BLEYENSTIJNSE  DUIT   

 

Onder het bewind van keizer Napoleon circuleerde in Nederland slechts de oude provinciale munten en maar zeer beperkt de nieuwe Napoleontische types. Pas onder koning Willem I is er in 1817/1818 begonnen met op zeer beperkte schaal nieuw kleingeld aan te munten in de vorm van ½ centen en centen. Deze aanmuntingen kwamen pas echt goed op gang in 1821. Er was dus circa 25 jaar geen kleingeld geslagen, wat tot resultaat had dat er constant een tekort aan was.


Om dit tekort aan kleingeld op te vangen werden door verschillende lieden koperen muntjes in Duitsland besteld en met tonnen vol naar Nederland gehaald. Ook de Utrechtse kruidenier Bleyenstein kwam op het idee om de koperen muntjes vanuit Duitsland hier heen te halen en deze als duit in omloop te brengen. Tegelijkertijd haalde ook de bankier Franciscus van Lanschot uit Den Bosch deze zelfde muntjes uit Duitsland hierheen. Het muntje is op deze wijze aan verschillende namen gekomen namelijk: Bleyensteinse duit (naar de kruidenier), Bossche duit (naar de plaats Den Bosch) en Lanschotje (naar de bankier uit den Bosch).

De muntjes zijn geslagen in de groothertogelijke munt van de staat Hessen te Darmstadt ten tijde van groothertog Ludwig I. Van 1790 tot 1806 was hij Ludwig X en van 1806-1830 groothertog Ludwig I. Duitsland bestond toen nog uit verschillende staatjes welke bijna allemaal eigen munten sloegen op naam van de daar aan de macht zijnde persoon. Als voorbeeld voor de Bleyensteinse duit diende de 1 pfennig munt uit 1819 van Hessen-Darmstadt. De uitvoering is verder geheel anoniem gehouden met een neutraal wapenschild en alleen een cijfer I zonder enige verdere waarde aanduiding. 


Dit kleine muntje zorgde ook nog voor een incident bij de man die ze zelf hier heen had gehaald. De muntjes werden namelijk wel door de kruidenier Bleyenstein als wisselgeld teruggegeven in zijn winkel, echter hij weigerde om ze zelf als betaling terug te nemen. Dit had tot gevolg dat een woedende volksmenigte zijn winkel plunderde.


Bleyensteinse duit;

Voorzijde; Twee lauwertakken met daartussen een Romeins cijfer I tussen kruisjes en het jaartal 1819 tussen punten met daaronder 2 strepen (of variatie hierop).

Keerzijde; Twee lauwertakken met daartussen een verticaal gedeeld fantasiewapen waarvan het rechterveld gearceerd is.



Jaartal 1819. 


Voorkomende voor- en keerzijde varianten;

Voorzijde: a.  + I + / .1819. / 2 strepen
                 b.  + I + / .18.19. / 2 strepen
                 c.  I / .1819.

    1: De lauwertakken zijn samengebonden met een strikje.
    2: De lauwertakken zijn alleen gekruist, zonder strikje.


Info;

Voor deze munt waren geen voorschriften.
Op particulier initiatief bestelde munt welke vervolgens zonder wettelijke grondslag in omloop werd gebracht om als kleingeld te dienen.

In 1962 ter gelegenheid van het 225 jarig bestaan van de Fa. F van Lanschot heeft zij diversen afslagen laten maken en aan haar relaties aangeboden;

a. Gouden afslagen

b. Zilveren afslagen

c. Bronzen afslagen

De naslagen zijn allen van het type A2 en zijn te herkennen aan hun lichte kleur, een korrelachtige structuur van het muntplaatje, een iets dikker muntplaatje en een zwaarder aangezette tekening.