Ondoorzichtige levens

 

 

 

ALLE LANSU

 

 

 

''Ik heb nog nooit een schoft of een heilige gezien. De dingen zijn nooit helemaal zwart of helemaal wit, alles is grijs. Mensen en hun zielen ook…'' Met deze uitspraak van een van de subpersonages is niet alleen de titel, maar ook de kern verklaard van de roman Grijze zielen van de Franse auteur Philippe Claudel (1962).

 

En wellicht schuilt in die genuanceerde visie ook wel een deel van het succes. De roman was vorig jaar dé literaire sensatie in Frankrijk: de loftuitingen van de critici buitelden over elkaar heen, het publiek maakte het boek tot een bestseller (meer dan 250 duizend verkochte exemplaren), de boekhandelaren bombardeerden het tot 'de roman van het jaar' en ten slotte leverde het de schrijver ook nog eens de prestigieuze Prix Renaudot op.

 

Het verwachtingsvolle enthousiasme waarmee De Bezige Bij de vertaling op de markt brengt, komt dan ook niet uit de lucht vallen. Na lezing van deze prachtig geschreven, spannende én diepzinnige detective-achtige roman kan ik alleen maar volmondig instemmen met al dat gejuich.

 

De roman speelt zich af tegen het decor van de Eerste Wereldoorlog, in een slaperig Frans provinciestadje dat zich in de luwte achter het front bevindt.

 

Hoezeer Claudel ook het contrast benadrukt tussen het oorlogsgeweld (hoorbaar in de verte, zichtbaar door de gewonde soldaten in de straten) en de (bedrieglijke) rust van het stadje, ook hier is eerder sprake van grijstinten dan van een zwartwit-tegenstelling. Gruwel is niet het exclusieve domein van de oorlog.

 

De roman draait om de nooit opgehelderde wurgmoord op het tienjarige meisje 'Belle de Jour', in de winter van 1917.

 

De verteller, een politieman van inmiddels over de vijftig, blikt twintig jaar na dato met het lood in de schoenen terug op de raadselachtige gebeurtenissen die ook zijn eigen leven ingrijpend blijken te hebben beïnvloed.

 

Door de omtrekkende bewegingen waarmee hij het verhaal vertelt, bekruipt je als lezer steeds meer het gevoel dat hij om een groot geheim heen cirkelt. In de finale van de roman blijkt dat ook zo te zijn. Op het allerlaatst komt hij met een verrassende onthulling (de oplettende lezer had misschien al iets in die richting kunnen vermoeden), die zijn filosofische vragen over goed en kwaad en zijn nadruk op de dunne scheidslijn tussen beide met terugwerkende kracht in een heel nieuw licht plaatsen. Ook zijn melancholieke overpeinzingen krijgen dan extra reliëf.

 

Voor het leesplezier van aanstaande lezers van de roman moet ik het bij deze abstracte woorden laten, waarbij ik nog wel wil opmerken dat de omtrekkende bewegingen van de verteller een heel doeltreffend middel vormen om tot het laatst toe de spanning erin te houden. Ook uitstel kan een roman de nodige stuwing geven.

 

Ondertussen hoeft de lezer zich geen seconde te vervelen, want Claudel benut die uitstellende bewegingen voor kleurrijke subverhalen en anekdotes.

 

Zoals over de plaatselijke prostituée die in haar schoot de tegenstellingen verzoent tussen degenen die de oorlog aan den lijve ondervinden en de geluksvogels die in de luwte leven: 'De rij wachtenden die zich soms wel tot tien meter van haar huis uitstrekte was neutraal terrein waar men het kon bijleggen, elkaar kon aankijken en zich kon verbroederen tijdens het wachten op de grote vergetelheid die in de buik van de weduwe verborgen lag.'

 

Een belangrijke rol in de roman is weggelegd voor de kille, ongenaakbare procureur Destinat, die al menige verdachte onaangedaan ter dood heeft veroordeeld. Deze weduwnaar leidt een teruggetrokken leven op een kasteel even buiten het stadje.

 

Net buiten het kasteelterrein wordt het dode lichaam van Belle gevonden. Drie dagen later krijgt de verteller van een ooggetuige te horen dat ze Destinat en Belle de avond voor de moord nog heeft zien praten in de tuin van het kasteel.

 

En dan is er nog de mysterieuze zelfmoord (of was het moord?) van de mooie jonge onderwijzeres Lysia, die een huisje bewoont op het terrein van het kasteel.

 

En wat te denken van het curieuze dinertje á deux van Destinat en Lysia, waarbij Belle als serveerster optrad?

 

En hoe moet de meer dan gemiddelde belangstelling voor Belle worden geduid die Destinat in de jaren na de moord aan de dag legt in zijn gesprekken met haar vader, de eigenaar van het restaurant waar hij regelmatig komt eten?

 

Als de verteller in 1921 het graf van de net overleden Destinat bezoekt, vraagt hij zich nog altijd af of hij bij het graf van een moordenaar of van een onschuldige staat.

 

Zo is de hele roman gedrenkt in het besef van 'de ondoorzichtigheid van onze levens'. We denken te weten hoe dingen zitten en hoe mensen zijn, maar wat weten we eigenlijk? En hoe zijn we er zo zeker van dat er niet ook in onszelf een schurk huist?

 

Met die vragen laat Claudel ons achter na lezing van zijn Grijze zielen, een roman die in alle opzichten (stijl, compositie, sfeertekening, karakteristiek van de personages) blijk geeft van zijn literaire meesterschap.

 

 

© Het Parool, 10-06-2004