Laatst bijgewerkt op 8-12-2008
Op deze pagina vind je gedichten die mij aanspreken.
Ben je hier niet via mijn website gekomen? Kijk dan ook op www.pieterfeller.nl
Wil je contact? Mail me dan pieter.feller@chello.nl

Op deze plek heeft een gedicht gestaan.
't Beviel me niet. Toen ik het op wou knappen,
toen bleef er, toen mijn pen begon te schrappen,
per slot van rekening geen woord van staan.
Het gaf een beeld van 't schrijverlijk bestaan,
Zijn zelfverwijt en andere eigenschappen.
Het was vooral triest door de trieste grappen.
Neen, het was goed noch slecht, er was niets aan.
Het was geïnspireerd op een Jan Steen:
Elia - misschien zal u dit verbazen -
Elia met de raven om zich heen.
Mijn vogels werden stenen door de glazen,
en mijn Elia werd vel over been.
Hier rust zijn as, Requiescat in pace.
Aan Rika door Piet Paaltjens(F.Haverschmidt) 1835-1895
Slechts eenmaal heb ik u gezien. Gij waart
gezeten in een sneltrein, die de trein,
waar ik mee reed, passeerde in volle vaart.
De kennismaking kon niet korter zijn.
En toch, zij duurde lang genoeg, om mij
het eindloos levenspad met fletse lach
te doen vervolgen. Ach, geen enkel blij
glimlachje liet ik meer, sinds ik u zag.
Waarom ook hebt gij van dat blonde haar,
daar de englen aan te kennen zijn? En dan,
waarom blauwe ogen, wonderdiep en klaar?
Gij wist toch, dat ik daar niet tegen kan!
En waarom mij dan zo voorbijgesneld,
en niet, als 't weerlicht, 't rijtuig opengerukt,
en om mijn hals uw armen vastgekneld,
en op mijn mond uw lippen vastgedrukt?
Gij vreesde mooglijk voor een spoorwegramp?
Maar, Rika, wat kon zaalger voor mij zijn,
dan, onder hels geratel en gestamp,
met u verplet te worden door één trein?
Des duivels door Jules Deelder (1944)
Hitler liet voortdurend scheten
En ging als Führer permanent
Van zwavelige damp omgeven
Die tot lang na zijn vertrek
In de ruimte rond bleef zweven
Ook al werden alle ramen er
Direct tegen elkaar opengezet
Men kan Herr Hitler veel
Verwijten maar niet dat hij
Niet konsekwent zijn ware
Aard liet blijken
Want viel soms niet van
Oudsher al de aanwezigheid
Des duivels uit de geur
Van zwavel af te leiden?
Hoe men hem ook mag verguizen
Niemand die ontkennen kan
Dat hij het mensdom en
De wereld wel een poepie
Heeft laten ruiken.

Espresso van Tomas Tranströmer(geb. 1931) vertaald door J.Bernlef
De zwarte koffie op het terras
met stoelen en tafels bont als insekten.
Kostbare opgevangen druppels
vervuld van dezelfde kracht als Ja en Nee.
De koffie wordt donkere cafés uitgedragen
en kijkt zonder te knipperen in de zon.
In het daglicht een weldadige zwarte stip
snel uitstromend in een bleke klant.
De koffie lijkt op de druppels zwarte diepzinnigheid
soms opgevangen door de ziel,
een weldadige schok teweegbrengend: Vooruit!
Inspiratie om de ogen te openen.

Het einde van de wereld
goed beschouwd
is God de enige
die daar om rouwt.

Hoe bar, hoe onverzoenlijk bitter
heerst wintertijd over het land.
De bodem prijkt met wit geschitter.
De magere boom staat zwart verbrand.
De onzalige boom schudt zwarte kraaien
onwillig over 't witte land.
Een groot penseel dat onheiltekens waaien
laat over het geduldig land.
Ik kan de vreemde tekenen niet lezen.
Ze omdwarrelen mij vluchtig en verward.
Misschien wordt mijn doodvonnis afgelezen.
Wat ik vermoed, klinkt zéker in mijn hart.
Hoe bar, hoe onverzoenlijk bitter
is dit getij van wanhoop en van schroom.
Straks zeilen krassend uit het sneeuwgeschitter
de kraaien op, en hang ik in de boom.

Raad door Annie M.G. Schmidt 1911-1995
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefheeft, dochter
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de zakjes blauw*,
dochter, is altijd voor jou.
*Zakjes blauw werden voor 1960 toegevoegd aan de witte was.
Annie had overigens geen gelijk. Alle mannen kunnen ontrouw zijn. Dus je kunt gerust een dichter trouwen en niet perse een kruidenier, tenzij je meer van gratis kersenjam houdt dan van gedichten!

Zie je ik hou van je door Herman Gorter 1864-1927
Zie je ik hou van je,
Ik vin je zo lief en licht -
je ogen zijn zo vol licht.
Ik hou van je, ik hou van je.
En je neus en je mond en je haar
en je ogen en je hals waar
je kraagje zit en je oor
met je haar ervoor.
Zie je ik wou graag zijn
jou, maar het kan niet zijn,
het licht is om je, je bent
nu toch wat je eenmaal bent.
O ja, ik hou van je,
ik hou zo vrees'lijk veel van je
ik wou het helemaal zeggen -
Maar ik kon het niet zeggen.
Onderstaand gedicht is een reactie op het gedichtje van Herman Gorter. Je ziet niet veel haatgedichten, maar deze mag er zijn.
Hoor eens ik haat je door Ingmar Heytze geb.1970
Hoor eens ik haat je,
ik schreef dat je lief was en licht -
en nog wat onzin over je gezicht
maar nu haat ik je, god wat haat ik je.
Die neus, dat hoofd, die paardenbek,
die ogen en die gierennek
dat kraagje en dat bloemkooloor
met al je slierten haar ervoor.
Hoor eens ik wou graag zijn
jou, maar kon het niet zijn,
het licht is uit, ik zie je alsnog
zoals je werkelijk bent.
O ja, ik haat je,
ik haat je zo vreselijk
ik wou het helemaal niet zeggen -
maar ik moest het even kwijt.

Lente door Elfie Perrelt geb.1952
Stilzwijgend tikken de kiemen
als eitandjes tegen de aardschaal
Verblindend is het licht
als het donker eindelijk wijkt
Dagen worden aaneengeregen
met dons en mos en twijgen
Bevend zweeft de nevel
over heide, weide, wouden
Blatend, kakelend, kwetterend
wollig, mollig, melkgelik
Bruisend breekt het beekje
De elver schiet schichtig weg
Nergens is de koude winter
zo ver en afwezig als hier

Het wiel door William Butler Yeats 1865-1939
's Winters willen we lente
en in de lente liefst zomer
en als het wemelt in de heggen
zeggen we: laat de winter komen.
En daarna is er niets meer goed:
het voorjaar komt er niet meer aan.
Wij weten niet dat in ons woedt
verlangen om maar dood te gaan.

De winter en mijn lief zijn heen door Vasalis 1909-1998
De winter en mijn lief zijn heen.
Er zit een merel op het dak,
zijn keel beweegt, zijn snavel beeft
alsof hij in zichzelve sprak.
Hij luistert: uit een verre boom
klinkt als het ketsen van twee stenen
een vonkenregen van verlangen
zo luid, zo helder en zo bang.
De merel stort zich met een kreet
vol wildheid in de voorjaarsvlagen.
Ik kan het bijna niet verdragen:
mijn voorjaar en mijn lief zijn heen.

Mol door Hans Andreus 1926-1977
Dat ik woon in de aarde,
woel door de grote moeder,
kind aan huis blijf bij haar,
en dat ik het gevaar
schuw van alles onder de zon -
goed, maar moet ik niet leven
zoals ik ben, blind
en met de onrust in de poten
van een grond doordrenkt van doden?

Ik maak in gedachten vaak een bedevaart:
Dan sta ik weer op de plek, die zomerdag,
waar ik door de Eikenlaan je komen zag;
Als relikwie heb ik dat beeld bewaard:
Uit zonnige bomen dropte op zonnige aard
overal neer de zonnige vinkenslag;
Ik zag op jouw goed gezicht die blijde lach
en dacht opeens: Ben ik die liefde waard?
En één ding weet ik: als jij dood mocht gaan,
zal het zijn, als stond ik weer in de Eikenlaan,
toen jij zou komen met jouw lief gezicht.
Dan wordt die zomerdag, zolang voorbij,
een visioen van toekomst, waarin jij
mij staat te wachten in onwerelds licht.
'Ik was uit Azië geïmporteerd.
Al spoedig had mijn baas, een winkelier
mij aan een zondagsschooljuffrouw gesleten.
En ach, ik heb niet veel te klagen hier,
ik zit behoorlijk warm en krijg te eten.
Iets evenwel vergeef ik haar niet gauw.
Het zijn de afgezaagde, loze kreten
(Dag! Lekker koekje! Lorre! Koppiekrauw!
En meer nog) die dat mens me heeft geleerd.
't Is alles zo onrijp, zo braaf, zo saai...
Geef mij maar zeelui,' dacht de papegaai.

De eerste foto van Hitler, door Wislawa Szymborska* geb.1923
Wie is dat snoesje in dat babyjurkje toch?
Dat is nou de kleine Adolf, het zoontje van de Hitlers.
Zou hij misschien een doctor in de rechten worden?
Van wie is dat handje, van wie dat oortje, oogje, neusje?
Van wie dat volle melkbuikje is, weten we nog niet:
van een drukker, chirurgijn, koopman, pastoor?
Waarheen zullen die grappige beentjes hem brengen?
Naar de speeltuin, school, kantoor, een huwelijk
met de burgemeestersdochter misschien?
Ons dreumesje, engeltje, kruimeltje, zonnetje,
toen het een jaar geleden ter wereld kwam,
ontbrak het niet aan tekens te land en in de lucht:
de voorjaarszon, geraniums voor de ramen,
de muziek van een draaiorgel buiten op straat,
een voorspelling van voorspoed in roze zijdepapier,
vlak voor de bevallig de profetische droom van de moeder:
een duifje zien betekent een blijde boodschap,
deze duif vangen; er komt een langverbeide gast.
Klop, klop, wie is daar, dat is kleine Adolfs hartje.
Een speentje, luiertje, slabbetje, rammelaar,
wat een joch, God zij geloofd en afkloppen, gezond,
hij lijkt op zijn ouders, op de kat in haar mandje,
op de kindertjes in andere familiealbums.
Nee, we gaan nu toch niet huilen,
meneer de fotograaf doet dadelijk klik onder de zwarte doek.
Atelier Kliner, Grabenstrasse Braunau,
en Braunau is een kleine waardige plaats,
degelijke winkels, nette buren,
de geur van verse bolletjes en huishoudzeep.
Geen jankende honden of onheilspellende voetstappen.
De geschiedenisleraar doet zijn boordje los
en gaapt onder het nakijken.
*Wislawa Szymborska komt uit de Poolse stad Krakow. Ze publiceerde sinds 1945 een groot aantal dichtbundels en kreeg in 1996 de Nobelprijs voor Literatuur.
Nieuwjaar door J.C. Bloem 1887-1966
De nieuwjaarsklokken luiden door de radio.
Stortregen valt. De dag is onbeschrijflijk goor.
Men is alleen gelaten en aanvaardt het zo.
Men vraagt zich zelfs niet af: waarom is 't en waardoor?
Tegen het leven is toch immers niets te doen;
de wereld heeft geen oorden meer om heen te gaan,
en 't hart wordt niet, gelijk de landen, jaarlijks groen:
Er is geen vlucht uit een voorgoed mislukt bestaan.
Op een avond door Jac. Van Hattum 1900-1981
Je bent er op een avond, want een vrouw
liet je ontglippen aan haar moede schoot,
die onder pijnen opende en sloot -
bitter of blij over wat komen zou.
Je bent er, en der avonden getal
vermeerdert, en je leeft tussen wat leeft,
bij mens en dier, bij al wat adem heeft -
bitter of blij over wat er komen zal.
Je bent er, en het leven leert zijn leer,
je stoot er overal op goed en slecht,
op dingen waar men tot het eind voor vecht.
En op een avond ben je er niet meer.
Vannacht kwam ik mijn ouders tegen door Hagar Peeters geb. 1972
Vannacht kwam ik mijn ouders tegen,
twee bleke schimmen die naar elkaar
toe negen in het witte licht van een lantaarn.
Aan hun geluk te zien kon ik nog niet
geboren zijn. Ze waren jong en heel verliefd.
Een groot verdriet bedroefde mij
omdat ik wist hoe het zou verdergaan.
Zij schaterde om iets dat hij haar toegefluisterd had.
Hij lachte hard zoals hij nog vaak doet,
We wisselden een beleefde groet
en daarna scheidden zich weer onze wegen.
'Wacht maar,' riep ik hen na,
wij komen elkaar nog wel eens tegen.
Gearmd gingen ze zwijgend om een hoek.
De gestorvene door Ida Gerhardt 1905-1997
Zeven maal om de aarde gaan,
als het zou moeten op handen en voeten;
zevenmaal om die éne te groeten
die daar lachend te wachten zou staan.
Zeven maal om de aarde gaan.
Zeven maal over de zeeën te gaan,
schraal in de kleren, wat zou het mij deren,
kon uit de dood ik die éne doen keren.
Zeven maal over de zeeën te gaan -
zeven maal, om met zijn tweeën te staan.
Een van de meest geciteerde gedichten bij rouwadvertenties. Geeft een heel indringend beeld dat we herkennen als een dierbaar iemand is gestorven.
Aan tafel door Ted van Lieshout geb. 1955
Mam geeft mij een mep omdat mijn
kleine broertje te ver weg zit.
Hij kwam weer te laat voor het eten,
maar bracht wel zelfgeplukt onkruid
mee voor in een vaas. Zo'n joch
van zes, dat al precies weet hoe
een moeder moet. Hij, het mooiste
zoontje, zit tegenover haar; ze wil
hem in haar ogen - de lelijke zoon
moet in de buurt van haar handen.
Mijn zusje heeft daarvan geen last.
Zij pikt een worteltje alvast.