Deze week beginnen we te lezen uit het boek Wajikra: "Hij riep." Zoals bij alle andere boeken van de Tora en parasjiot wordt ook deze naam aan het kenmerkende beginwoord ontleend. Wajikra heet in het Nederlands Leviticus, wat in het Grieks 'over de Levieten' betekent. De rabbijnen noemen dit boek Torat Kohaniem, de 'lessen van de priesters'. Beide benamingen zijn ontleend aan het hoofdthema van dit boek: offers en andere zaken die te maken hebben met de eredienst van de Joden. In feite is dit boek een handleiding voor de Kohanim (priesters) en de Levieten (leden van de stam Levi), die bij de Israëlieten verantwoordelijk waren voor het Heiligdom en om de offerdiensten te leiden. Wajikra maakt ons bekend met de diverse soorten offers: zo is er de Olah "een vuuroffer"; de Mincha "een meeloffer"; Zewach Sjelamiem "een vredesoffer"; de Chataat "een boeteoffer" en de Asjam "een zoenoffer".

Je kan je afvragen waarom moest er geofferd worden. Eigenlijk is offeren iets heidens. In het verre verleden heeft Maimonides daarvoor de volgende uitleg gegeven. In zijn Moré Newoechim (Gids der verdoolden) stelt hij dat het offeren eigenlijk een tegemoetkoming was van G'd aan de Israelieten. Zij waren het vanuit de slavernij in Egypte gewend om te offeren en G'd wilde niet gelijk het roer omgooien. Daarom werd het offeren opgenomen in de diensten.
De tweede uitleg is dat het gebaar van het offer veel meer is dan alleen het offer zelf. Je moet namelijk iets weggeven wat van jou is. Zelfs het onbeduidendste offer, in alle oprechtheid gebracht, is aanvaardbaarder dan een dat overdadig is, maar van dubieuze herkomst of twijfelachtig van intentie. Het is de achterliggende gedachte die telt. En last but not least moet je niet alleen een offer geven, maar ook jezelf. Daar gaat het om. Na de verwoesting van de tweede tempel vindt het offeren in de letterlijk zin van het woord niet meer plaats. De bedoeling daarachter wel. We blijven nu onszelf geven in plaats van stoffelijke offers als onderdeel van de dienst.

In het laatste deel van Sjemot hebben we gelezen dat de Misjkan (het heiligdom) gereed is gekomen. Het huis was klaar, maar hoe nu verder? Een woning wordt pas een thuis als er mensen in komen wonen. Maar dan met name zich thuis voelen in de woning. Wanneer voel je je ergens thuis? Is daar wel een definitie voor te vinden. Je zou kunnen zeggen dat je je ergens thuis voelt als je jezelf vrijelijk zonder beperking en geremdheid kan bewegen. Als dat in een huis van een ander is dan voel je je een gewenste gast. Zo hoort het tenminste. Ook onze Sjoel is een huis. Een huis van samenkomst. Vreemden die niet tot de vaste kern van de kehilla behoren, behoren hier met open armen en gastvrij te worden ontvangen.

Ik krijg nog wel eens de vraag of er een plaats is voor Masorti kehillot naast de al bestaande LJG en NIG Kehillot. Deze vraag kan niet met een simpel ja of nee beantwoord worden. Men zoekt een huis waar men zich het beste thuis voelt. Het is onze plicht, onze opdracht, om daaraan bij te dragen. Een paar weken geleden hadden Joe en ik een gesprek met Awraham Soetendorp. Hij vertelde dat hij, ter wille van een vriend van hem, eens een eredienst bezocht in de sjoel in de Jacob Obrechtstraat in Amsterdam. Men negeerde hem en heeft hem zeker niet gastvrij ontvangen. En dat voor een man die zo ontzettend veel voor de gehele Joodse gemeenschap in Nederland betekent heeft en nog betekent. Dat steekt en ik begrijp dat dus niet. Alleen omdat hij een liberale jood is. Wie zijn wij om daarover te oordelen. Wij moeten juist ons huis voor iedereen openstellen en het is onze plicht om iedereen zich thuis te laten voelen in ons huis.

In onze kleine kehilla, zoals wij hier nu zitten, durf ik te beweren dat wij deze plicht wel serieus nemen. Ik begrijp ook van mensen die onze dienst voor de eerste keer bezocht hebben dat zij zich uitermate thuis hebben gevoeld. Aan de andere kant is het natuurlijk ook zo dat mensen die gastvrij behandeld worden zich ook als goede gasten dienen te gedragen. Het is een wisselwerking. Als die wisselwerking er niet is dan ontstaan er wrijvingen. Je ziet het terug in het Nederland van tegenwoordig. Je krijgt dan een kip en het ei discussie. En de discussie die tegenwoordig gevoerd wordt bevordert geen oplossing. Het bevordert slechts het wij en het zij gevoel. Door de acties van een enkeling wordt een hele groep aangesproken. Ik blijf echter beweren dat alles begint met een gastvrije ontvangst, het jezelf thuis kunnen voelen in een nieuwe omgeving.

Terug naar Torat Kohaniem, de 'lessen van de priesters'. Om de diensten goed georganiseerd te laten verlopen is Aharon, de broer van Mosjé, gewijd tot Kohen gadol, hoge priester. Aharon en zijn zonen, want er was bepaalt dat het priesterschap langs de vaderlijn werd doorgegeven, waren uitgekozen om deze belangrijke en erfelijke taak van het religieus leiderschap te vervullen. Niet tot meerdere glorie van zichzelf maar ten dienste van het volk ofwel de gemeenschap.

Twee Kohaniem zijn altijd in ons midden. Vader en zoon. De zoon heeft een heel duidelijke rol tijdens de diensten. Als Gabbai, degene die alles coördineert tijdens de Sjoeldienst. De vader vervult tijdens de dienst geen vooraanstaande rol. Toch wil dat niet zeggen dat hij geen rol heeft. Integendeel. Het religieus leiderschap berust voor een groot gedeelte op zijn schouders. Als voorzitter van Masorti Almere en adviseur voor Masorti Nederland trekt hij voor het grootste gedeelte de kar. Een groot gedeelte van zijn dagtaak staat volgens mij in het teken van onze kehilla en in het teken van toekomstige kehillot. Ik denk dat ik zeker namens alle leden praat als ik zeg dat we blij zijn met zijn grote ervaring en inbreng. Bernhard, dank voor wat je allemaal tot nu toe voor ons gedaan hebt en bij voorbaat dank voor alle dingen die je ongetwijfeld nog voor ons zult gaan doen. Ik hoop dat je tot in lengte van dagen in goede gezondheid in staat zult zijn om onze kehilla te leiden. Ik spreek tevens de wens uit dat iedereen die ons gastvrije huis bezoekt hier in goede gezondheid getuige van mogen zijn. Omijn.

Sjabbat sjalom.
Alex Waterman.