Oebele Vries vertaalde middeleeuwse teksten in ‘Asega, is het dingtijd?’, 19-01-2007 (P-LC)

Oudfriese recht was het recht van de vrijheid

Van de oudste Friese teksten – voornamelijk beschrijvingen van het middeleeuwse recht – bestonden wel Duitse vertalingen, maar nauwelijks Nederlandse of Friese. Uitgever Steven Sterk vroeg historicus dr. Oebele Vries van de Rijks Universiteit Groningen om de mooiste teksten in hedendaags Nederlands en Fries te vertalen, opdat een breed publiek er kennis van kan nemen. Zijn boek verschijnt onder de intrigerende titel ‘Asega, is het dingtijd?’

In zijn vorig jaar verschenen boek over de geschiedenis van de Nederlandse literatuur tot 1300 - ‘Stemmen op schrift’- maakt Frits van Oostrom een klein uitstapje naar het Oudfriese recht. Daarin prijst hij de bloemrijke taal van de allervroegste Friese rechtsteksten. Geen in juridisch jargon gegoten rechtssysteem, maar gewoonterecht dat na jarenlange mondelinge overlevering zonder abstracties op schrift is gesteld. Hij geeft een aantal voorbeelden van die beeldende taal, met als hoogtepunt het tweede landrecht over de noden van het vaderloze kind. Daarin staan passages, zo roerend, dat Van Oostrom zich afvraagt of ook maar één wetboek ter wereld ze kan evenaren.

Op 7 april 2000 kreeg Oebele Vries een telefoontje van Steven Sterk: “Ik wol datsto in hiel moai boek makkest mei de moaiste Aldfryske wetten en in filosofyske [filologyske?] ynlieding.” Het moest het sluitstuk worden van een aantal klassieke teksten – waaronder de Friese Homerosvertaling van Klaas Bruinsma – dat Sterk met inzet van zijn in de boekhandel verdiende geld wilde uitgeven. Na enige aarzeling heeft Vries de opdracht aanvaard. Hij wist zich bij vertaalarbeid gesteund door rechtshistorica Dieneke Hempenius-van Dijk en frisist Pieter Duijff.

De oudste teksten in het ruim 500 pagina’s omvattende ‘Asega, is het dingtijd?’ zijn omstreeks 1300 opgetekend, maar zijn veelal het resultaat van een eeuwenlange mondelinge overlevering. Sommige teksten gaan vermoedelijk zelfs terug op de Lex Frisionum uit de tijd van Karel de Grote. Deze Frankische keizer liet rond 800 van veertien onderworpen Germaanse volkeren het recht (in het Latijn) optekenen. In afwijking van een aantal omringende volken hanteerden de Friezen toen al een tot in detail uitgewerkt boetesysteem, waarin voor elk vergrijp precies was vastgelegd hoeveel aan schadevergoeding dat de dader moest kosten.

Ook in de vijfhonderd jaar later opgetekende rechtsregels neemt het boetesysteem een belangrijke plaats in.

In het Algemene Boeteregister - een van de 24 teksten die Vries heeft geselecteerd - is te zien hoe gedetailleerd dat systeem was. Het inslaan van iemands schedel, het afbranden van een snor, het aan iemands haar trekken, het veranderen van iemands weergevoeligheid, het zijn allemaal delicten met een vaste, aan het slachtoffer te betalen prijs. In veel gevallen kon de dader onder de straf uitkomen als hij een nader omschreven aantal mannen bereid vond om een onschuldeed af te leggen. Dan ging het niet om getuigen, maar om mannen die tegenover God durfden zweren dat de beschuldigde een betrouwbare man was en dat daarom moest worden geloofd dat hij onschuldig was.

Werd er bij een dergelijke eed vanuit gegaan dat de angst voor Gods oordeel mensen wel van meineed zou afhouden, in andere gevallen werd het oordeel over schuldig of onschuldig aan God zelf overgelaten. Een van de middelen die de rechter daarbij ten dienste stonden, was de ketelproef. De beschuldigde moest daarbij zijn hand in een aan de kerkmuur (boven gewijde grond) gehangen ketel met heet water steken: drie dagen later moest hij de hand tonen aan zijn rechters. Was deze voldoende genezen dan was hij onschuldig en kreeg de tegenpartij een boete voor meineed; zat de hand onder de blaren dan was hij schuldig en moest hij de voorgeschreven boete betalen. Op bepaalde vergrijpen stond onherroepelijk de doodstraf. In andere gevallen voorkwam het boetesysteem vetes die anders meerdere generaties zouden kunnen voortwoekeren. In tegenstelling tot bijvoorbeeld IJsland was het afkopen van bloedwraak in Friesland niet oneervol. Het drukte het aantal doodvonnissen in aanzienlijke mate, maar of het echt rechtvaardiger was, betwijfelt Vries. “De minsken mei jild koene har frijkeapje. Wa’t dat net koe, hong.”

In dezelfde periode werd ook in de omringende gebieden het recht opgetekend. Het grote verschil tussen Friesland en die andere streken is het ontbreken van een feodale adel en het daarmee samenhangende leenrecht. Alleen in de oudste teksten komen door de graaf benoemde schouten (skelta’s) voor als rechtssprekers en asega’s als uitleggers van de procesgang. Daaraan is ook de titel ontleend. ‘Asega, is het dingtijd?’ betekent: ‘Asega, kan de rechtszitting (het geding) beginnen?’ Voor de Friezen ten oosten van de Lauwers neemt de zogenaamde Friese vrijheid al rond 1100 een aanvang, ten westen van de Lauwers onttrekken de Friezen zich rond 1250 aan het gezag van de Hollandse graaf. Bij de eersten heten de rechters voortaan ‘redjeva’, bij de laatsten ‘grietman’.

De Frieslanden bestaan vanaf die tijd uit een hele reeks republiekjes zonder erfelijke heerser waarin ‘de lju’ - in de praktijk waarschijnlijk de grondbezitters - een grietman aanwijzen. Deze had weliswaar ook een bestuurlijke taak, maar was voornamelijk met de rechtspraak belast. Met name ‘De Brookmer Brief’ geeft volgens Oebele Vries een goed inzicht in hoe het recht zonder het centrale gezag van een graaf was geregeld. In die ‘Brookmer Brief’ zijn allerlei regels en voorschriften opgenomen om de macht van de grietman te beperken. Zo wordt hij telkens slechts voor een jaar benoemd en zijn er duidelijk omschreven procedures voor mensen die zich over hem beklagen. Een redjeva die misbruik maakte van zijn ambt, wachtte geen gouden handdruk, maar woesting, dat wil zeggen dat zijn huis werd afgebrand of afgebroken.

Hoewel veel regels uit de graventijd, zoals vastgelegd in de ‘Riustringer Codex’, gedurende de periode van de Friese vrijheid (1250-1498) niet meer van toepassing waren, bleef de status van die geschriften lange tijd onaantastbaar. Naar de overtuiging van de Friezen was hun recht namelijk van goddelijke oorsprong. In de sage van Karel de Grote en de Friese koning Redbad, die volgens Oebele Vries mogelijk is opgesteld als proloog bij het ‘Landrecht van Westergo’, staat beschreven hoe de Friezen aan hun recht zijn gekomen. Toen twaalf asega’s niet in staat bleken een recht voor de Friezen te kiezen, stuurde Karel ze in een schip zonder riemen en roer de zee op. Uiteindelijk worden ze gered door een door God gezonden dertiende asega, die een gouden bijl als roer gebruikt en hun, eenmaal veilig aan land, een nieuw recht onderwijst. Het spreekt voor zich dat die dertiende asega niemand anders dan Christus kan zijn geweest.

Waar de taal voor de Friezen van nu het belangrijkste ideologische wapen is om de eigen identiteit te bevechten, fungeerden het eigen recht en de eigen vrijheid volgens Vries in de late Middeleeuwen als zodanig. Heldensagen, ridderromans, heiligenlevens, van dat alles zijn de Friezen verstoken gebleven in de eigen taal, het enige wat ze wel hadden, waren het eigen recht en de eigen vrijheid. Het is ook die vrijheid die in verschillende teksten is bezongen. Naast de rechtsteksten heeft Oebele Vries ook enkele van die vrijheidsteksten in zijn boek opgenomen. Daarin staat beschreven hoe Karel de Grote, als dank voor hun heldhaftige rol bij de verovering van de Engelenburcht in Rome, alle Friezen voor eeuwig de vrijheid schenkt.

Oebele Vries sluit ‘Asega, is het dingtijd?’ af met ‘de vijftien tekenen voor de dag des oordeels’. Dergelijke religieuze poëzie is, naast de rechtsteksten en de vrijheidszangen, het derde genre dat in de Middeleeuwen in het Fries werd beoefend. Omdat het om bewerkingen van Latijnse teksten gaat, heeft Vries zich wat de religieuze geschriften betreft tot die ene apocalyptische tekst beperkt.

SIETSE DE VRIES

Asega, is het dingtijd? De hoogtepunten van de Oudfriese tekstoverlevering, vertaald en ingeleid door Oebele Vries, met medewerking van Dieneke Hempenius-van Dijk, 535 pagina’s, € 75.

Boarne: Leeuwarder Courant [‘FREED’, culturele bijlage], 19-01-2007, s. 1

<< Werom nei 'Poadium 2007'