorgen.
g) Tref bijtijds
alle nodige praktische voorbereidingen.
Er zijn honderdeneen zaken die voor
vertrek geregeld moeten worden. Maak hier bijtijds een lijstje van en laat het
niet allemaal aankomen op het laatste moment. Denk ondermeer aan:
* Geldig
paspoort en nodige visa.
* Opvang bij
aankomst
* Hoe reizen? -
prijsvergelijking - op tijd boeken
* Vooruit sturen
van huisraad e/o bagage per container
* Vertalingen van
belangrijke documenten (getuigschriften, certificaten, schoolverslagen van
kinderen etc.)
TAAK OP HET ZENDINGSVELD
Zendingsgave:
Peter Wagner pleit er voor dat de
zendeling in de eerste plaats zijn zendelingsgave dient te ontwikkelen. Hiermee
bedoelt hij dat hij de gaven en bediening die hij in zijn thuisland had, moet
weten om te zetten in een cross-culturele situatie. De zendeling verandert niet
totaal op het moment dat hij voet zet op zijn nieuwe zendingsterrein ook heeft
hij niet opeens een volslagen nieuwe bediening. Wel moet hij/zij zich er op
toeleggen deze effectief toe te passen binnen de nieuwe culturele setting. Wie
deze bekwaamheid niet heeft is in feite niet geschikt voor het zendingswerk.
Basistaak:
Van de Grote Opdracht hebben wij
geleerd dat het maken van discipelen centraal staat. Dit begint natuurlijk
altijd met de prediking van het evangelie (Rom. 10:14-15, vergelijk Ez.
33:1-11). Als de zendeling in een gebied komt waar het evangelie nog niet
eerder gebracht is, dan is dit duidelijk zijn eerste opdracht. Uiteraard is
taalstudie en cultuurkennis hiervoor een eerste vereiste. Zijn er plaatselijke
gelovigen dan is het zijn opdracht deze te dopen en discipelen te maken door
bijbels onderwijs en gemeentebouw. Uiteindelijk moeten deze bekeerlingen zelf
in staat zijn hun volk met het evangelie te bereiken en te onderwijzen (2
Tim. 2:2). Evenals Paulus moeten wij zo snel mogelijk komen tot de vestiging
van zelfstandige, plaatselijke gemeenten, d.w.z.: zelf-besturend, zelf onderhoudend
en zelf-vermenigvuldigend.
In zekere zin is de taak van een
zendeling als van een opvoeder: hij/zij moet zich overbodig maken. Zodra het
proces van het discipelen maken is voltooid, kan hij/zij zich richten op nieuwe
werkgebieden en ten opzichte van zijn eerste bekeerlingen een toezichthoudende
of ondersteunende functie bekleden. In feite dient voor de zendeling de
vuistregel te gelden: alles wat door de plaatselijke gelovige gedaan kan
worden, moet ik niet doen en alles wat ik doe moet ik aan de plaatselijke
gelovige trachten te leren.
Komt een zendeling in een
werkgebied waar al plaatselijke gemeenten zijn, dan dient hij/zij zich de vraag
te stellen: Op welk vlak kan ik de plaatselijke gemeente bijbels ondersteunen,
met de kennis en vaardigheden die ik vanuit mijn cultuur heb ontwikkeld en die
bij hen nog ontbreken?
Strategie:
Een zendeling dient te bidden om
geestelijk inzicht in het plan Gods voor het specifieke gebied waar hij
werkzaam is. De thuisgemeente heeft hierin een belangrijke ondersteunende en
misschien wel sturende functie. Wat is Gods strategie? Wat is mijn rol hierin?
De volgende obstakels dienen
hierbij overwonnen te worden:
1. Te sterke
banden met de eigen tradities en cultuur.
Zeker in het
begin heeft de zendeling (elke immigrant trouwens) de gewoonte alles te
vergelijken met zijn thuisland. Alles wordt gemeten aan de waarden en normen
van zijn eigen vaderland. In les 8 wordt hier nader op in gegaan. Met
betrekking tot de cultuur geldt echter: het gastland moet zich niet aan u, maar
u moet zich aan het gastland aanpassen. Probeer door de creatieve leiding van
de heilige Geest te ontdekken hoe de kernwaarheden van het evangelie te
vertalen en toe te passen zijn binnen de nieuwe cultuur.
2. Geen
bekwaamheid om een diagnose te stellen en geestelijke strijd te voeren
Vaak ontbreekt
het ons aan de training om een degelijke diagnose te maken van de geestelijke
gesteldheid van het land waar we heen gaan. Probeer de bekende statistische
gegevens biddend te lezen. Tracht het hart van God dat bewogen is voor dit volk
te verstaan. Huil over de geestelijke nood. Wordt bewust wat de specifieke
gebedsnoden zijn. Laat er een gebedsfront zijn die dit gebied voor Jezus
opeist.
3. Ons laten leiden
door de direct zichtbare nood
Als je vanuit
het rijke westen komt en je voor het eerst geconfronteerd wordt met de
schrijnende armoede, dan is het heel begrijpelijk je volledig te wijden aan het
verlichten van de acute sociale nood. Een verlichting van de omstandigheden
zonder een verandering van het hart is echter maar van tijdelijke waarde. Vraag
de Heer biddend hoe u de evangelieprediking en gemeentestichting, het meest
effectief kunt combineren met diaconale hulp.
Typen zendelingen:
Ter afsluiting van dit hoofdstuk
noem ik nog vijf hoofdcategoriën van zendelingen. Natuurlijk zijn er in de
praktijk ook andere taken of combinaties van taken.
1. Conventionele
zendeling
Deze houdt zich bezig met
lange-termijn cross-cultureel zendingswerk. In de regel houdt dit in
evangelieverkondiging, gemeenteplanting, bijbelonderwijs. Bijbelvertaling is
hier een bijzondere, ondersteunende tak van.
2. Ondersteunende
zendelingen
Zij staan niet in de frontlinie van
de evangelie-verkondiging. Maar helpen mee achter de schermen, bijvoorbeeld
door onderwijs aan zendingskinderen, administratieve ondersteuning of
technisch onderhoud. De piloten van de M.A.F. zijn hier een speciaal voorbeeld
van.
3. Zendelingen
met een seculair beroep (z.g. tentenmakers)
Deze zendelingen zijn van grote
betekenis voor landen, waar geen vrijheid is voor evangelieverkondiging, maar
wel plaats voor de uitoefening van gekwalificeerde beroepen als arts, technisch
ingenieur, onderwijs enz.. Ook kan men het werk van de conventionele zendeling
ondersteunen, door mee te helpen in ontwikkelingsprojecten zoals b.v.
ziekenhuizen, kindertehuizen, landbouwontwikkeling enz.
4. Kortverbanders
Iemand die vanuit een andere
cultuur voor een korte periode (b.v. zes maanden) het werk van de conventionele
zendeling of plaatselijke gemeente ondersteunt. Deze vorm van zending is
vooral nuttig als er op het zendingsveld voor korte tijd extra mankracht nodig
is, b.v. bij een grootscheepse campagne of bijzondere bouwprojecten.
5. Rondtrekkende
zendelingen
Door de snelle transportmiddelen,
hebben deze bijzondere zendelingen een belangrijke bijdrage geleverd aan de
evangelieverkondiging in deze eeuw. Vaak zijn dit evangelisten, die de gave
hebben grote massa's aan te spreken. Denk b.v. aan Billy Graham, Reinhard
Bonnke of in eigen land aan Johan Maasbach en Karel Hoekendijk. Toch kunnen
deze Godsmannen alleen functioneren als aan de basis het werk van de convotionele
zendeling wordt gedaan.
Daarom blijft nog altijd de vraag
actueel (Jes. 6:8)
Wie zal Ik zenden en wie zal voor
Ons gaan?
Kunt u als Jesaja
antwoorden?:"Hier ben ik, zend mij!"
Les 5 De plaats
van de thuisgemeente en achterban
SAMENWERKING THUISGEMEENTE EN
ACHTERBAN
Zending is niet de hobby van een
enkeling, maar de kernopdracht van de plaatselijke gemeente. De gemeente heeft
de opdracht de werkelijkheid van de verheerlijkte Christus te tonen aan de
wereld. De zendeling heeft als het goed is een bijzondere binding met zijn
thuisgemeente. Hij/zij vertegenwoordigt in zekere zin de zendende gemeente op
het zendingsveld. Anderzijds wordt de zendeling door de thuisgemeente
ondersteund, niet alleen financieel (vaste maandelijkse ondersteuning) en
materieel (hulpgoederen bij speciale projecten), maar vooral ook geestelijk
(gebed, bandjes van de samenkomsten, correspondentie enz.).
Het is goed als de zendeling naast
de thuisgemeente ook een eigen persoonlijke achterban heeft. Hierbij denken wij
in de eerste plaats aan persoonlijke christelijke vrienden en/of familie. Maar
het kunnen ook meerdere gemeenten zijn als de eigen thuisgemeente de materiële
of geestelijke noden niet alleen kan dragen.
Een gemeente die een grotere
betrokkenheid t.o.v. het zendingswerk zoekt, doet er goed aan om met de
volgende vragen biddend en onderzoekend bezig te zijn:
In hoeverre hebben wij voldaan aan
de Grote Opdracht?
Welke zendelingen zijn nodig en
waar?
Wat kan onze betrokkenheid daarin
zijn?
Welke bekwaamheden zijn voor die
taak nodig?
Wie zenden we uit om die taak te
vervullen?
Uit Hand. 13:2-4 blijkt hoe de
gemeente uit de eerste eeuw, met name de laatste vraag, biddend en vastend bij
de Heer bracht. Merk ook de bijzondere leiding van de heilige Geest op.
GEBED, GEVEN, GAAN
Deze drie G's vatten de concrete
taak van de thuisgemeente en achterban samen.
Gebed
"Hij zag dat er niemand was,
en Hij ontzette zich omdat er niemand tussenbeide trad." (Jes. 59:16)
""De oogst is wel groot,
maar arbeiders zijn er weinig. Bidt de Heer van de oogst, dat Hij arbeiders
uitzende in de oogst." (Lucas 10:2)
De thuisgemeente, de zendeling en
de achterban hebben samen deel aan de geestelijke strijd, (Ef. 6;10-20), die
onherroepelijk nodig is om een nieuw gebied voor Jezus te winnen. De bijbel
zegt dat als wij samen iets eenparig zullen begeren, in dit geval de verbreiding
van het evangelie, het ons ten deel zal vallen (Matth. 18:19). Toch weten wij
dat de vijand van God alles in het werk zal stellen om dit te verhinderen. Wij
kunnen een Chinees van Jezus vertellen, maar tegen de geestelijke god van
China kunnen wij slechts optreden vanuit onze positie in Christus (Col. 3:3).
De Rooms katholieken vestigden alvorens zij zending gingen bedrijven, vaak
eerst een klooster die zich volledig wijdde aan de dienst der voorbede. (vergelijk
ook Dan. 10:12-14 en Matth. 26:53). Als Pinksterchristenen, kennen wij het
gebed in en door de heilige Geest (Joh. 4: 23-24, Rom. 8:26). Laten wij dit
machtige wapen inzetten ten behoeve van zending.
Jezus riep niet twaalf legioenen
engelen, maar Zijn discipelen om met Hem te bidden en te waken (Matth.
26:38-42, 53). Laten wij als Mozes, of ondersteunend als Aäron en Hur, de
handen omhoog heffen tot God, opdat de zendeling de overwinning kan behalen zoals Jozua op Amelek (Ex. 17:8-13).
Praktische adviezen voor gebed voor
de zend(el)ing:
1. Overleg goed
bij uzelf en neem dan een besluit, dat de voorbede een regelmatige bindende
plicht voor u gaat betekenen; als het kan op een vaste tijd van de dag.
2. Laat u in het
gebed concreet leiden door de Heilige Geest. Maak er een gewoonte van om van
God de gebedslast te verwachten. Als u niet weet waar voor te bidden, bidt dan
in tongentaal.
3. Leer de namen
van alle zendelingen waar u voor bidt van buiten, en noem hen regelmatig bij
name.
4. Verzamel
informatie over de gebieden waar u voor bidt en tracht door de gave van
onderscheiding te verstaan welke machten over dit gebied heersen. Bestraf deze
geesten in het gebed; zeg hen de overwinning van Jezus aan (Col. 2:15).
5. Leg u toe op
het bidden. Gebed is vooral een houding van luisteren, waardoor wij Gods wil
gaan verstaan (1 Joh. 5:14-15). Te vaak brengen wij in ons gebed onze eigen
hartstochten naar voren, waardoor wij niets ontvangen (Jac. 4:3).
6. Wees bereid om
geduldig verder te strijden in het gebed, ook als er nog geen zichtbare
resultaten zijn. Menigeen heeft jaren lang gearbeid zonder de vrucht te zien,
die zijn opvolgers met overweldigende vreugde vervuld heeft. Voor het oogsten
is er vaak eerst een periode van braak maken van de grond, ploegen en zaaien.
7. Hou nauw
contact met de zendelingen. Laat hen merken, dat u voor ze bidt. Bemoedig ze
regelmatig met een briefje, ook als ze zelf geen tijd hebben om te antwoorden.
Laat ze weten dat ze u altijd kunnen schrijven, bellen of faxen als er acute
gebedsnoden zijn.
Geven
"... de Here Jezus, die zelf
gezegd heeft: Het is zaliger te geven dan te ontvangen." (Hand. 20:35b)
De goedbedoelde bemoediging aan de
zendeling:"De Heer zal voorzien" wordt een leugen als dit in feite
een excuus is om zelf niet te geven. Paulus wijst de gemeente van Corinthe op
niet mis te verstane wijze op de verantwoordelijkheid van de gelovigen om
materieel te zorgen voor hen, die het evangelie verkondigen (1 Cor. 9:6-14). De
zendeling heeft als "frontsoldaat" een zware strijd te leveren; het
betaamt niet hem/haar extra te belasten met allerlei geldzorgen. Laat de
gemeente en achterban er een eer in stellen om de begrote bedragen ruimschoots
te offeren. Het principe "Geeft en u zal gegeven worden" (Lucas 6:38)
gaat zeker ook op voor de zending. Maar ook wie karig zaait zal karig oogsten
(2 Cor. 9:6). Het is belangrijk dat er goed wordt bijgehouden, wie er geeft en
voor welk specifiek doel. Daar de gevers in de regel ook geestelijk betrokken
willen zijn bij het werk, is het zaak hen goed op de hoogte te houden van de
ontwikkelingen op het zendingsveld. Het verdient aanbeveling dat de zendeling
eens per jaar rekening en verantwoording doet van alle in- en uitgaven. Dit
dient aan de leiding van de thuisgemeente te worden aangeboden, maar kan ook
in verkorte vorm aan alle gevers worden toegezonden. Dit beschermt de zendeling
voor roddel en toont aan dat de giften verantwoord zijn besteed. Als de giften
via de thuisgemeente worden gegeven, zijn deze in de regel tot 10% van de
jaar-inkomsten (-drempel= 1% van de bruto-inkomsten) aftrekbaar voor de
belasting. Het is dan wel zaak bij de belasting-aangifte een totaal-kwitantie
bij te sluiten van alle giften, die tijdens een kalenderjaar zijn gegeven.
Gaan
"Hoe zullen zij dan Hem
aanroepen, in wie zij niet geloofd hebben? Hoe geloven in Hem van wie zij niet
gehoord hebben? Hoe horen zonder prediker? En hoe zal men prediken zonder
gezonden te zijn?" om 10:14-15a)
Dit geldt natuurlijk in de eerste
plaats voor de zendeling zelf. Maar het kan voor de zendeling een geweldige
bemoediging zijn, als ze vanuit hun thuisland bezoek krijgen. Zo'n reis mag u
beslist niet als een vakantie-uitstapje zien. In dat geval verknoeit u veel
kostbare tijd van de zendeling zelf. Ga er heen om hen te bemoedigen en,
afhankelijk van uw talenten, praktisch te helpen. Bijvoorbeeld door uw
getuigenis te geven of door hun huis te schilderen. Verzamel zo veel mogelijk
informatie zodat u de gemeente thuis zo recent mogelijk kunt informeren. Proef
ook biddend de geestelijke atmosfeer, zodat u beter bent toegerust voor de
geestelijke strijd. Wek niet de indruk dat u een controleur bent, maar een broeder/zuster
en vriend die naast de zendeling wil staan. Stel u vooral dienstbaar op.
Gaan kan vorm krijgen door mee te
gaan op korte zendingsreizen, ter ondersteuning van de b.v. de
evangelisatie-activiteiten of het brengen van bijbels in China, of door
diaconale hulp te verlenen in noodlijdende gebieden (b.v. kleding brengen naar
Oost Europa).
Een bijzondere vorm van
"gaan" in onze tijd is de evangelieverkondiging via de media. Via
radio en tv kunnen wij momenteel miljoenen bereiken met de blijde boodschap.
Natuurlijk moet dit hand in hand gaan met het "maken van discipelen"
door middel van het planten van plaatselijke gemeenten.
Les
6 Een gemeente-zendingsprogramma
Het is belangrijk dat de gemeente
een eigen zendingsprogramma ontwikkelt als integraal onderdeel van het totale
gemeenteleven. Laten wij eerst een aantal oorzaken noemen, die de ontwikkeling
van een dergelijk programma kunnen remmen.
REMMENDE FACTOREN
1. Gebrek aan een
innige relatie met Jezus en een persoonlijk gebedsleven. Als we dicht bij
Jezus leven, krijgen wij vanzelf een warm hart voor zending (Joh. 3:16 - 2 Cor.
5:14-20)
2. Onwetendheid
van de desolate omstandigheden in sommige zendingsgebieden (Neh. 1:2-11).
3. Theologische
geschilpunten, b.v. de alverzoeningsleer of uitverkiezingsleer of verschil in
eschatologische visie.
4. Introverte
visie. De zendingsopdracht negeren door drogredenen zoals:"wij zijn er
nog niet aan toe"; "er is in Nederland nog zoveel te
doen";"wij voelen ons hier niet toe geroepen".
5. Geestelijke
zelfvoldaanheid en lauwheid (Op. 3:14-20).
6. Organisatieproblemen
- Door een gebrek aan kader en structuur kan het programma in de gemeente
moeilijk van de grond komen (1 Cor. 14:33)
7. De leiders zijn
te veel in beslag genomen door de dagelijkse problematiek (Ex. 18:18-26,
Hand. 6:2-4).
Oswald Smith heeft eens
gezegd:"Waarom zou iemand twee maal de boodschap van het evangelie moeten
horen, voordat iedereen het ten minste één keer heeft gehoord.
Klaas van de Raa heeft eens
gesteld:"Eigenlijk zou je een speciale roeping moeten hebben om thuis te blijven;
want de Heer heeft ons allemaal geroepen om uit te gaan en het evangelie te
verkondigen." Laten wij ons daarom niet te neer laten drukken door
mogelijke remmende factoren, maar ons concentreren op de mogelijkheden van een
enthousiasmerend zendingsprogramma.
ZEVEN POSITIEVE DOELSTELLINGEN
1. Het scheppen
van belangstelling en enthousiasme (= en theos = in God) onder zoveel mogelijk
gemeenteleden. De voorganger heeft hierin een leidende rol. Wij moeten hierbij
bedenken dat de gemeente door haar betrokkenheid in zending zelf een grote
zegen zal ontvangen. Een aantal praktische tips zijn:
a)
Publiceer de zendingsverslagen in het gemeenteblad.
b) Ruim in elke
dienst en bidstond, plaats in voor voorbede voor de zending.
c) Maak een
zendingshoekje of hang een prikbord op een vaste plaats in de samenkomstruimte
met actuele informatie.
d) Rouleer
audio- of videobanden met recente verslagen van de zendelingen.
e) Regelmatig
zendelingen op verlof uitnodigen om te spreken in de samenkomst of op een informatie-avond.
2. Ondersteunen
van zendingsbelangstelling in het algemeen met accurate bijgewerkte informatie.
Bijvoorbeeld
een wereldkaart met weergave van de nog niet bereikte gebieden of door een
abonnement op diverse zendingsbladen en/of het EZA informatie bulletin.
3. Het opbouwen
van een gebeds-thuisfront.
Dit kan een
speciale bediening zijn van een zendings-werkgroep binnen de gemeente, maar
beter is het om het te integreren binnen de wijkkringen of huisgroepen.
4. Het stimuleren
om voor zending te geven.
a) Door een
vast bedrag van de gemeente-inkomsten (b.v. 10%) voor zending te besteden.
b) Door extra
giften bij acute noden of speciale projecten.
c) Door vaste
geloofs-beloften te doen aan zendelingen die door de gemeente zijn uitgezonden
of geadopteerd.
d) Door
bezoekende zendelingen een royale liefdegave mee te geven.
e) Door
inheemse evangelisten en voorgangers te ondersteunen, indien dit door de
plaatselijke bevolking zelf gedaan kan worden.
5. Het scheppen
van een klimaat waarin men wordt aangemoedigd om zich ook zelf voor de zending
beschikbaar te stellen.
6. Ruimte geven
aan kandidaat zendeling om zich in de eigen gemeente te ontplooien, b.v. door
evangelisatie-activiteiten, bijbelstudie geven of prediking.
7. Contact te
onderhouden met andere gemeenten en zendingsgenootschappen. B.v. door
gezamenlijk de jaarlijkse EZA-dag te bezoeken, waar men veel informatie over
zending kan opdoen of door de zendings-werkgroep deel te laten nemen aan de
driejaarlijkse internationale zendingsmanifestatie MISSION .. te Utrecht.
We zouden een heel boek kunnen
schrijven over allerlei zaken, die men kan organiseren om de
zendingsbetrokkenheid te bevorderen. De bewogenheid voor het verlorene (Matth.
9:16, 20:34) blijft echter een hartezaak, die alleen door gebed en innige
omgang met God verworven wordt. Daarom besluit ik dit hoofdstuk met een
voorbeeld van een jaarplan voor zending, die een voorganger in 1978 heeft
opgesteld. Laat de heilige Geest u persoonlijk leiden hoe een en ander
uitvoerbaar is binnen uw eigen thuisgemeente.
EEN VOORBEELD VAN EEN JAARPLAN
Januari:
Deze maand staat bijzonder in het
teken van de zending. Twee keer spreekt een bekende zendeling; het onderwerp
van de preek past in het grotere raam van het zendingsplan. De bedoeling is dat
er aan het eind van de maand een zendings-actiegroep komt, onder leiding van de
voorganger of een oudste, waarin een zo ruim mogelijke variatie van de gemeente
is vertegenwoordigd (jeugd, diaconie, muziek, huiskringen etc.).
Februari:
Een "gewone"
zendingsmaand, met extra aandacht voor gebed. E informatie-borden worden
geactualiseerd. In het gemeenteblad komt een informatief artikel met concrete
voorbede-punten.
Maart:
Er is weer een zendeling
uitgenodigd, die ook voor de jeugd spreekt en tevens op de zondagsschool iets
over zijn/haar werk vertelt.
April:
Deze maand extra veel nadruk op
"zending in eigen land". Geconcentreerd wordt op evangelisatie in het
algemeen, maar ook onder de etnische groepen in de eigen plaats.
Mei:
Nu staat het onderwijs centraal.
Waarom zending en hoe? Een zendeling geeft hier op de bijbelstudie praktisch
les over. De Bejaarden zorgen voor een
ontmoetingsmaaltijd met een zendeling.
Juni:
Begin juni is er voor de
vakantiepiek een zendingsconferentie gepland; van vrijdagavond tot
zondagmiddag. Ook op de zondagsschool, tieners en jeugd wordt hier extra
aandacht aan gegeven.
Juli-Augustus:
De jeugd maakt een
zendings-evangelisatiereis naar een van de omringende landen. De gemeente zendt
hen uit. Na afloop wordt er door middel van een dia- of video-presentatie
verslag gedaan aan de gemeente.
September:
De voorbereidingen voor de
zendingsweek in oktober draaien nu op volle toeren
Oktober:
Het hoogtepunt van dit najaar is
gepland in de laatste week van oktober. Dan is er een speciale zendingsweek. Op
maandagavond een speciale zendingsavond voor de bejaarden, dinsdag een
gezamenlijke gebedsavond voor de zending, woensdag en vrijdag een
zendingsbijeenkomst in plaats van de huiskringen. Zondagmiddag is er een
liefdemaal. De geloofs-belofte voor de zending wordt geïntroduceerd en
aangemoedigd. De kinderen en jeugd zetten een spaarplan op voor een bijzonder
project.
November:
Deze maand ligt de nadruk op de
groei van de eigen gemeente. Het laatste weekend van de maand wordt
gereserveerd voor geestelijke opbouw. Tevens wordt de zendingsweek van oktober
nader geëvalueerd.
December:
Het thema voor kerst zal
zijn:"Jezus, de grootste zendeling van alle tijden." Centraal staat
de bereidheid jezelf te geven.
Les 7 Samenwerking
met een zendingsorganisatie
Zoals al tijdens het overzicht van
de zendingsgeschiedenis (les 2) is gebleken, spelen de zendingsorganisaties
sinds het einde van de 18e eeuw tot heden een belangrijke rol in het vervullen
van de GROTE OPDRACHT.
Definitie
Onder een zendingsorganisatie
verstaan wij een onafhankelijke vereniging of stichting, met een specifieke
doelstelling om (een deel van) de zendingsopdracht van Jezus uit te voeren. Zij
probeert zending binnen eigen land zoveel mogelijk te stimuleren door
informatie (presentatie-avonden, lectuur etc.), selecteren en trainen van
zendingskandidaten en fondswerving.
Taak
Een van haar belangrijkste taken is
om de zakelijke en geestelijke belangen van haar zendelingen in het
thuisland te behartigen. Specifiek houdt dit in:
1) Het verzamelen
en verspreiden van het (gebeds)nieuws van haar zendelingen (b.v. in een
gezamenlijk blad of middels een persoonlijke nieuwsbrief).
2) Het verzamelen,
bijhouden, doorsturen en verantwoorden van giften aan haar zendelingen en/of
projecten. Als het goed is ontvangen de gevers ook een bedankje en jaarkwitantie
van de zendingsorganisatie.
3) De zendelingen
bijstaan om een degelijke achterban op te bouwen en het contact hiermee bij
afwezigheid van de zendeling onderhouden, met name met de thuisgemeente.
4) Geestelijke
ondersteuning door gebed, bijvoorbeeld door regelmatige bidstonden, uitgifte
van gebedskalenders, verstrekken van specifieke gebedsonderwerpen enz.
5) De zendeling
helpen bij de voorbereiding van het verlof (bekendmaking, huisvesting, scholing
voor kinderen, vervoer, afspraken voor spreekbeurten cordineren enz.).
6) Bijstaan van de
zendelingen op het veld, bijvoorbeeld door persoonlijk veldbezoek of door het
uitzenden van ondersteunende kortverbanders.
7) Allerlei
praktische zaken zoals het regelen van verzekeringen (ziektekosten, pensioen
enz.), beheer van achtergebleven goederen enz..
Zendingsorganiatie of Gemeente?
Hoewel het Nieuwe Testament vooral
het model laat zien van een zendende (thuis)gemeente (zie les 1), kan het in
bepaalde gevallen om praktische redenen toch voorkeur verdienen om via een zendingsorganisatie
uitgezonden te worden. De belangrijkste hiervan zijn:
a) Als er in de
thuisgemeente geen zendingsvisie is en de persoon of het echtpaar toch een
duidelijke zendingsroeping heeft ontvangen.
b) Als de
thuisgemeente te klein of niet in staat is om de belangen van de zendeling te
behartigen. Natuurlijk kan in dit geval ook overwogen worden om hier andere
gemeenten bij te betrekken.
c) Als de
zendeling uitgaat met een zekere specifieke taak, waar een zendingsorganisatie
een bijzondere expertise heeft opgebouwd (b.v. M.A.F. - zendingspiloten, Wycliffe
- bijbelvertalers, Open Doors - vervolgd christendom, N.E.M. - zending in Isral
& Arabische landen).
Het is hoe dan ook van wezenlijk
belang dat de zendeling en de zendingsorganisatie een nauw contact onderhoud
met de thuisgemeente. Om de analogie van Paulus te gebruiken (1 Cor. 12): in
de zending is Christus het hoofd (Col. 1:18), de zendeling de benen, de
zendingsorganisatie de armen en de gemeente het hart. Het is daarom niet zo
zeer of ... of, maar en ... en!
Bij de Assemblies of God in de
U.S.A. hebben de gezamenlijke gemeenten een gecentraliseerde, overkoepelende
zendingsorganisatie (Department of Foreign Missions). In de Nederlandse
Pinkstergemeenten kennen wij iets dergelijks bij de Broederschap van
Pinkstergemeenten (Kleine Kracht) en de Volle Evangelie Gemeenten (Zending en
Gemeente).
E.Z.A.
Een belangrijke overkoepelende
landelijke instelling van evangelische en charismatische zendingsorganisaties
is de Evangelische Zendings Alliantie (E.Z.A., Eendrachtstraat 29a, 3784 KA
Terschuur, tel. 03426-2198). Zij geeft een blad uit met veel actuele informatie
en wetenswaardige artikelen (EZA in-formatie) en organiseert conferenties en
landdagen.
Verhouding
zendingsorganisatie-zendeling
De zendingsorganisatie mag niet
staan of vallen op n zendeling. Er is sprake van een optimale verhouding als
de zendeling enerzijds een vaste, degelijke thuisbasis heeft in zijn/haar zendingsorganisatie
en anderzijds zich niet opgeslokt of gekortwiekt voelt in een kolossale, logge
organisatie.
Schematisch zijn dit de verkeerde
modellen:
(Z.O.= Zendingsorganisatie Z = Zendeling
+-----------+ +-----------+ +-----+
|
Z | |
Z | | Z |
| | | |
+-------------------+
+-----------| +-----------+ | |
|
Z.O. | |Z.O| | Z.O. |
| | | |
| |
+-----------+ +---+ +-------------------+
en dit de meest ideale:
+-----------+
| Z. |
+-----------------------+
| |
| Z.O. |
+-----------------------+
Voor- en nadelen
Recapitulerend kunnen de volgende
voor- en nadelen van een zendingsorganisatie genoemd worden:
Voordelen (bij bonafide organisaties):
1. Ruime ervaring
en kennis is vaak voorhanden bij het zendingsbestuur.
2. Degelijke en
deskundige toetsing van de kandidaten en controle op de zendelingen.
3. Een brede
basis, met name materiel.
4. Zorgen voor
degelijke berichtgeving op ruime schaal (de meeste organisaties hebben een
eigen blad).
5. Goede
administratieve ondersteuning.
6. Vaste en
duidelijke afspraken.
Nadelen:
1. Je bent een
deel van een groot geheel.
2. Minder
persoonlijk, vaak ken je de gevers of voorbidders niet persoonlijk.
3. Minder
bewegingsvrijheid.
4. Zware
verplichtingen tijdens de verlofperiode.
Les 8 Obstakels
en relaties op het zendingsveld
Wij weten van Paulus dat hij zware
geestelijke en lichamelijke strijd moest leveren om zijn zendingsopdracht te
voltooien
(2 Cor. 11:23-28). Door de moderne
transport- en communicatiemiddelen zijn een aantal praktische gevaren wel
ingedamd. Maar ook hedendaagse zending kan niet zonder strijd. De bijbel maakt
duidelijk dat er een sprake is van een verharding naarmate de eindtijd nadert
(Matth. 24:12, Op. 22:11). Zending is staan in de frontlinie; de geestelijke
strijd (Ef. 6:12) mag men daarom zeker niet onderschatten. Daarnaast zijn er
een aantal obstakels, waar wij in deze les in het bijzonder bij stil willen
staan. Als wij zelf niet gaan, helpt ons dit om beter te kunnen (mee)bidden.
AANPASSINGSPROBLEMEN
In het begin kan men zich aan van
alles en nog wat ergeren, hetgeen het uitvoeren van de zendingsopdracht ernstig
kan belemmeren. Hoewel wij Nederlanders in het algemeen bekend staan om ons
goede aanpassingsvermogen, moeten wij toch op de volgende zaken beducht zijn:
a. Verwerping: Het
land staat me niet aan, het ongedierte is vreselijk, hier is absoluut geen
zending te bedrijven. Uiteindelijk kan dit zelfs uitmonden in een geloofs
crisis.
b. Heimwee: In
mijn vaderland was alles beter. Wat mis ik mijn vrienden en familie. Wat zit ik
verschrikkelijk afgelegen.
c. Onreinheid: Die
mensen hier zijn allemaal viezerikken, van dat eten word je toch doodziek,
kennen ze hier dan helemaal geen hygine?
d. Religieuze Wat is
hier een enorm wetticisme? Waarom zingen
verschillen zij hier geen liedjes uit Opwekking? Zij leggen
hier de bijbel helemaal verkeerd uit!
e. Taal: Die
taal leer ik nooit. Hoe kan ik hier ooit het evangelie communiceren als ik nog
geen brood kan kopen. Als ik hun taal probeer te spreken lachen ze mij allemaal
uit. Heeft dan niemand er begrip voor, dat ik hun taal zo moeilijk vindt?
f. Zelf- Je
gaat je beperkingen van je eigen cultuur en
ontdekking plaatselijke
gemeente inzien, hetgeen soms tot een identiteitscrisis kan leiden.
Deze aanpassingsproblemen worden
ook wel de cultuurschok genoemd. Elke emigrant en zendeling krijgt er
mee te maken.
RELATIE MET COLLEGA-ZENDELINGEN
Een ervaren zendeling verwacht van
de nieuwe zendeling:
a. Dat hij luistert en leert.
b. Dat hij voorbereid is, zowel
geestelijk, intellectueel als praktisch.
c. Dat hij trouw is (doet wat hij
zegt)
d. Dat hij bereid is zich in te
zetten
Enkele tips voor de goede omgang:
a. Wees bescheiden en leergierig
b. Onderzoek of bepaalde methodes
verouderd zijn of juist helemaal bij de cultuur van het land passen. Durf
nieuwe dingen aan, maar wees wel tactisch
c. Pas op voor verkeerde en
overhaaste meningsvorming.
Enkele grondregels voor
samenwerking:
a. Investeer veel in een onderlinge
eenheid (Joh. 17:20). Probeer de inheemse bevolking en zeker niet pas-bekeerden
te betrekken in meningsverschillen met collega-zendelingen.
b. Spreek met elkaar een
gezamenlijke doelstelling af en zet dit op papier. Bid hier samen voor.
c. Werk aan duidelijk omschreven
taakverdelingen en baken
ieders verantwoordelijkheden
duidelijk af.
d. Wees verdraagzaam en acht de
ander uitnemender dan jezelf (Fil. 2:4)
e. Heb regelmatig geestelijk en
sociaal contact met elkaar (bidstonden, samenkomsten, maar ook samen vissen of
op vakantie gaan).
RELATIE MET INHEEMSE BEVOLKING EN
GELOVIGEN
Besef dat je een gast bent in een
vreemd land. Je bent niet gekomen om de gewoonten en de cultuur van het land te
veranderen, maar om het evangelie te brengen. Als je in je hart het volk waar
je naar toe bent gezonden, minacht dan ben je in feite niet geschikt voor de
zending. Hoe kun je de mensen vertellen dat God hen wil aanvaarden als Zijn
kinderen (Joh. 1:12) terwijl je ze zelf afwijst? Maak duidelijk dat je gekomen
bent om de plaatselijke gelovigen te dienen (Joh. 13:15-16). Deze samenwerking
moet drie essentile kenmerken hebben:
1) LIEFDE
Het cement van een hechte
samenwerking is de liefde (Joh. 13:35-36 & Ef. 4:15-16). Deze moet ook
praktisch blijken in geval van nood (Luc. 10:25-37). De Goddelijke liefde was
de basis voor onze uitzending (Joh. 3:16, 2 Cor. 5:14).
2) COMMUNICATIE
Communicatie kost tijd. Het vereist
initiatief en een luisterend oor. Doe er alles aan om de communciatiekloof te
overbruggen. Stel bij de geringste twijfel vragen: Bedoelt u dat ...? Wilt u
dat ik dit of dat doe? Verwacht u ...? Heb ik u goed begrepen ...? Wees ook
ontvankelijk voor de non-verbale communicatie, die in sommige culturen (b.v. de
Vlaamse) veel verder is ontwikkeld dan bij ons.
Houd een open communicatie zowel
met het zendingsveld als je thuisgemeente. Jij bent de schakel tussen deze
twee.
3) TAAKINDELING
Laat het de mensen duidelijk zijn,
met welke last jij gekomen bent. Geef ze de tijd om te ontdekken welke
bediening de Heer jou gegeven heeft om hen te zegenen (Ef. 4:7, 11-13). Laat de
heilige Geest dit bevestigen. Maak hen duidelijk dat jij hier tijdelijk bent en
hen wilt trainen om jouw taak in de toekomst over te nemen.
VORMEN VAN SAMENWERKING
Vier basis-vormen van samenwerking
met de nationale gemeenten:
(tekeningen: Morris Williams, Partnership in Mission,
p. 139.)
1) Paternalisme
Hierbij
is en blijft de zendeling de leider van het werk, die respect en gehoorzaamheid
verwacht. Eeuwenlang is zo zending bedreven, maar gelukkig is dit thans
achterhaald. Alleen in de pioniersfase is een dergelijk samenwerking soms
nodig.
2) Fusie
De fusie
is het tegenovergestelde van paternalisme. Hier gaat de zendeling volledig
op in de nationale gemeente. Terwille van de eenheid wordt de eigen
identiteit en inbreng opgegeven.
3)
Parallellisme
Hierbij
is de zendeling niet meer dan een dienstverlenend agentschap zonder enige
medezeggenschap. Zowel de zendeling als de nationale gemeenten willen niets
van hun onafhankelijkheid prijsgeven.
4)
Partnerschap
Het
ideale beeld. Sleutelwoord is hier samenwerking! Van beide zijden wordt gestreefd
naar een optimale integratie zonder afbreuk te doen aan ieders eigen inbreng
en identiteit.
Les
9 Wat is er tot op heden in zending
bereikt?
"De akker is de wereld" heeft Jezus in een van zijn gelijkenissen gezegd
(Matth. 13:38). Kennen wij de akker?
"Zie Ik zeg u, slaat uw ogen
op en beschouwt de velden dat zij wit zijn om te oogsten." zegt de Heer (Joh. 4:35). Zien wij de oogst?
Bevolkingsexplosie
Onze generatie beleeft een
ongekende bevolkingsexplosie. Enkele cijfers: Men schat de totale
wereldbevolking van 1000 voor Christus op 300 miljoen. Achtentwintighonderd
jaar later (rond 1800) werd het eerste miljard bereikt. Sindsdien gaat het door
het grote geboorte-overschot steeds sneller:
1900: 1590 miljoen
1977: 4116 miljoen
Inmiddels hebben wij de
vijf-miljardste wereldburger begroet en tegen het jaar 2000 verwacht men 6.214
inwoners.
Tussen 1920 en 1970 verdubbelde de
wereldbevolking zich. Zet de huidige groei door, dan zal de wereldbevolking
zich in 37 jaar opnieuw verdubbelen. Met name in Afrika en Zuid-Amerika neemt
het bevolkingsaantal snel toe (verdubbeling in 26 jaar).
Zendingsreactie
Deze bevolkingsexplosie vormt een
bedreiging voor de wereldvoedsel- en grondstoffensituatie, maar wat een
uitdaging voor wereldzending! De komende generatie moet dus alleen al vijf
miljard nieuwe wereldburgers het evangelie verkondigen.
De wereldbevolking groeit echter
veel sneller dan het aantal christenen, zowel in het westen als in het oosten
(zie statistiek). Men schat dat op het ogenblik 1 op de 4 mensen christen is.
We hebben een achterstand in te halen.
Nog altijd zijn 1,3 miljard (!)
mensen niet bereikt met het evangelie. Zij hebben nog nooit van Jezus
gehoord, zelfs niet in een vloek. Hieronder zijn meer dan 2.000 etnische
groepen, waarvan 175 meer dan één miljoen mensen telt. Aan 4.000 etnische
groepen is minder dan 50% bereikt met het evangelie.
In totaal zijn er " 4 miljoen
voorgangers, evangelisten en zendelingen, waarvan 1 miljoen uit de
Pinksterbeweging. Van de huidige 20 megaprojecten om de wereld te bereiken
tegen het jaar 2.000, komen er 13 (65%) vanuit de pinkster-/charismatische
beweging. Wij hebben een dringende taak.
Wereldgodsdiensten
ATHEISTEN & AGNOSTICI
In het begin van deze eeuw waren er
nog nauwelijks atheïsten (mensen die het bestaan van God loochenen) of
agnostici (mensen, die beweren dat het bestaan van God niet te kennen valt).
Inmiddels telt deze groep reeds 20% van de wereldbevolking en is het snelst
groeiend, met name door het verval van het Christendom in de Westerse wereld.
Als de huidige ontwikkeling niet gekeerd wordt, zal dit de grootste groepering
worden.
ISLAM
Het christendom is nog altijd de
grootste wereldgodsdienst, maar de Islam, die in de 7e eeuw na Christus is
ontstaan, rukt op. Momenteel telt zij " 19% (950 miljoen) van de
wereldbevolking. Nog altijd is het zeer moeilijk om in de Islamitische landen
het evangelie te verkondigen. In veel landen staat hier zelfs de doodstraf op.
In deze eeuw schat men dat slechts 3000.000 Islamieten zich tot het Christendom
hebben bekeerd, waarvan het merendeel in Indonesië. Momenteel komen ook in
Nigeria veel Islamieten tot geloof. Nu het communistische blok door gebed
verdwenen is, vormt dit wellicht onze grootste gebedsuitdaging. In ons eigen
land hebben wij door de aanwezige gastarbeiders een unieke gelegenheid om
veel Islamieten te bereiken.
HINDOEISME
Deze uit India stammende, oudste
wereldgodsdienst, is de hoofdreligie van drie naties. In totaal is 13.1% van
de wereldbevolking Hindu. In India is slechts 1% van alle nationale christenen
vanuit het Hindoeïsme tot geloof gekomen. Ghandi heeft eens gezegd:"Als ik
eens christenen zou ontmoeten, die zouden doen wat Jezus heeft gezegd, zou ik
mij bekeren, want het is de ethisch meest hoogststaande religie."
BOEDHISME
Zeven landen in Zuid Oost Azië
erkennen het Boedhisme als staatsreligie. Ook onder de aanhangers van deze
religie, zijn maar weinigen tot het Christendom bekeerd. Zendingsstrategisch is
het hier vooral nog veel ploegen en de grond gereed maken voor het zaad van het
evangelie. Samen met de aanverwante Chinese/Japanse volksreligies telt het
Boedhisme wereldwijd 556 miljoen (11,5%) aanhangers.
ANIMISME
Vooral bij de natuurvolken vinden
wij nog veel animisten (mensen die levenloze dingen of overledenen als door
geesten bezield beschouwen en vereren). Hoewel nog slechts 2,8 % zich hiertoe
rekent, is nog altijd een derde van de wereldbevolking er door beïnvloed.
GEOGRAFISCH
Meer dan de helft van de huidige
wereldbevolking woont in Azië. In bepaalde landen, zoals Zuid Korea, is een
sterke toename van het Christendom, maar nog
altijd is dit het grootste zendingsgebied. In Afrika en Zuid Amerika is
de groei van het Christendom sterker dan de bevolkingsgroei. Als men bedenkt
dat het Christendom twee eeuwen geleden zich bijna uitsluitend tot Europa en
Noord Amerika beperkte, moet men thans vaststellen dat er een globale
verschuiving plaatsvindt. Het zwaartepunt van het Christendom zal, als de
huidige ontwikkeling zich doorzet, steeds meer op het zuiden komen te liggen.
Zoals in de tijd van Jezus lijkt het evangelie vooral op de armere volkeren een
geweldige aantrekkingskracht te hebben.
ZENDINGSFEITEN
Zeven procent van het totaal van al
de zendelingen zijn werkzaam onder de helft van de wereldbevolking. Met name
onder de Chinezen, Moslims en Hindoes zijn verhoudingsgewijs heel weinig
zendelingen.
In onze generatie is er een
bijzondere verschuiving van de herkomst van zendelingen. In 1978 kwamen 90% van
de protestantse en evangelische zendelingen uit de Westerse wereld. Momenteel
is dat nog maar 70% en de verwachting is dat dit tegen het jaar 2000 nog
slechts 40% (!) zal zijn.
Men heeft berekend 80% van de
onbereikte bevolkingsgroepen, alleen bereikt kan worden door cross-cultureel
zendingswerk. Dat wil zeggen dat drie op de vier mensen, alleen bereikt zullen
worden met het evangelie als zendelingen uit een andere cultuur hun dit komen
vertellen. Daarom is de nood voor zendingswerk groter dan ooit (Rom.
10:14-15).
Les 10 De zendingsuitdaging
voor onze generatie
In hoofdstuk negen hebben wij de
huidige nood van wereldzending gezien. Toch hebben wij met de huidige
massa-communicatie middelen en snelle vervoerscapiciteiten, een unieke kans om
de GROTE OPDRACHT in onze generatie te bereiken. Nu reeds wordt een-derde van
de wereldbevolking via de radio met het evangelie bereikt. Ook de verkondiging
via de televisie neemt door de satelliet-verbindingen grote vormen aan.
Misschien is nog wel de belangrijkste ontwikkeling dat de vroegere zendingsgebieden
nu zelf steeds meer zendelingen uitsturen.
DE KRACHT VAN DE PINKSTERZENDING
Meer dan één-vijfde van de huidige
zendelingen, worden door de Pinkstergemeenten uitgezonden en ondersteund. Een
groot deel van de zendelingen is charismatisch. Het is een onmiskenbaar
historisch feit dat de uitstorting van de Heilige Geest in deze eeuw van grote
betekenis is geweest voor de wereldzending. In feite zou het Christendom
zonder de verbluffende resultaten van de Pinksterzending dramatisch zijn
teruggelopen. Wij willen daarom deze cursus besluiten met een het noemen van
het aantal elementen, die mede hebben bijgedragen tot dit fenomeen:
1. Eschatologische gedrevenheid.
De eerste pinksterpioniers zagen de
hernieuwde uitstorting van Gods Geest als de late regen, die de spoedige komst
van de Heer aankondigde (Jac. 5:7-8 - vgl. Joël 2:23-32). Al snel na de
opwekking in Los Angeles in 1906 werden de eerste zendelingen uitgezonden. De
eerste jaren was men er zelfs van overtuigd, dat het spreken in tongen gegeven
was om zonder taalstudie het evangelie te kunnen verkondigen in het buitenland.
Als door een woord van kennis geopenbaard was welke (menselijke) taal men in
zijn of haar tongentaal sprak, werd men geacht hier onmiddellijk naar te
vertrekken, want de verkondiging van het evangelie had haast.
Hoewel wij al bijna 90 jaar verder
zijn (2 Petr. 3:1-9) is deze zelfde gedrevenheid van groot belang voor het
uitvoeren van de Grote Opdracht. De tekenen der tijden wijzen steeds dringender
op de terugkomst van onze Heer, laten wij daarom haast maken om het ultieme
teken, de verkondiging van het evangelie aan alle volken (Matth. 24:14), tot
vervulling te laten komen.
2. Evangelistische inslag
Het Herderlijk Schrijven van de
Nederlands Hervormde Kerk stelde in 1960 reeds vast dat je de Pinkstermensen
niet moet tellen maar wegen, omdat vele leden in feite evangelist zijn. Het
ontvangen van de heilige Geest staat in relatie met het getuige zijn (Hand.
1:8) en gezonden zijn (Joh. 20:21-22).
In de jaren tachtig is, wellicht
onder invloed van de meer consumptief ingestelde tweede en derde generatie
pinksterjeugd, meer aandacht gelegd op aanbidding en kort-verband zending.
Zijn wij dan toch nu al te gevestigd geworden?
3. Geroepen door de heilige Geest
(Hand. 13:2)
In de oorspronkelijke Pinksterleer
kon men de doop in de Heilige Geest pas ontvangen na de persoonlijke
heiliging. Heiliging in de zin van "rein zijn van zonden" maar ook
"apart gezet voor God". Nog altijd wordt er op de Pinkstermens een
appèl gedaan om zichzelf volkomen toe te wijden aan Gods koninkrijk. Doordat
zij geloven in de leiding van de heilige Geest staan zij open voor persoonlijke
roeping, vaak bevestigd door profetie in de gemeente. Het diepe besef dat God
ons persoonlijk gezonden heeft is van groot belang om de bepaald niet
eenvoudige opdracht je in een andere cultuur te integreren uit te kunnen
voeren.
4. Pragmatisme
Pinkstermensen zijn in de regel
geen praters of denkers maar "doeners". Het is niet voor niets dat
het boek "Handelingen" zo een centrale plaats inneemt in hun
theologie.
Ook in hun Godsbeeld is God niet
alleen Iemand die spreekt en belooft, maar is Hij de Eeuwige die handelend
optreedt in onze tijdelijkheid. Hij doopt in de heilige Geest nu, Hij doet
wonderen nu, Hij zendt Zijn kinderen uit nu.
Een pragmatisch geloof is van grote
betekenis voor zending in andere, vaak minder bedeelde culturen, waar men
bepaald niet zit te wachten op onze mooie praatjes. Daar hebben ze in het
koloniale tijdperk wel genoeg van gezien. Nu hebben zij behoefte aan de liefde
van God, die zich vandaag manifesteert.
5. Flexibiliteit
Als je de zendingsverhalen van veel
pinkstermensen leest, dan kom je heel vaak tegen dat deze zendelingen ook vaak
erg verrast waren door de loop der dingen. Achteraf hoor je ze dan steevast getuigen
"de heilige Geest heeft het zo geleid." Het open staan voor de
creatieve leiding van de heilige Geest, verlost de zendeling van de soms
knellende banden van de eigen kerktraditie (vergelijk Hand. 15). Hierdoor
ontstaat een flexibiliteit die onontbeerlijk is voor het zendingswerk. Een
pinkster-thuisfront zal een dergelijke bijzondere leiding van de heilige Geest,
die eigen tradities doorbreekt, wel kunnen waarderen, zolang het maar op het
zendingsveld plaatsvindt.
6. Ruimte voor emotie
De Pinksterbeweging was ondermeer
een reactie op de droge, formalistische, academische geloofsbeleving binnen de
gevestigde kerken. Met name binnen de Reformatorische kringen werd
emotionaliteit eerder gezien als een gevaarlijke vijand van het geloof dan als
essentieel onderdeel. Voor de zending was deze opvatting zeer belemmerend voor
de geloofsintegratie in met name de Zuidamerikaanse en Afrikaanse cultuur. Het
is dan ook niet verbazingwekkend dat de evangelie-verkondiging van de
Pinksterzendelingen hier wel aansloot waar Protestantse zendelingen vaak
jammerlijk faalden.
7. Verhalende traditie
Het grote belang dat binnen
Pinksterkringen wordt gehecht aan eigen ervaringen en het persoonlijk
getuigenis (vaak zijn onze preken hier ook mee doorspekt) sluit uitstekend aan
bij de orale cultuur van Afrika, Zuid-Amerika en delen van Azië, waar eeuwige
waarheden ook vaak in de vorm van verhalende gebeurtenissen van generatie op
generatie zijn overgebracht.
8. Nadruk op het vestigen van een
zelfstandige gemeente
In de zendingsstrategie van de
Pinkstergemeente is het vestigen van een zelfstandige plaatselijke gemeente
altijd een van de speerpunten geweest. De conclusies van R. Allen, Missionary
Methods St. Paul or Ours? (Grand Rapids: Michigan: Wm. B. Eerdmans, 1e druk
1922, 11e druk 1979) zijn door de meeste Pinkster-zendingsgenootschappen
overgenomen. Allen stelt op basis van de bediening van Paulus, dat de
zendingsopdracht met name inhoud dat wij zo snel als mogelijk plaatselijk
zelfstandige gemeenten dienen te stichten, dat wil zeggen: zelf-bestuterd,
zelf-onderhoudend en zelf-vermenigvuldigend.
Deze zendingsfilosofie, gepaard aan
de overtuiging dat de heilige Geest zelf de gemeente leidt, gaf de plaatselijke
gemeente ruimte om de boodschap van het evangelie te integreren binnen de
eigen cultuur. Met name de Pinksterzending vanuit de Scandinavische landen,
hebben hier een belangrijke bijdrage geleverd.
9. De toepassing van de
Geestesgaven
De daadwerkelijke toepassing van de
Geestesgaven, met name zoals beschreven in 1 Corinthiërs 12, zijn van eminent
belang voor effectieve zending. De charismata zoals bijvoorbeeld het
onderscheiden van geesten en het werken van krachten, behoren eigenlijk tot het
basisgereedschap voor elke zendeling; zeker als hij of zij in culturen werkt
die doordrongen zijn van het occultisme. Het genezen van zieken en het uitdrijven
van boze geesten (Markus 16:17) zijn belangrijkste demonstraties van de
doorbrekende kracht van Gods koninkrijk. Velen hebben zich hierdoor tot de waarheid
van het evangelie bekeerd.
10. Participatie van alle leden
De apostel Paulus brengt de
charismata niet voor niets in het verband met het functioneren van het totale
lichaam van Christus (1 Cor. 12). Ieder heeft zijn deel afhankelijk van de
gave die de Geest hem of haar toebedeelt. Deze overtuiging verkleint de
afstand tussen zendeling en bekeerling, damt het paternalisme in en is een bron
van persoonlijke opwaardering, die met name in de landen waar sociale misère
heerst van onschatbaar belang is.
Het is mijns inziens de kern van
het evangelie dat God door Zijn Zoon Jezus Christus de mens weer heel
maakt, d.w.z. volkomen in harmonie met het doel waarvoor zij/hij geschapen is.
Het is de verdienste van de Pinksterzending in deze eeuw deze eeuwige waarheid
weer op hernieuwde gestalte te hebben gegeven, door de kracht en de leiding van
de Heilige Geest. Laten wij daarom de tien bovengenoemde elementen overdenken,
koesteren en verder tot volmaking brengen. De Heer zegene u bij die
allergrootste opdracht!