Het kleine bamboe woordenboekDeze pagina bevat een aantal woorden die regelmatig voorkomen in de bamboeliteratuur. De lijst is kort en zonder meer onvolledig maar bevat toch een aantal woorden die niet bij iedereen bekend zijn. Voor het betere zoekwerk is er Garden Web Glossary Albo-striatus - wit gestreept. Sasaella masamuneana 'Albo-striata' Angustifolius - smal blad. Pleioblastus chino f. Angustifolius Argenteus - zilverkleurig. Arundo - riet. Arundo donax Atro - donker. Sasaella atropurpurea Aureus - goudkleurig. Phyllostachys aureosulcata 'Aureocaulis' Bambusa - bamboe. Bambusa tuldoides ventricosa Calamus - riet. Himalayacalamus hookerianus Chiku - grote bamboe (Japan). Chino - China. Pleioblastus chino Chrysanthus - goudgeel. Chusquea - latijne benaming voor de lokale naam "Chusque". Chusquea culeou cv - cultivar, variëteit in cultuur. Soort die niet in de natuur voorkomt maar door kwekers in stand wordt gehouden. Phyllostachys heterocycla cv. Gracilis Dake - algemene benaming voor bamboe in Japan. Dendrocalamus - boomachtig. Dendrocalamus asper Distichus - in twee rijen gerangschikt. Pleioblastus pygmaeus distichus Edulis - eetbaar. Phyllostachys edulis f - forma. Een kleine maar constante variatie binen een soort. Semiarundinaria fastuosa f. viridis Fargesia - vernoemd naar Pater Farges die in het zuiden van China op zoek was naar nieuwe planten. Fargesia nitida Glaucescent - licht bepoederd. Bambusa glaucescens Guada - latijne benaming voor de lokale naam "Guadua". Guadua angustifolia Gramineus - grasachtig. Pleioblastus gramineus Hibanobambusa - "bamboe van de berg Hiban", de plaats waar deze soort werd gevonden. Hibanobambusa tranquillans Humilis - lagere groei. Phyllostachys humilis Indocalmus - indisch riet (Grieks). Indocalamus latifolius Internode - deel van een stengel, tak, of rizoom dat zich tussen twee noden bevindt. Leptomorph - zie monopodiale groei. Mitis - zacht, zonder uitsteeksels. Monopodiale groei - groeiwijze die vooral voorkomt bij de koude bestendige soorten. De rizomen zijn over het algemeen dunner als de stengels. De rizomen verspreiden zich sterk en gaan uiteindelijk vaak een woekerend gedrag vertonen. Een bekend voorbeeld is Sasa palmata. Nanus - dwergachtig. Niger - zwart. Phyllostachys nigra Node - stengelknoop die de meestal holle segementen van een stengel, tak of rizoom met elkaar verbindt. De knoop is meestal duidelijk zichtbaar maar soms zwak ontwikkeld zoals bij Pseudosasa japonica. Otatea - de lokale benaming voor deze bamboesoort in Mexico. Otatea acuminata Pachymorph - zie sympodiale groei. Pleioblastus - veel takken (of spruiten) (Latijn). Pleioblastus fortunei Poaceae - grassen. Pubescens - harig of donzig. Phyllostachys pubescens Pumilis - laag, klein of dwergachtig. Pleioblastus pumilis Punctatus - gevlekt of gestippeld. Phyllostachys nigra 'punctata' Pygmaeus - klein, dwergachtig. Pleioblastus pygmaeus Qiongzhuea - latijnse benaming voor een bepaald berggebied in China. Qiongzhuea tumidinoda Ramosus - met veel takken. Sasaella ramosa Rizoom - wortelstok; ondergronds deel van de plant dat overeenkomsten vertoont met de stengel. Het rizoom wordt omgeven met een schutblad dat tijdens de groei bescherming geeft tegen harde obstakels (stenen). Het rizoom is erg taai en wordt daarom soms gebruikt om erosie langs de oevers van rivieren tegen te gaan. Het rizoom dient verder voor de opslag van reservevoedsel. Sasa - kleine bamboe (Japan). Sasa palmata Shibataea - latijnse benaming voor de Japanse botanicus Shibata. Shibataea kumasaca Sino - China. Sinobambusa tootsik ssp - subspecies (ondersoort). Fargesia ssp. Jiuzhaigou Stengel - deze onstaat vanuit het rizoom onder het aardoppervlak. De stengel bestaat uit internodiën en knopen. Verder ontstaan er aan de stengel zijtakken. Jonge stengels worden beschermd door schutbladeren. Deze vallen nadat de stengel zijn uiteindelijke hoogte bereikt heeft na enkele weken of maanden af. Bij sommige soorten blijven ze echter tot enkele jaren aan de stengel zitten. Striatus - gestreept. Pleioblastus viridistriatus Sulcus - groef in de stengel tussen de knopen. De groef kan ook op de takken voorkomen. Bij het geslacht Phyllostachys is de sulcus zeer goed waarneembaar. Phyllostachys aureosulcata Sympodiale groei - groeiwijze die vooral voorkomt bij de tropische soorten. De rizomen zijn over het algemeen dik en stevig. De rizomen verspreiden zich zeer langzaam wat boven de grond tot uiting komt als een polvormende groeiwijze. Een mooi voorbeeld is het geslacht Bambusa. Take - algemene benaming voor bamboe in Japan. Vagans - woekerend. var - variëteit. Een afwijking binnen een soort. Phyllostachys heterocycla var. pubescens Variegatus - bont gekleurd. Phyllostachys bambusoides 'Albovariegata' Viridis - groen. Phyllostachys viridiglaucescens Viridistriatus - met groene strepen. Pleioblastus viridistriatus Viridus - groen. Vittatus - in de lengte gestreept. Bambusa vulgaris 'Vittata' x - hybride (kruising tussen 2 soorten). Hibanobabusa x tranquillans Yushania - latijnse benaming voor een bepaald berggebied in China. Yushania anceps Zasa - zie Sasa. Zhu - bamboe (Chinees) Hier volgen nog meer woorden die wel eens op willen duiken in de plantenwereld. A - zonder. Alba - wit. Alpina - alpen/bergachtig. Amethystina - lichtpaars. Antha - bloem. Aurea - goud. Barb - baard. Bi - 2. Blasta - knop. Brevi - kort. Caerulea - hemelsblauw. Capil - harig. Caulis - stengel. Chrys - goud. Cunei - hoekig/gepunt. Erythro - rood. Flava - lichtgeel. Flora - bloem. Folia - blad. Fulva - geel/bruin. Gigantea - reusachtig. Glab - glad. Gracilis - sierlijk. Grandi - groot. Hirs - harig. Hirt - harig. Hisp - harig. Ion - violet/paars. Lazuli - blauw. Leuco - wit. Longi - lang. Livida - blauw zwart. Lutea - geel/oranje. Macr - groot. Major - groot. Maxima - grootste. Micro - klein. Miniata - scharlaken rood. Minor - klein. Multi - veel. Myri - veel. Nana - dwergachtig. Nigr - zwart. Parva - klein. Pauci - weinig. Penta - 5. Phylla - blad. Pumila - klein. Purpurea - paars. Pusilla - erg klein. Pygmaea - dwergachtig. Rhiza - wortel. Rhodo - lichtroze. Rubra - red. Sepala - kelkblad. Stigma - vlek. Tetra - 4. Tri - 3. Uni - 1. Ven - ader. Violacea - violet/paars. Vitell - diepgeel. Vulgaris - algemeen.
|