De Bamboe-soorten van Japan
Verschillende wijzen van bewerking, behandeling en aanwending der bamboe.
Om een bamboe met kleine leden te verkrijgen, ten einde er
wandelstokken of vischlijnen van te maken, wacht men tot de
jonge loten eene lengte bereikt hebben van 8 à 9 voet en ontdoet
hen dan van hare huid.
Om de bamboe licht te maken, snijdt men éénjarige bamboes,
doet een steen aan het eene einde en hangt ze daarna op eene
plaats, waar het rookt.
Om een bamboe plat te maken, ontdoet men den afgesneden
stengel van de knoopen aan de uiteinden en met de schaaf ook
van het harde gedeelte van de buitenhuid; vervolgens maakt
men een langsgleuf en splijt haar daarna door er een mes door
te halen. De aldus gespleten bamboe kookt men in een ijzeren
pot met water en maiszemelen, totdat zij behoorlijk week is,
haalt haar er uit, plaatst haar op een vlakke tafel, doet een stuk
hout in de spleet en opent nu de bamboe langzaam aan. Is de
bamboe na deze bewerking niet geheel plat dan wordt zij op
nieuw gekookt enz.; kortom men herhaalt de geheele bewerking
net zoolang totdat zij plat is, waarna men met een heet ijzer
over de geschaafde oppervlakte gaat, ten einde voor goed te
beletten, dat de bamboe hare oorspronkelijke houding weder
aanneme. Eindelijk schaaft men nog eens dààr, waar het ijzer
brandvlekken veroorzaakt mocht hebben.
Behalve in water met maïszemelen kan men de bamboe ook
koken in water met een zeker kruid, Takenigusa of Tchampaguiku,
welk eerste woord beteekent "kruid om bamboe te koken". De
chineesche naam van deze plant is Hakurakkwai; de latijnsche
Macleya cordata; zij groeit op zich zelfstaand, zoowel op de
bergen als in de vlakten en heeft bladeren, die veel op die der
Kiktu of Chrysanthemum gelijken; zij zijn zeer groot en dik en
op den rug wit van kleur; snijdt men ze door, dan komt er een
roodachtig geel vocht uit. De kleine witte bloemen van deze
plant bevinden zich aan het einde van den stengel, waar later
een halm met zwarte zaden ontstaat, en de wortels, welke gelijken
op die van de Ogori of Koganebana (Scutellaria macrantha), zijn
geel van kleur.
Om de bamboe te kunnen buigen, vangt men in den zomer
eene groote hoeveelheid Hotaro's (eene soort glimwormen), droogt
die in de schaduw, doet daarvan een hand vol of meer in een
sho (1½ liter) water, laat er de bamboe goed in koken en men
kan haar buigen zoo men wil.
Om de bamboe schildpadkleurig te maken, neemt men een
koord van stroo of wat anders, goed met modder besmeerd,
wikkelt dit om de bamboe, op de wijze zoo men zulks verkiest,
houdt daarna de bamboe boven het vuur en daar waar zich het
koord bevindt, blijft zij wit, op de overige plaatsen wordt zij
bruin van kleur. Op deze wijze kan men op eene bamboe alle
verlangde figuren maken, waarna men haar polijst.
Methode om bamboe te rooken. Sedert eenigen tijd is er
groote vraag naar gerookte of gebruineerde bamboe, waarvan
parapluie-, wandel- en andere stokken gemaakt worden. Alvorens
ze te rooken, wordt de bamboe glad gemaakt, ingewreven met
water, waarin een weinig acidum nitricum, gedroogd en gewasschen.
Alsnu laat men haar rooken in den schoorsteen of
boven een vuur.
Om bamboe wit te maken, doet men den afgesneden stengel
in wit water, d.i. water waar rijst in gewasschen is; laat hem
daarin 3 à 4 nachten staan, wrijft hem vervolgens met zand en
bast van rijst en laat hem daarna in de zon verder bleeken.
Methode om letters, karakters of patronen op de bamboe te
brengen. Hiertoe neemt men den groenen bolster van de noot,
knipt daarvan de letters enz. die men wil overbrengen, lijmt
deze op de bamboe en bindt ze vervolgens zoodanig, dat zij
niet losgaan of afwijken kunnen. Vervolgens kookt men de bamboe
in gewoon water en na aan eene soort roostering onderworpen
te zijn, zullen de letters enz. in de bamboe gevreten zijn.
Methode om teekeningen op, de bamboe te brengen. Eerst maakt
men de bamboe goed glad, bedekt haar met een laag witte was,
graveert daar de verlangde teekening in, giet er vervolgens acidum nitricum
over en na wegneming der was zal men de teekening op de bamboe vinden; zij is daarin voor
goed ingevreten.
Methode om van bamboe krullen te maken bij wijze van de bekende
houtwol. Hiertoe laat men de bamboe eenigen tijd in het
water liggen en begint haar vervolgens met een mes af te schaven.
De fijnste krullen worden gebezigd voor matrassen en meubelen.
Methode tot het maken van lont. Hiertoe kiest men voornamelijk
de bamboes met lange leden, zet ze eenigen tijd in het
water, snijdt ze met een mes in lange, dunne stukken en klopt
die met een driehoekigen hamer tot vezels. Heeft men nu eene
lengte van 10 à 20 voet tot vezels of draden gereduceerd, dan
legt men die uit, wrijft ze zoolang met een stroowisch tot ze goed
glad zijn, legt ze op nieuw uit, bindt een steen aan één der
uiteinden, hangt ze op, laat ze drogen en snijdt ze eindelijk in
stukjes van de gewenschte lengte.
Methode om koord te maken. Hiertoe splijt men de bamboe
in de lengte in vier stukken en schaaft die. De lange krullen
wascht men in het water en maakt er dan koord of touw van,
om hekken enz. mede vast te binden. Deze soort touw of koord
kan vooral goed tegen regen of vocht en bederft minder vlug
dan andere soorten, zelfs al is het aan de zon of den wind blootgesteld.
Methode om papier te maken. Om papier van te maken zijn
alle sterk vezelachtige bamboes geschikt, maar de Madake (N°. 1)
is de beste en daarop heeft ook het volgende betrekking: Men
neemt de bamboe, snijdt haar in stukken, breekt haar of slaat
haar met een ijzeren hamer tot gruis, kookt die stukken of dat
gruis gedurende 2 à 3 uur in pekelwater, totdat de vezels goed
van elkaar zijn, wascht deze vezels daarna in heel helder water
met bleekpoeder af en maakt er papier van. De Japansche manier
is met de hand met de Kami suki fune, maar met de machine
is veel voordeliger. Het bamboe-papier is zeer sterk, mooi wit
en dus van zeer goede kwaliteit.
Methode voor het maken van wandelstokken. Sedert eenigen
tijd is er groote vraag naar bamboe-wandelstokken en worden
er veel van uitgevoerd. Men vervaardigt ze op de volgende
wijze: Stengels van 4 à 5 duim in omtrek worden afgesneden
met den knoop, waaraan de wortels groeien en aan de andere
zijde op de gewilde lengte; vervolgens wascht men het worteleinde
goed af om het zand te verwijderen, snijdt daarna de
wortels weg, schuurt de knoop, die voor knop moet dienen, met
een puimsteen en maakt daarna de bamboe glad.
Vervaardiging van bogen. Om bogen te maken is de
Madake (N°. 1) het best, omdat die zeer hard hout heeft; van
oudsher is dan ook uitsluitend deze soort daarvoor gebezigd. De
meest gezochten waren die uit de Yamatcyama bergen van de
provincie Yamashironokuni en volgens zeggen van de bogenfabrikanten,
die uit Kioto en Saikio het allerbest; de buitenhuid
is wel niet zeer hard, doch het hout des te meer, en
daarin ligt de superioriteit van deze bamboe boven alle anderen;
uit de omstreken van Tokio bijv. is het hout van de Madake te
zacht. Eertijds maakte men na het gedeelte voor den boog afgesneden
te hebben, van het overschietende worteleinde spijkers
en voornamelijk pinnen om de kling van sabels vast te zetten
in het gevest, mekongui genoemd.
Het Yamatotendjo of plafond van Yamato. Dit soort plafond
wordt gemaakt van gespleten Madake (N°. 1) of wel van kleine
soorten bamboe, die goed afgewasschen en dicht naast elkander
geplaatst worden, zonder eenige tusschenruimte; vervolgens bindt
men ze aan elkander met takken van Wistaria en doet op dit
vlechtwerk stroomatten, welke op hare beurt weder met een laag
modder bestreken worden. Eertijds waren in de provincie Yamato
alle plafonds op die manier gemaakt, omdat zij veel bijbrachten
tot de stevigheid der huizen, geen ratten er door vreten, geen
stof, wormen of insecten er door vallen en in geval van brand,
wanneer die aan het dak ontstaat, de vlammen zoo lang tegenhouden,
dat men ruimshoots den tijd heeft de meubelen te redden.
De bamboe als voorbehoedmiddel tegen water en tegen brand.
Het is volstrekt noodig aan de noord-westzijde van zijne eigendommen
bamboe te planten; men beschermt zich daardoor in
den winter tegen den noordenwind en in den zomer tegen de
zon, en ook tevens tegen brand. Wanneer er in de nabijheid
van iemands eigendommen, rijst- of andere bouwvelden een
rivier of kanaal is, dan moet hij evenzeer bamboes planten en
wel langs de oevers en dijken, daar zij vlug en dicht inéén
groeien en zoodoende bij overstrooming het gevaar grootelijks
verminderen en den oogst over het algemeen veel beschermen.
De was van bamboe. De dikste bamboes groeien voornamelijk
in de provincie Satsuma, waar men stengels aantreft van
meer dan 6 of 7 duim diameter en waar men van een Mosotchiku (N°. 2)
bijna een sho (1½ liter) was verkreeg. Natuurlijk
produceert de bamboe niet zooveel als de Kiro of wasboom
(Rhus succedanea), maar de was is zeer wit en fraai. Het maken
van was geschiedt op de volgende wijze: men neemt jonge bamboes
en houdt die boven het vuur, dan druipt er een vettige
olie of vocht uit, genaamd Takeshebu of bamboesap, waarvan
men de was fabriceert. Met jonge bamboes wordt hier bedoeld
de jonge spruit, welke, na zich van hare huid ontdaan te hebben,
door is blijven groeien tot Juni, den tijd waarop men haar
snijdt tot het maken van was.
|