BAMBOE, reus onder de grassen
Nieuwe soorten en rassen
Nog niet zo lang geleden was er nauwelijks sprake van een gevarieerd aanbod
aan bamboe. Slechts enkele gespecialiseerde kwekers en fanatieke verzamelaars
zorgden voor een stroom nieuwe soorten. Na een periode van bijna twintig jaar
waarin de groei van bamboe kon worden geobserveerd - met drie strenge
winters in het midden van de jaren tachtig - wordt duidelijk welke soorten in
ons klimaat echt een kans hebben en esthetisch iets
toevoegen aan het bestaande aanbod.
Een aantal wat langer bekende soorten heeft zich in de loop der jaren in enkele
botanische tuinen en privécollecties op een indrukwekkende manier ontwikkeld.
Zo is Phyllostachys viridiglaucescens op diverse plaatsen uitgegroeid tot
een respectabele hoogte van 6 tot 8 m. De nogal drastisch ingesnoeide Phyllostachys
aureosulcata in de Hortus Botanicus van de Vrije Universiteit in
Amsterdam, vormde een heus bamboebos met duimdikke halmen tot 7 m hoog,
waar zich een paadje doorheen slingerde. Ook Semiarundinaria fastuosa
achter de Victoriakas in de Leidse Hortus met dikke stammen tot 8 m hoog
bewijst dat deze soort zich hier volledig thuis voelt. Twee bijna 10 m
hoge Phyllostachys nigra 'Boryana' bestanden in de arboreta van Kalmthout
en Bokrijk behoren tot de hoogste van onze streken.
Groei
In de groei onderscheidt bamboe zich het sterkst van andere houtige gewassen. De
halmen van bijvoorbeeld een 3 m hoge Phyllostachys aureosulcata zullen
niet meer aan hoogte winnen. Hiervoor zorgen de nieuwe stengels die in het
voorjaar vingerdik met hun groei beginnen. In twee maanden kunnen deze met
gemak de bestaande halmen 1 m in hoogte overtreffen. In de loop van de
zomer vertakken ze zich en ontwikkelen blad. Bij Phyllostachys pubescens, een
voor ons klimaat weinig geschikte soort, is de groei nog adembenemender. In
het bamboepark bij Anduze in Zuid-Frankrijk komen de nieuwe scheuten in
april vaak met een doorsnede van meer dan 10 cm uit de grond. Na twee
maanden kunnen ze al meer dan 20 m boven oudere halmen uitsteken.
Bij de meeste winterharde soorten begint de groei van de horizontale
wortelstokken (rhizomen) in de tweede helft van de zomer. In de rhizomen slaat de
plant zijn voedselvoorraad op die nodig is voor de ontwikkeling van nieuwe
halmen in het volgende voorjaar.
Net onder de oppervlakte kunnen ze, afhankelijk
van de soort, enkele meters per seizoen groeien. Dat maakt deze
planten zonder voorzorgsmaatregelen minder geschikt voor kleine tuinen en
voor plekken bij vijvers van folie. Maar met een barrière van bijvoorbeeld 50
tot 60 cm diep ingegraven plastic golfplaten of een vergelijkbaar hard materiaal
wordt deze ontstuimige groei ingedamd.
Ook hoge bamboe wordt in de kleine tuinen van het overbevolkte Japan
toegepast. Door regelmatig te snoeien laat men steeds de mooiste halmen staan.
Door bamboe te combineren met bodembedekkers, zoals klimop, maagdenpalm of
siergrassen, kan een opvallend vorm- en kleurcontrast ontstaan.
Om zich echt mooi te kunnen ontwikkelen heeft een hooggaande bamboe zeker 4
tot 6 m² grondoppervlakte nodig.
Voor kleine tuinen, als solitair of als wintergroene haag, is vooral de niet-
woekerende Fargesia (Sinarundinaria) geschikt.
Nieuwe mogelijkheden
Bij de keuze van bamboe staat winterhardheid voorop. Ook de groeikracht
in onze vaak koele zomers moet voldoende zijn om de jonge halmen goed af te
laten harden. Een aantal nog moeilijk te verkrijgen nieuwe soorten en cultivars
voldoet hier ruimschoots aan en heeft door stengelkleur of tot de verbeelding
sprekende groeivorm grote sierwaarde. Zo zijn de al wat langer
bekende Phyllostachys aurea en Phyllostachys bambusoides eigenlijk niet goed
opgewassen tegen onze strengste winters. Toch kan ook de prachtige vorm
Phyllostachys bambusoides 'Castillonis' met zijn diepgele stengels en groene
lengtestrepen zich met een beetje geluk tot een indrukwekkende kleurrijke bos
ontwikkelen. Phyllostachys aurea 'Holochrysa', waarvan de gele halmen
soms naar rood verkleuren, zal op een beschutte standplaats de meeste winters wel
overleven.
Goed te gebruiken wintergroene bamboes met groene stengels, zoals Phyllostachys
angusta, Phyllostachys decora, Phyllostachys humilis en Phyllostachys rubromarginata
lijken op het eerste gezicht nogal op elkaar, maar in volwassen staat
tonen ze hun individuele karakter.
Een wezenlijke verrijking van het bekende
bamboesortiment wordt gevormd door de hierna genoemde soorten.
Bashania fargesii lijkt met zijn grote bladeren en stugge opgaande halmen nog
het meest op een kruising tussen Pseudosasa japonica en Semiarundinaria
fastuosa, maar door zijn enorme groeikracht en uitbreidingsdrang laat hij deze
ver achter zich.
In China is dit de noordelijkst geteelde, hoog wordende
bamboe. Ondanks koele zomers en strenge winters wordt hij daar met 5 cm
dikke halmen wel 10 m hoog. De jonge scheuten zijn zacht en zoet en
worden als groente gegeten. In München heeft deze soort binnen 8 jaar
ondanks ongunstige omstandigheden toch een hoogte van 7½ m bereikt.
De meeste Fargesia (Sinarundinaria)-soorten hebben hun verspreidingsgebied
hoog in ontoegankelijke berggebieden van Midden- en West-China. Van de
ongeveer vijfenzeventig soorten zijn er nog maar weinig in Europa ingevoerd. En juist bij
deze vaak goed winterharde, niet woekerende bamboe zijn de verwachtingen
hooggespannen. Fargesia murielae, en Fargesia nitida met de cultivars
'Eisenach' en 'Nymphenburg' bewijzen al jaren hun veelzijdige toepasbaarheid.
Twee nieuwe soorten voegen door hun opvallende uiterlijk zeker wat toe.
Fargesia robusta loopt met dikke behaarde scheuten vroeg in het voorjaar uit.
De witte schutbladeren vormen een prachtig contrast met de glanzende olijfgroene
bladeren en halmen. Hij is goed winterhard en kan 6 m hoog worden.
De bizarre Fargesia utilis lijkt in volwassen staat wel van buitenaardse
oorsprong. De meer dan 2 cm dikke halmen met kleine bladeren richten zich vanuit
de basis met een lange bocht omhoog. De winterhardheid is goed en de maximale
hoogte ligt tussen de 4 en 5 m.
Gebruik in de tuin
Niet alleen in een bamboebos, maar ook in de tuin bepalen vooral de
aantrekkelijk gevormde halmen, de kleur en het groene loof de sierwaarde. Bij
Phyllostachys arcana 'Luteosulcata' contrastreert de felgele, platte stengelkant
(sulcus) prachtig met de
diepgroene kleur van de halm. Ook de ijzersterke Phyllostachys aureosulcata
en de cultivars 'Aureocaulis en 'Spectabilis' behoren tot de kleurrijkste van de
goed winterharde soorten. Bij de eerstgenoemde cultivar worden de halmen
diepgeel, vaak met een rode waas. 'Spectabilis' heeft bovendien groene
lengtestrepen op de sulcus. De eerste nieuwe bladeren in het voorjaar hebben een of
meer gele strepen. Vooral in Duitsland winnen deze twee vormen snel aan
bekendheid. De maximale hoogte zal hier tussen de 5 en 7 m liggen. Van
hetzelfde formaat en met een vergelijkbare groeiwijze heeft Phyllostachys
bissetii met zijn diepgroene halmen en bladeren toch een geheel eigen karakter.
Niet nieuw, maar wel spectaculair, is Phyllostachys nigra met zijn naar
purperzwart verkleurende stengels en Phyllostachys nigra 'Boryana' met zijn
bruin gevlekte 'panterhuid'. De laatste kan zich net als de totaal groene
Phyllostachys nigra 'Henonis' ontwikkelen tot een zeer hoge sierlijke bamboe.
Nog zo'n panterbamboe met bruine vlekken is Phyllostachys nuda 'Localis'. De
open sprookjesachtige sfeer van een volwassen Phyllostachys nuda-bos is onvergetelijk.
En de statige Phyllostachys propinqua heeft eigenlijk alles in huis wat men van
een hooggaande bamboe verwacht. In de vroege zomer worden slechts enkele,
maar wel dikke halmen met vrij grote bladeren gevormd. De ondergrondse
uitbreidingsdrang blijft enigszins beperkt. Op een humusrijke standplaats kan
deze zeer winterharde reus wel een hoogte van om en nabij de 8 meter bereiken.
Ook Phyllostachys vivax met zijn enorme groeikracht is goed bestand
tegen koude winters. Op een teeltlaag van maar 30 cm bereikte hij in een tuin
in Parijs in acht jaar tijd een hoogte van 9 m met polsdikke stammen. Ook in
ons klimaat zal hij waarschijnlijk voor nieuwe records gaan zorgen.
Phyllostachys vivax 'Aureocaulis' is een magnifieke vorm met een diepgele halmkleur
met her en der wat groene lengtestrepen. In volwassen staat lijkt hij enigszins
op de wat valer gekleurde en bij ons niet geheel winterharde Phyllostachys
viridis 'Sulphurea' en de tropische Bambusa vulgaris 'Vitatta'. De laatste is in
veel parken rond de evenaar aangeplant. Omdat deze bamboe in tegenstelling
tot de winterharde soorten wel te stekken is, komt men de bewortelde afgezaagde
gele stammen als kamerbamboe nogal eens tegen. Het zou me niet
verbazen als Phyllostachys vivax 'Aureocaulis' als indrukwekkendste,
goed winterharde, hoge bamboe snel zijn weg naar onze parken en tuinen gaat
vinden. Bij Pseudosasa japonica heeft de vorm 'Tsutsumiana' enigszins bol
opgezwollen internodiën (stengelleden). Ook Semiarundinaria fastuosa met zijn
zuilvormige groeiwijze heeft gezelschap gekregen van twee bijzondere soorten:
Semiarundinaria viridis
(Semiarundinaria fastuosa f. viridis) overtreft deze in winterhardheid en
hoogte, terwijl Semiarundinaria yashadake 'Kimmei' met zijn kleurige geel met
groene halmen juist wat kleiner blijft.
Met toestemming overgenomen uit Groei & Bloei, het maandblad
van de Koninklijke Maatschappij Tuinbouw en Plantkunde,
Postbus 87910, 2508 DH DEN HAAG (tel. 070-3514551)
Tevens met toestemming van de auteur Jos van der Palen.
Dit artikel is eerder verschenen in Groei & Bloei
mei 1994 (blz. 56).
|