Na de bevrijding op 5 mei 1945 was het ook op het gebied van muntcirculatie een verwarde toestand. Het lelijke zinken geld uit de bezettingstijd moest zo spoedig mogelijk worden vervangen.
Op 15 april 1948 werd de nieuwe muntwet afgekondigd. Hierin komen het gouden 10 en 5 guldenstuk, de zilveren 0,5 gulden en de bronzen 2,5 en 0,5 cent niet meer voor. Het kwartje en dubbeltje zullen voortaan van nikkel gemaakt worden; de stuiver en de cent van muntbrons.
De nieuwe munten zullen de volgende gewichten en afmetingen hebben;
1 cent brons bestaande uit; 95% koper 4% tin en 1% zink 2 gram 17 mm. gladde rand.
5 cent brons bestaande uit: 95% koper 4% tin en 1% zink 3,5 gram 21 mm. gladde rand.
10 cent nikkel 1,5 gram 15 mm. kartelrand.
25 cent nikkel 3 gram 19 mm. kartelrand.
In onderstaand overzicht een impressie van de vele proeven en afslagen die men in de jaren 1947 en 1948 gebruikt heeft ter ontwikkeling van de 1, 5, 10 en 25 cent muntstukken.
1 Cent;
1947 Proefslag. RRRR.


1948 Ongeveer 50 stuks, geslagen met het woord PROEF onder halsafsnede. RRRR.


1948 15 Afslagen in zilver. 4,687 gram. RRRR.

5 Cent;
Proef van portretzijde op plaatje uitgeperste stuiver, 30,3 mm, 3,518 gram.
Proef van portretzijde gegoten in strop lood, 39,5 mm, 17,906 gram.
Proef van keerzijde op vierkant loden plaatje, 24,2 mm, 41,787 gram.
1948 15 Afslagen in zilver. 21 mm, 8,715 gram. RRRR.

10 Cent;
Proef van keerzijde op loden plaatje, 24,4 mm, 7,415 gram.
Proef van keerzijde op octagonaal plaatje, 19,5 mm., 2,251 gram.
1948 15 Afslagen in zilver. 15 mm, 3,445 gram. RRRR.

25 Cent;
Proef van keerzijde op loden plaatje, 27,3 mm, 17,050 gram.
1948 15 Afslagen in zilver. 19,0 mm, 6,855 gram. RRRR.
