WILHELMINA    1890 - 1940

 

 

Koningin Wilhelmina     1890 - 1940

Koningin Wilhelmina, het enig kind uit het huwelijk van Koning Willem III en Prinses/Regentes Emma, is op 31 augustus 1880 geboren en was dus bij de dood van haar vader in 1890 pas 10 jaar oud. Koningin Emma nam het regentschap op zich dat de meerderjarigheid van Koningin Wilhelmina, dus tot 31 augustus 1898, toen zijn te Amsterdam officieel ingehuldigd werd.

Op de munten is van dit regentschap niets te merken. Zij zijn met titel en portret van Koningin Wilhelmina geslagen, voor 1898 met kinderkopje met loshangend haar en pas vanaf 1898 met opgestoken haar en met kroon.

De Koningin huwde op 7 februari 1901 met Hendrik, Hertog van Mecklenburg-Schwerin, die als Prins der Nederlanden de eerste Prins-Gemaal werd.

Uit de lange regeringstijd van Hare Majesteit herinneren we ons de periode, waarin; Zij ons als neutrale mogendheid door de 1e Wereldoorlog 1914 - 1918 heen stuurde, Haar 25-jarig en 40-jarig regeringsjubileum, het overlijden van Prins Hendrik (3-7-1934) en van Koningin Emma (20-3-34), het huwelijk van Prinses Juliana met Prins Bernard van Lippe-Biesterfeld (7-1-37), de geboorte van Prinses Beatrix (31-1-38) en ten slotte de fatale datum van 10 mei 1940 toen de Duitsers ons land binnen vielen.

Zij overleed 28 november 1962 op het Loo te Apeldoorn.

 

 

In 1911 is het Muntbedrijf te Utrecht, van de plaats waar het meer dan 250 jaren gevestigd was geweest, naar een nieuw gebouw overgebracht. In 1901 echter was de munt al een staatsbedrijf geworden.

De dukaat is, even als dit het geval was onder Willem III, speciaal naar Nederlands Oost Indië uitgevoerd en hoofdzakelijk op bestelling van de Javaanse bank aangemunt. Zij is geen wettig betaalmiddel, doch alleen negotiepenning of handelsmunt. Door het hoge gehalte zijn ze door de inlanders zeer gezocht. Zij laten er ook vaak sieraden van maken. Particulieren konden aan 's Rijksmunt ook Dukaten of 10 guldenstukken laten slaan, doch moesten dan minstens 100 kg goud voor dukaten of 300 kg goud voor 10 guldenstukken zelf leveren. De gouden standaard is in 1936 afgeschaft.

De gouden en zilveren munten van het 1ste type (met loshangend haar) zijn vervaardigd naar een model in gips naar het leven gemodelleerd. In Nederlands Indië waar de gouden tientjes en guldens van dit type ook gangbaar waren viel dit portret bij de inheemse bevolking niet erg in smaak wegens de haardracht: loshangend haar, die daar niet erg populair is.          

Voor het 2e type (kroningstype) was al in begin 1897 overleg gepleegd aangaande stempels met een nieuw borstbeeld van H.M. de Koningin. Men wilde namelijk deze stempels gereed hebben bij het Kroningsfeest. Het model werd geleverd door, de te Rome wonende, Nederlandse beeldhouwer Pier Pander. Het heeft echter veel langer geduurd dan men gedacht had, voordat alle munten geslagen konden worden. De muntslag had eerst plaats in 1900 - 1902, alle echter met het jaartal 1898.

Proef van graveur Paul Tasset.

De stempels zouden namelijk gegraveerd worden door de graveur Paul Tasset Parijs, die echter eerst in februari 1900 de eerste proefstempels afleverde. Deze stempels moesten om technische redenen weer gewijzigd worden, zodat pas in augustus 1900 eindelijk de stempels voor de gulden ontvangen werden en even later die voor de 1/2 gulden. Voor het 10 guldenstuk en de rijksdaalder kwamen de stempels in 1901 en 1902 gereed.

De stempels van het kwartje zijn vervaardigd door J.P.M. Menger, ook naar het ontwerp van P. Pander en door hem geleverd in 1900. In 1901 werd deze stempel iets gewijzigd door J.C.Wienecke.

In 1907 werden voor het eerst de ronde nikkelen stuivers geslagen. De oude kleine zilveren stuivertjes van Willem III zijn in 1908 aan de circulatie onttrokken. Er zijn echter nog geen 14% van het aantal geslagen stukken ingewisseld. Ongeveer 5,5 miljoen stuks van deze zilveren stuivertjes zijn niet ingeleverd. De nieuwe ronde nikkelen stuivers waren bij het volk niet populair. Ze werden vaak spottend 'avondkwartje' genoemd

5 cents 1909 Cupro nikkelen stuiver ook wel avondkwartje genoemd.

 

In 1913 zijn ze dan ook vervangen door vierkante nikkelen stuivers met afgeronde hoeken. De inwisseling van de ronde stuivers was op 1 juli 1916 afgelopen. Van de 14 miljoen geslagen zijn er bijna 12,5 miljoen ingewisseld, terwijl er 200.000 naar West Indië gestuurd waren, zodat er slechts 10 % niet ingeleverd is.

De nieuwe bronzen pasmunt van 2,5 en 1 cent werd bij het publiek soms verwisseld met een gouden tientje en een gouden vijfje; daarom is in 1913 de kleur van deze bronzen munten veranderd van de lichtbruine in een donkerbruine kleur.

 

In het tijdvak 1840 t/m 1940 zijn door 's Rijksmunt in totaal afgeleverd;

     Gouden munten                                                                  Aantal stuks

 

      Zilveren munten                                                                  Aantal stuks

 

       Nikkelen munten                                                                Aantal stuks

     

       Koperen en bronzen munten                                               Aantal stuks

Dit maakt een totaal van 1.950.197.210, dus bijna 2 miljard stuks, met een nominale waarde van ongeveer 0,5 Miljard Euro.

Het drukste jaar met aanmaken van munten is geweest het jaartal 1938.

In de jaren 1814 t/m 1839 komen daar nog 353.391.722 stuks bij met een nominale waarde van ongeveer 105 miljoen Euro.

(Waarvan 135.334.861 stuks in Brussel gemunt zijn), zodat in het Koninkrijk der Nederlanden van 1814 t/m 1940 2.303.588.932  ( lees; 2 miljard, 303 miljoen, 588 duizend, 932)  stuks vervaardigd zijn, niet medegeteld de munten speciaal voor Nederlands Indië aangemunt met een nominale waarde van ongeveer 6 miljard Euro.

Van de guldens en 0,5 guldens zijn er velen naar Nederlands Indië uitgevoerd, zodat sommige jaartallen, hoewel er een groot aantal aangemunt zijn, toch in Nederland schaars zijn.

Nadat in 1922 de guldens van het nieuwe lagere gehalte zilver voor het eerst geslagen waren, zijn op 1 januari 1931 de oude guldens met het hogere gehalte (dat waren dus alle guldens van 1840 t/m 1917) buiten koers gesteld. Tot 31 december 1931 kon men deze guldens inwisselen. Er zijn toen ruim 33 miljoen stuks ingeleverd. Later zijn er daar nog meer bijgekomen.

De rijksdaalders, halve guldens enz. met het hogere gehalte zijn tot 1940 officieel niet ingetrokken. Wel zijn ze stelselmatig door de overheid ingehouden.

 

Tot en met 1940 zijn in Nederland en in Nederlands Indië samen aan deze oude speciën ingehouden;            

      Totaal ongeveer 360 miljoen stuks.

Hetgeen dus nog maar een klein gedeelte is van het aantal vervaardigde stukken. Van 1940 - 1945 zijn nog 1790 stuks Gouden Tientjes ingehouden.