De Bamboe-soorten van Japan
De Bamboe-soort genoemd "Mosotchiku"
(Fig. No. 2 en 3.)
Benaming. Japansch: Mosotchiku, ook geschreven Moso (waarschijnlijk
de naam van den ontdekker) of Wasedake. Chineesch:
Kouantchiku, Ritotchiku, Biotantchiku, Biodjitchiku en Matotchiku.
Verspreiding. De Mosotchiku of Kouantchiku is niet hard en
meer kort van leden, doch daarentegen zeer dik; de bladeren zijn
kort, dun en smal, de jonge spruiten in den beginne met een
soort dons bedekt, later lichtgroen en na verloop van eenige
jaren geelachtig. Zij is afkomstig uit China en werd van daar
omstreeks 157 jaar geleden door Liou Kiou in Kagoshima geïmporteerd;
weldra tierde de plant goed en thans vindt men in
Japan, met uitzondering van de noordelijke provinciën en die
van het eiland Yesso of Hokkaido, geen streek, waar de Kouantchiku
niet wil groeien. De grootte en dikte der stengels, zoowel
als de kracht en schoonheid der jonge spruiten wekken de bewondering
der vreemdelingen; zij worden alom door hen geprezen
en de cultuur der plant neemt steeds toe.
Geschikt terrein. De Mosotchiko verkiest een warm of gematigd
terrein; daar groeit zij buitengewoon. In de provinciën Hiuga,
Osumi en Satsuma wordt zij het grootst en bereikt soms een dikte
van meer dan 3 voet in omtrek. In de omstreken van Tokio
teelt men haar voornamelijk om de jonge spruiten, en daar deze
teelt, zooals gezegd, zich sterk uitbreidt, vindt men in die plaats
een enorme massa fraaie jonge spruiten voor voedsel.
De meest geschikte grond voor het planten van deze bamboe
is die, welke sedert jaren bewerkt en bijgevolg tot op eene flinke
diepte los en licht is; een hard, klei- of steenachtig terrein past
haar volstrekt niet.
Bemesting. Wil men fraaie bamboe-spruiten telen, dan moeten
de gaten, waar spruiten weggenomen zijn, niet met aarde aangevuld
worden, doch met eene soort mest, die men altijd voorhanden
dient te hebben en samengesteld is als volgt: 2 deelen
menschelijke uitwerpselen, 1 deel paardemest en 1 deel stroomest
en dit alles vermengd met afgevallen en verrotte bladeren.
Van dezen mest doet men een zekere hoeveelheid in de gaten bij
de karwats-worte1s en in den herfst en in den winter worden hier
en daar lijken van dieren begraven of anders met zeer verdunden
vloeibaren mest gegierd; op deze wijze zal men zeer fraaie en sterke
spruiten verkrijgen.
Verplanting. De verplanting geschiedt op de volgende wijze:
Men graaft een gat van circa 2 voet diepte, doet daarin wat
paardemest, gier, verrotte bladeren enz., hierop eene hoeveelheid
goed uitgewerkten verdunden huisjesmest (menschelijke uitwerpselen)
en ten slotte een laagje lichte aarde. Alsnu wordt de stoel in
het gat geplaatst, goed met lichte aarde bedekt en vervolgens de
stengels, zoo noodig, op eene hoogte van 8 à 9 voet boven den
grond schuin afgesneden; daarna wordt de grond met de schop
goed om de wortels gewerkt, vlak gemaakt en iets aangedrukt, en
ten slotte een paar steunsels aangebracht. De beste periode voor
verplanting is van de helft der 6e maand (half Juli) tot het einde
der 10e maand (einde November), maar in het bizonder gedurende
de regens.
Instandhouding. De behandeling van de Mosotchiku, wanneer
die, zoals veeltijds het geval is, uitsluitend voor de productie van
spruiten geteeld wordt, verschilt geheel en al van die der
Madake.
1°. De grond moet bovenal zeer licht en los zijn; ergo moet
de circulatie van menschen, paarden en vee door bet bosch
volstrekt verboden zijn.
2°. De grond in het bosch mag nooit droog zijn; vandaar
moet men de wortels met gesneden gras, stroo, stroomatten of
zoo iets bedekken; ook is het uitmuntend op verschillende punten
van het bosch hoopjes mest te hebben om uitgestrooid te kunnen
worden.
3°. De bamboe moet beschut worden tegen de hevige koude.
's Winters, wanneer er sterke noordenwinden waaien, moet een
muur van stroo of riet aangebracht worden, waardoor de
karwatswortels de gelegenheid houden zich te ontwikkelen en alzoo
fraaie en zeer vele jonge spruiten zullen voortbrengen. Wanneer
de jonge bamboes uit de spruiten zijn opgeschoten, de huid voor
de helft gevallen is en zich alleen nog aan den top van de jonge
stengels bevindt, dan schudt men haar zoodanig, dat de top breekt
en naar beneden valt; - dit doen allen, welke de bamboe telen
voor de spruiten, welker aantal hierdoor grooter zal worden.
In een bamboe-bosch moet men op eene oppervlakte van een
Tan ¹) of 800 Tsubos (10800 v.k. voeten) 60 à 70 stoelen laten
staan en op iederen stoel slechts 2 à 3 stengels, dus op de geheele
oppervlakte ± 150 à 200 stengels.
Bescherming en zorgen. Wordt de Mosotchiku aangeplant in
een warm terrein op het zuid-westen, dan groeit zij goed, zelfs
zonder haar veel mest te geven of er veel zorg aan te besteden; zij
wordt sterk, geeft fraaie stengels en spruiten en het bosch wordt
dicht. Plant men haar daarentegen in een terrein op het noord-
oosten, dan produceert zij ook wel, doch dit hangt af van de zorgen,
die de teler er aan besteedt.
Wil men een bamboe-bosch kweeken, dan zal men moeten
beginnen den grond goed om te werken en fijn te maken en er
dan veel mest in te brengen. Van de 3e maand tot het einde van
de 5e (einde April tot einde Juni) moeten de gaten, waar men de
spruiten uitgegraven heeft, zooals vroeger gezegd is, met mest
gevuld worden, waarbij men ook nog asch of rijstafval kan bezigen.
Van de 8e - 10e maand (September - November) groeien de wortels
6 à 12 voet; deze moet men goed verzorgen en wèl oppassen,
dat ze niet beschadigd worden; de grond rondom hen moet flink
los gemaakt en zij, welke, zooals dikwijls het geval is, tot aan de
oppervlakte zijn gekomen, voorzichtig tot op eene diepte van ± 4
voet ingegraven worden. Vervolgens doet men er een goede dosis
verdunden paarden- of huisjesmest bij, vult de rest van het gat
met aarde en stampt die met behulp van een paal min of meer
aan. Als de grond goed gemest en los is en de wortels bijgevolg
gemakkelijk tot op eene flinke diepte kunnen doorgroeien, dan ontwikkelen
zich vele en fraaie spruiten.
Er is nog een andere manier van kweeken; tegen den tijd, dat
zich aan de karwats-wortels de jonge uitspruitsels ontwikkelen
(d i. midden Augustus), graaft men den grond 2 voet diep uit,
doet er mest in en geeft aan den daarop gebrachten wortel door
middel van paaltjes een andere richting (wel te verstaan, door
ombuiging); vervolgens wordt er weer wat mest bijgedaan en de
rest van het gat met aarde aangevuld. Op de plaats, waar de
wortels aldus zijn omgebogen, vindt men het volgende jaar veel
mooie spruiten. (Dit systeem is zeer aan te bevelen voor terreinen
van weinig uitgestrektheid).
Het kappen. De tijd van kappen der Mosotchiku is dezelfde
als van de Madake, d.i. het einde van den herfst en het begin van
den winter; doet men het op een anderen tijd, dan worden zij
door den worm aangetast en deugen voor niets.
Aanwending en gebruik. De dikke exemplaren worden gebezigd
om er wateremmers en andere zaken van te maken, zooals
bloempotten, theebladen, tabakspotten, waschbakken en vele andere
huishoudelijke artikelen.
De Takenoko of spruit. (Fig. 3). Het uitgraven der spruiten
geschiedt bij voorkeur voordat zij zich aan de oppervlakte van
den grond vertoonen; zij zijn dan malscher en lekkerder van
smaak. Van alle soorten van bamboe is de spruit der Mosotchiku
de beste om te eten; zij is de dikste, heeft het meeste vleesch
en is in de lente de fijnste spijs, die men maar kan verlangen.
Vijf jaar na de verplanting levert deze bamboe het eerst spruiten
op, geschikt voor de tafel; doch na 10 jaar is het bosch pas goed
voorzien en levert het veel op. Na gezegde 10 jaar levert een
oppervlakte van één Tan ¹) of 800 tsubos ieder jaar ± 3200 pond
bamboespruiten op. Het is van algemeene bekendheid, dat de
Mosotchiku-spruit van Japan de beste, heerlijkste en fijnste van
smaak is; zelfs de vreemdelingen vinden het eene der heerlijkste
groenten; - als men er zich dus op toe wilde leggen ze te conserveeren,
hetzij in blikken of op flesschen, dan zou het een artikel
van groote exportatie kunnen worden.
¹ ) 1 Tan = 993 v.k. Meter ruim (Red.)
|