WIJKBESCHRIJVING EN -LITERATUUR STADSDEEL
ESCAMP
Bouwlust en Morgenstond
Moerwijk
Zuiderpark
Rustenburg en Oostbroek
Algemene wijkliteratuur en overzicht stadsdelen
BOUWLUST EN MORGENSTOND
De
wijken Morgenstond en Bouwlust liggen in drie polders in zuidwest Den Haag: de
voormalige Oost- en West-Escamppolder en de Uithofspolder, thans samen de
Eshofpolder vormend.
Morgenstond wordt omgrensd door de Zuidwoldestraat, Vreeswijkstraat,
Loevesteinlaan, de gemeentegrens met Wateringen en de Dedemsvaartweg.
Bouwlust bestaat uit drie delen:
1. het eigenlijke Bouwlust tussen de Meppelweg, Dedemsvaartweg, de groenstrook
ten noorden van de Melis Stokelaan en de Lozerlaan;
2. Vrederust gelegen tussen de Parkzijde (groenstrook ten noorden van de Melis
Stokelaan) en Wateringen;
3. De Uithof, tussen de Nieuweweg, Lozerlaan, Poeldijkseweg en de grens met
Monster; de Uithof wordt ook wel tot Vrederust gerekend.
Ontwikkelingsgeschiedenis.
In het ‘Concept-structuurplan voor Groot ‘s-Gravenhage’ van W.M.
Dudok uit 1949 wordt zuidwest Den Haag verdeeld in vier woonwijken: Morgenstond,
Bouwlust, Berestein en Vrederust. Berestein is maar voor de helft uitgevoerd en
bij Bouwlust getrokken.
Morgenstond
Het plan Morgenstond van W.M. Dudok uit 1949 is te beschouwen als
een uitwerkingsplan van het ‘Ontwerp-Uitbreidingsplan ‘s-Gravenhage Escamppolder,
Madepolder, Ockenburgh’ uit 1935. Het plan is gebaseerd op een rechthoekig grid
van verkeerswegen, dat de wijk in zes buurten verdeelt. De basis van deze
structuur wordt gevormd door de voortzetting van bestaande wegen. Hier overheen
is een tweede grid van groenstroken aangelegd, dat gedeeltelijk het wegengrid
overlapt en gedeeltelijk zelfstandig is. In de gevallen waar de doorgaande wegen
en de groenstroken zijn samengevoegd is een sterke scheiding tussen de buurten
ontstaan. Het duidelijkst geschiedt dit bij de Melis Stokelaan. Daar waar de
groenstructuur zelfstandig is, vormt zij een verbinding tussen de buurten en een
structurerend element voor de geconcentreerd gesitueerde voorzieningen (scholen,
sport- en speelvelden e.a.).
Van de naoorlogse wijken maakt Morgenstond de meest homogene indruk. Anders dan
in Moerwijk komen hier slechts open bouwblokken en strokenbouw voor. Door de
voor gemeenschappelijk gebruik bestemde binnenterreinen loopt een net van
voetgangerspaden.
Dudok heeft ook in grote lijnen bepaald waar welk type bouwblok zou moeten
komen. Langs de doorgaande routes is een tamelijk gesloten randbebouwing van
vier lagen. De invulling van de buurten is veel meer open. De situering van de
woningen werd bepaald door het stratenpatroon en niet door een keuze voor
optimale bezonning. In de oorspronkelijke opzet waren de winkels samengevoegd op
pleinen, onderling verbonden door winkellinten.
Met de aanleg van de straten werd in 1950 begonnen. De eerste bebouwing is
gerealiseerd in 1951. Bij de uitvoering werd besloten het aantal woningen op te
voeren van 7700 tot 9200 (d.w.z. 56 woningen per hectare). Daarvoor werd het
aantal eengezinswoningen beperkt en is op ruime schaal een vierde bouwlaag
gerealiseerd. Voorts werden de woningplattegronden verkleind en de
wijkvoorzieningen meer geconcentreerd.
De concentratie van de wijkvoorzieningen had tot gevolg dat er in plaats van
verspreide winkellinten een wijkwinkelcentrum zou moeten worden gebouwd. Dat
gebeurde aan de Leyweg naar de in een prijsvraag bekroonde ontwerpen van dr. ir.
Th. Nix en H.A. Tielman (1952). De buurtwinkels zijn op pleinen bij kruisingen
van secundaire straten gesitueerd. Morgenstond was in 1958 zo goed als voltooid.
Naar aanleiding van het verwijt van monotonie en te lage
bebouwing zijn enkele hoogbouwaccenten op markante punten gerealiseerd.
Architect F. Ottenhof bouwde in 1955 op de hoek Leyweg/Melis Stokelaan en op de
hoek Loevesteinlaan/Melis Stokelaan drie gebouwen van zeven verdiepingen. Vier
jaar later verrezen naar ontwerp van ir. C. Pet vier woontorens van veertien
etages aan de Dedemsvaartweg/Melis Stokelaan.
Bouwlust
De ontwerpschets van W.M. Dudok uit 1950 ging uit van drie
woonwijken (Bouwlust, Berestein en Vrederust) ten westen van Morgenstond,
waarbij ook het huidige Kerketuinen in Loosduinen was inbegrepen. De provincie
was echter van mening dat de opzet te groot was en dat tussen de kassen van het
Westland en de geplande woonwijken meer groen zou moeten worden gespaard. Daarop
werd het plan voor Berestein gehalveerd en kwam de Lozerlaan minder westelijk te
liggen. De Beresteinlaan werd niet doorgetrokken tot Loosduinen maar stopte bij
de Meppelweg. Hiermee verviel Dudoks heldere opzet van vier ongeveer even grote
buurten met het assenkruis Hengelolaan/Beresteinlaan als hart.
Het ontwerp van F. van der Sluys uit 1952 is gebaseerd op een rechthoekig grid
van verkeerswegen, dat de wijk in negen buurten deelt. Hiervoor zijn de
oost-west lopende wegen van Morgenstond doorgetrokken. Over dit grid been ligt
een tweede en onvolledig grid van groenstroken.
Nog in 1953 werd begonnen met de aanleg van straten, waarmee het plan in
hoofdlijnen vastlag. Om de kritiek over monotonie en saaiheid voor te zijn,
besloot de gemeente de uitwerking van de wijken te laten doen door een werkgroep
van architecten onder leiding van prof. ir. J.H. van den Broek. Als
randvoorwaarden kreeg de werkgroep, waartoe onder anderen J.B. Bakema en B.
Merkelbach behoorden, mee: een open verkaveling met een woningdichtheid groter
dan 50 woningen per hectare en een zekere eenheid van architectuur. De wijk is
vanwege de verschillende individuele ontwerpen opgebouwd uit vele kleine
ruimtelijke eenheden, die zich in verkaveling en architectuur van elkaar
onderscheiden. Binnen deze eenheden treedt steeds een herhaling van motieven op.
De randbebouwing van de wijk als geheel is benadrukt, mede door de toepassing
van hoogbouw. De verkaveling van de wijk Bouwlust is weliswaar gevarieerder dan
die van Morgenstond, maar soms strijdig met de hoofdverkaveling.
De eerste woningen in Bouwlust waren voltooid in 1956; tussen 1958 en 1960 is
ruim 70 % van de woningen gebouwd. De laatste woningen zijn gerealiseerd in
1967. Scholen zijn gegroepeerd rond sport- en speelterreinen, die op sommige
punten zeer groot zijn.
De belangrijkste winkelcentra zijn aan kruispunten in de wegenstructuur
gesitueerd. Bouwlust heeft door de samenvoeging van Berestein en Bouwlust een
onduidelijk en langgerekt centrum gekregen, dat zich uitstrekt van het
winkelcentrum De Stede tot aan het winkelcentrum aan de Beresteinlaan. De
buurtwinkels liggen op pleintjes midden in de buurten.
Tussen Morgenstond en Bouwlust is een brede strook met sportvelden en
moestuinen. Deze strook was gereserveerd voor een spoorwegtracé, een kopstation
van de Nederlandse Spoorwegen en een autosnelweg, die echter geen van alle zijn
uitgevoerd.
De Uithof
De Uithofspolder maakte deel uit van de voormalige
West-Looserdijckerpolder, een in de loop van de Middeleeuwen ontgonnen
veen/kleipolder. In 1661 is de polder in twee stukken gedeeld door de aanleg van
de Nieuweweg en Nieuwevaart. Het noordelijk gedeelte is heringericht als de
Zwarte Polder en het zuidelijk gedeelte als de Uithofspolder. Tot voor kort was
de Uithof een weidegebied. Aan weerszijden van de vermoedelijk in de 19de eeuw
aangelegde Uithofslaan zijn hoveniersbedrijven gevestigd. Na de Tweede
Wereldoorlog zijn veel van deze bedrijven ingericht tot glastuinbouwbedrijven.
Met de aanleg van de nieuwe Lozerlaan is een smalle strook van de polder
afgesneden. De oude Lozerlaan lag ongeveer op de plek van de Beresteinlaan en
vormde de grens tussen de Uithofspolder en Escamppolder.
Aan
de Lozerlaan zijn in 1970 vier flatgebouwen van elk zestien verdiepingen
gebouwd. Deze geïsoleerd gelegen hoogbouw is wellicht het meest strijdig met de
stedenbouwkundige visie die aan het plan van Dudok ten grondslag lag.
In 1972 verscheen het ‘bestemmingsplan de Uithof’ Volgens dit plan is de polder
voor ongeveer driekwart (ca. 110 ha.) ingericht tot wandel-, sport- en
recreatiegebied. Hiervoor zijn onder andere heuvels opgeworpen, waterplassen
gegraven en plantsoenen aangelegd. Een gedeelte van het recreatiegebied is als
polderlandschap behouden. Men heeft hiervoor een enigszins ovale singel gegraven
en het ingesloten eiland ongewijzigd gelaten.
Structurele en/of functionele veranderingen.
Door vergrijzing en vermindering van de woningbezetting is een overmaat aan
scholen, kerken, winkels en sport- en speelterreinen in de wijken ontstaan.
Op een aantal locaties is reeds een aantal scholen gesloopt en vervangen door
woningbouw. Verder zijn groenstroken en speelplaatsen bebouwd en winkels
verbouwd tot kantoren of woningen.
(Bron: Monumenten inventarisatieproject Den Haag 1850-1940. Den Haag 1992)
Meer weten? Lees ook:
A.G. van den Berg, D.J.M van der Voort en H.B.R. van Wegen, Deelstudie
Bouwlust (betreft, sociale veiligheid), Den Haag/Delft 1988.
Pim Beukeren, M'n Bouwlust m'n leven, over samen wonen en leven in Bouwlust, Den
Haag c. 1990.
Bouwlust wijkkrant, 1987-1992, voortgezet als WIJkrant.
M.J.A. Bucx Houtepen, Sociografisch onderzoek wijk Morgenstond, Den Haag 1987.
J.E. Willemsen, Plan Morgenstond Den Haag. In: Verrijzend Nederland, periodiek
over bouwkunde, Rotterdam 1954, nr.4.
Moerwijk-Morgenstond: weekblad voor Zuid Den Haag, 1973-1975.
bron: Gemeentearchief 's Gravenhage
MOERWIJK
De wijk ligt ten zuidwesten van het centrum van Den Haag en wordt
omsloten door de Troelstrakade, de spoorlijn Rotterdam-Den Haag, de grens met
Rijswijk, de grens met Wateringen, de Loevesteinlaan, de Melis Stokelaan en de
Moerweg. De wijk wordt in vijf sectoren verdeeld:
Moerwijk 1: het gebied omsloten door de Troelstrakade, Erasmusweg en de Moerweg;
Moerwijk 2: het deel begrensd door de Melis Stokelaan, Moerweg, Erasmusweg en
Loevesteinlaan;
Moerwijk 3: het gebied omsloten door de Erasmusweg, de spoorlijn Rotterdam-Den
Haag, de grens met Rijswijk en de Middachtenweg;
Moerwijk 4/5: het deel begrensd door de Erasmusweg, Middachtenweg, de grens met
Rijswijk en de grens met Wateringen.
Ontwikkelingsgeschiedenis.
Moerwijk ligt op de grens van drie polders: de Noordpolder ('t Noordblok), de
voormalige Oost-Escamppolder en de Wippolder. De Moerweg (Westerbeek of Lange
Laak) en de Erasmusweg (Molensloot of Korte Laak) vormen de grenzen tussen deze
polders. Om kosten te besparen is het gebied niet ontpolderd.
Moerwijk 1 is grotendeels tot stand gekomen op basis van het ‘Plan Moerweg’ van
de Dienst Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting uit 1930. De geplande
arbeiderswijk ten westen van het Laakkanaal kreeg een Berlagiaanse opzet van
hoge gesloten randbebouwing en lagere bebouwing rond binnenpleinen. Bij de
uitvoering zijn wijzigingen in het plan aangebracht: de bebouwing werd verdicht
ten koste van de binnenruimten, de geplande HTM-remise verviel en er kwamen meer
hoekwinkels.
Drie woningcorporaties -Beter Wonen, Patrimonium en Luctor et Emergo- bouwden
hier. In 1933 kwamen de eerste huizen gereed. Door de economische crisis
stagneerde de bouw vanaf 1935. Het deel ten noorden van de Melis Stokelaan kwam
grotendeels nog voor 1940 gereed; ten zuiden van deze laan was veel minder
gerealiseerd (Esmoreitplein). Na de oorlog startte men met de voltooiing van
Moerwijk 1 en de aanleg van straten in Moerwijk 2 volgens het vooroorlogse plan.
De bebouwing van Moerwijk 2 kwam echter tot stand volgens een plan van W.M.
Dudok uit 1949, evenals de stedenbouwkundige opzet van Moerwijk 3, 4 en 5. Voor
het midden van de jaren vijftig was de wijk vrijwel voltooid. Eind jaren zestig
werden twee gebouwen van veertien verdiepingen aan het Erasmusplein gebouwd.
De stedenbouwkundige hoofdopzet van de wijk is gebaseerd op een rechthoekig
patroon van brede wegen met het Erasmusplein als hart. Hier overheen ligt een
fijner grid van groenvoorzieningen met hier en daar singels. Deze groenstructuur
verbindt de vier buurten ten zuiden van de Melis Stokelaan.
Het plan van Dudok vertoont een opener karakter dan de oorspronkelijk geplande
Berlagiaanse structuur. In plaats van gesloten bouwblokken kwam er een weidse
aanleg met open blokken en vrij toegankelijke tuinen. Op enkele plekken koos
Dudok voor strokenbouw.
De
wijk heeft een aantal kleine lintvormige winkelcentra en een winkelcentrum aan
het Heeswijkplein. Dit plein dankt zijn omvang mede aan het feit dat rekening
moest worden gehouden met de bouw van een Station Moerwijk.
Structurele en/of functionele veranderingen.
Wezenlijke veranderingen hebben zich in Moerwijk niet voorgedaan. De hoekwinkels
in Moerwijk 1 zijn voor een belangrijk deel opgeheven; de winkelcentra elders in
de wijk trekken minder bezoek. De bevolking liep terug van 30.000 zielen in het
midden van de jaren zestig tot 20.000 nu.
(Bron: Monumenten inventarisatieproject Den Haag 1850-1940. Den Haag 1992)
Meer weten? Lees ook:
Moerwijk heeft Abraham gezien (1932-1982). De geschiedenis van Moerwijk in
vogelvlucht. 's-Gravenhage 1985.
Moerwijk-Morgenstond: weekblad voor Zuid Den Haag, 1973-1975.
bron: Gemeentearchief 's Gravenhage
ZUIDERPARK
Het Zuiderpark ligt ten zuidwesten van het centrum en wordt omsloten door de
Vreeswijkstraat, Soestdijksekade, Moerweg, Melis Stokelaan en Loevesteinlaan.
Ontwikkelingsgeschiedenis.
Het
eerste ontwerp voor het Zuiderpark maakte deel uit van het ‘Plan tot uitbreiding
van 's-Gravenhage’ van H.P. Berlage uit 1908. Het park had in dat ontwerp een
enigszins onregelmatig gevormde langwerpige plattegrond en was ingeklemd tussen
de zuidrand van de geplande wijk Rustenburg/Oostbroek, de Moerweg, de Korte Laak
en de Middenwetering (de gemeentegrens met Loosduinen). In de noordelijke helft
van het park plande Berlage een sportveldencomplex.
Het plan voor het Zuiderpark is om twee redenen opmerkelijk. Allereerst werd het
park aan de rand van de stad in de weilanden aangelegd. Daarnaast ging het om
een groot park dat met inbegrip van sportvoorzieningen was bedoeld voor de
gehele stad.
In de zitting van 17 juni 1918 keurde de gemeenteraad het voorlopige plan tot
onteigening van gronden tussen de Loosduinsevaart en de Broeksloot ten behoeve
van de aanleg van een park (Zuiderpark), een arbeiderswijk, het aanleggen van
straten en het bouwen van woningen (Rustenburg en Oostbroek) goed.
In 1919 kregen P. Westbroek, de directeur van de Gemeentelijke
Plantsoenendienst, en D.F. Tersteeg, tuinarchitect te Naarden, de opdracht van B
en W om gezamenlijk een plan van aanleg voor het Zuiderpark te maken.
Na onenigheid over het ontwerp en het auteurschap dienden Westbroek en Tersteeg
in 1921 ieder een eigen plan in. Aangezien de plannen waren gebaseerd op een
voorontwerp, vertoonden ze grote overeenkomsten.
De hoofdopzet voor het park was op een aantal punten gewijzigd ten opzichte van
het plan van Berlage. De zuidgrens van het park lag noordelijker om de afstand
tussen de openbare parken rond de Rijswijkse landhuizen en het Zuiderpark groter
te maken. Aan de noordzijde was het ontwerp aangepast in verband met de plannen
voor het Laakkanaal en het Westlandkanaal. Verder was het plan in westelijke
richting op Loosduins grondgebied vergroot om de totale oppervlakte van het park
niet teveel te verminderen.
Omdat in beide plannen de situering van de sportvelden en zweminrichting gelijk
was, werd besloten met de aanleg hiervan te beginnen.
Westbroek kreeg de opdracht zijn ontwerp verder uit te werken, omdat de
landschappelijke wijze waarop hij de vijvers in het plan had verwerkt de
gemeenteraad meer aansprak. In 1923 legde hij zijn uitgewerkte plan voor aan de
gemeenteraad, die toestemming gaf voor de uitvoering van het eerste gedeelte van
het plan en de onteigening van de benodigde percelen in Loosduinen. Het eerste
gedeelte van het plan betrof de ontsluiting van de reeds aangelegde sportvelden
en de zweminrichting.
Nog
in 1923 begon men met het aanleggen van de grote vijvers. De uitgegraven grond
werd gebruikt om het gebied te egaliseren en enig relief aan te brengen.
De keuze van beplanting werd voornamelijk bepaald door S.G.A. Doorenbos, die
Westbroek als directeur van de Gemeentelijke Plantsoenendienst opvolgde.
Doorenbos is de promotor geweest van de aanleg van de wetenschappelijke tuinen
en de boomkwekerij voor de Gemeentelijke Plantsoenendienst.
In de loop van de jaren twintig en dertig zijn nog een aantal aanpassingen in
het ontwerp aangebracht. Zo heeft men de in oorsprong 16de-eeuwse eendenkooi
gehandhaafd en de wandelpaden hieraan aangepast, de noordgrens van het park
verschoven vanwege de aanleg van de Soestdijksekade (1929) en een uitzichtheuvel
van stadsafval opgeworpen.
De
aanleg en inrichting van het park verliepen zeer traag. Pas in de jaren dertig
versnelde het tempo, omdat er toen werklozen werden ingezet. In 1936 is het park
officieel geopend.
Het park bestaat uit een kern met grote vijvers (58.000 m2) en lig- en
speelweiden. Deze kern wordt omkaderd door een serie min of meer zelfstandige
kleinere parken, waaronder een wetenschappelijke tuin, een gemeentelijke
boomkwekerij, een rozentuin, een kinderboerderij, de eendenkooi en een
blindentuin.
De zuidwestelijke hoek van het park wordt afgesneden door een verharde weg: de
Mr. P. Droogleever Fortuynweg. In deze hoek van het park liggen de verschillende
sportvelden en het stadion van FC Den Haag (voorheen ADO).
Het gehele park wordt omsloten door een zes meter brede sloot. De hoofdingang
van het park ligt aan het eind van de Zuiderparklaan.
Na de oorlog zijn in de randen van het park puin en afval gestort en afgedekt
met veengrond, die bij het aanleggen van de wegen in de uitbreidingsgebieden
vrijkwam. Deze langwerpige heuvels dienen tevens als geluidsschermen voor het
kerngebied.
In de jaren vijftig is ten westen van het park de wijk Morgenstond gebouwd, naar
het stedenbouwkundig ontwerp van W .M. Dudok. Dit ontwerp ging uit van overgangs
zones tussen de flatbebouwing van vier lagen en de weilanden en het Zuiderpark.
Aan de westzijde van het park werd daarom een overgangszone toegevoegd met een
wandelpark, een villabuurtje en de zogenaamde Doorenbosheuvel.
Structurele en/of functionele veranderingen.
Het park heeft geen wezenlijke structurele of functionele wijzigingen ondergaan.
Door de aanleg van de heuvels en wallen na de Tweede Wereldoorlog is de
hoofdstructuur, die wordt gevormd door een open kern met vijvers en ligweiden en
de daaromheen geschakelde bijzondere functies, nog versterkt. Aan het eind van
de 20ste eeuw heeft het park een grote opknapbeurt ondergaan.
(Bron: Monumenten inventarisatieproject Den Haag 1850-1940. Den Haag 1992)
Meer weten? Lees ook:
R. van der Ham en H. Pars, Het groote park; een tuin op het zuiden.
Geschiedenis van het Zuiderpark 1908-1998. z.p. 1998.![]()
bron:
Gemeentearchief 's Gravenhage
RUSTENBURG EN OOSTBROEK
De wijk ligt ten zuidwesten van het centrum en wordt omsloten door de
Loosduinsekade, de De la Reyweg en de Soestdijksekade (het Laakkanaal).
Ontwikkelingsgeschiedenis.
Het gebied van de wijk Rustenburg-Oostbroek maakt deel uit van de voormalige
Oost-Escamppolder, die tot in de jaren twintig van deze eeuw in gebruik is
geweest als weideland en tuinbouwgebied. De belangrijkste bebouwing bestond uit
de boerderijen Rustenburg en Oostbroek.
Bij de grenswijziging met Loosduinen (1902) werd het betreffende gebied door de
gemeente Den Haag geannexeerd. In het tweede uitbreidingsplan van I.A. Lindo
(1903), is voor de noordelijke strook van het gebied een globaal stratenplan
ontworpen, dat echter niet verder werd uitgewerkt.
Het ‘Plan tot uitbreiding van 's-Gravenhage’ van H.P. Berlage (1908) gaf een
stratenplan voor een complete woonwijk.
Op 17 juni 1918 nam de gemeenteraad het besluit tot de onteigening van gronden
tussen de Loosduinse Vaart en de Broeksloot ten behoeve van de aanleg van een
park (het Zuiderpark), een arbeiderswijk, het aanleggen van straten en het
bouwen van woningen.
Een belangrijk deel van de grond ten westen van de latere Zuiderparklaan was in
handen van de ‘N.V. Maatschappij tot exploitatie van onroerende goederen
Rustenburg’ te Rotterdam. Voor dit gebied heeft de Dienst Stadsontwikkeling en
Volkshuisvesting in 1921 een uitwerkingsplan gemaakt: het ‘uitbreidingsplan
Rustenburg’. De belangrijkste overeenkomsten met het plan van Berlage zijn de
afgeschuinde zuidrand, de tracés van de Zuiderparklaan en de Escamplaan, het
gebruik van binnenpleintjes en de pleinvormige insluiting van de oprijlaan naar
de boerderij Rustenburg (de huidige Gooilaan).
In 1924 begon de Dienst Gemeentewerken met de aanleg van straten in het
noordelijk deel. Deze moest in november van dat jaar de werken opschorten omdat
de Dienst Stadsontwikkeling en Volkhuisvesting het plan wilde wijzigen. In het
gewijzigde plan (Rustenburg II) zijn onder andere de Escamplaan verbreed en het
terrein voor de scholen aan de Escamplaan vergroot. In 1925 werd de aanleg van
de straten volgens het nieuwe plan voortgezet.
Voor
het gedeelte ten zuiden van de Escamplaan heeft de Dienst Stadsontwikkeling en
Volkshuisvesting in 1926 een nieuw stratenplan gemaakt, het bouwplan Rustenburg
III. Dit was niet langer gebaseerd op het Uitbreidingsplan van Berlage.
Al sinds het eind van de 19de eeuw zijn er verschillende plannen geweest voor de
aanleg van kanalen ten zuiden en westen van de stad om de Laakhavens met de
Loosduinsevaart en de haven van Scheveningen te verbinden. Zowel een tracé ten
oosten als een ten westen van Rustenburg behoorde tot de mogelijkheden. Dit gaf
onzekerheid met betrekking tot de ontwikkeling van de wijk Oostbroek. In 1924
werd uiteindelijk besloten het kanaal ten westen van Rustenburg aan te leggen
omdat dit de beste mogelijkheden gaf voor de aansluiting op een kanaal naar het
Westland. Van dit kanaal, het Escampkanaal, is slechts het deel tot de Leyweg
gegraven (1932).
De Loosduinsevaart is na de aansluiting van het Laakkanaal (Soestdijksekade)
gedeeltelijk gedempt. Ten noorden van de wijk Rustenburg is zij echter behouden
voor de aanvoer van bouwmaterialen en kolen.
Het bouwplan voor de wijk Oostbroek dateert vermoedelijk nog uit 1924, toen het
besluit viel het Laakkanaal westelijk van Rustenburg aan te leggen.
Een complicatie bij de uitvoering van dit plan was het feit dat de ‘N.V.
Rustenburg, maatschappij tot exploitatie van bouwterreinen’ in 1927 de grond had
gekocht. Deze maatschappij maakte bezwaar tegen de ruime verkaveling, het aantal
scholen en kerken en tegen de verdeling van de algemene kosten. Na langdurige
onderhandelingen werd de zaak uiteindelijk geregeld. Kort na 1930 kwamen de
eerste woningen in Oostbroek gereed. Omstreeks 1937 was de bebouwing van de wijk
voltooid.
De wijk Rustenburg is te verdelen in twee buurten, die elk een eigen karakter en
opzet hebben.
In Rustenburg I en II (ten noorden van de Escamplaan gelegen) is de bouw
omstreeks 1924 begonnen en omstreeks 1927 voltooid. De randbebouwing van deze
buurt bestaat uit portiekflats van drie bouwlagen. De hoge rand is ter plaatse
van de Gooilaan en het sportterrein aan de Escamplaan naar binnen toe omgezet.
De Gooilaan is aangelegd rond de oude oprijlaan naar de boerderij Rustenburg.
Deze laan wordt geflankeerd door twee sloten en vier rijen bomen. Ter plaatse
van de boerderij werd een sportterrein aangelegd. Het sportterrein wordt omringd
door scholen en een badhuis. In de ingesloten gebieden liggen vier verschillend
vormgegeven binnenpleintjes met bebouwing van een bouwlaag met kap en twee
bouwlagen (gedeeltelijk met kap). De pleintjes maken deel uit van straten: ze
worden gevormd door in elkaar grijpende L-vormige bouwblokken of door een
verbreding van de straat.
Rustenburg III, gelegen ten zuiden van de Escamplaan, heeft een formelere en
monumentalere structuur. Ook dit gebied wordt omsloten door hogere bebouwing
(portiekflats van drie bouwlagen). Het binnengebied wordt ontsloten door de
Bilthovenselaan, die van twee kanten diagonaal op het rechthoekige
Blaricumseplein aansluit. Langs deze laan en het plein is de bebouwing van drie
bouwlagen voortgezet. De resterende binnengebieden zijn op afwisselende wijze
ingevuld met lagere bebouwing (eengezinswoningen en portiekwoningen van twee
bouwlagen en een kap).
De wijk Oostbroek is zowel stedenbouwkundig als architectonisch uniformer dan
Rustenburg. Zij wordt omgeven door brede wegen: de Loosduinseweg, De la Reyweg,
Soestdijksekade en Zuiderparklaan. Vanuit de wijk Rustenburg gaat de Escamplaan
via een vork over in de Apeldoornselaan en de Dierenselaan.
In de straten van de binnengebieden zijn op Berlagiaanse wijze door middel van
pleintjes, verbredingen en middenperken accenten aangebracht. Vrijwel alle
bebouwing bestaat uit portiekflats van drie bouwlagen. Langs de Soestdijksekade
is de bouwhoogte vergroot door de toepassing van kappen en hoekaccenten van vier
bouwlagen.
Het kruispunt van de Zuiderparklaan en de Escamplaan/Apeldoornselaan is zeer
royaal van opzet. Het profiel van de Zuiderparklaan is daar verruimd door het
terugleggen van de bouwblokken. De hoeken van deze bouwblokken zijn met een zeer
ruime boog afgerond. Ook bij de vorksplitsing van de Dierenselaan en
Apeldoornselaan heeft men afgeronde bebouwing gebruikt.
Vanwege het diagonale tracé van het Laakkanaal sluiten de hoofdstraten van de
wijk onder een hoek aan op de Soestdijksekade. Om deze draaiingen goed vorm te
geven zijn bij de samenvoeging van de Zuiderparklaan en Soestdijksekade en de De
la Reyweg en Soestdijksekade rechthoekig pleinen ontworpen met overhoeks
aansluitende straten.
Om het Veluweplein, bij de samenvoeging van de De la Reyweg en Soestdijksekade,
goed te kunnen vormgeven heeft men het stedenbouwkundig plan van de
zuidwestelijke hoek van de wijk Transvaal aangepast en het plan ter beëindiging
van de kop van de bebouwing tussen de Hoefkade en Marktweg herzien door middel
van de ‘verordening Hoefkade’.
(Bron:Monumenten inventarisatieproject Den Haag 1850-1940. Den Haag 1992)
Meer weten? Lees ook:
W.W., Rustenburg. Van eenzame buitenplaats tot moderne stadswijk.
's-Gravenhage 1938.
Zuidernieuws:
wijkkrant voor Rustenburg-Oostbroek, [1991] nr. 2 - 1998.
bron: Gemeentearchief 's Gravenhage