WILLEM  I     1815 - 1840

 

 

Souverein vorst  1813 - 1815     Koning  1815 - 1840

 

Nadat Napoleons veldtocht tegen Rusland mislukt was begon in November 1813 ook hier de opstand, die zijn voltooiing vond na de val van het Franse keizerrijk op 11 april 1814.

Prins Willem VI landde in Scheveningen op 30 november 1813 en werd meteen tot Souverein vorst uitgeroepen.

Bij het verdrag van Londen op 14 juni 1814 werd België verenigd met de Noordelijke Nederlanden tot het koninkrijk der Nederlanden en op 16 maart 1815 werd prins Willem VI door het Congres te Wenen als Koning Willem I op de troon geplaatst, op 27 september 1815 te Brussel gekroond en daarna in Amsterdam ingehuldigd.

Willem I deed in 1840 afstand van de troon ten behoeve van zijn zoon en stierf 12 december 1843 te Berlijn.

 

De munten zijn geslagen volgens de wet van 28 september 1816 tot regeling van het Nederlandse Muntwezen. Tussen 1815 en 1830 waren er 2 munthuizen in het koninkrijk namelijk Utrecht en Brussel.

De franse franc, die in de zuidelijke provincies het voornaamste betaalmiddel was, bleef nog gangbaar voor 47 1/4  cent tot 1825, in dat jaar is deze als betaalmiddel afgeschaft. De dubbele standaard werd tevens vastgesteld met een waardeverhouding tussen goud en zilver van 1: 15,873. Voor de aanmunting van zilveren speciën werden in de eerste jaren uitsluitend oude muntstukken uit de omloop gebruikt. 

Volgens besluit van 8 december 1824 moesten ook in de zuiderlijke provincies alle bedragen in Nederlandse guldens en cents uitgedrukt worden.

Volgens besluit van 10 mei 1826 werd het Nederlandse muntstelsel ook in werking gebracht op Curaçao en onderhorige eilanden en volgens besluit van 15 augustus 1826 ook te Suriname.

Op 27 november 1827 verscheen een besluit waarbij in de maand januari 1828 oude koperen provinciale enz. munten nog ingewisseld konden worden tegen fl. 1,- voor 1 Nederlands pond oude koperen munten. Na de muntwet van 22 maart 1839 zijn de oude provinciale en stedelijke munten ingetrokken en versmolten voor hermunting.

De oude schellingen waren sinds het besluit van 22 november 1823 voor 5 stuivers in omloop geweest. Bij deze wet van 1839 werd de inhoud van het zilvergeld verlaagd en de middellijn verkleind ten einde genoegzaam dikte te verkrijgen om het kantschrift aan te brengen, terwijl er geen 3 gulden stukken meer aangemunt zouden worden, maar 2,5 guldenstukken. Daar na de troonbestijging van Koning Willem II niet dadelijk nieuwe stempels met zijn borstbeeld gereed waren, zijn er in 1841 en 1842 deze rijksdaalders en guldens ook nog geslagen, doch alle met het jaartal 1840.