De Bamboe-soorten van Japan
Verdere Bamboe-soorten
De Bamboe-soort genoemd "Kantchiku"
(Fig. No. 13)
N° 13. Kantchiku. Deze soort bamboe is zeer bladrijk en
tot den top toe gevuld; zij geeft veel jonge spruiten, wel klein
maar zeer goed om te eten, en wordt ook winter-bamboe genoemd
omdat zij zelf in den winter zeer hard door groeit. Zij bereikt
eene hoogte van 8 à 9 voet, wordt veelal om tuinen en huizen
geplant, ten einde daar een haag of palissade te vormen, doch
groeit ook best in moerassen en op hoogten. Men maakt er
manden van, doch van, de groote exemplaren karwatsen en houders
voor schrijfpenseelen. Zij is zeer gerenommeerd als karwats; eertijds
mocht slechts de Taikoen haar gebruiken. Men nam een twijg,
die de meeste knoopen bezat; de beste moesten 6 duim voor
handvat en de rest, die voor slag moest dienen, 33 leden hebben,
het geheel op eene lengte van 3½ voet. Men bedient zich van
deze bamboe ook ter vervaardiging van artikelen en werktuigen
voor het weven, van garenklossen en als "Ranma" of ornament
tusschen het plafond en den bovenstijl van deuren of wèl als
ornament in de vensters.
|