De Bamboe-soorten van Japan
Verdere Bamboe-soorten

De Bamboe-soort genoemd "Medake"

(Fig. No. 5)


N°. 5. Medake, Omagodake, Nagodake, Mikawadake, Hikkantchiku of Kawatake, welke laatste naam haar, naar men zegt, gegeven is, omdat zij zeer lang haar huid behoudt; Kawa beteekent namelijk "huid". Deze bereikt eene hoogte van 3 à 4 Ken ¹) (18 à 24 voet) en eene dikte van, 3 à 4 duim in omtrek; de leden zijn soms meer dan 8 voet lang; de jonge stengels zijn witachtig en de jonge spruiten zijn bitter. Het is eene soort die overal zeer vlug groeit; hare wortelen verspreiden zich overal heen en de planters plaatsen haar veelal aan de noord-west zijde van hun eigendom of hunne huizen om die, wijl zij zeer dicht opschiet, tegen wind en zon te beveiligen. Zij wordt voor velerlei zaken gebezigd, o.a. in de plaats van touwen om de emmers uit de putten omhoog te halen, voor hagen, voor muren en de lange stengels voor hengelstokken. Op het einde van den herfst worden zij gekapt, de langste stengels worden dan gedurende den winter op eene plaats geborgen waar het steeds rookt, in het begin van de lente over het vuur gehaald, daarna aangepunt en zóó als lans gebezigd om visch en andere zeeproducten mede te vangen; ook maakt men er karen van. Daar deze soort bamboe vlug groeit en veel wortels maakt, plant men ze ook veel langs rivieren ter versterking der dijken; bij hoog water maakt men er zelfs dijken van door tusschen de stengels stroo, gras, boomschors enz. te werpen. Daar de jonge spruit zeer bitter smaakt, is zij oneetbaar. Van de kleine stengels van 6 à 7 voet lengte en 1 à 2 duim omtrek bedient men zich, na ze gestrengeld te hebben, tot bet vervaardigen van plafonds of voor het binnenste van muren, die met pleister bestreken worden; verder tot het maken van geraamten voor waaiers en parapluies en ook voor allerlei manden enz. enz.

¹) 1 Ken = 1,819 M. (Red.)