De Bamboe-soorten van Japan
Verdere Bamboe-soorten

De Bamboe-soort genoemd "Hatchiku"

(Fig. No. 4)


N°.4. Hatchiku, Owodake, Karadake of Awadake, in China Tautchiku of Suitchiku genoemd. Deze bereikt gewoonlijk eene hoogte van 30 à 40 voet en eene dikte van 7 à 8 duim in omtrek; de grootste worden 50 voet hoog en 2 voet in omtrek. De jonge spruit is min of meer witachtig van buiten en de smaak iets zoet, de bamboe zelf witachtig van kleur. Zij wordt veel en in alle provinciën geteeld, op dezelfde wijze als de Madake (N°. 1), is even nuttig en er worden allerlei voorwerpen van gemaakt; voor vele zaken is zij zelfs beter dan de Madake. De fijne, zoogenaamde Suruga, of artikelen uit de gelijknamige provincie worden van haar vervaardigd. De leden zijn één voet en 5 à 6 duim lang. Van de kleine exemplaren maakt men wandelstokken, geraamten voor parapluies en vele andere voorwerpen. De jonge spruit groeit veel vlugger dan die van de Madake en is reeds eetbaar met de 4e of 5e maand (Mei of Juni); zij is zeer zacht en aangenaam van smaak.