Kollumer Oproer


Naar de Homepage

In de Franse tijd stonden Patriotten en Prinsgezinden soms fel tegen over elkaar. Dat was ook al zo voordat de Fransen ons land introkken. In het jaar 1797 bleek, dat de Oranjeliefde nog sterk leefde onder het gewone volk. Het kwam tot een uitbarsting, die bekend staat als het Kollumer Oproer. In de gemeente Kollumerland ontstonden onregelmatigheden. Op woensdag 18 januari 1797 werden de bewoners van Kollumerzwaag opgeroepen om na te gaan wie van hen geschikt waren voor de "burgerwapening". En op zaterdag 28 januari werd de bevolking van Burum opgeroepen. Onder hen was ook ene Abele Reitzes, de zoon van de weduwe van Reitze Abels. Toen Abele uit Kollum terug kwam, riep hij "Oranje Boven". Daarop werd hij in de nacht van 2 op 3 februari gevangen genomen. Eerst werd hij vastgezet in het Rechthuis te Kollum met het doel hem later over te brengen naar het blokhuis te Leeuwarden. De arrestatie van Abele was de druppel die de emmer deed overlopen. Uit het westen van de gemeente kwamen velen naar Kollum om Abele te bevrijden. Onderweg naar Kollum werden al enige huizen in brand gestoken. De mannen waren bewapend met zeisen, snoeimessen, sikkels, en alles wat maar kon dienen om de tegenstanders schrik aan te jagen. De kamer van de secretaris werd bezet. De secretaris werd gedwongen een verklaring te tekenen dat niemand deze daad met enig leed zou moeten betalen. Ook werd Abele Reitzes onder dwang vrij gelaten. Ondertussen werd echter het gezag in Leeuwarden gewaarschuwd. Er werd versterking gestuurd en een aantal oproerkraaiers werd gevangen gezet in de kerk, waaronder Jan Binnes van Oudwoude. De volgende dag kwamen aanhangers van deze Jan Binnes weer in grote getale naar Kollum. Aangevuld met mensen uit de Dongeradelen en Burum werden de troepen van de patriotten uit Kollum verdreven. Een detachement ruiters met friese paarden en twee veldstukken werd naar Kollum en omgeving gestuurd en de rust keerde weer. De volgende dagen werden in geheel noord en noordoost-friesland rebellen gevangen genomen. Er werden zware straffen opgelegd aan 168 gevangen genomen Prinsgezinden. Jan Binnes en (later) Salomon Levy werden ter dood gebracht, terwijl anderen hoge boetes kregen opgelegd.


Achtergrond

Naar de Homepage

Met de komst van de Fransen in 1795 koos Willem V, prins van Oranje, het hazenpad. In Friesland werden Oranjes aristocratische zetbazen afgezet en namen gematigde patriotten het roer over. Meestal waren dat gezeten burgers, protestants en vaak academisch geschoold. Denk maar aan kooplui, predikanten, artsen en juristen. Hun bewind keerde zich tegen een bijltjesdag, kwam op voor behoud van de rechtsstaat en wilde de oude federale structuur van de republiek intact laten. Het steunde op de meerderheid van de bevolking, maar slaagde er niet in de goed georganiseerde radicaal-patriotse oppositie te breken. Die radicalen kregen het voor het zeggen en zetten ook het Leeuwarder en wat andere stadsbesturen naar hun hand. Ze wilden oud-regenten hard aanpakken en waren zogezegd voor een democratische eenheidsstaat. In het eerste jaar van de Bataafse vrijheid was hun belangrijkste wapenfeit de vernieling van de Oranje-graftombes in de Grote Kerk van Leeuwarden. Zelfs de doodskisten haalden ze omhoog en de lijken eruit. En ze dansten vrolijk de carmagnole rond de knekels en schedels.

Het waren deze mensen, die op de punt van de bajonet de macht in Friesland overnamen. Er kwamen grootscheepse zuiveringen van lokale machthebbers en ambtenaren, maar ook verloren duizenden Friezen hun stemrecht, omdat ze zich niet openlijk wilden distantiëren van Oranje, aristocratie en eenhoofdig bestuur. Uitgesloten werden vooral de wat meer orthodoxe protestanten, zodat de katholieke minderheid een onevenredig grote invloed kreeg. Qua draagvlak en in sociaal-economisch opzicht stelde de bovendrijvende groep veel minder voor dan het vorige bewind. Ze bestond uit tamelijk ongeletterde ambachtslui en kleine ondernemers, zoals Douwe Egberts uit Joure, nu nog bekend van de koffie, thee en tabak.

Maar de revolutie was een repeterende breuk, en de Friese radicalen raakten ook weer verdeeld in fracties. Zo'n beetje al hun instituties lagen met elkaar overhoop. Het Kollumer oproer van 1797, een spontane orangistische volksopstand die zo'n dertig mensen het leven kostte, bracht nog tijdelijk eendracht, maar daarna krakeelden de radicalen onverdroten voort. En dus maakten ze ook weinig klaar. Uiteindelijk werden ze uit hun eeuwige gekissebis verlost door hun geestverwanten die in Den Haag de macht overnamen in 1798. In de nieuwe, centralistische staatsorde bleek er geen plaats voor anti-Hollandse provincialisten. Wel weer voor gematigde krachten, die een proces van politieke verzoening op gang brachten. Mannen van aanzien, vrijwel uitsluitend vermogende protestanten, kwamen opnieuw aan de macht. Het was gedaan met de burgerclubs en de lokale milities. De radicalen verdwenen in de anonimiteit, al dankten sommige nog een baan als stadsomroeper of belastinginspecteur aan de revolutie.

De Friese radicalen, het waren Jakobijnen zonder guillotine, maar met tal van nare trekjes. Macht ging ze duidelijk boven ideologie. Hun nationale eenheidsleuzen bleken vooral propaganda en hun 'algemene volkswil' kwam neer op de wil van de eigen aanhang. Ze waren tegen politieke besluitvorming in het verborgene, maar conspireerden er zelf lustig op los. Ze bleken net zo nepotistisch als de afgezette oranje-regenten en nog antisemitisch op de koop toe. Persvrijheid en briefgeheim, daar hadden ze lak aan. In de antipropaganda is er zelfs sprake van het “moedernaakt uitkleden van getrouwde vrouwen”. Waardoor hun regime wel betiteld is als schrikbewind.



Uit: 'Een revolutie ontrafeld; politiek in Friesland 1795 - 1798'. Uitgeverij Van Wijnen, Franeker, 652 pagina's, € 32,50



Terug naar de Informatie-site Terug naar het begin